type: 2091
Rb. Den Haag, 08-10-2014, nr. C-09-430195 HA ZA 12-1283
ECLI:NL:RBDHA:2014:12254
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
08-10-2014
- Zaaknummer
C-09-430195 HA ZA 12-1283
- LJN
CA2118
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2014:12254, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 08‑10‑2014; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2118, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 05‑06‑2013; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
AR 2014/756
AR-Updates.nl 2014-0848
VAAN-AR-Updates.nl 2014-0848
AR-Updates.nl 2013-0442
VAAN-AR-Updates.nl 2013-0442
Uitspraak 08‑10‑2014
Inhoudsindicatie
De civiele rechter van de Haagse rechtbank geeft het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) gelijk in de rechtszaak die het COA had aangespannen tegen zijn voormalig algemeen directeur Albayrak. Op 1 april 2012 werd Albayrak op non-actief gesteld door het COA. Het oordeel van de rechtbank is dat het COA dit mocht doen. Tegelijkertijd heeft de Haagse kantonrechter in een tweede door Albayrak tegen het COA aangespannen procedure geoordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2014:12283) dat het aan Albayrak gegeven ontslag niet kennelijk onredelijk is. Verder is er geen aanleiding voor toewijzing van een contractuele beëindigingsvergoeding en immateriële schade. Zowel de civiele rechter als de kantonrechter oordelen dat het COA voldoende bewijs heeft geleverd dat Albayrak op drie punten in strijd heeft gehandeld met de eisen van integriteit die mogen worden gesteld aan een algemeen directeur in publieke dienst. Deze punten zijn: het doen van onware mededelingen aan (medewerkers van) de minister, het privégebruik van de dienstauto en het laten verhullen van dit privégebruik van de dienstauto door ondergeschikten. Op basis van getuigenverklaringen bij de rechter-commissaris en de kantonrechter acht de rechtbank in beide zaken bewezen dat Albayrak tegenover (medewerkers van) de minister en leden van de raad van toezicht – in strijd met de waarheid – meermalen heeft verklaard dat zij de dienstauto niet voor privédoeleinden gebruikte. Dit was indertijd relevant omdat Albayrak als algemeen directeur en voorzitter van het bestuur van het COA bovenop haar salaris een compensatie ontving voor de fiscale bijtelling wegens privégebruik van de dienstauto. Om de hoogte van haar salaris – inclusief bijtelling – binnen de Balkenendenorm te houden, was dat privégebruik onderwerp van gesprek. Verhullen van privéritten en het daarbij betrekken van ondergeschikten Uit de verklaringen leidt de rechtbank in beide zaken af dat Albayrak in de periode rond 18 september 2011 met enkele personeelsleden van het COA heeft besproken dat haar agenda moest worden aangepast in verband met haar privégebruik van de dienstauto en dat Albayrak instructies gaf om dat via aanpassingen in haar agenda te verhullen. Daarmee heeft het COA bewezen dat Albayrak heeft verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte en dat zij daarbij ondergeschikten heeft betrokken.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Den Haag
zaaknummer / rolnummer: C/09/430195 / HA ZA 12-1283
Vonnis van 8 oktober 2014
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
gevestigd te Rijswijk,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. H. Uhlenbroek te Amsterdam,
tegen
[Z] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.P.J.M. Verbeek te Amsterdam.
Partijen zullen hierna het COA en [Z] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 5 juni 2013;
- -
de akte na tussenvonnis van de zijde van het COA van 3 juli 2013, met producties (40-53);
- -
de akte na tussenvonnis van de zijde van [Z] van 3 juli 2013, met producties (I-IX);
- -
het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van het COA en [Z], gehouden op 2, 4 en 5 en 6 september 2013;
- -
het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van het COA en [Z], gehouden op 7 oktober 2013;
- -
het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van het COA en [Z], gehouden op 1 november 2013;
- -
het proces-verbaal van de contra-enquête aan de zijde van [Z], gehouden op 31 maart 2014;
- -
de conclusie na enquête van de zijde van het COA, met producties (54-56);
- -
de conclusie na enquête van de zijde van [Z], met producties (1-7);
- -
de brief van 20 mei 2013 van de zijde van [Z], met een volledig exemplaar van productie 2 bij conclusie na enquête;
- -
de conclusie van antwoord na enquête van het COA;
- -
de antwoordconclusie na enquête van [Z], met producties (8-11).
1.2.
Ten slotte is de datum voor het vonnis bepaald op heden. In de bij de kantonrechter van deze rechtbank tussen partijen aanhangige procedure over – kort gezegd – de vraag of het aan [Z] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, wordt gelijktijdig (eind)vonnis gewezen.
2. De verdere beoordeling
in conventie en in reconventie
inleiding
2.1.
In deze zaak heeft de rechtbank op 5 juni 2013 een tussenvonnis (hierna: het tussenvonnis) gewezen. De rechtbank blijft bij hetgeen zij in het tussenvonnis heeft overwogen en beslist.
2.2.
De rechtbank roept in herinnering dat de vraag die in deze procedure centraal staat, is of het COA dwangsommen heeft verbeurd doordat het in gebreke is gebleven te voldoen aan het arrest van het gerechtshof te Den Haag van 10 januari 2012 (hierna: het arrest), waarbij de op non-actiefstelling van [Z] is opgeheven. De standpunten van partijen in dit verband zijn in het tussenvonnis als volgt samengevat. Het COA stelt dat zich na het arrest nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die een nieuwe op non-actiefstelling rechtvaardigden en dat met die op non-actiefstelling de werking aan het arrest is komen te ontvallen. [Z] daarentegen stelt dat deze nieuwe op non-actiefstelling misbruik van recht van het COA oplevert, in deze zin dat die hernieuwde op non-actiefstelling per 1 april 2012 ten doel had te ontkomen aan het rechterlijk bevel tot wedertewerkstelling. Dit geldt evenzeer voor de latere verlenging van de op non-actiefstelling per 15 april 2012 en ook voor het gegeven ontslag met ingang van 23 april 2012, zo betoogt [Z].
2.3.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat het COA slechts bevoegd was tot het opnieuw op non-actiefstellen van [Z] indien die nieuwe op non-actiefstelling berust op feiten en omstandigheden die (i) het COA pas na het arrest bekend zijn geworden en waarmee het vóór het arrest redelijkerwijs niet bekend behoefde te zijn en (ii) van zodanige aard zijn dat zij de op non-actiefstelling rechtvaardigen.
2.4.
De rechtbank heeft in dit verband het COA toegelaten tot het leveren van bewijs dat – na het arrest, maar vóór de op non-actiefstelling per 1 april 2012 – sprake was van feiten en omstandigheden van zodanige aard dat het COA met recht zijn vertrouwen in de integriteit van [Z] heeft verloren. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de bewijslevering zich dient toe te spitsen op de volgende stellingen van het COA:
(i) [Z] heeft (meermalen) tegenover de minister voor Immigratie, Integratie & Asiel (hierna: de minister) en de raad van toezicht (in strijd met de waarheid) verklaard de dienstauto niet privé te gebruiken;
(ii) [Z] heeft ook anderszins verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte;
(iii) [Z] heeft bij dat verhullen ondergeschikten betrokken; en
(iv) [Z] heeft (zonder toestemming van het COA) gebruikgemaakt van de chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden.
Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bewijslevering er (aldus) mede toe dient om de juistheid van de door Hoffmann weergegeven verklaringen van [A] en [B] te onderzoeken en om de omvang van het privégebruik van de dienstauto en het gebruik van chauffeursdiensten voor privéritten vast te stellen.
2.5.
