Procestaal: Engels.
HvJ EU, 25-11-2020, nr. C-823/18 P
ECLI:EU:C:2020:955
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
25-11-2020
- Magistraten
A. Arabadjiev, K. Lenaerts, A. Kumin, T. von Danwitz, P. G. Xuereb
- Zaaknummer
C-823/18 P
- Conclusie
G. Pitruzzella
- Roepnaam
Commissie/GEA Group
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2020:955, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 25‑11‑2020
ECLI:EU:C:2020:426, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑06‑2020
Uitspraak 25‑11‑2020
Inhoudsindicatie
‘Hogere voorziening — Mededingingsregelingen — Europese markten van hittestabilisatoren op basis van tin, geëpoxideerde sojaoliën en esters — Vaststelling van de prijzen, verdeling van de markten en uitwisseling van commercieel gevoelige informatie — Toepassing van het maximum van 10 % van de omzet op een van de entiteiten waaruit de onderneming bestaat — Nietigverklaring van het besluit tot wijziging van de boete die is opgelegd in de aanvankelijke beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld — Geldboeten — Begrip ‘onderneming’ — Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de geldboete — Gelijkheidsbeginsel — Datum van opeisbaarheid van de geldboete in geval van wijziging’
A. Arabadjiev, K. Lenaerts, A. Kumin, T. von Danwitz, P. G. Xuereb
Partij(en)
In zaak C-823/18 P*,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 27 december 2018,
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Christoforou, P. Rossi en V. Bottka, vervolgens door P. Rossi en V. Bottka als gemachtigden,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
GEA Group AG, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland), vertegenwoordigd door C. Wagner en I. du Mont, Rechtsanwälte,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, A. Kumin, T. von Danwitz en P. G. Xuereb, rechters,
advocaat-generaal: G. Pitruzzella,
griffier: M. Longar, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 februari 2020,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 juni 2020,
het navolgende
Arrest
1
Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 oktober 2018, GEA Group/Commissie (T-640/16, EU:T:2018:700; hierna: ‘bestreden arrest’), waarbij het Gerecht besluit C(2016) 3920 final van de Commissie van 29 juni 2016 tot wijziging van beschikking C(2009) 8682 definitief van de Commissie van 11 november 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38589 — Hittestabilisatoren; hierna: ‘litigieus besluit’) nietig heeft verklaard.
I. Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 23, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) bepaalt:
- ‘2.
De Commissie kan bij beschikking geldboeten opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:
- a)
inbreuk maken op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG]; of
- b)
in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of
- c)
een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een verbindend karakter is verleend, niet nakomen.
Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald.
Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de activiteiten van haar leden zal de geldboete niet hoger zijn dan 10 % van de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt.
- 3.
Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.’
3
Artikel 25, lid 5, van deze verordening luidt als volgt:
‘Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Deze termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaring in overeenstemming met lid 6 wordt geschorst.’
II. Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
4
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 23 van het bestreden arrest uiteengezet en kan als volgt worden samengevat.
5
GEA Group AG (hierna: ‘GEA’) is in 2005 ontstaan uit de fusie van Metallgesellschaft AG (hierna: ‘MG’) en een andere vennootschap. MG was de uiteindelijke moedermaatschappij die vóór 2000 — rechtstreeks of via dochterondernemingen — Chemson Gesellschaft für Polymer-Additive mbH (hierna: ‘OCG’) en Polymer-Additive Produktions- und Vertriebs GmbH (hierna: ‘OCA’) in handen had.
6
Op 17 mei 2000 is MG overgegaan tot de verkoop van OCG, waarvan de naam is gewijzigd in Aachener Chemische Werke Gesellschaft für glastechnische Produkte und Verfahren mbH (hierna: ‘ACW’).
7
Na de ontbinding van OCA zijn de activiteiten van deze vennootschap in mei 2000 overgenomen door een vennootschap die met ingang van 30 augustus 2000 Chemson Polymer-Additive AG (hierna: ‘CPA’) heet en die op de dag van uitspraak van het bestreden arrest geen deel meer uitmaakte van de groep waarvan GEA de uiteindelijke moedermaatschappij was.
A. Beschikking van 2009
8
Bij beschikking C(2009) 8682 definitief van 11 november 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38589 — Hittestabilisatoren; hierna: ‘beschikking van 2009’) heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat een aantal ondernemingen inbreuk had gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: ‘EER-overeenkomst’) door deel te nemen aan twee samenstellen van mededingingsverstorende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte in de sector van hittestabilisatoren op basis van tin en in de sector van hittestabilisatoren op basis van geëpoxideerde sojaoliën en esters (hierna: ‘sector ESBO/esters’).
9
In artikel 1, lid 2, onder k), van de beschikking van 2009 heeft de Commissie GEA aansprakelijk gesteld voor inbreuken waaraan zij zich tussen 11 september 1991 en 17 mei 2000 schuldig had gemaakt op de markt voor ESBO/esters.
10
GEA is als rechtsopvolger van MG voor de gehele inbreukperiode aansprakelijk gesteld voor de tussen 11 september 1991 en 17 mei 2000 door OCG gepleegde inbreuken, alsook voor de tussen 13 maart 1997 en 17 mei 2000 door OCA gepleegde inbreuken.
11
Bovendien is ACW als rechtsopvolger van OCG zowel bestraft voor de inbreuk die OCG heeft gepleegd gedurende de gehele inbreukperiode — dat wil zeggen van 11 september 1991 tot 17 mei 2000 — als voor de inbreuk die OCA heeft gepleegd van 30 september 1999 tot 17 mei 2000, toen de aandelen van OCA voor 100 % in handen waren van OCG.
12
Als rechtsopvolger van OCA is CPA bestraft voor zowel de inbreuk van OCA tussen 13 maart 1997 en 17 mei 2000 als de inbreuk van OCG tussen 30 september 1995 en 30 september 1999, toen de aandelen van OCG voor 100 % in handen waren van OCA.
13
In artikel 2 van de beschikking van 2009 staat te lezen:
‘[…]
Wegens de inbreuk in de [sector ESBO/esters] worden de volgende geldboeten opgelegd:
[…]
- 31)
[GEA], [ACW] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1 913 971 EUR;
- 32)
[GEA] en [ACW] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1 432 229 EUR;
De boeten in euro [moeten] worden betaald binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking […].’
14
Bij op 28 januari 2010 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft GEA beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen de beschikking van 2009.
15
Bij arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie (T-45/10, niet gepubliceerd, EU:T:2015:507), heeft het Gerecht dit beroep verworpen. Tegen dat arrest is geen hogere voorziening ingesteld.
B. Besluit van 2010
16
Op 15 december 2009 heeft ACW de aandacht van de Commissie gevestigd op het feit dat de haar bij de beschikking van 2009 opgelegde geldboete hoger was dan het krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 toegestane maximum van 10 % van haar omzet.
17
In deze omstandigheden heeft de Commissie op 8 februari 2010 besluit C(2010) 727 definitief tot wijziging van de beschikking van 2009 (hierna: ‘besluit van 2010’) vastgesteld.
18
In het besluit van 2010 heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat de geldboete waartoe ACW hoofdelijk met GEA en CPA enerzijds en met GEA anderzijds was veroordeeld, het maximum van 10 % van haar omzet overschreed, zodat de beschikking van 2009 moest worden gewijzigd.
19
De Commissie heeft in het besluit van 2010 tevens gepreciseerd dat het bedrag van de aan GEA en CPA opgelegde geldboete ongewijzigd bleef, maar dat het bedrag van de aan ACW opgelegde geldboete moest worden verlaagd en dat het besluit van 2010 geen enkel gevolg had voor de andere adressaten van de beschikking van 2009.
20
Bij artikel 1 van het besluit van 2010 is artikel 2, tweede alinea, van de beschikking van 2009 als volgt gewijzigd:
‘Artikel 2, [tweede alinea, punt] 31, wordt vervangen door:
- ‚31.a)
[GEA], [ACW] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1 086 129 EUR;
- 31.b)
[GEA] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 827 842 EUR.’
Artikel 2, [tweede alinea, punt] 32, wordt vervangen door:
- ‘32)
[GEA] [is aansprakelijk] ten belope van 1 432 229 EUR.’’
21
Bij op 20 april 2010 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, heeft GEA beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het besluit van 2010 en het Gerecht subsidiair verzocht om het bedrag van de haar opgelegde geldboete te herzien.
22
Bij arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie (T-189/10, EU:T:2015:504), heeft het Gerecht het besluit van 2010 nietig verklaard voor zover het betrekking had op GEA. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie de rechten van verdediging van deze vennootschap had geschonden door het besluit van 2010 vast te stellen zonder haar vooraf te hebben gehoord. Tegen dat arrest is geen hogere voorziening ingesteld.
C. Litigieus besluit
23
Op 29 juni 2016 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.
24
In artikel 1 van dit besluit zijn de in punt 20 van het onderhavige arrest weergegeven bewoordingen van artikel 1 van het besluit van 2010 — waarbij artikel 2, tweede alinea, van de beschikking van 2009 is gewijzigd — letterlijk overgenomen.
25
In artikel 2 van het litigieuze besluit is de datum van opeisbaarheid van de geldboeten vastgesteld op 10 mei 2010.
III. Procedure bij het gerecht en bestreden arrest
26
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 september 2016, heeft GEA beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld.
27
Ter ondersteuning van dit beroep heeft GEA vijf middelen aangevoerd: 1) schending van de verjaringsregels; 2) schending van artikel 266 VWEU en van de rechten van de verdediging; 3) schending van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003; 4) schending van het gelijkheidsbeginsel, en 5) een middel dat uit twee onderdelen bestaat: bevoegdheidsoverschrijding en een ontoereikende motivering.
28
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het vierde middel en het eerste onderdeel van het vijfde middel aanvaard en het litigieuze besluit nietig verklaard, waarbij het heeft geoordeeld dat de andere middelen van het beroep niet hoefden te worden onderzocht.
IV. Conclusies van partijen
29
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen en
- —
GEA te verwijzen in de kosten van zowel de procedure voor het Gerecht als de procedure voor het Hof.
30
GEA verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten.
V. Hogere voorziening
31
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie twee middelen aan: 1) onjuiste toepassing van het gelijkheidsbeginsel, van het begrip ‘onderneming’ en van de regels inzake hoofdelijke aansprakelijkheid, alsook schending van de motiveringsplicht, en 2) schending van de regels inzake de vaststelling van de datum van opeisbaarheid van de geldboeten op het gebied van het mededingingsrecht en schending van de motiveringsplicht.
A. Ontvankelijkheid
1. Argumenten van partijen
32
GEA is van mening dat de hogere voorziening van de Commissie niet-ontvankelijk is.
33
In dit verband betoogt GEA in de eerste plaats dat de Commissie geen enkel belang heeft bij het instellen van een hogere voorziening omdat de beschikking van 2009 geen rechtsgrondslag meer vormt om betaling van de geldboete te vorderen.
34
In de tweede plaats is GEA van mening dat de Commissie geen enkel belang heeft bij het instellen van de hogere voorziening omdat het litigieuze besluit niet geldig is. De verjaringstermijn voor de vaststelling van een geldboete is immers verstreken vóór de vaststelling van dat besluit, aangezien er meer dan tien jaar is verstreken in de zin van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003, ongeacht of die termijn al dan niet is gestuit.
35
De Commissie repliceert dat zij een belang heeft bij het instellen van de hogere voorziening tegen het bestreden arrest, aangezien, ten eerste, zij door het Gerecht in het ongelijk is gesteld en, ten tweede, GEA de geldigheid van het litigieuze besluit betwist door te betogen dat de Commissie geen enkel belang heeft om deze hogere voorziening in te stellen omdat de verjaringstermijn voor de oplegging van een geldboete zou zijn overschreden. Volgens de Commissie was een dergelijk middel echter noch voor het Gerecht aangevoerd, noch door het Gerecht onderzocht. Hieruit volgt dat dit argument niet hoeft te worden onderzocht.
2. Beoordeling door het hof
36
De lidstaten en de instellingen van de Unie kunnen op grond van artikel 56, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met uitzondering van zaken betreffende geschillen tussen de Europese Unie en haar personeelsleden, hogere voorziening instellen, ook al zijn zij niet in het geding voor het Gerecht tussengekomen. Of zij nu in het geding in eerste aanleg partij waren of niet, de instellingen van de Unie hoeven dus geen enkel belang aan te tonen om hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht te kunnen instellen (arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C-49/92 P, EU:C:1999:356, punt 171).
37
De Commissie is immers vrij om te bepalen of hogere voorziening tegen een beslissing van het Gerecht zinvol is en het staat niet aan het Hof om haar keuzes in dit opzicht te controleren (zie in die zin arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C-49/92 P, EU:C:1999:356, punt 172).
38
Derhalve volstaat de vaststelling dat de bezwaren van GEA dat de Commissie geen belang zou hebben volledig ongegrond zijn, zodat de hogere voorziening ontvankelijk moet worden geacht.
B. Ten gronde
1. Eerste middel
39
Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel van dit middel verwijt de Commissie het Gerecht het gelijkheidsbeginsel, het begrip ‘onderneming’ en de regels inzake hoofdelijke aansprakelijkheid onjuist te hebben toegepast door te oordelen dat de Commissie het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan GEA en ACW hoofdelijk gehouden bleven, anders had kunnen vaststellen. Het tweede onderdeel van dit middel, dat als eerste moet worden onderzocht, betreft schending van de motiveringsplicht.
a) Tweede onderdeel van het eerste middel
1) Argumenten van partijen
40
Met het tweede onderdeel van haar eerste middel betoogt de Commissie dat de vaststelling in punt 111 van het bestreden arrest dat zij het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, berust op een tegenstrijdige motivering in de punten 108 tot en met 110 van dat arrest en met name op de vage overweging in punt 108 van dat arrest dat ‘de Commissie het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan ACW en [GEA] hoofdelijk gehouden bleven, stellig anders had kunnen vaststellen’.
41
GEA betwist dit betoog.
