Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.6.3.1
9.6.3.1 Het wettelijk system
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192532:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook uitgebreid: Tollenaar 2016, §6.14.
Dat blijkt in de eerste plaats uit de tekst van §1129(b)(1) BC: “[T]he court, on request of the proponent of the plan, shall confirm the plan notwithstanding the requirements of such paragraph if the plan does not discriminate unfairly, and is fair and equitable, with respect to each class of claims or interests that is impaired under, and has not accepted, the plan” (onderstreping AM). Zie ook Congressional Record, House 28 september 21978, p. 32 407: “(…) this alternative confirmation standard, referred to as “cram down,” will be called into play only on the request of the proponent of the plan. Under this cram down test, the court must confirm the plan if the plan does not discriminate unfairly, and is “fair and equitable,” with respect to each class of claims or interests that is impaired under, and has not accepted, the plan” (onderstrepingen AM). Indien het akkoord niet aan deze twee standaarden voldoet, mag de rechter het akkoord niet wijzigen, maar dient hij homologatie te weigeren. Zie Klee 1979, p. 140, voetnoot 64.
§1129(b)(1) BC.
Klee 1979, p. 141; Baird 2014, p. 73.
Omdat de diverse voorwaarden voor cross class cram down naar Amerikaans recht nogal eens onder de noemer ‘absolute priority rule’ worden geschaard, onderscheidt Tollenaar de absolute priority rule in enge en in ruime zin, vgl. Tollenaar 2017a, §2.6. Onder de APR verstaat hij dan alle voorwaarden voor cram down gezamenlijk, dat wil zeggen de no unfair discrimination test, de no more than 100% rule en de absolute priority rule in strikte zin.
Klee 1979, p. 142; Markell 2016, p. 102-103. Zie ook Congressional Record, House 28 september 21978, p. 32407: “Although many of the factors interpreting “fair and equitable” are specified in paragraph (2), others, which were explicated in the description of section 1129(b) in the House report, were omitted from the House amendment to avoid statutory complexity and because they would undoubtedly be found by a court to be fundamental to “fair and equitable” treatment of a dissenting class.”
Zie over de historische ontwikkeling van de APR uitgebreid: Baird 2014, p. 63-70; Skeel 2001, p. 66-69, 124-126 en 233-235. Skeel zet in zijn boek uiteen dat de gedachte dat de absolute priority rule al werd gerespecteerd ten tijde van de railroad receiverships in de 19e eeuw, onjuist is. Zie daarover ook: Baird 2010.
Zie daarover §3.4.3.2.
In re Northern Pacific Railway Co v. Boyd (1913) 228 U.S. 482. Zie uitgebreider over de feitelijke toedracht van Boyd: Baird 2014, p. 65-67.
Skeel 2001, p. 67.
“This conclusion does not, as claimed, require the impossible, and make it necessary to pay an unsecured creditor in cash as a condition of stockholders retaining an interest in the reorganized company. His interest can be preserved by the issuance, on equitable terms, of income bonds or preferred stock. If he declines a fair offer, he is left to protect himself as any other creditor of a judgment debtor, and, having refused to come into a just reorganization, could not thereafter be heard in a court of equity to attack it. If, however, no such tender was made and kept good, he retains the right to subject the interest of the old stockholders in the property to the payment of his debt. If their interest is valueless, he gets nothing. If it be valuable, he merely subjects that which the law had originally and continuously made liable for the payment of corporate liabilities.” In re Northern Pacific Railway Co v. Boyd (1913) 228 U.S. 482.
Skeel 2001, p. 67-68.
Zie bijvoorbeeld Bonbright & Bergerman 1928; Douglas & Frank 1933; Frank 1933; Friendly 1934; Swaine 1927.
Zie daarover Bonbright & Bergerman 1928; Gilchrist 1941.
Reeds in Boyd repte de Supreme Court van een “fixed principle” dat moest worden nageleefd. Wat dat fixed principle precies inhield was niet helemaal duidelijk tot aan Case.
In re Case v. Los Angeles Lumber Products Co., Ltd., 308 U.S. 106 (1939). De respectievelijk in 1933 en 1934 ingevoerde s77 en 77B Bankruptcy Act 1898 bepaalden dat een rechter een ‘reorganisation plan’ kon homologeren wanneer het plan – onder meer – “fair and equitable” was. De fair and equitable-standaard keerde ook in de opvolgers van s77 en 77B terug, in het in ingevoerde s221(2) van Chapter X. Ook de reorganisaties die op basis van equity receivership geschiedden, ging de rechter na of een plan ‘fair and equitable’ was. Zie hierover uitgebreid: Gilchrist 1941.