In het tussenvonnis is [Z] toegelaten tot het leveren van bewijs van de door haar gestelde toestemming van het COA voor het gebruik van chauffeursdiensten voor privéritten doordeweeks alsmede van feiten en omstandigheden die een rechtvaardiging kunnen opleveren voor:
(i) (bij gebreke van zulke toestemming) het gebruik van de chauffeursdiensten, en
(ii) de aan de NOS verstrekte informatie over het gebruik van de chauffeursdiensten.
2.6.
Na het tussenvonnis hebben partijen bewijs geleverd in de vorm van schriftelijk bewijs en getuigenbewijs. De getuigenverhoren hebben plaatsgehad ten overstaan van de rechter-commissaris namens deze meervoudige kamer en de kantonrechter die in de parallelle zaak over het kennelijk onredelijk ontslag van [Z] vonnis zal wijzen. Het COA en [Z] hebben elk een groot aantal getuigen voorgebracht . De getuigen zijn verspreid over totaal zeven dagen gehoord met betrekking tot de verschillende in 2.4 en 2.5 genoemde bewijsthema’s. De afgelegde getuigenverklaringen zijn bestemd tot het dienen van bewijs ten aanzien van de eigen stellingen van elk van partijen, alsook tot het dienen van tegenbewijs (vergelijk onderdeel 4.31 van het tussenvonnis).
2.7.
Gelet op de hierna te vermelden getuigenverklaringen, de zich in het dossier bevindende stukken, in het bijzonder het Hoffmann-rapport en de daarin opgenomen getuigenverklaringen van [B] (hierna: [B]) en [A] (hierna: [A]), is de rechtbank van oordeel dat het COA is geslaagd in het bewijs dat het COA – kort gezegd – in de periode na het arrest maar vóór de op non-actiefstelling per 1 april 2012 met recht zijn vertrouwen in de integriteit van [Z] heeft verloren. De rechtbank acht daarbij doorslaggevend dat het COA heeft bewezen dat [Z] op drie meest in het oog springende punten in strijd heeft gehandeld met de eisen van integriteit die mogen worden gesteld aan een algemeen directeur in de publieke dienst. Verwezen wordt naar de onderdelen (i), (ii) en (iii): het doen van onware mededelingen aan de minister, het verhullen van privégebruik van de dienstauto en het betrekken van ondergeschikten daarbij. De rechtbank acht deze feiten en omstandigheden, tezamen en in onderling verband bezien, maar ook reeds op zichzelf, van zodanig gewicht dat zij de op non-actiefstelling van [Z] rechtvaardigen. Dit oordeel brengt verder mee dat het door COA geleverde bewijs met betrekking tot de onder (iv) gestelde omstandigheid (het zonder toestemming gebruikmaken van chauffeursdiensten voor privédoeleinden door [Z]) geen bespreking meer behoeft. Dit geldt evenzeer voor het door [Z] op dit punt geleverde bewijs ten aanzien van de gestelde toestemming voor die privéritten.
2.8.
De rechtbank licht haar oordeel in het navolgende nader toe.
gegronde twijfel aan integriteit?
(i) Onware mededelingen aan de minister en de raad van toezicht?
2.9.
Bij de bespreking van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank voorop dat (a) de desbetreffende getuigenverklaringen moeten worden bezien tegen het licht van de discussie over de Balkenendenorm in relatie tot de compensatie voor fiscale bijtelling in verband met privégebruik, en (b) [Z] na de hernieuwde op non-actiefstelling niet heeft ontkend dat zij de dienstauto voor privéritten gebruikte, maar dat onduidelijkheid bestond over de omvang ervan.
2.10.
[Z] ontving als algemeen directeur en voorzitter van het bestuur van het COA bovenop haar salaris een compensatie voor de fiscale bijtelling wegens privégebruik van de dienstauto. In de aanloop naar de inwerkingtreding van de nieuwe Wet COA (op 1 januari 2011), waarin was voorzien in een nieuw bestuursmodel van het COA met de vorming van een raad van toezicht en een raad van bestuur, welke door de minister werden benoemd, is de hoogte van het salaris van [Z] onderwerp van discussie geweest. Vanaf 6 april 2010 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat haar salaris niet boven de zogenoemde Balkenendenorm mocht uitkomen, als zij benoemd wilde worden tot voorzitter van de (nieuwe) raad van bestuur van het COA. Nadien hebben partijen en de ambtenaren van het departement gesproken en gecorrespondeerd over de hoogte van het salaris van [Z] en over de vraag hoe dit salaris was te passen binnen die Balkenendenorm. Voor deze ‘inpassing’ was relevant of de fiscale bijtelling wegens privégebruik van de dienstauto, en de compensatie daarvoor, bij haar benoeming als voorzitter van de raad van bestuur al dan niet in stand zouden blijven.
2.11.
De rechtbank acht bewezen dat [Z] tegenover (medewerkers van) de minister alsmede leden van de raad van toezicht – in strijd met de waarheid – meermalen heeft verklaard dat zij de dienstauto niet voor privédoeleinden gebruikte. De rechtbank baseert dit oordeel voor wat betreft de leden van de raad van toezicht op de inhoud van de processen-verbaal van verhoor van de getuigen mr. [C] (hierna: [C]), ir. [D] (hierna: [D]), prof. dr. [E] (hierna: [E]) en mr. [F] (hierna: [F]), in onderling verband bezien en in samenhang met de in de respectieve verhoren aan de orde gestelde documenten, die zich tevens bij de processtukken bevinden. In de voor deze zaak relevante periode was [C] voorzitter van de raad van toezicht van het COA, waren [D] en [E] leden van de raad van toezicht en was [F] strategisch adviseur van het COA. Uit de verklaringen van deze getuigen volgt dat [Z] aan deze leden van de raad van toezicht in de periode van 2010 tot en met september 2011 heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet privé gebruikte. Verder heeft getuige [C] verklaard dat hij [Z] meermalen heeft geadviseerd om te gaan praten met de fiscus en te zorgen dat de fiscale bijtelling zou worden geschrapt, nu zij de dienstauto volgens eigen zeggen toch niet privé gebruikte.
2.12.
Met betrekking tot de onware mededelingen van [Z] tegenover (medewerkers van het departement van) de minister, verwijst de rechtbank naar de processen-verbaal van de getuigen mr. [G] (hierna: [G]), mr. [H] (hierna: [H]) en drs. [I] (hierna: [I]), eveneens in onderling verband bezien en in samenhang met de in de respectieve verhoren aan de orde gestelde documenten. In de voor deze zaak relevante periode was [G] waarnemend directeur-generaal vreemdelingenzaken van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, [H] directeur personeel, regie, ICT en organisatie van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en [I] secretaris-generaal van hetzelfde ministerie. Uit deze bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [Z] in de periode van mei tot en met september 2011, in het kader van de voordracht van de raad van toezicht aan de minister tot benoeming van [Z] tot voorzitter van de raad van bestuur van het COA, aan deze personen heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook nooit privé gebruikt had en dat deze informatie aan de minister is doorgeleid. Ook [I] heeft verklaard dat zij [Z] heeft geadviseerd om vóór 1 oktober 2011 te regelen dat de fiscale bijtelling zou vervallen, nu [Z] de dienstauto volgens eigen zeggen niet privé gebruikte. De rechtbank acht de verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen op essentiële punten consistent en betrouwbaar.
(ii) en (iii) Verhullen van privéritten en het daarbij betrekken van ondergeschikten?
2.13.