2) Beoordeling door het hof
42
Volgens vaste rechtspraak van het Hof houdt de ingevolge artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het Gerecht rustende verplichting om zijn arresten te motiveren, niet in dat het Gerecht bij zijn redenering alle door de partijen bij het geding uiteengezette argumenten één voor één uitputtend dient te behandelen. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarop het Gerecht zich baseert en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht in het kader van een hogere voorziening uit te oefenen (arrest van 14 september 2016, Trafilerie Meridionali/Commissie, C-519/15 P, EU:C:2016:682, punt 41).
43
In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat de redenering van het Gerecht in de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest zowel de Commissie in staat stelt de redenen te kennen waarom het Gerecht het vierde middel van GEA in eerste aanleg heeft aanvaard, als het Hof in staat stelt over voldoende elementen te beschikken om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.
44
Uit deze punten blijkt immers ondubbelzinnig dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie eerst de verhouding had moeten vaststellen tussen het deel van de geldboete waarvoor ACW samen met CPA en GEA hoofdelijk aansprakelijk was en het deel waarvoor zij alleen met GEA hoofdelijk aansprakelijk was, en daarna de verlaging van de geldboete van ACW in dezelfde verhouding tussen de twee gevallen van hoofdelijkheid had moeten verdelen.
45
Gelet op een en ander is het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond, zodat het moet worden afgewezen.
b) Eerste onderdeel van het eerste middel
1) Argumenten van partijen
46
Met het eerste onderdeel van haar eerste middel stelt de Commissie dat het Gerecht in punt 108 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan GEA en ACW hoofdelijk gehouden bleven, anders had kunnen vaststellen teneinde het gedeelte van de geldboete tot de betaling waarvan GEA als enige kon worden gehouden te beperken. Volgens de Commissie heeft het Gerecht in de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest het gelijkheidsbeginsel onjuist toegepast door voorbij te gaan aan de rechtspraak van het Hof over het begrip ‘onderneming’, over hoofdelijke aansprakelijkheid en over de gevolgen van de verlaging van de geldboete die is toegekend aan een dochteronderneming binnen één economische onderneming.
47
Volgens de Commissie wordt met de hoofdelijke aansprakelijkheid slechts uitdrukking gegeven aan het begrip ‘onderneming’ en kan zij er niet los van worden gezien.
48
In dit verband voert deze instelling aan dat, anders dan het Gerecht in punt 55 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, GEA, ACW en CPA voor de hele duur van de betrokken inbreuk een en dezelfde onderneming vormden waaraan zij één geldboete heeft opgelegd, en dat in die context artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009, enerzijds, en artikel 2, tweede alinea, punten 31.a, 31.b, en 32, van de beschikking van 2009, zoals gewijzigd door het litigieuze besluit, anderzijds, de maximale bedragen van de geldboete weergeven waarvoor elke juridische entiteit waaruit deze onderneming bestaat gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk kon worden geacht.
49
De Commissie merkt op dat aangezien GEA, ACW en CPA een en dezelfde onderneming vormden, de gelijke behandeling van deze drie vennootschappen niet hoefde te worden beoordeeld.
50
De Commissie is van mening dat het Gerecht, ondanks het feit dat de betrokken vennootschappen deel uitmaakten van dezelfde onderneming, in de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest een kunstmatig onderscheid heeft gemaakt tussen twee groepen hoofdelijk aansprakelijke entiteiten, zodat het Gerecht een theorie heeft toegepast die analoog is aan de theorie van de interne verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid; volgens de Commissie is deze benadering overeenkomstig het arrest van 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a. (C-231/11 P—C-233/11 P, EU:C:2014:256), niet toegestaan.
51
In die omstandigheden is de Commissie van mening dat niets rechtvaardigt dat een van de vennootschappen die tot een en dezelfde onderneming behoren, wordt uitgesloten van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van enig deel van de hun opgelegde geldboete, en dat deze vennootschappen normaliter gemeenschappelijke delen van een opgelegde geldboete delen, ten belope van de individuele limieten van elk van hen.
52
De Commissie betoogt dat het maximale bedrag van de geldboete tot betaling waarvan iedere vennootschap die behoort tot de onderneming in de zin van artikel 81 EG hoofdelijk gehouden was, niet gekoppeld is aan een specifieke periode van deelname aan de inbreuk in kwestie.
53
Wat tot slot het feit betreft dat de aan ACW opgelegde geldboete is teruggebracht tot het voor deze vennootschap geldende maximum van 10 % van haar omzet, volgt uit het arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C-50/12 P, EU:C:2013:771), dat de aansprakelijkheid van GEA geen gevolgen mag ondervinden van de aan haar voormalige dochteronderneming ACW toegekende verlaging, aangezien laatstgenoemde vennootschap en GEA op de datum van vaststelling van de beschikking van 2009 niet langer een en dezelfde onderneming vormden.
54
GEA brengt hier om te beginnen tegen in dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de Commissie zonder enige objectieve rechtvaardiging het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Anders dan de Commissie stelt, is dit beginsel niet uitsluitend op verschillende ondernemingen van toepassing, maar ook op de betrekkingen tussen vennootschappen die deel uitmaken van dezelfde onderneming.
55
Vervolgens is GEA van mening dat de Commissie niet één, maar twee afzonderlijke geldboeten heeft vastgesteld voor twee verschillende groepen entiteiten die gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn binnen elke groep en voor twee verschillende inbreukperioden. Ten eerste heeft artikel 2, tweede alinea, punt 31, van de beschikking van 2009 betrekking op de periode van 30 september 1995 tot 17 mei 2000 en ten tweede verwijst artikel 2, tweede alinea, punt 32, van deze beschikking naar de periode van 11 september 1991 tot 29 september 1995. Deze verdeling is het gevolg van het feit dat CPA in deze laatste periode niet aan de betrokken inbreuk heeft deelgenomen.
56
Daarenboven is GEA van mening dat het Gerecht, anders dan de Commissie stelt, de theorie van de interne verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid niet naar analogie heeft toegepast. Het bestreden arrest heeft geen betrekking op de interne aansprakelijkheid, maar op de mate waarin de vennootschappen van de ‘GEA-groep’ ‘extern’ aansprakelijk zijn jegens de Commissie.
57
Wat tot slot de gevolgen van de toepassing van het maximum van 10 % van de omzet ten gunste van ACW betreft, voert GEA aan dat, anders dan de Commissie stelt, het arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C-50/12 P, EU:C:2013:771), niet aldus kan worden uitgelegd dat een voormalige moedermaatschappij geen gevolgen mag ondervinden van het feit dat ten aanzien van haar voormalige dochteronderneming het maximum van 10 % van haar omzet wordt toegepast.
2) Beoordeling door het hof
58
Om te beginnen dient in herinnering te worden gebracht dat het gelijkheidsbeginsel een algemeen beginsel van Unierecht is dat in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is neergelegd. Dit beginsel vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 24 september 2020, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi/Commissie, C-601/18 P, EU:C:2020:751, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De Commissie moet dit beginsel in acht nemen bij de uitoefening van de bevoegdheid waarover zij krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 beschikt om een geldboete op te leggen aan ondernemingen die een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie hebben gepleegd en het bedrag ervan bepaalt (zie in die zin arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C-50/12 P, EU:C:2013:771, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59
Daarbij zij aangetekend dat de Commissie krachtens deze bepaling bevoegd is om meerdere rechtspersonen hoofdelijk een geldboete op te leggen wanneer zij persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor hun deelname aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie wegens het feit dat zij deel uitmaken van een en dezelfde onderneming waaraan deze inbreuk kan worden verweten (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 120).
60
Wanneer de Commissie besluit om deze sanctiebevoegdheid uit te oefenen, kan zij evenwel niet vrij de externe hoofdelijkheid bepalen en meer bepaald niet vrij het boetebedrag vaststellen dat zij volledig van elk van de hoofdelijke medeschuldenaars kan eisen (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 121).
61
Wanneer de Commissie het bedrag van de geldboete vaststelt dat zij volledig van elk van de hoofdelijke medeschuldenaars kan eisen, past zij immers het begrip onderneming in een specifiek geval toe, aangezien met het Unierechtelijke begrip ‘hoofdelijke verplichting tot betaling van de geldboete’ slechts uitdrukking wordt gegeven aan een gevolg dat van rechtswege voortvloeit uit dit begrip onderneming (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 122).
62
Dienaangaande hebben de opstellers van de Verdragen ervoor geopteerd om ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op de mededingingsregels die op grond van de artikelen 81 en 82 EG kan worden bestraft, het begrip onderneming te gebruiken en geen andere begrippen, zoals het begrip vennootschap of rechtspersoon (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 123).
63
De wetgever van de Unie heeft overigens in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 hetzelfde begrip onderneming gebruikt om de entiteit te omschrijven waaraan de Commissie een geldboete kan opleggen om een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie te bestraffen (arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 124).
64
Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip onderneming in het kader van het mededingingsrecht van de Unie elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van deze entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Onder dit begrip moet een economische eenheid worden verstaan, ook al wordt deze eenheid uit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke of rechtspersonen gevormd (arresten van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie, C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257, punt 125, en 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie, C-516/15 P, EU:C:2017:314, punten 47 en 48).
65
Wanneer de Commissie krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de mogelijkheid heeft om verschillende rechtspersonen die deel uitmaken van een en dezelfde onderneming die aansprakelijk is voor de inbreuk, hoofdelijk een geldboete op te leggen, is zij bij de vaststelling van het bedrag van deze geldboete aan bepaalde beperkingen onderworpen, voor zover zij hierbij het begrip onderneming, dat een Unierechtelijk begrip is, in een specifiek geval toepast. Zij moet namelijk naar behoren rekening houden met de kenmerken van de betrokken onderneming, zoals deze was samengesteld tijdens de periode waarin de inbreuk is gepleegd (arrest van 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a., C-231/11 P—C-233/11 P, EU:C:2014:256, punt 51).
66
Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, kan de samenstelling van de betrokken onderneming gedurende de deelname van die onderneming aan een inbreuk veranderen. Deze wijzigingen kunnen zich met name voordoen wanneer de inbreuk langere tijd voortduurt, zoals in de onderhavige zaak het geval is.
67
Aangezien dergelijke wijzigingen niet wegnemen dat er sprake is van één onderneming waaraan de inbreuk kan worden toegerekend, doen zij niet af aan de in punt 59 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte bevoegdheid van de Commissie om een geldboete hoofdelijk op te leggen aan verschillende rechtspersonen die deel uitmaken van een en dezelfde onderneming.
68
In casu was blijkens de punten 1 tot en met 3 en 6 tot en met 8 van het bestreden arrest de structuur van de GEA-groep in casu gedurende de periode waarin de inbreuk werd gepleegd, de volgende. Tussen 1991 en 17 mei 2000 was OCG, die na laatstgenoemde datum ACW is genoemd, een volle dochteronderneming van MG, die op haar beurt vanaf 2005 GEA is geworden. In diezelfde periode was OCA, die sinds 30 augustus 2000 CPA heet, volledig in handen van MG en was zij gedurende verschillende perioden hetzij de dochteronderneming, hetzij de rechtstreekse moedermaatschappij van OCG. OCA was van 30 september 1995 tot 30 september 1999 de moedermaatschappij van OCG met een rechtstreekse zeggenschap van 100 %. Van 30 september 1999 tot 17 mei 2000 was OCG de moedervennootschap met een rechtstreekse zeggenschap van 100 % van OCA en oefende zij rechtstreekse controle uit over deze laatste vennootschap.
69
Gelet op de lering die kan worden getrokken uit het arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536), had de Commissie in de beschikking van 2009 het recht om vast te stellen dat — gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen de betrokken vennootschappen — MG, thans GEA, door een beslissende invloed uit te oefenen op haar dochterondernemingen, samen met OCG en OCA, die respectievelijk ACW en CPA zijn geworden, deel uitmaakte van één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie.
70
Uit het voorgaande volgt dat de Commissie op goede gronden kon oordelen dat GEA, ACW en CPA een en dezelfde onderneming vormden die, in haar verschillende achtereenvolgende samenstellingen, de betrokken inbreuk heeft gepleegd.
71
Derhalve moet worden vastgesteld dat het Gerecht — door in punt 55 van het bestreden arrest te oordelen dat er enerzijds van 30 september 1995 tot 17 mei 2000 sprake was van een onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie, die bestond uit GEA, ACW en CPA, en er anderzijds van 11 september 1991 tot 29 september 1995 sprake was van een onderneming in de zin van datzelfde recht, die bestond uit GEA en ACW — het bestaan heeft vastgesteld van twee ondernemingen in de zin van het mededingingsrecht van de Unie en dus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het begrip ‘onderneming’ in de zin van artikel 81 EG onjuist uit te leggen.
72
Aangezien met de hoofdelijke aansprakelijkheid slechts uitdrukking wordt gegeven aan een gevolg dat van rechtswege voortvloeit uit het begrip ‘onderneming’ en er in casu sprake was van een en dezelfde onderneming, was de Commissie gerechtigd om — aanvankelijk in artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 en vervolgens in artikel 2, tweede alinea, punten 31.a, 31.b, en 32, van de beschikking van 2009, zoals gewijzigd bij het litigieuze besluit — de maximumbedragen vast te stellen waarvoor GEA, ACW en CPA konden worden geacht gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk te zijn in het kader van de betaling van één geldboete als entiteiten die deel uitmaken van een en dezelfde onderneming aan wie de inbreuk kan worden toegerekend. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, weerspiegelt de vaststelling van dergelijke maximumbedragen in een situatie als het onderhavige geval immers niet de specifieke periodes waarin de entiteiten van de enkele onderneming aan de inbreuk in kwestie hebben deelgenomen.
73
In die omstandigheden heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 106 en 109 van het bestreden arrest vast te stellen dat er in het onderhavige geval sprake was van twee gevallen van hoofdelijkheid tussen GEA, ACW en CPA, terwijl zij deel uitmaakten van een en dezelfde onderneming, en van twee geldboeten, die opgelegd waren voor twee specifieke periodes waarin deze drie vennootschappen deelnamen aan de inbreuk in kwestie. Het Gerecht heeft derhalve de uit artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voortvloeiende regels voor de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid geschonden.