Baird 2014, p. 68-70.
In re Case v. Los Angeles Lumber Products Co., Ltd., 308 U.S. 106 (1939).
Zoals vervat in §1129(a) BC.
Warren 1991, p. 38-39
Bankruptcy Commission of the United States, ‘Report of the Commission on the Bankruptcy Laws of the United States’ H.R. Doc. 137, 93d Cong. 1st Session (1973), 256; Markell 1991.
Klee 1979, p. 141.
− De unfair discrimination-toets en de ‘fair and equitable-standaard
547. Een Chapter 11-plan kan ondanks het feit dat één of meer klassen tegenstemden gehomologeerd worden op grond van §1129(b) BC.1 De Amerikanen noemen de binding van een tegenstemmende klasse de cram down. Zoals besproken in §1.8 heb ik de term ‘cram down’ gereserveerd voor de situatie waarin een minderheid binnen een klasse wordt gebonden aan de meerderheidsopvatting. Wanneer een klasse die bij meerderheid tegenstemde wordt gebonden aan een akkoord, spreek ik van een ‘cross class cram down’. Een plan dat op die manier tot stand komt, wordt in de Amerikaanse doctrine ook wel een ‘nonconsensual plan’ genoemd. Onder een ‘consensual plan’ wordt verstaan een plan dat binnen elke klasse de vereiste meerderheid heeft gekregen.
Indien de aanbieder van het akkoord een daartoe strekkend verzoek doet, zal de Amerikaanse rechter een akkoord dat niet door alle klassen is aanvaard, homologeren indien het aan twee standaarden voldoet. De rechter heeft hier geen discretionaire bevoegdheid.2 Ten eerste mag er geen sprake zijn van ‘unfair discrimination’ en ten tweede dient het plan ‘fair and equitable’ te zijn.3 Beide standaarden strekken ertoe de rechten van de tegenstemmende klasse als geheel te beschermen, het zijn zogenaamde ‘class rights’.4 Slechts tegenstemmende klassen kunnen op de bescherming van deze class rights rekenen. Vermogensverschaffers die tegen het plan stemden, maar overstemd werden binnen hun klasse, kunnen de bescherming van §1129(b) BC dus niet inroepen.
Het concept van unfair discrimination ziet op horizontale verhoudingen: de ongelijke behandeling van klassen van dezelfde rang. Dit vereiste kwam aan bod bij de bespreking van ongelijke behandeling in het akkoord. Er kunnen objectieve gronden bestaan die deze vorm van ongelijke behandeling rechtvaardigen. Op deze plaats volsta ik met een verwijzing naar §7.5.1.2. Deze paragraaf is verder volledig gewijd aan de fair and equitable-standaard.
Deze standaard bestaat uit diverse deelregels. Zo bevat §1129(b)(2)(A) BC speciale voorwaarden voor de cross class cram down van een zekerheidsgerechtigde klasse. In §1129(b)(2)(B) en (C) BC is de fameuze absolute priority rule gecodificeerd. Samengevat en enigszins gechargeerd houdt deze regel in dat het akkoord geen waarde mag toekennen aan een junior klasse, indien een tegenstemmende klasse met een hogere rang niet volledig is voldaan.5 Anderzijds mag geen enkele klasse op basis van het akkoord meer dan 100% van zijn vordering voldaan krijgen. Deze fundamentele regel is echter niet terug te vinden in de tekst van de Bankruptcy code.6 De absolute priority rule ziet – anders dan de unfair discrimination-test – op verticale verhoudingen, de verhouding tussen klassen van verschillende rang.