Het COA heeft zijn stelling dat [Z] ook anderszins heeft verhuld dat zij de dienstauto privé gebruikte en dat zij daarbij ondergeschikten heeft betrokken, hoofdzakelijk gebaseerd op het rapport-Hoffmann. In de samenvatting van dit rapport staat hierover, onder meer:
“2.1 Achteraf wijzigen agenda
Vastgesteld is dat er acht werkbezoeken in de digitale agenda van mevrouw [Z] zijn ingevoerd die betrekking hadden op voorliggende datums. Het betroffen bezoeken in de weekeinden aan diverse ‘clusters’ en/of AZC’s. Uit de gesprekken is gebleken dat deze werkbezoeken, op verzoek van mevrouw [Z], in de agenda zijn gezet. Uit het onderzoek is bekend geworden dat deze werkbezoeken in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Daarnaast is bekend geworden dat er in totaal 27 afspraken, inclusief de acht hierboven vermelde, achteraf in de digitale agenda van mevrouw [Z] zijn ingevoerd.
2.2
Privégebruik dienstauto
Bekend werd dat de dienstauto meestal op donderdagavond nabij de woning van mevrouw [Z] geparkeerd werd en dat deze op maandagochtend weer opgehaald werd. In onze analyse gaan we er dan ook van uit dat de dienstauto vanaf donderdagavond tot en met zondag in het bezit was van mevrouw [Z]. Wij kunnen echter niet met zekerheid vaststellen of zij dan ook altijd de bestuurder van de dienstauto was.
Vastgesteld is dat er met de dienstauto is gereden op dagen dat mevrouw [Z] vrij was. Dit blijkt uit bekeuringen/verkeersovertredingen. De betreffende boetes zijn aan het CJIB betaald vanaf de bankrekening waarop het CAO het salaris van mevrouw [Z] overmaakt. Opgemerkt wordt dat verkeersboetes van overtredingen gemaakt tijdens diensttijd altijd zijn betaald door het COA. (…)” (zie ook 2.32 van het tussenvonnis).
2.14.
Onderdeel van het rapport Hoffmann zijn verklaringen van [A] en [B]. Kort gezegd hebben [A] en [B] tegenover medewerkers van Hoffmann verklaard dat [A] met hulp van [B] in opdracht van [Z] in de periode rond de uitzending van het NOS-journaal van 18 september 2011 fake-afspraken in de digitale agenda van [Z] heeft ingepland teneinde privégebruik door [Z] van de dienstauto te maskeren (2.32 en 2.33 van het tussenvonnis). Uit onderzoek is verder gebleken dat er in de agenda van [Z] op bepaalde data (die in het rapport Hoffmann zijn vermeld) afspraken stonden die in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. De bewijslevering van het COA had mede ten doel, zoals in 4.28 van het tussenvonnis is overwogen, om de juistheid van de door Hoffmann weergegeven verklaringen van [B] en [A] te onderzoeken.
2.15.
Blijkens de processen-verbaal van verhoor van [B] en [A] hebben zij – voor zover relevant – de volgende verklaringen afgelegd.
2.16.
Uit de verklaring van [A] van 2 september 2013:
“(…) Ik blijf bij mijn verklaring die ik ten overstaan van Hoffmann heb afgegeven. Ik heb daar één wijziging/toevoeging op: de heer [B], de chauffeur van [Z], was op mijn kamer toen [Z] mij vroeg om afspraken in haar agenda te plaatsen. Ik heb na afloop van het gesprek met Hoffmann, het gespreksverslag gelezen dat ter plekke werd opgemaakt en ik heb het ondertekend. Ik heb op het eerste concept opmerkingen gemaakt. Deze zijn verwerkt waarna ik het verslag heb getekend. Ik heb een afschrift van het verslag meegekregen. (…) Ik voerde algemene secretariële werkzaamheden voor [Z] uit, waaronder agendabeheer. (…) Ik legde de afspraken voor [Z] in haar digitale agenda vast. Als het om externe afspraken ging had ik voorafgaand overleg met [Z]. (…) Standaard zette ik de afspraken in de agenda van [Z] zodra deze werd gemaakt. Als er onverwachts een afspraak had plaatsgevonden dan deed ik dat weleens achteraf. (…) Rondom de uitzending van de NOS, de precieze datum weet ik niet meer, vroeg [B] aan mij of ik wat afspraken in de agenda wilde zetten. Dat had [Z] met [B] in de auto kort gesloten, zo vertelde [B] mij. [Z] verscheen op dat moment in de deuropening met hetzelfde verzoek. Er had een aantal verkeersovertredingen plaatsgevonden in het weekend. [Z] had deze begaan. Ik kreeg van de financiële administratie bericht indien er een verkeersboete was opgelegd. Aan de hand van de agenda keek ik dan vervolgens wanneer de overtreding was begaan. Dat gaf ik dan vervolgens door aan de directeur strategie en bestuur, via het systeem my corsa. Als de overtreding in het weekend was begaan dan kreeg [Z] de factuur, die gaf ik aan haar. Zij moest deze dan betalen, omdat de overtreding dan een privé aangelegenheid betrof. Ik dacht dat ik al een aantal facturen van verkeersovertredingen in het weekend had, toen [B] mij verzocht om afspraken in de agenda te zetten. Ik was verbaasd dat er afspraken in het weekend in de agenda gezet moesten worden in verband met verkeersboetes. Dat had ik niet eerder meegemaakt. Ik moest clusterbezoeken in de agenda zetten, zo gaf [Z] aan. Zij heeft mij niet gezegd hoe ik dat moest doen. Het is ook niet zo dat ik de vrije hand had, die heb ik zelf genomen. Dat waren fictieve bezoeken. Ik heb ze rond de data en locaties van de verkeersboetes gepland. [B] heeft mij daarbij geholpen. Ik ben topografisch slecht. [B] heeft mij met de locaties geholpen. Om het niet te laten opvallen heb ik deze over een paar maanden ingepland. Ik meen dat het om zes of zeven clusterbezoeken ging. Naderhand heeft [Z] mij gevraagd of ik de fictieve afspraken in de agenda had gezet. Hetgeen ik heb bevestigd. (…)
U [mr. Uhlenbroek, rb] vraagt mij of het klopt dat ik ook fictieve werkbezoeken in de agenda heb gezet, die niet corresponderen met een boete. Dat klopt. Dit was om het zo onopvallend mogelijk te maken. Het klopt voorts dat ik op 13 september 2011 fictieve werkbezoeken in de agenda heb gezet. U toont mij een “Bijlage Digitaal” welke als bijlage 8 bij productie 61 bij de kennelijk onredelijk ontslag dagvaarding is gevoegd. Het is juist dat de afspraken 2 t/m 7 fictief zijn en dat ik deze op 20 september 2011 heb ingevoerd. U vraagt mij waarom ik een week na 13 september 2011 deze afspraken in de agenda heb gezet. Dat is om het zo onopvallend mogelijk te maken; op die manier leek het alsof er eenmaal in de maand een werkbezoek plaatsvond in het weekend. U vraagt mij naar een tweetal afspraken in de agenda, te weten een lunch op 9 mei 2010 met [J] (afspraak nummer 13) en een diner met [K] op 23 september 2010 (afspraak nummer 19). Dat betreft afspraken die ik rond een verkeersovertreding heb gepland. Rondom de afspraken plande ik ook reistijd, dit heb ik ook gedaan met betrekking tot de fictieve afspraken. [Z] had mij opdracht gegeven fictieve werkbezoeken in te plannen. Het idee om een fictieve lunch- en dinerafspraak in te plannen deed ik op eigen initiatief. Dit vanwege het feit dat een werkbezoek in de avond eigenlijk nooit voorkomt. (…) Ik ben niet onder druk gezet, er is mij ook niets in het vooruitzicht gesteld met betrekking tot het afleggen van een verklaring ten overstaan van Hoffmann en/of de rechtbank. Ik had een hele goede verhouding met [Z]. (…)
U [rechter-commissaris, rb] hebt mij net gevraagd of iemand mij heeft gewezen op het verschil in de verklaring tussen mij en [B] en of ik om die reden aan het begin van dit verhoor mijn aanvulling heb gedaan. Toen antwoordde ik dat dat niet zo was. U stelt mij deze vraag nog een keer. [B] en ik hebben het verhoor voorbereid voor mijn vakantie. Dit was samen met mr. Uhlenbroek. We hebben doorgenomen welke vragen mogelijk zouden worden gesteld. Toen is ook dit specifieke verschil aan de orde gekomen. U […] vraagt mij waarom ik zojuist anders verklaarde op dezelfde vraag. Ik weet het niet. Ik ben heel erg zenuwachtig en daarom heb ik misschien net een fout antwoord gegeven. Het is dus zo dat ik tot deze aanvulling/wijziging van mijn verklaring ben gekomen nadat we vlak voor mijn vakantie overleg hebben gehad.