74
De omstandigheid dat GEA op grond van het litigieuze besluit als enige aansprakelijk blijft voor het bedrag van 1 432 229 EUR, is, zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, een louter automatisch gevolg van de verlaging die op de aan ACW opgelegde geldboete is toegepast.
75
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat wanneer twee afzonderlijke rechtspersonen, zoals een moedermaatschappij en haar dochteronderneming, niet langer een onderneming in de zin van artikel 81 EG vormen op de datum van vaststelling van een besluit waarbij hun een geldboete wordt opgelegd, zij recht hebben op individuele toepassing van het maximum van 10 % van de omzet (zie in die zin arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C-50/12 P, EU:C:2013:771, punt 57).
76
Zoals blijkt uit de punten 2 en 3 van het bestreden arrest, staat in de onderhavige zaak vast dat GEA op de datum van vaststelling van de beschikking van 2009 niet langer met ACW en CPA een economische eenheid vormde in de zin van artikel 81 EG.
77
Deze bijzonderheid was voor de Commissie aanleiding om bedoeld maximum afzonderlijk te berekenen op basis van de omzet in het boekjaar voorafgaand aan de vaststelling van het litigieuze besluit (zie naar analogie arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C-50/12 P, EU:C:2013:771, punt 67).
78
Bovendien was blijkens punt 8 van het bestreden arrest het bedrag dat de Commissie aanvankelijk passend achtte voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van ACW wegens haar deelname aan de mededingingsregeling 3 346 200 EUR, dat wil zeggen precies hetzelfde bedrag als het bedrag dat in aanmerking werd genomen voor GEA.
79
Er dient evenwel te worden vastgesteld dat het feit dat de Commissie in het litigieuze besluit enerzijds GEA hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling van het totale bedrag van de geldboete, dat 3 346 200 EUR bedraagt, en anderzijds ACW hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de betaling van een bedrag van 1 086 129 EUR, voortvloeit uit de toepassing op ACW van het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalde maximum van 10 % van de omzet.
80
Het feit dat GEA als enige aansprakelijk blijft voor het bedrag van 1 432 229 EUR, vloeit dus voort uit de specifieke omstandigheid dat deze vennootschap op de datum van vaststelling van de beschikking van 2009 niet langer met ACW en CPA één enkele onderneming vormde in de zin van artikel 81 EG.
81
In deze context kan GEA niet staande houden dat het gelijkheidsbeginsel in haar nadeel is geschonden. In dit verband hoeft slechts te worden opgemerkt dat er geen schending van dit beginsel kan worden vastgesteld in een situatie als het onderhavige geval, waarin een dochteronderneming die op de datum van vaststelling van een besluit waarbij een geldboete wordt opgelegd aan de enkele onderneming waartoe zij behoorde niet langer deel uitmaakt van deze enkele onderneming, recht heeft op individuele toepassing van het maximum van 10 % van de omzet. Op grond van deze specifieke omstandigheid kan niet worden aangenomen dat de betrokken vennootschappen zich in vergelijkbare situaties bevonden (zie in die zin arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C-50/12 P, EU:C:2013:771, punt 68).
82
Hoe dan ook kan niet met succes worden aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, aangezien er in casu, zoals blijkt uit punt 73 van het onderhavige arrest, geen sprake is van twee gevallen van hoofdelijkheid die corresponderen met specifieke periodes, zodat de hoofdelijke aansprakelijkheid niet kan worden verdeeld.
83
Bijgevolg is in artikel 2, tweede alinea, punt 32, van de beschikking van 2009, zoals gewijzigd bij het litigieuze besluit, waarbij een geldboete van 1 432 229 EUR aan GEA is opgelegd, geen sprake van CPA, niet omdat dit punt betrekking heeft op een specifieke inbreukperiode waarin zij niet heeft deelgenomen aan de enkele inbreuk die door de Commissie is vastgesteld, hetgeen niet het geval is, maar louter omdat het bedrag van de geldboete die CPA verschuldigd is wegens haar individuele deelname aan deze inbreuk doordat zij onderdeel is van de onderneming die deze inbreuk heeft gepleegd, volledig wordt gedekt door de in de punten 31.a) en 31.b) van artikel 2, tweede alinea, vermelde boetebedragen.
84
In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 111 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie de krachtens het gelijkheidsbeginsel op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
85
Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden aanvaard.
2. Tweede middel
86
Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel van dit middel verwijt de Commissie het Gerecht in wezen blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de datum van opeisbaarheid van de geldboete in kwestie niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van het litigieuze besluit werd ontvangen. Het tweede onderdeel van dit middel, dat als eerste moet worden onderzocht, betreft schending van de motiveringsplicht.
a) Tweede onderdeel van het tweede middel
1) Argumenten van partijen
87
Met het tweede onderdeel van haar tweede middel verwijt de Commissie het Gerecht dat het zijn vaststelling in punt 126 van het bestreden arrest dat de verplichting tot betaling van de geldboeten uitsluitend voortvloeit uit artikel 1 van het litigieuze besluit en dat de datum van opeisbaarheid van die geldboeten niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van dat besluit werd ontvangen, ontoereikend heeft gemotiveerd.
88
GEA voert hiertegen aan dat het bestreden arrest toereikend is gemotiveerd.
2) Beoordeling door het hof
89
Zoals in punt 42 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, verplicht de op het Gerecht rustende motiveringsplicht het Gerecht om duidelijk en ondubbelzinnig aan te geven welke redenering het heeft gevolgd, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.
90
In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat de redenering van het Gerecht in de punten 122 tot en met 125 van het bestreden arrest zowel de Commissie in staat stelt de redenen te kennen waarom het Gerecht het eerste onderdeel van het vijfde middel van GEA in eerste aanleg heeft aanvaard, als het Hof in staat stelt over voldoende elementen te beschikken om zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.
91
Uit deze punten blijkt immers in wezen dat het Gerecht — omdat de aanvankelijke bewoordingen van artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 zijn vervangen door die van artikel 1 van het litigieuze besluit — in punt 126 van het bestreden arrest tot de vaststelling is gekomen dat de verplichting tot betaling van de geldboeten uitsluitend voortvloeit uit artikel 1 van het litigieuze besluit en dat de datum van opeisbaarheid van die geldboeten niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van dat besluit werd ontvangen.
92
Derhalve is het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond en moet het dus worden afgewezen.
b) Eerste onderdeel van het tweede middel
1) Argumenten van partijen
93
Met het eerste onderdeel van haar tweede middel verwijt de Commissie het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 126 van het bestreden arrest te oordelen dat de datum van opeisbaarheid van de geldboete in casu niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van het litigieuze besluit werd ontvangen.
94
De Commissie merkt op dat de nietigverklaring van het besluit van 2010 tot gevolg heeft gehad dat niet alleen artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 opnieuw in werking trad, maar ook de aanvankelijke datum van opeisbaarheid, die in artikel 2, laatste alinea, van die beschikking was vastgesteld.
95
In deze context betoogt de Commissie dat zij het recht had om het bedrag van de opgelegde geldboete en de hoofdelijke aansprakelijkheid te wijzigen zonder noodzakelijkerwijs een nieuwe datum van opeisbaarheid van deze geldboete te moeten vaststellen. De Commissie is dan ook van mening dat, ook al heeft zij bij het litigieuze besluit de onderdelen van het dispositief van de beschikking van 2009 gewijzigd waarin het bedrag van de geldboete en de hoofdelijke aansprakelijkheid werden bepaald, zij niet verplicht was om een datum van opeisbaarheid van de opgelegde geldboete vast te stellen die na de datum van kennisgeving van het litigieuze besluit ligt.
96
Indien het Hof zou bevestigen dat de Commissie een datum van opeisbaarheid van de geldboeten moet vaststellen die na de datum van kennisgeving van een wijzigingsbesluit zoals het litigieuze besluit ligt, zou dat volgens deze instelling leiden tot het verlies van de opgelopen rente op het sinds de aanvankelijk vastgestelde datum van opeisbaarheid resterende deel van de geldboete, hetgeen haar beoordelingsmarge zou beperken en de doeltreffendheid van de door haar opgelegde geldboeten zou verminderen.
97
In deze omstandigheden is de Commissie van mening dat zij, om GEA niet in een nadeligere positie te plaatsen dan ACW en CPA, het recht had om de datum van opeisbaarheid van de geldboeten vast te stellen op 10 mei 2010.
98
GEA voert hiertegen aan dat de Commissie weliswaar bevoegd is om de datum te bepalen waarop de geldboeten opeisbaar zijn en om te bepalen vanaf welke datum de vertragingsrente begint te lopen, maar dat die bevoegdheid niet inhoudt dat een datum van opeisbaarheid van de vertragingsrente kan worden vastgesteld die vóór de datum ligt waarop de geldboeten zijn vastgesteld. Er kan geen beroep worden gedaan op de doeltreffendheid van het Unierecht om te rechtvaardigen dat een datum van opeisbaarheid van een geldboete wordt vastgesteld die vóór de kennisgeving valt van het besluit dat de grondslag voor die geldboete vormt.
99
Aangezien de datum van opeisbaarheid van de geldboete niet kan worden vastgesteld op een datum die vóór de datum van kennisgeving van het litigieuze besluit ligt, kan de rente over de betaling van de geldboete volgens GEA dus pas beginnen te lopen op de datum van kennisgeving van dat besluit, overeenkomstig het beginsel dat de bijzaak de hoofdzaak volgt.
2) Beoordeling door het hof
100
In besluiten van de Commissie waarbij zij geldboeten wegens inbreuken op het mededingingsrecht van de Unie oplegt, worden onder meer het bedrag van de geldboeten in kwestie, de vertragingsrente en de gegevens van de bankrekening van de Commissie waarop de betrokken ondernemingen deze geldboeten moeten betalen, bepaald. In deze besluiten wordt ook de betalingstermijn voor de opgelegde geldboeten vastgesteld. Om gedwongen invordering te voorkomen, moet de betaling vóór het verstrijken van deze termijn plaatsvinden.
101
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 299 VWEU de besluiten van de Commissie welke voor personen, met uitzondering van de lidstaten, een geldelijke verplichting inhouden, executoriale titel vormen.
102
Tevens moet worden opgemerkt dat volgens artikel 278 VWEU een bij het Hof van Justitie van de Europese Unie ingesteld beroep tegen dergelijke besluiten geen schorsende werking heeft.
103
Hieruit volgt dat de besluiten van de Commissie uitvoerbaar zijn onder de in artikel 299 VWEU gestelde voorwaarden en dat de daarin vervatte geldboeten in beginsel opeisbaar zijn bij het verstrijken van de in die besluiten gestelde termijn.
104
In die omstandigheden en gelet op de doelstelling om de daadwerkelijke handhaving van de mededingingsregels van de Unie te waarborgen, moet ervan worden uitgegaan dat de schuldenaar de door hem verschuldigde betaling in beginsel vóór de door de Commissie in haar besluit vastgestelde datum van opeisbaarheid van deze betaling moet voldoen.
105
In casu heeft de Commissie in artikel 2, laatste alinea, van de beschikking van 2009 aanvankelijk bepaald dat de opgelegde geldboeten opeisbaar werden op de dag waarop een termijn van drie maanden is verstreken, te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van deze beschikking, en dit voor alle ondernemingen tot wie die beschikking is gericht.
106
Zoals blijkt uit punt 124 van het bestreden arrest, is het besluit van 2010, waarbij de Commissie heeft besloten dat de beschikking van 2009 moest worden gewijzigd omdat, ten eerste, de aan ACW opgelegde geldboete het maximum van 10 % van de omzet overschreed en, ten tweede, het bedrag van de geldboete waarvoor ACW samen met GEA en CPA hoofdelijk aansprakelijk was moest worden verlaagd, door het Gerecht nietig is verklaard in zijn arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie (T-189/10, EU:T:2015:504), voor zover het betrekking had op GEA. Zoals het Gerecht in punt 125 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, had deze nietigverklaring tot gevolg dat de aanvankelijke bewoordingen van artikel 2 van de beschikking van 2009 opnieuw in werking traden.
107
Die bewoordingen zijn echter opnieuw vervangen, namelijk door die van het litigieuze besluit. In artikel 2 van dit besluit is een nieuwe datum van opeisbaarheid van de geldboeten vastgesteld, te weten 10 mei 2010.
108
Deze datum ligt enerzijds vóór de datum waarop de kennisgeving van het litigieuze besluit werd ontvangen en anderzijds na de in de beschikking van 2009 vastgestelde datum van opeisbaarheid van de geldboeten. Deze datum komt overeen met de datum van opeisbaarheid die is aangegeven in een brief van de Commissie van 9 februari 2010 bij het besluit van 2010.
109
In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie over een bevoegdheid beschikt die de mogelijkheid omvat om de datum van opeisbaarheid van de door haar opgelegde geldboete en de begindatum van de vertragingsrente te bepalen, alsook om de rentevoet vast te stellen en de wijze van tenuitvoerlegging van haar besluit te bepalen door in voorkomend geval een bankgarantie te eisen ten belope van het hoofdbedrag van de opgelegde geldboete en de daarover verschuldigde rente. Zonder een dergelijke bevoegdheid zou het voordeel dat ondernemingen eventueel kunnen halen uit het met vertraging betalen van geldboeten leiden tot een afzwakking van de straffen die de Commissie oplegt in het kader van de taak die haar is opgedragen om toe te zien op de toepassing van de mededingingsregels van de Unie.
110
In het onderhavige geval, zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, had de wijziging in artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009, eerst bij het besluit van 2010, dat inmiddels nietig is verklaard, en vervolgens bij het litigieuze besluit, uitsluitend betrekking op het bedrag van de aan ACW opgelegde geldboete en op de nieuwe vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid, maar niet op de oplegging van de geldboete als zodanig noch op het totale bedrag daarvan. Bijgevolg dient te worden opgemerkt dat, anders dan het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, artikel 2 van de beschikking van 2009 de rechtsgrondslag vormt voor de verplichting van GEA, ACW en CPA om de geldboete te betalen, en niet artikel 1 van het litigieuze besluit.
