Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.6.2.2
4.6.2.2 Ontwikkeling leerstuk ‘recht’ in de zin van artikel 79 RO
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499508:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 maart 1990, LJN ZC4258, NJ 1991, 118 m.nt. M.S. (Leidraad-arrest). De Hoge Raad komt in dit arrest terug op eerdere rechtspraak (HR 19 juni 1985, rov. 4.5, LJN AC8934, NJ 1986, 104 m.nt. E.A. Alkema) op grond van de steeds gewichtiger rol van beleidsregels en de daarmee samenhangende behoefte aan eenvormige interpretatie van en zekerheid omtrent inhoud en strekking van beleidsregels.
HR 28 juni 1996, NJ 1997, 495, m.nt. H.J. Snijders (De nieuwe Woning/Staat).
Het ging hierbij om een bepaling terzake de verplichting van het zenden van een kopie van een verzoek om de zaak vervroegd op de rol te plaatsen aan de procureur van wederpartij, hetgeen was nagelaten. Zowel het incidenteel vonnis als het eindvonnis in deze zaak werden door de Hoge Raad vernietigd.
Zie hierover ook: Teuben 2004, p. 61.
Snijders merkt hierover, onder verwijzing naar een rede van toenmalig president van de Hoge Raad S.K. Martens in 1997, op dat het niet zeker is of deze orgaan-eis in de toekomstige jurisprudentie van de Hoge Raad zal blijven bestaan. Snijders 2000, p. 26. Hij pleit zelf voor de handhaving van een dergelijke voorwaarde omdat het vaststellen van regelgeving in de zin van recht door privaatrechtelijke verenigingen wel erg ver gaat.
HR 1 november 1991, LJN ZC0400, NJ 1992, 30.
Sedert maart 2012 ressorteert de werkgroep alimentatienormen onder het landelijk overleg voorzitters familie- en jeugdsectoren (LOVF) rechtbanken en het LOVF hoven. Deze transitie naar een zogenoemde expertgroep heeft plaatsgevonden na uitgebreid overleg. Tussen het LOVF en de expertgroep zijn afspraken gemaakt over de taakverdeling tussen de expertgroep en het LOVF. Deze hebben met name betrekking op het feit dat de expertgroep verantwoordelijk blijft voor de inhoud van de Tremanormen. Een en ander is vastgelegd in een overeenkomst tussen partijen. Ik zou menen dat deze overgang geen invloed zal hebben op het standpunt van de Hoge Raad, omdat ook het LOVF heeft te gelden dat dit geen orgaan van openbaar bestuur is dat regels vaststelt met het oog op de uitoefening van eigen beleid.
Zie hieromtrent ook: Dijksterhuis 2008a, p. 8 en p. 80 en Teuben, 2004 p. 101.
Deze conclusie trekt de onderzoeker op basis van interviews met betrokkenen: Dijksterhuis 2008a, p. 80. Ook Teuben vermeldt de mogelijkheid dat de mogelijke toestroom van zaken de Hoge Raad ertoe heeft gebracht zich op het standpunt te stellen dat de Tremanormen niet kunnen worden gekwalificeerd als recht in de zin van art. 79 lid 1 onder b RO: Teuben 2004, p. 101. Soortgelijk: A-G Bakels in diens conclusie voor HR 3 april 1998, LJN ZC2621, NJ 1998, 571 inzake het Liquidatietarief: bij het bereiken van de conclusie heeft meegewogen ‘dat vermeden dient te worden dat de Hoge Raad wordt overstroomd met een vloedgolf van klachten over kostenberekeningen’.
In het zogenoemde Leidraad-arrest opende de Hoge Raad in 1990 de mogelijkheid om ook regels zonder wettelijke grondslag (kenmerk van de toenmalige beleidsregels van bestuursorganen en de huidige rechtersregelingen) te controleren op toepassing en uitleg door lagere rechters.1 De vereisten die de Hoge Raad aan beleidsregels stelde, teneinde als recht in de zin van (toen) artikel 99 RO te worden beschouwd (en daarmee ook als rechtsregel te kunnen worden getoetst) zijn (rov. 4.6):
De regel is door het bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid vastgesteld;
De regel heeft betrekking op de uitvoering van het beleid van het bestuursorgaan;
De regel bindt het bestuursorgaan op grond van enig algemeen beginsel van bestuur (ook al is geen sprake van een algemeen verbindend voorschrift omdat de regel niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid is gegeven);
De regel leent zich naar inhoud en strekking om door de daarbij betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast;
De regel dient behoorlijk te zijn bekendgemaakt.