U houdt mij voor mijn verklaring ten overstaan van Hoffmann (pagina 3, 3e alinea van onderen). Ik geef u aan dat mijn verklaring dat ik alleen was toen [Z] mij vroeg afspraken in te plannen niet juist is. De verklaring die ik zojuist heb afgelegd, dat [B] hierbij was, is de juiste. En waarom ik destijds ten overstaan van Hoffmann op dit punt onjuist heb verklaard, weet ik niet meer. (…)”
2.17.
Uit de verklaring van [A] van 5 september 2013 (voortzetting verhoor):
“(…) U [mr. Van Strien, rb] vraagt mij met betrekking tot het inplannen van de fictieve werkafspraken of het juist is dat dit voor de uitzending van 18 september 2011 is geweest of in de periode daarna, in de periode van 18 tot en met 27 september 2011. Ik geef u aan dat ik dit niet meer weet. Het was rondom de datum van de NOS-uitzending. U vraagt mij wat de exacte bewoordingen van [Z] waren toen zij mij de opdracht gaf. Het is alweer een tijdje geleden en dat kan ik u niet precies zeggen. Het was iets in de strekking van: “Of ik een paar werkbezoeken wilde inplannen”. Ik weet niet meer hoe ik wist om welke dagen het ging dat ik deze werkafspraken moest inplannen. Ik weet ook niet meer hoe ik te werk ben gegaan. (…)
Ik weet niet meer op welke dag of dagen (data) ik de agenda heb aangepast. Nadat [Z] mij had verzocht de agenda aan te passen heb ik dat diezelfde dag gedaan. Ik weet niet meer precies hoeveel tijd daartussen zat. De tweede maal dat ik de fictieve afspraken heb ingevoerd was zonder dat [B] daarbij was. Met betrekking tot de fictieve werkafspraken die ik in de agenda heb gezet merk ik op dat ik niet weet waarom ik daar niet de naam van de betreffende clustermanager bij heb gezet. Bij een echte afspraak was dit wel gebruikelijk. (…)
U vraagt mij of ik verschrikt was toen [Z] mij de vraag stelde om een paar werkbezoeken in te plannen. Ik weet dat niet meer. Ik vond het wel raar om achteraf werkbezoeken in te plannen. Het was op dat moment erg rommelig vanwege de NOS-uitzending. Ik weet niet of de NOS-uitzending daadwerkelijk al had plaatsgevonden. Het was een chaos, er liepen veel mensen in en uit de kamer. [B] stond bij mij op de kamer toen [Z] mij de vraag stelde.”
2.18.
Uit de verklaring van [B] van 2 september 2013:
“Vanochtend ging om half twee de telefoon. Ik nam slaperig op. Ik hoorde dat iemand tegen mij zei: “Vuile vieze kankerklootzak, als je een belastende verklaring aflegt vanochtend bij de rechtbank inzake de zaak [Z] dan ben je echt dood, zekers te weten, en je vrouw en je dochtertje ook. Zekers te weten dan ben je echt dood”. Ik was helemaal verbouwereerd. Ik hoorde rechtbank en [Z], en één en één is twee. Ik denk dat het de echtgenoot van [Z] was die tegen me sprak. Ik meende de stem van hem te herkennen. Ik ben er vrijwel heilig van overtuigd. Ik heb tegen de politie gezegd dat ik voor 90% zeker ben dat hij het was. Dit gezien de articulatie, en de manier waarop hij sprak. Ik heb acht jaar voor haar gereden en dus ook heel geregeld met hem gesproken. Tien minuten tot een kwartier later heb ik de politie gebeld. Ik werd doorverbonden met de dienstdoende officier. Hij nam mijn verhaal heel serieus en zegde mij toe dat om het half uur een politieauto door de straat zou rijden. Zij namen ons huis op in de route. Ja, ik heb overwogen om vandaag niet naar de rechtbank te komen. Ik ben hier nu puur vanwege mijn rechtsgevoel (…) Ik wil mij echt niet laten intimideren. Het is mijn eigen keus om hier te zijn, ik ben door niemand over gehaald. Ik vind het wel heel moeilijk om hier te zijn.
U vraagt mij of er iets is dat ik mij vóórdat het incident van vannacht plaatsvond, al had voorgenomen om in ieder geval aan de rechtbank te zeggen vandaag. Wat ik kwijt wil: alles wat ik wilde zeggen staat in de verklaring van Hoffmann. Ik ben tweemaal door Hoffmann gehoord. Ik sta 100% achter wat ik toen heb verklaard. De twee verslagen van (alleen) mijn gesprekken met Hoffmann heb ik vannacht doorgelezen. Ik heb geen andere verklaringen uit het rapport Hoffmann doorgelezen. Ik kon toch niet meer slapen. Ik wil niets aan deze verklaringen toevoegen of erbij opmerken. Ik wil [Z] niet zwart maken, maar ik heb naar waarheid verklaard. Ik ben net terug van drie weken vakantie, die begon op 5 augustus 2013. Vóór mijn vakantie heb ik ter voorbereiding van dit verhoor een gesprek gehad met mr. Uhlenbroek, de heer [L] en de secretaresse [A]. Volgens mij, maar ik weet het niet zeker, zat [F] daar ook bij.
De verhoren bij Hoffmann zijn heel prettig verlopen. Ik had een goede verstandhouding met die heren. Er was iemand bij die gelijk alles typte. Een paar dagen later kreeg ik het verslag met het verzoek het door te lezen en het te ondertekenen. Ik meen, maar ik weet het niet zeker, dat ik het per post heb gekregen. Eén detail was niet helemaal goed. Het betrof geloof ik iets met een naam, geen belangrijke zaken.