111
In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 126 van het bestreden arrest te oordelen dat de datum van opeisbaarheid van de geldboeten niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van het litigieuze besluit werd ontvangen.
112
Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden aanvaard.
113
Het bestreden arrest moet bijgevolg worden vernietigd.
Terugverwijzing van de zaak naar het gerecht
114
Overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht indien het verzoek om hogere voorziening gegrond is. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel deze voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.
115
In dit verband moet worden vastgesteld dat het Hof in het onderhavige geval niet beschikt over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen over alle in eerste aanleg aangevoerde middelen.
116
De met die middelen opgeworpen aspecten van het geding houden in dat feitelijke vragen moeten worden onderzocht op basis van elementen, ten eerste, die in het bestreden arrest niet zijn beoordeeld door het Gerecht, aangezien het in punt 128 van dat arrest heeft geoordeeld dat een dergelijk onderzoek overbodig was omdat het het vierde middel en het eerste onderdeel van het vijfde middel van GEA had aanvaard, en, ten tweede, waarover geen discussie heeft plaatsgevonden voor het Hof. Derhalve is de zaak op dit punt niet in staat van wijzen.
117
Bijgevolg dient de zaak naar het Gerecht te worden terugverwezen en moet de beslissing over de kosten worden aangehouden.
Kosten
118
Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
- 1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 oktober 2018, GEA Group/Commissie (T-640/16, EU:T:2018:700), wordt vernietigd.
- 2)
Zaak T-640/16 wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.
- 3)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑11‑2020
Conclusie 04‑06‑2020
Inhoudsindicatie
‘Hogere voorziening — Mededingingsregelingen — Hittestabilisatoren — Nietigverklaring van het besluit tot wijziging van de boete in de aanvankelijke beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld — Toepassing van het maximum van 10 % van de omzet op een van de entiteiten waaruit de onderneming bestaat — Gevolgen voor de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de geldboete — Begrip ‘onderneming’ — Datum van opeisbaarheid van de geldboete in geval van wijziging’
G. Pitruzzella
Partij(en)
Zaak C-823/18 P1.
Europese Commissie
tegen
GEA Group AG
1.
Met de hogere voorziening die voorwerp van deze conclusie is, verzoekt de Commissie om vernietiging van het arrest van 18 oktober 2018, GEA Group/Commissie2..
I. Voorgeschiedenis van het geding
2.
GEA Group AG (hierna: ‘GEA’) is in 2005 ontstaan uit de fusie van Metallgesellschaft AG (hierna: ‘MG’) en een andere vennootschap. MG was de uiteindelijke moedermaatschappij die vóór 2000 — rechtstreeks of via dochterondernemingen — Chemson Gesellschaft für Polymer-Additive mbH (hierna: ‘OCG’) en Polymer-Additive Produktions- und Vertriebs GmbH (hierna: ‘OCA’) bezat. Op 17 mei 2000 is MG overgegaan tot de verkoop van OCG, waarvan de naam is gewijzigd in Aachener Chemische Werke Gesellschaft für glastechnische Produkte und Verfahren mbH (hierna: ‘ACW’). De activiteiten van OCA zijn na haar ontbinding in mei 2000 overgenomen door een vennootschap die sinds 30 augustus 2000 Chemson Polymer-Additive AG (hierna: ‘CPA’) heet en die thans geen deel meer uitmaakt van de groep waarvan GEA de uiteindelijke moedermaatschappij was.
3.
Bij beschikking van 11 november 2009 (hierna: ‘beschikking van 2009’) heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat een aantal ondernemingen inbreuk had gemaakt op artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) door deel te nemen aan twee samenstellen van mededingingsverstorende overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op het grondgebied van de EER in de sector van de tinstabilisatoren en in de sector van de geëpoxideerde sojaoliën en esters (hierna: ‘sector ESBO/esters’).3.
4.
In artikel 1, lid 2, onder k), van de beschikking van 2009 is GEA aansprakelijk gesteld voor inbreuken waaraan zij zich tussen 11 september 1991 en 17 mei 2000 schuldig had gemaakt op de markt voor ESBO/esters. GEA is als rechtsopvolger van MG voor de gehele inbreukperiode aansprakelijk gesteld voor de tussen 11 september 1991 en 17 mei 2000 door OCG gepleegde inbreuken, alsook voor de tussen 13 maart 1997 en 17 mei 2000 door OCA gepleegde inbreuken. ACW is als rechtsopvolger van OCG bestraft voor de inbreuk die OCG heeft gepleegd gedurende de gehele inbreukperiode — dat wil zeggen van 11 september 1991 tot 17 mei 2000 — en voor de inbreuk die OCA heeft gepleegd van 30 september 1999 tot 17 mei 2000, toen de aandelen van OCA voor 100 % in handen waren van OCG [artikel 1, lid 2, onder m), van de beschikking van 2009]. Als rechtsopvolger van OCA is CPA bestraft voor zowel de inbreuk van OCA tussen 13 maart 1997 en 17 mei 2000 als de inbreuk van OCG tussen 30 september 1995 en 30 september 1999, toen de aandelen van OCG voor 100 % in handen waren van OCA [artikel 1, lid 2, onder l), van de beschikking van 2009].
5.
In artikel 2, tweede alinea, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 staat te lezen:
‘Wegens de inbreuk in de [sector ESBO/esters] worden de volgende geldboeten opgelegd:
- 31)
[GEA], [ACW] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1 913 971 EUR;
- 32)
[GEA] en [ACW] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1 432 229 EUR’.
6.
GEA heeft bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de beschikking van 2009. Bij arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie4., heeft het Gerecht het beroep verworpen.
7.
Op 15 december 2009 heeft ACW, die op de datum waarop de beschikking van 2009 werd vastgesteld niet langer een dochteronderneming van GEA was, de aandacht van de Commissie gevestigd op het feit dat de haar bij de beschikking van 2009 opgelegde geldboete hoger was dan het toegestane maximum van 10 % van haar omzet dat is vastgesteld in artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/20035..
8.
Op 8 februari 2010 heeft de Commissie een besluit tot wijziging van de beschikking van 20096. vastgesteld (hierna: ‘besluit van 2010’). Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldboete waartoe ACW hoofdelijk met GEA en CPA enerzijds en met GEA anderzijds was veroordeeld, het maximum van 10 % overschreed, zodat de beschikking van 2009 moest worden gewijzigd (zie overweging 2 van het besluit van 2010). De Commissie heeft in het besluit van 2010 tevens gepreciseerd dat het bedrag van de aan GEA en CPA opgelegde geldboete ongewijzigd bleef, maar dat het bedrag van de aan ACW opgelegde geldboete moest worden verlaagd en dat het besluit van 2010 geen enkel gevolg had voor de andere adressaten van de beschikking van 2009. Artikel 1 van het besluit van 2010 heeft artikel 2, tweede alinea, van de beschikking van 2009 als volgt gewijzigd:
‘Artikel 2, [punt] 31, wordt vervangen door:
- ‚31a)
[GEA], [ACW] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 1 086 129 EUR;
- 31 b)
[GEA] en [CPA] [zijn hoofdelijk] aansprakelijk ten belope van: 827 842 EUR’.
Artikel 2, [punt] 32, wordt vervangen door:
- ‘32)
[GEA] [is aansprakelijk] ten belope van 1 432 229 EUR’.'
9.
Naar aanleiding van het door GEA ingestelde beroep heeft het Gerecht bij arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie7., het besluit van 2010 nietig verklaard, voor zover het betrekking had op GEA. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie GEA's rechten van verdediging had geschonden door het besluit van 2010 vast te stellen zonder haar de mogelijkheid te bieden opmerkingen in te dienen.
10.
Bij brief van 5 februari 2016 heeft de Commissie GEA in kennis gesteld van haar voornemen om een nieuw besluit vast te stellen, en haar samen met ACW en CPA verzocht hun schriftelijke opmerkingen in te dienen. GEA heeft haar schriftelijke opmerkingen bij de Commissie ingediend op 24 maart 2016. Bij brief van 2 mei 2016 heeft de Commissie op GEA's opmerkingen geantwoord.
11.
Op 29 juni 2016 heeft de Commissie een tweede besluit vastgesteld tot wijziging van de beschikking van 20098. (hierna: ‘litigieus besluit’). In artikel 1 van dat besluit is artikel 1 van het besluit van 2010 ongewijzigd overgenomen. In artikel 2 van het litigieuze besluit is de datum van opeisbaarheid van de geldboeten vastgesteld op 10 mei 2010.
II. Procedure bij het gerecht en bestreden arrest
12.
Op 8 september 2016 heeft GEA beroep ingesteld tegen het litigieuze besluit. In dit beroep verzocht zij het Gerecht primair dit besluit nietig te verklaren, en subsidiair het bedrag van de geldboete te verlagen en zowel een op de vaststelling van het litigieuze besluit volgende nieuwe datum voor de betaling te bepalen, als de begindatum te bepalen van de periode waarover vertragingsrente verschuldigd is.
13.
Ter ondersteuning van haar beroep heeft GEA vijf middelen aangevoerd. Met het eerste middel voerde zij schending van de verjaringsregels aan, met het tweede middel schending van artikel 266 VWEU en van de rechten van de verdediging, met het derde middel schending van artikel 23, leden 2 en 3, van verordening nr. 1/2003, met het vierde middel schending van het gelijkheidsbeginsel, en met het vijfde middel bevoegdheidsoverschrijding en een ontoereikende motivering. De Commissie heeft aangevoerd dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat GEA geen procesbelang had.
14.
In het bestreden arrest heeft het Gerecht om te beginnen de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid verworpen. In dit verband heeft het geoordeeld dat het — vervolgens nietig verklaarde — besluit van 2010 en het litigieuze besluit de externe hoofdelijke aansprakelijkheid tussen GEA, ACW en CPA hebben gewijzigd, en wel zodanig dat hun juridische situatie is veranderd, en dat het beroep zou kunnen leiden tot een voor GEA gunstigere verdeling van de haar opgelegde geldboeten.9.
15.
Ten gronde heeft het Gerecht ten eerste het vierde middel — dat was gericht tegen artikel 1 van het litigieuze besluit en was gebaseerd op een schending van het gelijkheidsbeginsel — onderzocht en dit middel gegrond verklaard.10. Ten tweede heeft het Gerecht de eerste grief van het vijfde middel onderzocht betreffende de bevoegdheidsoverschrijding waaraan de Commissie zich in artikel 2 van het litigieuze besluit schuldig zou hebben gemaakt door de datum van opeisbaarheid van de aan GEA, ACW en CPA opgelegde geldboeten vast te stellen op 10 mei 2010. Het Gerecht heeft ook deze grief gegrond verklaard, het besluit derhalve in zijn geheel nietig verklaard, en de Commissie in de kosten verwezen.
III. Procedure bij het hof en conclusies van partijen
16.
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 december 2018, heeft de Commissie de hogere voorziening ingesteld die het voorwerp van deze conclusie is. Tijdens de schriftelijke procedure heeft een dubbele uitwisseling van memories plaatsgevonden. Het Hof heeft partijen enkele schriftelijk te beantwoorden vragen gesteld. Partijen hebben hierop binnen de gestelde termijnen geantwoord. Partijen zijn gehoord ter terechtzitting voor het Hof van 5 februari 2020.
17.
In haar hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof om het bestreden arrest te vernietigen en GEA te verwijzen in alle kosten van de procedure voor het Hof en die voor het Gerecht. GEA verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten.
IV. Analyse
A. Ontvankelijkheid
1. Standpunten van partijen
18.
GEA voert aan dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is omdat de Commissie geen procesbelang heeft. Zij betoogt dat ook indien het Hof de hogere voorziening zou toewijzen, de Commissie niet meer gerechtigd is om betaling van de geldboete te vragen. Ten eerste vormt de beschikking van 2009 daartoe geen geldige rechtsgrondslag, aangezien daarin zowel de geldboete als de hoofdelijke aansprakelijkheid van ACW, CPA en GEA onjuist zijn vastgesteld. Ten tweede was de wettelijke termijn van tien jaar in artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003 voor de vaststelling van de geldboete verstreken voordat het litigieuze besluit werd vastgesteld.11.
19.
In haar repliek stelt de Commissie dat de exceptie van GEA niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat zij, in strijd met artikel 174 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, onrechtmatigheden van het bestreden arrest aanvoert in haar memorie van antwoord, en niet in het kader van een zelfstandig of incidenteel beroep. Ten gronde voert de Commissie aan dat zij er belang bij heeft op te komen tegen het bestreden arrest, voor zover daarin een besluit nietig is verklaard dat rechtsgevolgen voor de adressaten tot stand heeft gebracht, en daarin onjuiste conclusies zijn getrokken ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid en de bevoegdheid van de Commissie om de datum van opeisbaarheid van de geldboeten vast te stellen.
2. Beoordeling
20.
Volgens vaste rechtspraak onderstelt het bestaan van procesbelang dat de uitkomst van de hogere voorziening in het voordeel van de rekwirant kan zijn.12.
21.
