Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/10.4.3
10.4.3 Regels die gelden ‘tussen de rechtspersoon en bij zijn organisatie betrokkenen als zodanig’
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS370900:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Rotterdam 25 november 1999, JOR 2000/51.
Huizink, Rechtspersonen, art. 2:8 BW, aant. 7 (2010).
Uit r.o. 3.10 van HR 16 februari 2007, NJ 2007/256, m.nt. J.M.M. Maeijer (Tuin Beheer) blijkt echter dat de Hoge Raad deze grens niet strak trekt, terwijl ook de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 en 6:248 BW van toepassing kan zijn.
Vgl. Huizink, Rechtspersonen, art. 2:8 BW, aant. 6 (2010). In vergelijkbare zin de conclusie van A-G Timmerman bij de Inter Access-beschikking waarin hij de Versatel II-beschikking afleidt dat de ondernemingskamer van dwingend recht kan afwijken bij het toekennen van bevoegdheden aan organen.
Uit de tekst van art. 2:8 lid 2 BW blijkt dat kan worden afgeweken van de tussen ‘hen’ ‘als zodanig’ geldende regels. Wie met ‘hen’ wordt bedoeld, blijkt uit het eerste lid van art. 2:8 BW: de rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie zijn betrokken.1 Uit de wetsgeschiedenis2 van art. 2:8 BW blijkt dat de wetgever met de woorden ‘als zodanig’ tot uitdrukking heeft willen brengen dat art. 2:8 BW alleen kan gelden voor handelingen binnen de sfeer van de rechtspersoon.3
Art. 2:8 lid 2 BW biedt derhalve geen grondslag voor afwijking van wettelijke regels die geen deel uitmaken van de deelrechtsorde en kan derhalve in beginsel enkel worden toegepast op het dwingende recht van Boek 2 BW.4