Het klopt dat ik in januari 2004 in dienst ben getreden bij het COA en vanaf het moment dat [Z] in dienst trad werd ik haar privé chauffeur. Ik heb geen contact meer met haar. Begin november 2011 heb ik haar voor het laatst gesproken. Ze vertelde/waarschuwde voor mijn positie binnen het COA en ze zei: ‘Er gaat heel veel veranderen’. Na de op non-actiefstelling heb ik haar naar huis gebracht. Later heb ik haar in verschillende fases nog spullen gebracht. Zij was toen niet altijd thuis. In de auto naar huis, na de op non-actiefstelling, vroeg ze me om, als ik vragen zou moeten beantwoorden, te zeggen dat het allemaal niet zo erg was en dat het niet zo was dat zij een schrikbewind voerde. Ik had toen het idee dat ze zieltjes probeerde te winnen. (…)
De agenda werd aangepast op initiatief van [Z]. Dit was rond de NOS uitzending, ik weet niet meer precies wanneer. Op een gegeven moment zei [Z] tegen mij: “[B], weet jij of de bekeuringen die ik privé heb gekregen tijdens het weekend geregistreerd zijn bij het COA”. Ik zei: “ik weet het niet, jij betaalt ze toch zelf?” Toen heeft de secretaresse navraag gedaan, omdat zij de enige is die dat kan doen. U vraagt of ik een rol had bij het aanpassen van de agenda. Ja, [Z] vroeg aan de secretaresse ([Z] stond toen in de deuropening), om van de privé bekeuringen zakelijke ritten te maken. Zij vroeg dat in mijn aanwezigheid. [A] keek toen heel verschrikt op en vroeg hoe ze dat moest doen, waarop ik heb gezegd: “[A], ik help je wel, want ik ben topografisch beter dan jij.” Ik weet niet of [Z] ook aan anderen soortgelijke opdrachten heeft gegeven. Dat weet ik niet, in ieder geval niet aan mij. (…)
Op vragen van mr. Willemsen antwoord ik dat ik absoluut nooit onder druk ben gezet om een bepaalde verklaring af te leggen. Het is wel zo dat ik er niet blij mee was en dat ik moe(s(t)) verklaren. [M] zei: “Vertel altijd de waarheid en niets anders dan de waarheid. Dan kan je ook nooit in een valkuil vallen.” Later zei [L] dat ook. [M] heeft mij gevraagd om gehoord te worden door Hoffmann. De aanleiding was de ontkenning van het privé gebruik van de auto door [Z] tegenover de Onderzoekscommissie COA. In de auto praat je geregeld met elkaar. [M] vroeg mij toen naar het privé gebruik van de auto. Ik wist toen niet dat het niet mocht.
[op vragen van mr. Uhlenbroek, rb] Ik kan niet verklaren waarom ik in mijn verklaring bij Hoffmann de datum van 13 september 2011 heb genoemd als de datum waarop de agenda is aangepast. Het enige dat ik kan bedenken is dat er sprake van was dat de uitzending eerder uitgezonden zou worden. De NOS zou eerst een week daarvoor uitzenden. Met spoed zijn [Z] en ik toen teruggekomen uit Drachten, omdat er ’s avonds een uitzending zou zijn. Ik denk dat hierin de verklaring gezocht kan worden dat ik heb verklaard dat de werkbezoeken op 13 september 2011 ingepland zijn. Het zou goed mogelijk zijn dat ik me een week heb vergist. (…)
Er is mij niet enig voordeel in het vooruitzicht gesteld als ik een verklaring bij Hoffmann en/of de rechtbank zou afleggen. (…)
[op vragen van mr. Verbeek, rb] (…) [M] heeft aan mij verteld dat het onderzoek van Hoffmann betrekking had op het privé gebruik van de dienstauto door [Z]. [M] kwam na het gesprek met de Onderzoekscommissie COA briesend naar buiten en zei: “Ze zegt nog steeds dat ze nog nooit privé gebruik heeft gemaakt van de auto en zij beschuldigt jou en de vorige financieel directeur dat de nieuwe Audi A8 was aangeschaft.” Ik werd verschrikkelijk boos en heb toen uit boosheid tegen [M] gezegd: “Ze kan me nog meer vertellen, maar zij heeft de agenda zitten manipuleren.” [M] en ik zijn toen linea recta naar de onderzoekscommissie teruggegaan en daar heb ik alles verteld.
[op vragen van mr. Van Strien, rb] Ik weet niet waarom ik niet bij Hoffmann heb verklaard dat er sprake was van verschillende data waarop de uitzending van de NOS over het COA zou plaatsvinden. Ik zag hiertoe ook geen aanleiding. Ik heb de uitzending gezien. Drie minuten later hing ik met [Z] aan de telefoon. De wijzigingen in de agenda zijn volgens mij een dag daarna ingevoerd. Die dag was er de gebruikelijke bestuursvergadering. Het was mij totaal niet bekend waar de uitzending van de NOS over zou gaan. Er werd gezegd dat de uitzending over het COA in het algemeen zou gaan en ik wist niet dat het specifiek over [Z] zou gaan.
[M] heeft mij gevraagd om mee te werken aan het onderzoek van Hoffmann. Ik weet niet meer wanneer dit was. Dit was een week of vier voor het onderzoek, denk ik. Ik heb geen overleg met anderen (waaronder [A]) hierover gehad. U vraagt mij of [A] en ik hebben afgesproken wat we zouden verklaren of niet. Iets is gegaan zoals het gegaan is, daar valt niets over af te spreken. In het algemeen vind ik het logisch dat ik overleg voer met de directiesecretaresse. We zijn een twee-eenheid gelet op onze functies. Daarbij hebben we allebei een vertrouwenspositie. Het zat en zit [A] hoog dat zij voor altijd is gebrandmerkt als de secretaresse van [Z] en mij dat ik de klokkenluider van het COA word genoemd binnen de directiechauffeurs. Voorlopig hoef ik niet ergens anders aan te kloppen als ik een baan zoek. [A] en ik hebben goed contact met elkaar, ook nu nog. We praten veel over wat deze kwestie met ons doet. Ik herhaal: wat ik heb verklaard bij Hoffmann is mijn waarheid en daar blijf ik achter staan. Dat hoef ik met niemand kort te sluiten. Ik herhaal: ik weet niet beter dan dat de agenda is aangepast de dag na de uitzending van de NOS. (…)”
2.19.
Uit de verklaring van [B] van 5 september 2009 (voortzetting verhoor):
“Ik heb naar aanleiding van het verhoor van afgelopen maandag geen opmerkingen. Ik blijf bij de verklaring. Het gaat redelijk met me, al heeft wat er zondagnacht is gebeurd een grote impact op mij.
U (mr. Van Strien, rb) citeert uit het Hoffmann rapport, het verslag van het eerste interview: “Bij de onderzoekscommissie is niet gesproken over werkbezoeken in het weekend, ik heb dat later met [M] besproken”. Ik refereer hier aan mijn eigen interview met onder meer mevrouw [N] van de commissie [X]. In dat interview is mij niet gevraagd naar werkbezoeken, dus daar heb ik ook niet over gesproken. Het gesprek met [M] was pas enige tijd later (waarover zo meer).