Vervolgens heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Rolrichtlijnen-arrest,2 de stap naar kwalificatie van een rechtersregeling als recht in de zin van het toenmalige artikel 99 lid 2 RO gemaakt. Dit arrest heeft betrekking op de toepassing door een lagere rechter van een formele, lokale rechtersregeling (het rolreglement van rechtbank ’s-Gravenhage), waarbij de Hoge Raad oordeelde dat de lagere rechter deze regeling in casu niet juist had toegepast.3 In het Rolrichtlijnen-arrest heeft de Hoge Raad algemene vereisten geformuleerd, waaraan een rechtersregeling moet voldoen, wil sprake zijn van recht in de zin van het toenmalige artikel 99 RO (rov. 3.2):
De regel bindt de rechter op grond van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging (ook al is geen sprake van een algemeen verbindend voorschrift omdat de regel niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid is gegeven);
De regel leent zich naar inhoud en strekking om door de daarbij betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast;
De regel dient behoorlijk te zijn bekendgemaakt.
Deze voorwaarden, die tot op heden door de Hoge Raad worden gevolgd bij de beoordeling of een rechtersregeling kan worden beschouwd als recht in de zin van het huidige artikel 79 lid 1 onder b RO, lijken veel op de hiervoor vermelde vereisten die in het Leidraad-arrest werden gesteld aan beleidsregels. Er is echter een opmerkelijk verschil: voor beleidsregels heeft te gelden dat deze moeten zijn vastgesteld door een bestuursorgaan binnen zijn bestuursbevoegdheid en bovendien dient de regel betrekking te hebben op de uitvoering van het beleid van dat bestuursorgaan.4 In het Rolrichtlijnen-arrest formuleert de Hoge Raad geen algemene bevoegdheidsvereisten voor rechtersregelingen.
Dit is in zekere zin niet zo vreemd, nu de bevoegdheid tot het vaststellen van rechtersregelingen, en de onderwerpen waar rechtersregelingen betrekking op hebben, niet wettelijk geregeld is. In latere rechtspraak inzake specifieke rechtersregelingen die het tot een beoordeling in hoogste instantie hebben gebracht, heeft de Hoge Raad uiteindelijk wel een algemene voorwaarde geformuleerd, die tot gevolg heeft dat niet iedere rechtersregeling zich kwalificeert als recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO. Ingevolge inmiddels vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden rechtersregelingen die zijn vastgesteld door een ander orgaan dan de gerechten zelf niet als zodanig beschouwd.5 Ten aanzien van het rapport alimentatienormen bepaalde de Hoge Raad in 1991 dat deze geen recht vormen in de zin van het huidige artikel 79 lid 1 onder b RO6 en baseerde dit oordeel hierop dat het in het rapport alimentatienormen ‘niet gaat het om regels die zijn vastgesteld door een orgaan van openbaar bestuur met het oog op de uitoefening van het eigen beleid, maar om richtlijnen die genoemde Vereniging (de NVvR: MM),7 een privaatrechtelijke instelling, aanbeveelt ten gebruike door rechterlijke instellingen die zich met de vaststelling van alimentatie inhouden’.8 Dijksterhuis noemt als achtergrond voor de terughoudendheid van de Hoge Raad op het gebied van alimentatienormen dat de Hoge Raad geen capaciteit voor dergelijke zaken beschikbaar heeft en dat het om feitelijke, kwantitatieve beslissingen gaat.9 Los van de redenen die de Hoge Raad mogelijk heeft gehad om de Tremanormen niet als recht in de zin van 79 lid 1 onder b RO te kwalificeren, heeft ook voor andere privaatrechtelijke rechtersregelingen, die door (werkgroepen of commissies van) privaatrechtelijke organen zoals de NVvR zijn vastgesteld (zoals de aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters, het rapport Voorwerk II) te gelden dat deze niet als ‘recht’ zoals in het voorgaande besproken worden beschouwd.