− De historische ontwikkeling van de absolute priority rule
548. De wortels van de absolute priority rule liggen in de zaak North Pacific Railway Co v. Boyd, daterend uit 1913.7 In die tijd bestond er nog geen wettelijke akkoordprocedure, maar werd er gereorganiseerd door middel van het in nr. 76 besproken ‘equity receivership’.8 Boyd, een concurrente crediteur kreeg geen waarde toegekend in de gereorganiseerde spoorwegonderneming, terwijl de aandeelhouders wel aandeelhouders bleven. De Supreme Court beoordeelt de verkoop als ongeldig: “[I]f purposely or unintentionally a single creditor was not paid or provided for in the reorganization, he could assert his superior rights against the subordinate interests of the old stockholders in the property transferred to the new company.”9 Deze uitkomst viel slecht bij de advocaten die zich bezig hielden met reorganisaties via equity receiverships. De inmiddels gangbaar geworden praktijk in dergelijke zaken bestond eruit de financiers en de oude aandeelhouders een belang in de gereorganiseerde onderneming te geven, terwijl concurrente crediteuren niets ontvingen. De aandeelhouders ontvingen aandelen in ruil voor het nieuwe kapitaal dat zij verschaften. Deze route werd op het eerste oog afgesneden door Boyd, hetgeen het vonnis op de kwalificatie van “a veritable demon incarnate” kwam te staan.10
De Supreme Court liet in Boyd echter ruimte bestaan voor de voortgezette betrokkenheid van de aandeelhouder. Aandeelhouders zouden een belang kunnen houden wanneer zij op basis van “equitable terms” nieuw uitgegeven aandelen zouden verkrijgen.11 Advocaten bedachten vervolgens een oplossing. Zij boden concurrente crediteuren de mogelijkheid om een belang te behouden in de gereorganiseerde onderneming, mits zij daarvoor een vergoeding betaalden. Rechters gingen akkoord met deze “Boyd decree”. Op deze manier hoefden de receivers de concurrente crediteuren niet uit te betalen, sterker nog: met deze constructie werd er extra geld opgehaald voor de onderneming!12
Boyd leidde niet alleen tot opschudding in de praktijk, maar lokte ook de nodige discussie uit in de literatuur over de vraag of in geval van reorganisaties absolute of relatieve prioriteit als uitgangspunt had te gelden.13 In de rechtspraak was geen heldere lijn te ontwaren.14 In 1938 volgde echter duidelijkheid doordat de Supreme Court in Case v. Los Angeles Lumber Products absolute priority als een “fixed principle of reorganization law” bestempelde.15 De relative priority rule verdween van het toneel en de absolute priority rule werd zo een van de criteria waaraan een akkoord moest voldoen, wilde het fair and equitable zijn.16 De regel werd strikt toegepast. In alle akkoorden moest het akkoord de wettelijke rangorde respecteren en elke individuele crediteur kon zich op de absolute priority rule beroepen.17 Bovendien werd in Los Angeles Lumber de regel geformuleerd die later onder de naam ‘new value exception’ bekend kwam te staan: “(…) where the debtor is insolvent, the stockholder’s participation must be based on a contribution in money or in money’s worth, reasonably equivalent in view of all the circumstances to the participation of the stockholder.”18
549. De Bankruptcy Act van 1978 veranderde de rol van de absolute priority rule. Sinds 1978 toetst de rechter slechts of het akkoord aan de fair and equitable-standaard voldoet, wanneer één of meer klassen tegen het plan stemden. Als bijvoorbeeld alle klassen bij meerderheid instemmen met een akkoord waarin afgeweken wordt van de wettelijke rangorde, is dat akkoord homologabel, mits aan de algemene homologatiecriteria19 is voldaan. De koerswijziging van 1978 heeft tot gevolg dat individuele vermogensverschaffers die tegen een plan stemden maar binnen hun klasse werden overstemd, niet beschermd worden door de fair and equitable-standaard. Omdat deze standaarden class rights behelzen, kunnen de individuele tegenstemmers daar geen bescherming aan ontlenen. Deze individuele crediteuren zijn dus voor hun bescherming aangewezen op de in §1129(a) BC vervatte algemene homologatiecriteria, waaronder de ‘best interests’-test.20 De wetgever koos bewust voor deze versoepeling, omdat het strikt handhaven van de absolute priority rule tot veel onnodige procedures leidde. Toepassing van de absolute priority rule gaat immers gepaard met zeer complexe waarderingsdiscussies. De nieuwe wettelijke regeling zou partijen ertoe aanzetten tot een consensueel akkoord te komen. 21
Omdat de ‘fair and equitable’-standaard slechts van toepassing is op tegenstemmende klassen, gaat de rechter slechts na of ten aanzien van díe klasse aan de voorwaarden van §1129(b) BC is voldaan. De rechter toetst dus niet of het akkoord als geheel deze toets doorstaat. Een tegenstemmende klasse kan dus niet met succes klagen over het feit dat hoger gerangschikte klassen onderling bij meerderheidsbesluit van de rangorde zijn afgeweken.22