Afgelopen maandag heb ik inderdaad verklaard dat [M] op enig moment briesend uit zijn gesprek met de onderzoekscommissie kwam lopen en mij vertelde waarvan [Z] mij beschuldigde. Hierop heb ik maandag verklaard dat ik “alles” heb verteld. Met dat “alles” bedoel ik alleen het manipuleren van de agenda. Ik heb [M] verteld: “Als zij dat mij in de schoenen schuift, heb ik ook nog wat. Zij heeft bekeuringen die zij privé heeft gekregen proberen weg te boeken door er zakelijke ritten van te maken”. [M] zei toen, we stonden al op het punt van weg gaan: “Wil je dit bij de onderzoekscommissie verklaren?”. Ik zei ja en [M] zei: “Dan gaan we terug”. Dit was de eerste keer dat ik de heer [X] zelf heb ontmoet, want bij het gesprek dat ik met de Commissie had was niet hij maar mevrouw [N] aanwezig. [M] en ik hebben toen nog ongeveer tien minuten met de aanwezige mensen van de Commissie gesproken. Ik was met [M] mee als chauffeur. Ik weet niet of hij op die dag een interview had met de Commissie. Ik weet niet hoelang we ter plaatse zijn geweest. Ik heb hem volgens mij halverwege de middag afgezet, ik ben daar gebleven, dus heel lang kan het niet geweest zijn. Ja, ik heb inderdaad aan de commissie verteld dat ik had gehoord dat [Z] mij had beschuldigd van de aanschaf van de auto. Ik heb gezegd dat dat de aanleiding was om over de agenda te vertellen. De commissie reageerde niet op dit verhaal over de Audi. Er is in dat gesprek niet over de werkbezoeken gesproken, het ging sec over bekeuringen en dat [Z] aan [A] en mij had gevraagd om die weg te schrijven. Ik heb verteld dat [A] in opdracht van [Z] de agenda heeft veranderd. Ik wist op dat moment niet anders dan dat [A] de agenda had aangepast op de data waarop er privé bekeuringen waren. Pas veel later heb ik begrepen dat er ook agenda aanpassingen op andere data zijn geweest, dit om het allemaal niet te veel te laten opvallen, maar dat wist ik toen niet. (…)
Het gesprekje heeft misschien tien minuten geduurd. Zoals gezegd stonden de mensen al op het punt van vertrek. Er was ook niet veel te vertellen. Het enige dat ik heb gemeld [was] dat er manipulatie van de agenda was geweest in verband met de bekeuringen. De Commissie heeft mij niet gezegd dat ze mij hierover nog een keer wilde spreken. Naar aanleiding van deze mededeling aan de Commissie is bureau Hoffmann ingeschakeld. Dat weet ik, omdat [M] tegen mij heeft gezegd dat hij het ging uitzoeken. Het duurde ongeveer drie tot vier weken tot ik door Hoffmann werd gehoord. (…)
U geeft aan dat ik in mijn verhoor van afgelopen maandag heb verklaard dat het enige dat ik kan bedenken dat ik de datum van 13 september bij Hoffmann heb genoemd als datum van het aanpassen van de agenda, is dat er sprake van was dat de NOS-uitzending een week eerder zou zijn. Vervolgens zou ik maandag hebben verklaard. Met spoed zijn [Z] en ik toen teruggekomen uit Drachten, omdat er ’s avonds een uitzending zou zijn. U houdt mij voor dat uit de agenda die bij het Hoffmann rapport is gevoegd blijkt dat het bezoek aan Drachten plaatsvond 14 september 2011 en u vraagt mij om een reactie daarop. Ja, dat weet ik eigenlijk niet, het scheelt eigenlijk maar een dag. Wat maakt een dag uit? Het kan ook een dag later zijn geweest. Er was al veel vaker sprake van dat de uitzending zou plaatsvinden. Er sudderde al iets vanaf april/mei. Ik heb geen verband willen leggen tussen Drachten en het aanpassen van de agenda.
[Z] vroeg [A], de dag na de uitzending van de NOS, vanuit de deuropening van de kamer van [A], om haar agenda aan te passen. [Zs] letterlijke woorden waren: “[A], wil jij van de bekeuringen zakelijke ritten maken?”. U vraagt mij of dit op dezelfde dag was als waarop [Z] mij vroeg of ik wist of haar privé bekeuringen bij het COA stonden geregistreerd. Ik meen van wel, maar 100% zeker weet ik het niet. Het was ’s ochtends vroeg toen ik [Z] ophaalde toen ze mij dat vroeg over de registratie. Het gesprek in de auto ging min of meer als volgt. [Z]: “[B], weet jij of mijn bekeuringen geregistreerd staan bij het COA”. Ik: “Dat weet ik niet, ik vermoed van niet want je hebt ze privé betaald”. [Z]: “Ik zal wel even laten nagaan of het zo is”. Ik: “Waarom zou je dat doen, want je hebt ze toch betaald?”. Ik herinner mij dat ik [Z] heb gevraagd waarom zij de agenda zou aanpassen, omdat ze de bekeuringen toch zelf betaald, maar ik weet niet meer wanneer ik dat heb gezegd. Of dat in de auto al ter sprake is geweest of pas later op de kamer met [A]. [Z] heeft wel gezegd dat ze deze aanpassing van de agenda wilde “voor de beeldvorming”. (…)
Ik heb [A] geholpen bij het achteraf inplannen van de werkbezoeken, omdat zij zo verschrikt keek bij de opdracht van [Z] en ik beter topografisch onderlegd ben. Ik herinner mij dat we een rit op de A4 vanuit Rotterdam naar Alkmaar geconstrueerd hebben, omdat dat paste bij een boete op de A4. [A] had een A4’tje voor zich toen wij de agenda gingen aanpassen waarop de bekeuringen stonden. Ik weet niet of het een A4-tje was, het was een lijstje, ik weet niet of het meer A4’tjes waren en wat er op stond. Meer details van wat er op dit A4’tje stond heb ik niet. Op dat moment was [Z] er niet bij. Er zaten allemaal mensen in haar kamer. Zij ging snel weer naar binnen. Ik was niet bekend met de specifieke bekeuringen, ik wist alleen dat er een paar waren. Ik weet niet of er ook bekeuringen waren waarvoor er geen werkbezoeken zijn ingepland.
Ik weet niet meer precies hoelang na het verzoek van [Z] wij de agenda zijn gaan aanpassen. Het kan een halfuurtje, maar ook een uurtje zijn geweest.
U houdt mij voor de verklaring van [A] van afgelopen maandag waarin zij heeft gezegd dat [Z] met mij zou hebben kortgesloten dat [A] wat afspraken in de agenda zou zetten. Hiervan is mij niets bekend. Kennelijk heeft [A] verklaard dat ik haar heb verzocht om afspraken in de agenda te zetten. Dat is niet juist, [Z] heeft die opdracht gegeven. (…)
U, mr. Willemsen, vraagt mij of het kan zijn dat ik al met [A] had besproken wat ik in de auto van [Z] had gehoord voordat het gesprek bij haar op de kamer met [Z] in de deuropening plaatsvond. Ja, dat kan zo zijn. Dat ging over de registratie van haar privé bekeuringen.”
2.20.
De rechtbank concludeert uit de hiervoor vermelde (delen van de) verklaringen van [B] en [A] dat zij op essentiële onderdelen hun verklaringen, zoals zij deze tegenover Hoffmann hebben afgelegd, onder ede bij de rechter-commissaris hebben (her)bevestigd. Uit de verklaringen tegenover de rechter-commissaris leidt de rechtbank af dat [Z] in de periode rond het NOS-journaal van 18 september 2011 met [B] heeft besproken dat de agenda moest worden aangepast in verband met haar privégebruik van de dienstauto en dat [A] van [Z] de instructie heeft gekregen om dat privégebruik via aanpassingen in de agenda te verhullen.
2.21.
[Z] heeft na de getuigenverhoren bij conclusie na enquête nog enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij de verklaringen van [B] en [A]. De rechtbank is van oordeel dat geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk in negatieve zin van invloed zijn geweest op de geloofwaardigheid van deze getuigen. Niets wijst erop dat de getuigen een belang of motief hebben – persoonlijk, financieel of anderszins – om in strijd met de waarheid een voor [Z] belastende verklaring af te leggen. De rechtbank heeft voorts onderzocht of in de wijze van totstandkoming van de getuigenissen of ten tijde van de verhoren omstandigheden zijn aan te wijzen die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. Op dit punt acht de rechtbank relevant dat uit de verhoren is gebleken dat [B] en [A] het verhoor hebben voorbereid tezamen met mr. Uhlenbroek en dat [A] naar aanleiding van die voorbereiding haar eerder tegenover Hoffmann afgelegde verklaring op één punt heeft aangepast. Bij Hoffmann had zij verklaard dat zij alleen op de kamer was toen [Z] haar vroeg om de agenda aan te passen, tegenover de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat [B] daarbij was. Het gegeven van het voorbereidend overleg voor het verhoor alsmede het tijdsverloop tussen de verklaring bij Hoffmann en de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring, maakt de verklaring van [A] (enkel) op dit onderdeel minder betrouwbaar.