GEA betoogt in de eerste plaats dat, aangezien de bevoegdheid van de Commissie om een geldboete op te leggen was verjaard op de datum waarop het litigieuze besluit was vastgesteld, het de Commissie geen enkel voordeel zou opleveren indien de hogere voorziening werd toegewezen.13. In dit verband merk ik op dat, zelfs indien wordt aangenomen dat — zoals GEA aanvoert — het litigieuze besluit is vastgesteld na de termijn van tien jaar van artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003, een dergelijke omstandigheid op zich niet volstaat om te kunnen concluderen dat de termijn is verjaard. Volgens deze bepaling treedt de verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten immers ten laatste in op de dag waarop een termijn van tien jaar is verstreken nadat de inbreuk is beëindigd ‘zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd’. In de onderhavige zaak staat vast dat GEA wegens de inbreuk in de sector ESBO/esters is bestraft bij de beschikking van 2009, die is vastgesteld binnen de termijn van tien jaar als bedoeld in artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003. Het feit dat het maximale bedrag van de opgelegde geldboete voor een van de entiteiten die deel uitmaakten van de voor de inbreuk aansprakelijke onderneming onjuist is vastgesteld, omdat het in artikel 23, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1/2003 bedoelde maximum van 10 % van de omzet is overschreden, en dat de Commissie om deze reden heeft besloten het dispositief van deze beschikking te wijzigen om de fout te corrigeren, heeft geen invloed op het tijdstip waarop de Commissie haar sanctiebevoegdheid heeft uitgeoefend met het oog op de toepassing van de verjaringstermijnen.14. Het litigieuze besluit en het besluit van 2010 hebben immers het — conform artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 genomen en in de beschikking van 2009 vervatte — besluit van de Commissie om een geldboete op te leggen aan de onderneming die bestaat uit ACW, CPA en GEA, niet gewijzigd15., en evenmin de hoogte van de aan GEA opgelegde geldboete gewijzigd; bij deze besluiten is uitsluitend het bedrag verlaagd naar evenredigheid van het bedrag waarvoor ACW aansprakelijk kon worden gesteld, waarbij de hoofdelijke en de exclusieve aansprakelijkheid tussen de drie betrokken entiteiten opnieuw is vastgesteld. Aangezien het litigieuze besluit dus niet kan worden aangemerkt als een nieuw besluit houdende oplegging van een geldboete, moet het argument van GEA dat de vernietiging van het bestreden arrest en bijgevolg de herleving van dat besluit de Commissie wegens verjaring geen enkel voordeel zou opleveren, voor zover dat op een onjuiste veronderstelling is gebaseerd, worden afgewezen.
22.
In de tweede plaats voert GEA aan dat aangezien het dispositief van de beschikking van 2009 — zoals gewijzigd, ten aanzien van CPA en ACW, bij het besluit van 2010 — door het bestreden arrest zou ‘herleven’, en aangezien volgens de Commissie de beschikking van 2009 als zodanig de rechtsgrondslag van de aan GEA opgelegde boete is, deze instelling geen belang heeft bij het verzoek het bestreden arrest te vernietigen. Ook dit argument moet worden verworpen. In dit verband volstaat het op te merken dat door de vernietiging van het bestreden arrest het litigieuze besluit zou worden hersteld waarmee de Commissie de beschikking van 2009 heeft gewijzigd en ten eerste de hoofdelijke en uitsluitende aansprakelijkheid van GEA voor de aan deze onderneming, CPA en ACW opgelegde geldboete opnieuw heeft vastgesteld, naar aanleiding van de verlaging van de geldboete voor laatstgenoemde en het besluit van 2010 — dat uitsluitend ten opzichte van GEA nietig is verklaard — en ten tweede een nieuwe datum van opeisbaarheid van de boete van GEA heeft vastgesteld, die in lijn is met de datum die reeds voor CPA en ACW gold op grond van het besluit van 2010. Los van alle overwegingen worden met het litigieuze besluit hoofdzakelijk doelstellingen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur nagestreefd. Daarom kan niet worden ontkend dat de Commissie er belang bij heeft op te komen tegen het arrest waarbij dit besluit nietig is verklaard.
23.
Tot slot blijkt uit het dossier dat GEA op 22 juli 2016, ter uitvoering van het litigieuze besluit en op voorlopige basis, terwijl het beroep tegen dit besluit bij het Gerecht aanhangig was, de haar opgelegde geldboete heeft betaald. Nadat het litigieuze besluit in het bestreden arrest nietig werd verklaard, heeft GEA de Commissie verzocht deze bedragen terug te betalen, wat haar evenwel werd geweigerd. GEA heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het besluit waarbij de Commissie haar verzoek heeft afgewezen.16. Daarbij heeft zij aangevoerd dat deze instelling op grond van artikel 266 VWEU verplicht is het bestreden arrest uit te voeren en de ter uitvoering van het bestreden arrest betaalde bedragen te restitueren, en dat de Commissie door terugbetaling te weigeren, dit besluit in feite blijft toepassen, ondanks dat het Gerecht het nietig heeft verklaard. Indien het Hof het bestreden arrest vernietigt, zal het litigieuze besluit weer rechtsgevolgen sorteren, waardoor de feitelijke en juridische grondslag van het beroep van GEA wegvalt. Ook in dit opzicht heeft de Commissie er dus belang bij om op te komen tegen het bestreden arrest.
24.
Om de bovenstaande redenen ben ik van mening dat de exceptie waarbij GEA aanvoert dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is omdat de Commissie geen procesbelang heeft, ongegrond moet worden verklaard.
B. Ten gronde
25.
Tot staving van haar hogere voorziening voert de Commissie twee middelen aan. Met het eerste middel voert zij aan dat het Gerecht het gelijkheidsbeginsel onjuist heeft toegepast en is voorbijgegaan aan de rechtspraak over het begrip ‘onderneming’, over hoofdelijke aansprakelijkheid en over de gevolgen van de verlaging van een aan een dochteronderneming opgelegde boete. Met het tweede middel verwijt zij het Gerecht ten onrechte te hebben geoordeeld dat de betalingstermijn voor een geldboete voor alle juridische entiteiten van een hoofdelijk aansprakelijke onderneming ingaat op de datum van betekening van een wijzigingsbesluit waarbij de geldboete voor slechts een van hen wordt verlaagd.
1. Eerste middel van de hogere voorziening
a) Bestreden arrest
26.
Het eerste middel van de hogere voorziening is gericht tegen de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest.
27.
Na in punt 105 van dat arrest in herinnering te hebben gebracht dat de Commissie volgens GEA de verlaging van het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan ACW aanvankelijk was gehouden, anders had kunnen verdelen over de hoofdelijke medeschuldenaren, te weten GEA, ACW en CPA, heeft het Gerecht in punt 106 verklaard dat ‘bij het onderzoek of sprake is van een gelijke behandeling, niet alleen rekening [moet] worden gehouden met de hoofdelijk aan ACW, CPA en [GEA] opgelegde geldboete, maar ook met de hoofdelijk aan ACW en [GEA] opgelegde geldboete, zodat dient te worden geoordeeld dat de Commissie in casu de krachtens het gelijkheidsbeginsel op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen’. Volgens het Gerecht bevonden GEA en CPA zich namelijk in een vergelijkbare situatie doordat allebei de vennootschappen met ACW hoofdelijk waren gehouden tot betaling van een geldboete.17. Daarbij komt dat de Commissie ‘het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan ACW en [GEA] hoofdelijk gehouden bleven, stellig anders had kunnen vaststellen met het oog op de beperking van het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan verzoekster als enige kon worden gehouden’18., door de verlaging van het bedrag van de geldboete van ACW ‘op een evenredige wijze [te verdelen] in de twee gevallen van hoofdelijke aansprakelijkheid in kwestie’19.. Alsdan zou ‘het totale bedrag van de geldboeten tot betaling waarvan ACW jegens de Commissie gehouden kon zijn, niet meer dan 10 % van haar omzet hebben bedragen en zou deze verlaging eerlijk verdeeld zijn geweest tussen enerzijds de hoofdelijk aan ACW en [GEA] opgelegde geldboete en anderzijds de hoofdelijk aan [GEA], ACW en CPA opgelegde geldboete’. In punt 111 van het bestreden arrest is het Gerecht daarom tot de slotsom gekomen dat door de aan ACW toegekende verlaging van het bedrag van de geldboete uitsluitend toe te passen op de geldboete tot betaling waarvan GEA, CPA en ACW hoofdelijk zijn gehouden, de Commissie dus zonder enige objectieve rechtvaardiging het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.
b) Argumenten van partijen
28.
De Commissie verwijt het Gerecht dat het in de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest een ontoereikende en tegenstrijdige redenering heeft gevolgd. Zo blijkt volgens de Commissie niet duidelijk wat het voorwerp is van de door het Gerecht in punt 109 van het bestreden arrest voorgestelde verdeling tussen de twee gevallen van hoofdelijke aansprakelijkheid — het bedrag van de verlaging van de aan ACW opgelegde geldboete dan wel het bedrag van de verlaagde geldboete — en evenmin op welke wijze deze verdeling moet plaatsvinden.
29.
Voor zover de Commissie in dit arrest is verweten dat zij het deel van de geldboete waarvoor GEA exclusief aansprakelijk is, niet heeft verlaagd en de hoofdelijke aansprakelijkheid van GEA, CPA en ACW heeft beperkt tot het aan deze entiteiten gemeenschappelijke deel van de geldboete, merkt de Commissie op dat een dergelijke verdeling in strijd is met de begrippen ‘onderneming’ en ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’. Volgens een redenering die vergelijkbaar is met de theorie van de interne verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid die het Gerecht heeft ontwikkeld in het arrest van 3 maart 2011, Siemens en VA Tech Transmission & Distribution/Commissie20. (hierna: ‘arrest Siemens van het Gerecht’) en het Hof heeft afgewezen in de arresten van 10 april 2014, Commissie/Siemens Österreich e.a.21. (hierna: ‘arrest Siemens van het Hof’), en 10 april 2014, Areva/Commissie22. (hierna: ‘arrest Areva’), pleit het Gerecht volgens de Commissie in feite ervoor om ten aanzien van bepaalde delen van de geldboete de externe hoofdelijkheid tussen entiteiten die deel uitmaken van dezelfde onderneming op te heffen. De Commissie benadrukt dat zij in de beschikking van 2009 de regel heeft toegepast die geldt in alle gevallen waarin aan juridische entiteiten die deel uitmaken van dezelfde onderneming geldboeten met verschillende hoogten worden opgelegd en volgens welke al deze entiteiten hoofdelijk aansprakelijk zijn tot het bedrag van de laagste geldboete.
30.
De Commissie voert eveneens aan dat het Gerecht, door de twee groepen hoofdelijk aansprakelijke entiteiten kunstmatig van elkaar te scheiden en op deze entiteiten het gelijkheidsbeginsel toe te passen, de entiteiten die deel uitmaken van eenzelfde economische eenheid als verschillende ondernemingen heeft behandeld. Ten eerste wordt dit beginsel in mededingingszaken doorgaans uitsluitend toegepast tussen afzonderlijke ondernemingen die in het kader van dezelfde beslissing voor dezelfde inbreuk zijn veroordeeld. Ten tweede heeft het Gerecht dit beginsel zelf geschonden door vergelijkbare situaties verschillend te behandelen, voor zover het heeft geoordeeld dat GEA, CPA en ACW voor een deel van de opgelegde boete niet hoofdelijk aansprakelijk zijn.
31.
Daarnaast heeft het Gerecht, door de Commissie te verwijten dat zij het deel van de geldboete waarvoor GEA individueel aansprakelijk kon zijn, niet heeft verlaagd, het in het arrest van het Hof van 26 november 2013, Kendrion/Commissie23. (hierna: ‘arrest Kendrion’), vastgestelde beginsel geschonden, volgens welk een verlaging van de geldboete die is opgelegd aan een entiteit die deel uitmaakt van een onderneming, wegens omstandigheden die alleen op die entiteit van toepassing zijn, geen invloed heeft op de geldboete of op de aansprakelijkheid van de andere juridische entiteiten waaruit de onderneming bestaat.
32.
De Commissie verduidelijkt daarnaast dat het maximale bedrag van de geldboete tot betaling waarvan elke vennootschap hoofdelijk gehouden was, niet gekoppeld is aan een bepaalde periode van deelname aan de inbreuk, en dat het litigieuze besluit de toekenning van aansprakelijkheid van GEA, CPA en ACW die uit de beschikking van 2009 blijkt, niet heeft gewijzigd. In haar repliek, in haar antwoorden op de schriftelijke vragen van het Hof en ter terechtzitting heeft de Commissie sterk de nadruk gelegd op het feit dat de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 ‘geen betrekking hebben op specifieke inbreukperioden, maar dat daarin de maximale bedragen zijn vastgesteld van de geldboete waarvoor elke juridische entiteit waaruit deze onderneming bestaat gezamenlijk of hoofdelijk aansprakelijk kon worden geacht’. De opsplitsing van de geldboete is volgens haar te wijten aan de omstandigheid dat CPA aan de inbreuk heeft deelgenomen als entiteit van twee verschillende ondernemingen, GEA en Chemson. Het maximumbedrag waarvoor zij als dochteronderneming van GEA aansprakelijk is, komt volgens de Commissie overeen met de geldboete in punt 31 van artikel 2 van de beschikking van 2009, terwijl het bedrag in punt 32 overeenkomt met het resterende deel van de aan de GEA Group opgelegde geldboete, waarvoor alleen GEA en ACW aansprakelijk konden worden gesteld. De in de punten 31 en 32 opgelegde geldboete vormt dus één geheel en is opgelegd aan de onderneming die bestaat uit GEA en haar dochterondernemingen, in de verschillende samenstellingen waarin deze onderneming aan de inbreuk heeft deelgenomen.
33.
Overigens voert de Commissie aan dat zij, aangezien het besluit van 2010 jegens ACW en CPA definitief is geworden, de hoofdelijke en exclusieve aansprakelijkheid van GEA niet kan wijzigen zonder het bedrag van de aan die onderneming opgelegde geldboete te verlagen. Een dergelijke verlaging is volgens de Commissie evenwel in strijd met het arrest Kendrion en zet het definitieve karakter van de beschikking van 2009, zoals bevestigd door het Gerecht, weer op losse schroeven.
34.
Tot slot voert de Commissie aan dat op grond van het enkele feit dat er ten opzichte van de methode die de Commissie in het litigieuze besluit heeft toegepast nog andere methoden voor de verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid bestaan, niet kan worden geconcludeerd dat dit besluit onrechtmatig is, zoals het Gerecht heeft gedaan. Dit aspect van het besteden arrest is volgens de Commissie onvoldoende gemotiveerd.
35.