2.22.
De rechtbank acht dit onderdeel echter niet van zodanig gewicht dat daarmee de geloofwaardigheid van [A] of de betrouwbaarheid van haar verklaring in algemene zin onder druk zou komen te staan. De verklaringen van [B] en [A] vinden immers evenzeer steun in de resultaten van het digitale onderzoek dat Hoffmann heeft uitgevoerd, alsook in de data en tijdstippen van bekeuringen die zijn uitgeschreven op het kenteken van de dienstauto. Verder zijn de verklaringen die [B] op 21 en 29 februari 2012 bij Hoffmann heeft afgelegd consistent met de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring, en geldt hetzelfde (op het in 2.21, slot, vermelde onderdeel na) voor de verklaring van [A] van 21 februari 2012 bij Hoffmann ten opzichte van haar verklaring tegenover de rechter-commissaris. Daar komt bij dat de verklaringen van [B] en [A] in de kern – daar waar het de manipulaties van de agenda betreft – consistent en eensluidend zijn. De rechtbank stelt verder, op basis van de verklaringen van [B], vast dat hij wél aanwezig was op het moment dat [Z] [A] opdracht gaf om de agenda aan te passen en houdt het er voor dat [A] zich op dit punt bij Hoffmann heeft vergist. De rechtbank acht voor het antwoord op de vraag of het door COA verlangde bewijs geleverd is overigens niet essentieel dat komt vast te staan dat [B] bij de door [Z] aan [A] gegeven instructie aanwezig is geweest. Beiden hebben immers verklaard rechtstreeks van [Z] te hebben gehoord dat zij de agenda wenste te wijzigen om privé door haar opgelopen bekeuringen te verhullen. Eventuele overige discrepanties, inconsistenties of tegenstrijdigheden in of tussen de verklaringen, die [Z] meent te ontwaren, tasten evenmin de essentie of de betrouwbaarheid van die verklaringen aan. De rechtbank laat een nadere bespreking van de door [Z] in dit verband ingenomen stellingen dan ook achterwege.
2.23.
Het voorgaande leidt ertoe dat het COA zijn standpunten onder (ii) en (iii) heeft bewezen in deze zin dat [Z] heeft verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte en dat zij bij dat verhullen ondergeschikten heeft betrokken. Dit volgt uit de resultaten en conclusies van het Hoffmann-rapport, de daarin opgenomen verklaringen van [B] en [A], alsmede de door hen opnieuw in deze zaak tegenover de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen.
conclusie
2.24.
De rechtbank is van oordeel dat, bij deze stand van zaken, het COA is geslaagd in het leveren van bewijs dat, na het arrest, maar vóór de op non-actiefstelling per 1 april 2012, sprake was van feiten en omstandigheden van zodanige aard dat het COA met recht zijn vertrouwen in de integriteit van [Z] heeft verloren. Na 1 april 2012 is immers aan het licht gekomen dat [Z] de dienstauto wel privé had gebruikt, in een mate die een fiscale bijtelling rechtvaardigt, terwijl zij dit gebruik aan de raad van toezicht en (medewerkers van) de minister had ontkend en voorts dat zij dit privégebruik heeft willen verhullen door haar secretaresse opdracht te geven om fictieve werkbezoeken in haar agenda te plannen. Dusdoende heeft [Z] gehandeld in strijd met de (hoge) eisen van integriteit die aan haar, in de publieke functie die zij vervulde, mochten worden gesteld.
2.25.
Gelet op dit oordeel kunnen de overige aspecten van de bewijslevering onbesproken blijven. De vordering in conventie is toewijsbaar. Aan de vordering in reconventie is, voor zover daarop niet al in het tussenvonnis is beslist (4.32), thans de grond komen te ontvallen.
2.26.
[Z] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Deze kosten in conventie worden aan de zijde van het COA begroot op € 4.574, waarvan € 466 wegens griffierecht, € 2.300 aan getuigentaxen en € 1.808 aan salaris advocaat (vier punten à € 452, volgens tarief II).
De kosten in reconventie worden aan de zijde van het COA begroot op € 20.640 aan salaris advocaat (acht punten à € 2.580, volgens tarief VII). Op dit laatste bedrag wordt in mindering gebracht het bedrag dat [Z] in de kantonprocedure aan proceskosten aan het COA verschuldigd is wegens het bijwonen van de getuigenverhoren en de getuigentaxen (in totaal € 8.600). De verhoren hebben immers tegelijkertijd in beide zaken plaatsgevonden. Het totale bedrag aan proceskosten in reconventie dat [Z] aan het COA verschuldigd is, bedraagt aldus € 12.040.
3. De beslissing
De rechtbank:
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat het COA, gelet op de op non-actiefstelling van [Z] van 29 maart 2012 en de verlenging daarvan op 13 april 2012, uit hoofde van het arrest van 10 januari 2012 geen dwangsommen heeft verbeurd en/of kan verbeuren;
3.2.
veroordeelt [Z] in de proceskosten, aan de zijde van [Z] tot op heden begroot op € 4.574;
3.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het anders gevorderde af;
in reconventie
3.5.
wijst de vorderingen af;
3.6.
veroordeelt [Z] in de proceskosten, aan de zijde van het COA tot op heden begroot op € 12.040;
3.7.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. H.F.M. Hofhuis, J.W. Bockwinkel en M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2014.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑10‑2014
Uitspraak 05‑06‑2013
Inhoudsindicatie
De rechtbank in Den Haag vindt nader onderzoek noodzakelijk in twee rechtszaken tussen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en [voormalig algemeen directeur COA]. De rechtbank wil zo nadere informatie krijgen om vast te stellen of de verklaring van voormalig algemeen directeur over privéritten met de dienstauto van het COA klopt. Daarna neemt de rechtbank pas een beslissing in beide zaken. De chauffeur en secretaresse van [voormalig algemeen directeur] hebben in een eerder onderzoek verklaard dat zij in opdracht van [voormalig algemeen directeur] fake afspraken in de digitale agenda van haar hebben ingepland. Het doel zou zijn geweest om privégebruik door [voormalig algemeen directeur] van de dienstauto te maskeren. De voormalige COA-directeur betwist de uitkomsten van dit onderzoek. Daarom vindt de rechtbank het noodzakelijk om nader onderzoek in te stellen. Het COA krijgt zo de kans om getuigen en bewijsmateriaal in te brengen. In de ene zaak, bij de kantonrechter, staat de vraag centraal of het ontslag van de voormalig algemeen directeur COA ‘kennelijk onredelijk’ was en of zij aanspraak heeft op een overeengekomen beëindigingsvergoeding. In de andere zaak, voor de meervoudige kamer van de rechtbank, gaat het om de vraag of het COA dwangsommen heeft verbeurd door [voormalig algemeen directeur] niet tot het werk toe te laten, nadat het gerechtshof in Den Haag in een eerdere procedure het COA daartoe had verplicht. [voormalig algemeen directeur] stelt recht te hebben op een bedrag van 5.000 euro per dag, voor de gehele periode dat ze geen toegang kreeg tot haar werkplek. Het gaat in deze tweede zaak in totaal om een bedrag van 610.000 euro. Zie ook LJN CA2140
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/430195 / HA ZA 12-1283
Vonnis van 5 juni 2013
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,
gevestigd te Rijswijk,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. H. Uhlenbroek te Amsterdam,
tegen
[GEDAAGDE],
wonende te [plaats],
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
advocaat mr. A.P.J.M. Verbeek te Amsterdam.