GEA voert aan dat de verwijten van de Commissie zijn gebaseerd op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Om te beginnen heeft het Gerecht, anders dan de Commissie betoogt, zich niet gebaseerd op de ‘theorie van interne verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid’, maar louter het gelijkheidsbeginsel toegepast, aangezien CPA en GEA zich in een vergelijkbare situatie bevinden, verschillend zijn behandeld en er geen enkele rechtvaardiging is voor een dergelijk verschil in behandeling. Het Gerecht heeft dus alleen de externe aansprakelijkheid in aanmerking genomen, dat wil zeggen, het bedrag waarvoor de Commissie elke entiteit waaraan de geldboete wordt opgelegd, hoofdelijk of exclusief aansprakelijk kan stellen.
36.
Daarnaast voert GEA aan dat volgens de bevindingen van het Gerecht — waartegen in hogere voorziening niet kan worden opgekomen — de Commissie in haar beschikking van 2009 niet één, maar twee afzonderlijke geldboeten heeft vastgesteld voor twee verschillende gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijke groepen entiteiten en voor twee verschillende inbreukperioden. Zoals gezegd in de punten 61 en 62 van het bestreden arrest hebben de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 betrekking op respectievelijk de periode van 30 september 1995 tot 17 mei 2000 en de periode van 11 september 1991 tot 29 september 1995. Deze verdeling is volgens GEA het gevolg van het feit dat CPA slechts van 11 september 1991 tot 29 september 1995 aan de inbreuk heeft deelgenomen. De Commissie heeft de verlaging van de geldboete van ACW evenwel toegepast alsof er tussen deze vennootschap, CPA en GEA één hoofdelijke betrekking bestond. De Commissie heeft zich dus ten onrechte op het standpunt gesteld dat het begrip ‘onderneming’ in deze omstandigheden de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op de onderhavige zaak uitsluit. GEA brengt in herinnering dat de Commissie gehouden is dit beginsel, als algemeen beginsel van Unierecht dat is erkend in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, ook na te leven in de uitoefening van haar bevoegdheid geldboeten op te leggen uit hoofde van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003. Anders dan de Commissie heeft gesteld, is dit beginsel niet uitsluitend op verschillende ondernemingen van toepassing, maar ook op de betrekkingen tussen vennootschappen die deel uitmaken van dezelfde onderneming.24.
37.
Ten aanzien van de stelling van de Commissie dat het Gerecht het arrest Kendrion heeft geschonden, verklaart GEA dat dit arrest niet uitsluit dat de toepassing van het maximum van 10 % op een voormalige dochteronderneming in geen geval een impact kan hebben op de situatie van de moedermaatschappij, maar slechts uitsluit dat de moedermaatschappij niet kan profiteren van hetzelfde maximum als dat welk op de voormalige dochteronderneming van toepassing is. Zelfs een eventuele verlaging van de geldboete voor GEA zou niet in strijd zijn met het arrest Kendrion, voor zover dat geen toepassing het maximum van 10 % van ACW op GEA betekent, maar een toepassing van dat maximum overeenkomstig het gelijkheidsbeginsel.
c) Analyse
38.
In de eerste plaats moet de grief van de Commissie dat het bestreden arrest ontoereikend en tegenstrijdig gemotiveerd is, worden afgewezen. De motivering is zonder meer beknopt, maar maakt het wel mogelijk de redenering van het Gerecht te begrijpen, die helder is en geen tegenstrijdigheden bevat. Het lijkt mij inderdaad voldoende duidelijk dat het Gerecht in de punten 106 tot en met 111 van het bestreden arrest verwijst naar de verdeling van verlaging van het bedrag van de geldboete van ACW25.op evenredige wijze26. in de twee gevallen van hoofdelijke aansprakelijkheid die de Commissie in de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 heeft vermeld. Dit betekent in wezen dat de Commissie volgens het Gerecht eerst de verhouding had moeten vaststellen tussen het deel van de geldboete waarvoor ACW aansprakelijk was samen met CPA en GEA en het deel waarvoor zij hoofdelijk met alleen GEA aansprakelijk was, en daarna de verlaging van de geldboete van ACW in dezelfde verhouding tussen de twee gevallen van hoofdelijkheid had moeten verdelen. Ten opzichte van de verdeling in het besluit van 2010 en in het litigieuze besluit, zou de toepassing van deze methoden tot gevolg hebben gehad i) dat ACW, CPA en GEA hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn geweest voor een lager bedrag dan dat welk is genoemd in artikel 2, punt 31, onder a), van de beschikking van 2009, zoals gewijzigd bij deze besluiten; ii) dat CPA en GEA hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn geweest voor een hoger bedrag dan dat onder b) van dat punt, en tot slot iii) dat GEA als enige aansprakelijk zou zijn geweest voor een lager bedrag dan dat welk is genoemd in punt 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009, zoals gewijzigd, aangezien een deel van de in dat punt vastgestelde geldboete onder de hoofdelijke aansprakelijkheid van ACW en GEA zou vallen. Volgens het Gerecht heeft de toepassing van deze methode voor de verdeling van de aan ACW toegekende verlaging van de geldboete geleid tot een eerlijkere verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de verlaagde geldboete van ACW (punt 110), door beperking van ‘het gedeelte van de geldboete tot betaling waarvan [GEA] als enige kon worden gehouden’ (punt 108). De redenering van het Gerecht is weliswaar beknopt, maar vertoont mijns inziens geen motiveringsgebreken.
39.
In de tweede plaats moet de door de Commissie aangevoerde grief worden afgewezen dat het bestreden arrest in strijd is met de door het Hof in het arrest Kendrion27. vastgestelde beginselen. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat in het geval waarin ‘twee afzonderlijke rechtspersonen, zoals een moedermaatschappij en haar dochteronderneming, niet langer een onderneming in de zin van artikel [101 VWEU] vormen op de datum van vaststelling van een besluit waarbij hun een geldboete wegens schending van de mededingingsregels wordt opgelegd, elk van hen het recht heeft op toepassing van het plafond van 10 % van de omzet’, en dat de moedermaatschappij in dat geval geen aanspraak kan maken op het voordeel van het op haar voormalige dochteronderneming toepasselijke plafond.28. Zoals GEA terecht heeft opgemerkt, sluit dit arrest louter uit dat dit plafond op de moedermaatschappij van toepassing is. De moedermaatschappij, die deel uitmaakt van de economische entiteit die inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU, moet namelijk worden geacht deze inbreuk zelf te hebben gemaakt29., met als gevolg dat de geldboete waarvoor zij samen met de dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijk is, niet wordt geraakt door de verlaging die op de dochteronderneming wordt toegepast30. om redenen die uitsluitend op de dochter betrekking hebben31.. Uit dit arrest blijkt daarentegen niet, zoals de Commissie lijkt te betogen, dat wanneer na de toepassing van het plafond van 10 % op de dochteronderneming de externe hoofdelijkheid tussen de dochteronderneming, de moedermaatschappij en de andere entiteiten waaruit de onderneming bestaat opnieuw moet worden vastgesteld, bij deze nieuwe vaststelling geen rekening kan worden gehouden met de belangen van alle betrokkenen, met inbegrip van de moedermaatschappij. Overigens merk ik op dat, ongeacht de door de Commissie gebruikte methode, de nieuwe vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid tussen GEA, CPA en ACW, na de verlaging van de aan laatstgenoemde opgelegde boete, hoe dan ook voor zowel GEA als CPA zou hebben geleid tot een nadeligere situatie dan die welke voortvloeit uit de beschikking van 2009. In de onderhavige zaak is de vraag dus niet of een dergelijke verlaging GEA kan bevoordelen, maar of de verdeling van de hoofdelijke aansprakelijkheid tussen de betrokken entiteiten na de toepassing van deze verlaging GEA sterker kan benadelen dan CPA, zonder daarbij het gelijkheidsbeginsel te schenden. Van de in het arrest Kendrion aan de orde zijnde situatie is in casu dus duidelijk geen sprake. Wat de stelling van de Commissie betreft dat indien het bestreden arrest werd gehandhaafd, zij de geldboete van GEA zou moeten verlagen, omdat zij het dispositief van het besluit van 2010 — dat ten aanzien van CPA en ACW onherroepelijk is geworden — niet kan wijzigen, wijs ik er enkel op dat, los van alle andere overwegingen, een dergelijke verlaging het gevolg zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel door de Commissie die deze instelling dient te verhelpen, en niet van de uitbreiding van eventuele voordelen naar GEA naar aanleiding van de toepassing op ACW van het plafond van 10 %. Ook in dit geval worden de beginselen die het Hof in het arrest Kendrion heeft vastgesteld, niet op losse schroeven gezet.
40.
Tot slot moet de grief van de Commissie worden afgewezen volgens welke het bestreden arrest is gebaseerd op een redenering die vergelijkbaar is met die van het Gerecht in het arrest Siemens. In dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat aangezien ‘[u]it het […] beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties […] voort[vloeit] dat elke vennootschap uit de beschikking waarbij haar een geldboete wordt opgelegd die zij hoofdelijk met één of meerdere andere vennootschappen dient te betalen, moet kunnen afleiden welk aandeel zij in verhouding tot haar hoofdelijke medeschuldenaars moet dragen, wanneer de Commissie eenmaal is betaald’, de Commissie ‘niet vrij de hoofdelijk te betalen bedragen [kan] bepalen’, maar ‘de periodes [moet] aangeven waarvoor de betrokken vennootschappen (mede)aansprakelijk zijn voor het onrechtmatige gedrag van de ondernemingen die aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen, en, in voorkomend geval, de mate waarin deze vennootschappen aansprakelijk zijn voor dit gedrag’.32. Op basis van deze uitgangspunten is het Gerecht in de punten 157 en 158 van dat arrest tot de slotsom gekomen dat het ‘uitsluitend aan de Commissie [is] om in de uitoefening van de haar bij artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 verleende bevoegdheid om geldboeten op te leggen, te bepalen welk deel elk van de vennootschappen dient te dragen van de bedragen waartoe zij hoofdelijk zijn veroordeeld voor zover zij deel uitmaakten van éénzelfde onderneming […]’, en dat ‘[b]ehoudens andersluidende aanwijzing in de beschikking waarbij de Commissie verschillende vennootschappen hoofdelijk een geldboete oplegt wegens het inbreukmakende gedrag van een onderneming, […] ervan [moet] worden uitgegaan dat zij hen in gelijke mate aansprakelijk stelt voor dit gedrag […]’.33. Nadat de Commissie een hogere voorziening had ingesteld, heeft het Hof het arrest Siemens van het Gerecht vernietigd door te oordelen dat ‘[u]it artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 […] weliswaar voort[vloeit] dat de Commissie meerdere vennootschappen hoofdelijk een geldboete kan opleggen, voor zover zij deel uitmaakten van dezelfde onderneming, maar [dat] noch de formulering van deze bepaling noch het doel van het hoofdelijkheidsmechanisme […] de conclusie [wettigen] dat deze sanctiebevoegdheid niet alleen de externe hoofdelijkheid betreft, maar tevens de bevoegdheid omvat om het aandeel van de hoofdelijke medeschuldenaars in het kader van hun interne relatie te bepalen’. Bij de vaststelling van deze aandelen gaat het volgens het Hof om ‘een geschil dat rijst in een latere fase en dat in beginsel geen enkel belang meer heeft voor de Commissie, aangezien de gehele geldboete aan haar is betaald door een of meerdere van deze medeschuldenaars’.34. Deze vaststelling staat dus ‘aan de nationale rechterlijke instanties […] met inachtneming van het recht van de Unie’.35.
41.
Zoals GEA terecht heeft opgemerkt, betreft het bestreden arrest uitsluitend de vaststelling van de externe hoofdelijkheid tussen GEA, CPA en ACW — een vraagstuk ten aanzien waarvan de Commissie onmiskenbaar sanctiebevoegdheid heeft36. — en wordt de Commissie daarin verweten deze bevoegdheid niet in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel te hebben uitgeoefend. Het Gerecht gaat echter niet in op de vraag hoe de aan deze vennootschappen opgelegde geldboete onderling moet worden verdeeld.
42.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat, zoals de Commissie terecht aanvoert, dezelfde overwegingen op grond waarvan het Hof de stelling van het Gerecht in het arrest Siemens heeft afgewezen — over de invloed die het begrip ‘onderneming’ in het mededingingsrecht van de Unie heeft op de regels die aan de sanctiebevoegdheid van de Commissie ten grondslag liggen — ook in de context van de onderhavige hogere voorziening relevant zijn.
43.
Het begrip ‘onderneming’ wordt in de Verdragen gebruikt ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op het mededingingsrecht die op grond van de artikelen 101 en 102 VWEU kan worden bestraft.37. Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip ‘onderneming’ elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van deze entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Onder dit begrip moet een economische eenheid worden verstaan, ook al wordt deze eenheid vanuit juridisch oogpunt door verschillende natuurlijke personen of rechtspersonen gevormd.38. Zo kan volgens vaste rechtspraak ‘worden aangenomen dat een moedermaatschappij en haar dochteronderneming gedurende de periode van de inbreuk deel uitmaken van dezelfde economische eenheid en aldus één enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie vormen, indien het inbreukmakende gedrag van de dochter aan de moedermaatschappij kan worden toegerekend’.39. Wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels overtreedt, moet zij in overeenstemming met het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid de verantwoordelijkheid daarvoor dragen.40. De boetebeschikking van de Commissie kan echter niet in het algemeen aan een economische eenheid worden toegekend, maar moet om louter praktische redenen noodzakelijkerwijs worden gericht tot de rechtspersonen die een onderneming vormen.41.
44.
Wanneer meerdere personen persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de deelname aan een inbreuk die door één en dezelfde onderneming is gepleegd in de zin van het mededingingsrecht — ongeacht of de aansprakelijkheid rechtstreeks is of afgeleid van die van een dochteronderneming — heeft de Commissie krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de mogelijkheid hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een geldboete.42. Zoals het Hof heeft gespecificeerd, beoogt het mechanisme van de hoofdelijkheid juist een aanvullend juridisch instrument te vormen waarover de Commissie beschikt om de doeltreffendheid van haar maatregelen tot invordering van de wegens inbreuken op de mededingingsregels opgelegde geldboeten te versterken, aangezien dit mechanisme voor de Commissie, als schuldeiser van de door deze geldboeten gevormde schuld, het insolvabiliteitsrisico verlaagt, wat bijdraagt tot de over het algemeen door de mededingingsregels beoogde afschrikkende werking.43.
45.
In de onderhavige zaak heeft de Commissie dit instrument in de beschikking van 2009 gebruikt om GEA, CPA en ACW, als entiteiten die deel uitmaken van een en dezelfde onderneming, hoofdelijk te veroordelen tot de betaling van een geldboete wegens schending van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU), omdat deze onderneming aan een mededingingsregeling op de markt van ESBO/esters had deelgenomen. Volgens GEA heeft de Commissie in artikel 2, punten 31 en 32 van deze beschikking in werkelijkheid echter niet één, maar twee verschillende geldboeten opgelegd die corresponderen met de verschillende inbreukperioden, door feitelijk onderscheid te maken tussen twee verschillende ondernemingen. De Commissie is het daarmee oneens.
46.
De reconstructie van de verhouding tussen de twee in deze punten genoemde bedragen vormt een centraal vraagstuk voor het onderzoek van het eerste middel van de hogere voorziening, en het is geen toeval dat partijen het daarover volstrekt niet eens zijn.
47.
In dit verband lijdt het geen twijfel dat de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 — althans indirect — de verschillende samenstellingen weerspiegelen waarin de voor de inbreuk aansprakelijk geachte onderneming in de loop der tijd aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen. Uit de beschikking van 2009 blijkt namelijk dat CPA, als rechtsopvolger van OCA, samen met GEA en ACW deel heeft uitgemaakt van een economische eenheid gedurende slechts een bepaalde periode van de inbreuk waarvan deze eenheid wordt beschuldigd, dat wil zeggen, van 30 september 1995 tot 17 mei 2000.44. Er bestaat dus een verband tussen enerzijds de in de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 vastgestelde bedragen, en anderzijds de perioden gedurende welke CPA met GEA en ACW deel heeft uitgemaakt van deze onderneming, en de perioden waarin deze onderneming uitsluitend uit GEA en ACW bestond.
48.
Op grond van deze constatering kan evenwel niet worden geoordeeld dat deze bedragen geen deel vormen van één geldboete, die is opgelegd aan één onderneming, in haar verschillende en achtereenvolgende samenstellingen.
49.
Bij de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verschillende entiteiten waaruit de onderneming bestaat die zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op artikel 101 VWEU, moet de Commissie naast de wijzigingen van de zeggenschapsverhoudingen tussen deze entiteiten, ook rekening houden met de veranderingen in de samenstelling van de onderneming.45. De samenstelling van de onderneming kan gedurende haar deelneming aan een inbreuk immers veranderen, afhankelijk van de verschillende entiteiten die tot de onderneming toetreden of haar verlaten. Deze wijzigingen, die zich met name kunnen voordoen wanneer de inbreuk langere tijd voortduurt, zoals in de onderhavige zaak het geval is, nemen evenwel niet weg dat de onderneming één rechtssubject vormt waaraan de inbreuk kan worden toegerekend en dat de haar opgelegde geldboete één geheel vormt. In deze zin moet het onderscheid worden opgevat dat de Commissie in de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 heeft gemaakt bij de vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid van GEA, CPA en ACW voor één enkele geldboete die is opgelegd aan de economische eenheid waarvan zij in de loop der tijd deel hebben uitgemaakt.
50.
Voor het overige weerspiegelen de in deze punten vastgestelde bedragen, met inachtneming van het beginsel van het persoonlijke karakter van straffen en sancties, en overeenkomstig artikel 23, lid 3, van verordening nr. 1/2003, de zwaarte en de duur van de inbreuk die individueel aan de betrokken onderneming wordt verweten. In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat de inachtneming van dit beginsel en van het beginsel van rechtszekerheid deel uitmaakt van de beperkingen waaraan de Commissie is gebonden bij de vaststelling van de externe hoofdelijkheid, op grond waarvan de verschillende personen die de ondernemingen vormen kan worden verzocht om de gehele aan deze onderneming opgelegde geldboete te betalen.46. In casu heeft de Commissie, door onderscheid te maken tussen de bedragen die hoofdelijk aan GEA, CPA en ACW en aan GEA en ACW moeten worden opgelegd, rekening gehouden met de omstandigheid dat CPA gedurende een bepaalde periode aan de inbreuk heeft deelgenomen als dochteronderneming van een andere moedermaatschappij, waarmee zij hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van een andere geldboete47.. Daardoor heeft zij schending van het beginsel van persoonlijk karakter van straffen en sancties voorkomen, waarvan zij in het arrest Areva was beschuldigd48..
51.
De stelling van GEA dat de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 corresponderen met de perioden waarin GEA, CPA en ACW aan de mededingingsregeling hebben deelgenomen en dus twee verschillende geldboeten zijn, moet daarom worden afgewezen. Overigens wijs ik erop dat deze stelling, althans deels, is verworpen door het Gerecht, dat in punt 102 van het bestreden arrest, in overeenstemming met de argumenten van de Commissie in haar hogere voorziening, heeft geoordeeld dat ‘de geldboete die is opgelegd aan alle vennootschappen die een en dezelfde onderneming in de zin van artikel 101 VWEU vormen, niet de deelname van die vennootschappen aan de inbreuk [weerspiegelt], maar uitsluitend het maximale bedrag dat in voorkomend geval door de Commissie bij hen kan worden opgeëist voor de deelname van de onderneming in de zin van artikel 101 VWEU aan de inbreuk’. Anders dan GEA betoogt, is het echter niet even duidelijk of het Gerecht heeft geoordeeld dat de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 betrekking hebben op twee verschillende geldboeten en twee verschillende ondernemingen. De punten 54 en 55 van het bestreden arrest lijken in deze zin te moeten worden uitgelegd. In de punten van de motivering die de Commissie in haar eerste middel van de hogere voorziening bestrijdt, maakt het Gerecht evenwel louter onderscheid tussen twee verschillende soorten hoofdelijkheid.
52.
Het bovenstaande kan mijns inziens ook het uitgangspunt van de redenering van het Gerecht ondermijnen, namelijk dat de in de punten 31 en 32 van artikel 2 van de beschikking van 2009 genoemde gevallen van hoofdelijke aansprakelijkheid corresponderen met de duur van de respectieve deelname van GEA, ACW en CPA aan de inbreuk en bedragen betreffen die naar evenredigheid van die deelname zijn vastgesteld. Zoals gezegd, en zoals de Commissie betoogt, weerspiegelen deze punten immers niet de deelname van de afzonderlijke entiteiten aan de inbreuk, maar het feit dat zij tot dezelfde onderneming behoren, en dus de vraag of zij hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de betaling van de genoemde bedragen.
53.
De verlaging van de geldboete van ACW heeft rechtstreekse invloed op de externe hoofdelijkheid van deze entiteit, in die zin dat de Commissie van haar geen hoger bedrag kan vragen dan het bedrag dat overeenkomt met het maximum van 10 % dat op haar van toepassing is, maar wijzigt de externe hoofdelijkheid van de andere vennootschappen niet. Deze vennootschappen blijven jegens de Commissie aansprakelijk binnen de limieten die op elk afzonderlijk van toepassing zijn, wat betreft zowel de respectievelijke maxima van 10 % als de periode gedurende welke zij deel uitmaakten van dezelfde onderneming die de inbreuk heeft gepleegd. Het feit dat GEA als enige voor een deel van de geldboete moet instaan, is een zuiver automatisch gevolg van de verlaging die op ACW is toegepast, en van het feit dat deze entiteiten gedurende de hele duur van de inbreuk één onderneming hebben gevormd.
54.
Dat is mijns inziens — zoals ook de Commissie terecht heeft gesteld — de reden waarom de Commissie niet verplicht was de aan ACW toegekende verlaging of de lagere geldboete voor ACW op een bepaalde wijze te verdelen. Zoals het Hof in het arrest Siemens heeft gespecificeerd, heeft het Unierechtelijke begrip ‘hoofdelijke verplichting tot betaling van de geldboete’, voor zover hiermee slechts uitdrukking wordt gegeven aan een gevolg dat van rechtswege voortvloeit uit het begrip ‘onderneming’, slechts betrekking op de onderneming en niet op de vennootschappen die hiervan deel uitmaken.49. In deze context is een vergelijking van de situatie van CPA en die van GEA niet relevant, omdat deze vennootschappen deel uitmaken van één economische eenheid, en in die hoedanigheid in de beschikking van 2009 zijn bestraft.50.
55.
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 105 tot en met 111 van het bestreden arrest, voor zover het daarin heeft geoordeeld dat de Commissie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Daarom moet het eerste middel van de hogere voorziening van de Commissie naar mijn mening worden toegewezen.
2. Tweede middel van de hogere voorziening
a) Bestreden arrest
56.
Het tweede middel van de hogere voorziening is gericht tegen de redenering in de punten 119 tot en met 126 van het bestreden arrest.
57.
In de punten 122 en 123 van dit arrest heeft het Gerecht geconstateerd dat op de datum waarop het besluit van 2010 in werking is getreden en ervan kennis werd gegeven, de bepalingen van artikel 2, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 niet meer in hun aanvankelijke bewoordingen van toepassing waren aangezien zij waren vervangen door het besluit van 2010, en dus geen grondslag konden vormen voor de vaststelling van de datum waarop de geldboeten in kwestie opeisbaar waren. Volgens het Gerecht kon ‘[a]lleen de datum van ontvangst van de kennisgeving van het besluit van 2010, dat sindsdien de rechtsgrond vormde voor de verplichting om die geldboeten te betalen, […] fungeren als beginpunt van een dergelijke termijn’.51. In punt 124 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat dit besluit evenwel nietig was verklaard in het arrest van 15 juli 2015, GEA Group/Commissie52., en dat het derhalve niet kon dienen als rechtsgrond ‘voor de aan verzoekster opgelegde verplichting de geldboeten in kwestie te betalen of voor de vaststelling van de datum van hun opeisbaarheid’. Het Gerecht heeft vervolgens in punt 125 van het bestreden arrest opgemerkt dat die nietigverklaring weliswaar tot gevolg had dat de aanvankelijke bewoordingen van artikel 2, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 herleefden, doch dat deze bewoordingen opnieuw zijn vervangen, namelijk door die van artikel 1 van het litigieuze besluit. Daarom heeft het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest geconcludeerd dat ‘de verplichting tot betaling van de geldboeten uitsluitend voortvloeit uit artikel 1 van het [litigieuze] besluit en dat de datum van opeisbaarheid van die geldboeten niet kon worden vastgesteld op een datum die voorafging aan die waarop de kennisgeving van dat besluit werd ontvangen’.
b) Standpunten van partijen
58.
Volgens de Commissie heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat artikel 2, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 als rechtsgrondslag dient voor de vaststelling van de datum van opeisbaarheid van de geldboete. Deze datum was immers vastgesteld in artikel 2, tweede alinea van de beschikking van 2009, en dus in een ander punt van het dispositief van deze beschikking. Welnu, indien een artikel of een deel van een artikel van het dispositief van een beschikking niet door een wijzigingsbesluit wordt geraakt, blijft het rechtsgevolgen sorteren. Daaruit volgt volgens de Commissie dat de wijziging van de datum [van opeisbaarheid] van de geldboete van rekwirante in het besluit van 201053. en in het litigieuze besluit het resultaat is van haar discretionaire keuze, en niet automatisch volgt uit de wijziging van de bepalingen betreffende het bedrag van de geldboete. Anders dan uit het bestreden arrest blijkt, staat de wijziging van een geldboete dus niet gelijk aan de vervanging daarvan, dat wil zeggen de vaststelling van een nieuwe geldboete. De Commissie heeft in het litigieuze besluit besloten de datum van opeisbaarheid van de geldboete van GEA gelijk te trekken met de datum die naar aanleiding van het besluit van 2010 voor ACW en CPA was vastgesteld, teneinde GEA niet in een ongunstigere positie te plaatsen ten opzichte van de genoemde vennootschappen. Tot slot merkt de Commissie op dat de fout van het Gerecht leidt tot het verlies van vertragingsrente die verschuldigd is door alle entiteiten van een onderneming in alle gevallen waarin een geldboete voor een van hen is gewijzigd, en bovendien het risico met zich brengt dat de beoordelingsruimte van de Commissie in alle gevallen waarin een geldboete moet worden gewijzigd, te sterk wordt beperkt.
59.
Volgens GEA kan de Commissie het tijdstip waarop de vertragingsrente begint te lopen niet naar eigen goeddunken vaststellen op een datum die voorafgaat aan de datum waarop het besluit tot vaststelling van de geldboete is betekend. Zoals terecht is vermeld in het bestreden arrest kon dit in casu geen ander besluit zijn dan het litigieuze besluit, zodat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de datum van opeisbaarheid van de boete niet kon voorafgaan aan de datum van kennisgeving van dit besluit. GEA merkt daarnaast op dat — anders dan de Commissie heeft betoogd — het litigieuze besluit niet louter artikel 2, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 heeft gewijzigd, maar deze beschikking heeft vervangen, en dat daarbij het volledige dispositief werd vervangen waarbij de geldboete is opgelegd. Tot slot merkt GEA op dat indien een besluit tot vaststelling van een geldboete voor de verschillende entiteiten van eenzelfde onderneming wordt gewijzigd, het verlies van vertragingsrente uitsluitend betrekking heeft op de entiteiten die door deze wijziging worden geraakt, en niet op de andere.
c) Beoordeling
60.
Het beginsel dat het Gerecht als uitgangspunt heeft genomen — te weten dat de datum van opeisbaarheid van een geldboete met ingang waarvan eventuele vertragingsrente verschuldigd is, niet kan worden vastgesteld op een datum die voorafgaat aan de datum van kennisgeving van het besluit waarbij de geldboete is vastgesteld — is op zich juist, maar datzelfde kan niet worden gezegd van de toepassing van dit beginsel in het bestreden arrest.
61.
Om de in punt 21 van deze conclusie uiteengezette redenen ben ik namelijk van mening — anders dan het Gerecht heeft geoordeeld in de punten 123 tot en met 126 van het bestreden arrest — dat de beschikking van 2009, en niet de latere besluiten tot wijziging, de rechtsgrondslag is van de aan GEA, CPA en ACW opgelegde geldboete.54.
62.
Zoals de Commissie terecht heeft aangevoerd, heeft de wijziging van artikel 2, punten 31 en 32, van de beschikking van 2009 — eerst bij het besluit van 2010 en vervolgens bij het litigieuze besluit — bovendien geen automatische wijziging van de laatste alinea van artikel 2 met zich gebracht, op grond waarvan ‘de boeten in euro [moeten] worden betaald binnen drie maanden vanaf de kennisgeving van deze beschikking’. Deze wijziging had uitsluitend betrekking op het bedrag van de aan ACW opgelegde boete en de nieuwe vaststelling van de externe hoofdelijkheid tussen GEA, CPA en ACW, maar heeft geen invloed gehad op de datum van opeisbaarheid van de gewijzigde geldboete.
63.
Eerst in de kennisgeving van het besluit van 2010 en vervolgens in het dispositief van het litigieuze besluit heeft de Commissie besloten, ook al was zij daartoe niet verplicht, deze datum in de laatste alinea van artikel 2 van de beschikking van 2009 te verplaatsen naar 10 mei 2010.
64.
Nu zou de vraag kunnen rijzen of een dergelijk besluit niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van de andere ondernemingen die voor dezelfde inbreuk zijn bestraft, waarvoor, anders dan voor GEA, CPA en ACW, de in de laatste alinea van artikel 2 van de beschikking van 2009 vastgestelde datum van opeisbaarheid blijft gelden, en dus of de Commissie, zoals zij stelt, werkelijk vrij is om naar goeddunken de datum van opeisbaarheid van een geldboete vast te stellen in een besluit waarbij de hoogte van die boete wordt gewijzigd om het maximum van 10 % in aanmerking te nemen dat van toepassing is op een van de bestrafte rechtspersonen. Om de reeds uiteengezette redenen moet dit besluit volgens mij daarentegen niet onrechtmatig worden geacht om de door het Gerecht vermelde redenen.
65.
Gelet op het bovenstaande dient mijns inziens ook het tweede middel van de hogere voorziening te worden toegewezen.
3. Tussenconclusie
66.
Beide door de Commissie aangevoerde middelen moeten naar mijn oordeel worden toegewezen. Het bestreden arrest moet bijgevolg worden vernietigd.
67.
Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof vernietigt het Hof van Justitie de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening. Het kan dan zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel deze voor afdoening verwijzen naar het Gerecht. Aangezien het Gerecht uitsluitend op het vierde middel en het eerste deel van het vijfde middel heeft beslist, is de zaak niet in staat van wijzen opdat het Hof de zaak kan afdoen. Bijgevolg dient de zaak voor afdoening te worden terugverwezen naar het Gerecht.
V. Kosten
68.
Krachtens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Hof, bij gegrondheid ervan, de zaak zelf afdoet. Daar de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.
VI. Conclusie
69.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
- —
de hogere voorziening van de Commissie ontvankelijk te verklaren;
- —
het arrest van 18 oktober 2018, GEA Group/Commissie (T-640/16, EU:T:2018:700), te vernietigen;
- —
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor uitspraak over het geschil;
- —
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑06‑2020
Procestaal: Italiaans.
T-640/16, EU:T:2018:700.
Beschikking C(2009) 8682 definitief betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38589 — Hittestabilisatoren).
T-45/10, niet gepubliceerd, EU:T:2015:507.
Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1).
Besluit C(2010) 727 definitief tot wijziging van [de beschikking van 2009].
T-189/10, EU:T:2015:504.
Besluit C(2016) 3920 final tot wijziging van [de beschikking van 2009].
Zie punten 51–77 van het bestreden arrest.
Zie punten 97–113 van het bestreden arrest.
Volgens de berekeningen van GEA is de in artikel 25, lid 5, van verordening nr. 1/2003 bedoelde verjaringstermijn ingegaan op 18 mei 2000, de datum waarop de inbreuk is beëindigd, en — gezien de perioden gedurende welke de verjaring werd gestuit wegens de beroepen die GEA tegen de beschikking van 2009 en het besluit van 2010 heeft ingesteld — vervallen op 10 augustus of 3 november 2015.
Arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce (C-293/13 P en C-294/13 P, EU:C:2015:416, punt 46).
Aangezien de argumenten van GEA overlappen met de argumenten die zij in haar eerste middel in hoger beroep bij het Gerecht heeft aangevoerd, wijs ik erop dat de verificatie van de veronderstelling waarop deze argumenten zijn gebaseerd — te weten dat de beschikking van 2009 geen geldige beschikking in de zin van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 is — in het kader van deze conclusie wordt uitgevoerd om antwoord te geven op de door GEA aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid, en dus geen onderzoek naar de rechtmatigheid van het litigieuze besluit is.
Dat wil uiteraard niet zeggen dat de toepassing van deze termijnen niet tot een ander resultaat kan leiden indien de wijziging van de hoogte van de geldboete volgt uit de wijziging van parameters die van invloed zijn op de toepassing van de verjaringsregels, bijvoorbeeld wanneer de Commissie met een later besluit een datum vaststelt vóór het einde van de aan een van de deelnemende entiteiten verweten inbreukperiode, en dus de datum waarop voor deze entiteit de verjaringstermijn ingaat, vervroegt. Zie in dit verband arrest van 6 oktober 2015, Corporación Empresarial de Materiales de Construcción/Commissie (T-250/12, EU:T:2015:749, punten 46–48).
Zie in deze zin, over de nietigverklaring door het Gerecht van het bedrag van de door de Commissie vastgestelde geldboete, arrest van 6 oktober 2015, Corporación Empresarial de Materiales de Construcción/Commissie (T-250/12, EU:T:2015:749, punt 74). Voor deze opvatting pleit bovendien ook artikel 26, lid 3, van verordening nr. 1/2003, op grond waarvan een besluit waarbij het aanvankelijke bedrag van de geldboete wordt gewijzigd de verjaring betreffende de uitvoering van de sancties stuit, en dus geen invloed heeft op de verjaring van de bevoegdheid om de boete op te leggen, althans zolang de parameters voor het ingaan van de verjaringstermijn ongewijzigd blijven.
Dit beroep is voorwerp van zaak T-195/19, die momenteel bij het Gerecht aanhangig is. Op verzoek van de Commissie is de zaak door de president van de Vijfde kamer van het Gerecht geschorst in afwachting van de uitkomst van de hogere voorziening die het voorwerp van deze conclusie is.
Zie punt 107 van het bestreden arrest.
Zie punt 108 van het bestreden arrest.
Zie punt 109 van het bestreden arrest.
T-122/07–T-124/07, EU:T:2011:70.
C-231/11 P-C-233/11 P, EU:C:2014:256.
C-247/11 P en C-253/11 P, EU:C:2014:257.
C-50/12 P, EU:C:2013:771.
In dit verband verwijst GEA naar het arrest van 19 juli 2012, Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:479, punt 59), en de beschikking van 18 september 2014, Sasol e.a./Commissie (T-541/08 REC, niet gepubliceerd, EU:T:2014:823, punten 181 e.v.).
Het Gerecht verwijst, naast punt 105, ook in de punten 109, 110 en 111 naar de verdeling van de ‘verlaging’ van de geldboete van ACW, terwijl in de motivering nergens wordt gesproken van de verdeling ‘van de verlaagde geldboete’ van ACW.
Volgens de Commissie is er een tegenstrijdigheid tussen punt 109 van het bestreden arrest, waar het Gerecht in de procestaal, — het Engels — het bijwoord ‘proportionately’ gebruikt, en het daaropvolgende punt 110, waarin het daarentegen het bijwoord ‘equally’ gebruikt. Op grond van vergelijking met de Franse taalversie van het bestreden arrest — het Frans is weliswaar niet de authentieke taal, maar wel de taal waarin het arrest oorspronkelijk werd geschreven —, waarin in punt 110 het woord ‘équitablement’ wordt gebruikt (in de Nederlandse taalversie staat er ‘eerlijk’), kan worden gesteld dat deze term in de Engelse taalversie verkeerd is vertaald. Hoe dan ook, gezien de algehele strekking van punt 110 en de context daarvan, kan het betrokken bijwoord mijns inziens niet anders worden gelezen dan dat het verwijst naar een ‘eerlijke verdeling’ en niet naar een ‘verdeling in gelijke delen’. Van de door de Commissie aangevoerde tegenstrijdigheid is dus geen sprake.
De procedure die tot dit arrest heeft geleid betrof een hogere voorziening die de vennootschap Kendrion, die met haar dochteronderneming hoofdelijk was veroordeeld tot betaling van een geldboete wegens inbreuk op artikel 101 VWEU, had ingesteld tegen het arrest waarmee het Gerecht onder andere het argument van Kendrion had afgewezen dat de Commissie in strijd met het begrip ‘hoofdelijke aansprakelijkheid’ had gehandeld door haar een hogere geldboete op te leggen dan aan haar dochteronderneming, zoals verlaagd na de toepassing van het plafond van 10 % zoals bepaald in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003.
Zie punten 55–58 van het arrest Kendrion.
Zie punt 55 van het arrest Kendrion; zie eveneens, onder andere, arrest van 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 56).
Overigens heeft het Gerecht deze beginselen in de punten 99–101 van het bestreden arrest correct toegepast.
Dat geldt evenwel niet voor gevallen van verlaging die invloed hebben op de aansprakelijkheid van de dochteronderneming. Het Hof heeft in dit verband namelijk verduidelijkt dat in een situatie waarin de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij uitsluitend is afgeleid van die van haar dochtermaatschappij en waarin het aan de moedermaatschappij verweten gedrag niet specifiek wordt gekenmerkt door enig ander element, de aansprakelijkheid van deze moedermaatschappij niet verder kan gaan dan die van haar dochtermaatschappij (zie in die zin arresten van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins, C-286/11 P, EU:C:2013:29, punten 37, 39, 43 en 49, en 17 september 2015, Total/Commissie, C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 38).
Zie punt 153 van het arrest Siemens van het Gerecht.
Zie punt 158 van het arrest Siemens van het Gerecht.
Zie punt 60 van het arrest Siemens van het Hof; zie eveneens arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie (C-625/13 P, EU:C:2017:52, punten 151–153).
Zie punt 62 van het arrest Siemens van het Hof, alsmede arrest van 26 januari 2017, Villeroy & Boch/Commissie (C-625/13 P, EU:C:2017:52, punten 151–153).
Zie arrest Siemens van het Hof, punt 68.
Zie punt 42 van het arrest Siemens van het Hof en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie inzonderheid arresten van 19 juli 2012, Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:479, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 33), en 27 april 2017, Akzo Nobel e. a./Commissie (C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 48), alsmede arrest Siemens van het Hof, punt 43.
Zie onder andere arrest Areva, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie het arrest Siemens van het Hof, punt 44 en, onder andere, arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 56), en 27 april 2017, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-516/15 P, EU:C:2017:314, punt 49).
Zie punt 55 van het arrest Siemens van het Hof.
Zie punten 47–51 van het arrest Siemens van het Hof.
Zie punt 59 van het arrest Siemens van het Hof.
CPA bleef na 17 mei 2000 en tot 26 september 2000 deelnemen aan de inbreuk, maar in het kader van een andere economische eenheid met Chemson GmbH, waarmee zij hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van 137 606 EUR (zie artikel 2, punt 33, van de beschikking van 2009).
Ik herinner eraan dat het Hof in punt 51 van het arrest Siemens heeft gepreciseerd dat de Commissie bij de vaststelling van het bedrag dat aan de entiteiten waaruit de onderneming bestaat hoofdelijk moet worden opgelegd ‘aan bepaalde beperkingen [is] onderworpen, voor zover zij hierbij het begrip onderneming, dat een Unierechtelijk begrip is, in een specifiek geval toepast. Zij moet namelijk naar behoren rekening houden met de kenmerken van de betrokken onderneming, zoals deze was samengesteld tijdens de periode waarin de inbreuk is gepleegd.’ Zie ook arrest Areva, punten 129–133.
Zie arrest Areva, punten 126–128.
Dit is Chemson GmbH, waarmee CPA hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van 137 606 EUR; zie artikel 2, punt 33, van de beschikking van 2009.
Zie arrest Areva, punten 129 en volgende. In casu heeft de Commissie immers exact gehandeld zoals in punt 133 van dit arrest is voorgestaan.
Zie punt 57 van het arrest Siemens van het Hof. Zie in dezelfde zin arrest van 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 71), wat betreft de toepassing van verzachtende omstandigheden.
Een dergelijke vergelijking zou slechts zin hebben voor zover kan worden gesteld dat de Commissie in de beschikking van 2009 twee verschillende geldboeten aan twee verschillende ondernemingen heeft opgelegd. Zoals gezien moet deze stelling mijns inziens evenwel worden afgewezen.
Zie punt 123 van het bestreden arrest.
T-189/10, EU:T:2015:504.
De Commissie preciseert dat zij pas in de kennisgeving van het besluit van 2010 aan ACW, CPA en GEA heeft vermeld dat de geldboete binnen een termijn van drie maanden na dit besluit moest worden betaald. Anders dan het litigieuze besluit bevat het besluit van 2010 dus geen specifieke bepaling over de datum van opeisbaarheid.
Zie over het feit dat de wijziging van het bedrag van de geldboete niet noodzakelijkerwijs een juridisch losstaande geldboete is ook, mutatis mutandis, arrest van 14 juli 1995, CB/Commissie (T-275/94, EU:T:1995:141, punt 65), waarnaar de Commissie in haar hogere voorziening verwijst.