Partijen zullen hierna het COA en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 27 juni 2012;
- -
de akte overlegging producties (1-37) van het COA;
- -
het vonnis in het incident tot onbevoegdverklaring van deze rechtbank, sector kanton, van 3 oktober 2012, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich op dat moment bevond naar de sector civiel recht (thans team handel) is verwezen;
- -
de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 28 november 2012, met producties (1-34);
- -
het tussenvonnis van 12 december 2012, waarbij een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer is bepaald;
- -
de akte overlegging producties van het COA (38-39);
- -
de akte overlegging producties van [gedaagde] (I-V);
- -
de brief van 7 april 2013 van de griffier aan partijen;
- -
de conclusie van antwoord in reconventie van 22 april 2013;
- -
het proces-verbaal van de comparitie van 22 april 2013 voor de meervoudige kamer en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt. De faxberichten van mr. Uhlenbroek en mr. Verbeek van
- 16.
mei 2013 zijn aan het proces-verbaal gehecht. In dit vonnis wordt voor zover nodig op de inhoud van de opmerkingen van partijen ingegaan.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[gedaagde] is op 1 maart 2001 bij het COA in dienst getreden, voor onbepaalde tijd, als concerndirecteur P&O voor 36 uur per week. Met ingang van 1 juni 2003 is zij benoemd in de functie van hoofddirecteur Opvang voor 40 uur per week. De arbeidsvoorwaarden die aan deze laatste benoeming verbonden waren, zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst, die onder meer de volgende bepalingen bevat:
Artikel 7:
“De werknemer heeft de beschikking over een leaseauto volgens de autoleaseregeling van het COA. De werknemer betaalt geen eigen bijdrage aan het COA en het aantal privékilometers is onbeperkt. Uitgegaan wordt van de huidige klasse auto, met inbouw van een navigatiesysteem en een carkit voor de mobiele telefoon.”
Artikel 13:
“Op deze overeenkomst is van toepassing de CAO Welzijn, welke CAO geacht wordt met deze overeenkomst een geheel uit te maken.”
2.2.
Artikel 2.8.2 van de CAO Welzijn en Maatschappelijke dienstverlening (hierna: de cao) luidt als volgt:
- a.
De werkgever kan de werknemer voor een periode van hoogstens twee weken op non-actief stellen, indien de voortgang van de werkzaamheden – door welke oorzaak dan ook – ernstig wordt belemmerd. Deze termijn kan eenmaal met dezelfde periode worden verlengd.
- b.
Het besluit tot op non-actiefstelling alsmede het besluit tot verlenging hiervan wordt door de werkgever zo spoedig mogelijk aan de werknemer medegedeeld, onder vermelding van de redenen waarom de voortgang van de werkzaamheden deze maatregel vereist.
- c.
Na het verstrijken van de in lid 1 van dit artikel bedoelde periode van twee respectievelijk vier weken heeft de werknemer het recht zijn werkzaamheden te hervatten, tenzij inmiddels een ontslagvergunning is aangevraagd of de burgerlijke rechter is verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. In dat geval kan de werkgever, na de werknemer gehoord te hebben, de op non-actiefstelling telkens met een door hem te bepalen termijn verlengen. Dit tot het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt of de hiervoor bedoelde procedures zijn geëindigd.
- d.
t/m f. (…)
2.3.
Vanaf januari 2004 had [gedaagde] een dienstauto met chauffeur ter beschikking.
2.4.
Met ingang van 1 oktober 2004 tot het einde van het dienstverband (23 april 2012) is [gedaagde] werkzaam geweest als algemeen directeur en voorzitter van het bestuur van het COA tegen een laatstelijk genoten salaris van € 15.031,73 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering van 8,3 % van twaalfmaal het maandsalaris, een vakantietoeslag, een onkostenvergoeding en een compensatie voor de fiscale bijtelling wegens privégebruik van de haar ter beschikking gestelde dienstauto.
2.5.
Bij brief van 14 juni 2007 heeft de voorzitter van het bestuur van het COA [gedaagde] – voor zover relevant – het volgende medegedeeld:
“Met ingang van 2006 wordt de fiscale bijtelling voor auto’s van de zaak niet langer via de inkomstenbelasting aangegeven. Dit gebeurt nu via de loonbelasting.
Op aanraden van de fiscaal adviseur van het COA hebben wij na intern overleg besloten om de fiscale bijtelling voor uw dienstauto ook op uw salaris van 2006 door te voeren. Daarmee voldoet het COA aan de fiscale verplichting die er op dit terrein ligt.
In gevolg van dit besluit hebben wij besloten om de maandelijkse netto-impact (…) aan u te compenseren. (…).
Voor 2006 betreft dit een netto-compensatie van € 8.846,82. Op basis van de cataloguswaarde van de huidige dienstauto zal de netto-compensatie vanaf 2007 € 9.628,80 (…) bedragen.”
2.6.
Bij brief van 6 maart 2008 heeft het “Teamhoofd PSA” (naar de rechtbank begrijpt staat PSA voor Personeel- & Salarisadministratie) – voor zover relevant – het volgende aan [gedaagde] meegedeeld:
“In de brief d.d. 14 juni 2007 heeft de bestuursvoorzitter u op de hoogte gebracht van het besluit u te compenseren in de maandelijkse netto-achteruitgang inzake de fiscale bijtelling voor uw bedrijfsauto.
In de genoemde brief is het besluit verwoord met maandelijkse bedragen voor 2006 en 2007. De intentie van de brief is mijns inziens om de werkelijke achteruitgang te compenseren.
Per 1 januari 2008 is de fiscale bijtelling door de belastingdienst verhoogd van 22% naar 25%.
Wij hebben in maart 2008 de salarisberekeningen vanaf 1 januari 2008 hierop aangepast”.
2.7.
Op 1 januari 2011 is de nieuwe Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: Wet COA) in werking getreden, waarmee het COA onder de werkingssfeer van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (hierna: de Kaderwet) is gebracht. In deze Wet COA is voorzien in een wijziging van het besturingsmodel van het COA, onder meer inhoudend de instelling van een raad van toezicht en een raad van bestuur. De leden van de raad van toezicht en de raad van bestuur werden in 2011, krachtens artikel 12 van de Kaderwet, benoemd door de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de Minister). De Minister stelde, zo blijkt uit artikel 14 van de Kaderwet, de bezoldiging van de bestuurders van het COA vast. Het was toen (en is nog steeds) beleid van het kabinet om geen benoemingen te doen die gepaard gaan met een bezoldiging die de zogenaamde ‘Balkenendenorm’ te boven gaat.
2.8.
Op 6 april 2010 heeft een bestuurlijk overleg plaatsgevonden tussen de raad van toezicht (in oprichting) en ambtenaren van het departement van de Minister, waarbij [gedaagde] niet aanwezig was. Tijdens dat overleg heeft de Minister aandacht gevraagd voor het salaris van [gedaagde] en erop gewezen dat dit salaris het in overeenstemming met de Balkenendenorm moest zijn indien zij benoemd wilde worden tot lid van de raad van bestuur. De raad van toezicht (in oprichting) heeft [gedaagde] verzocht hierover in contact te treden met het departement. Nadien hebben partijen en de ambtenaren van het departement gesproken en gecommuniceerd over de hoogte van het salaris van [gedaagde] en over de vraag hoe dit salaris was te passen binnen de Balkenendenorm.
2.9.
Op 9 december 2010 heeft de raad van toezicht (in oprichting) op verzoek van de Minister twee personen bij de Minister voorgedragen voor benoeming tot lid van de raad van bestuur, onder wie [gedaagde]. De raad van toezicht heeft deze voordracht op 27 januari 2011 ingetrokken toen bleek dat de andere kandidaat niet meer beschikbaar was.
2.10.
Op 20 april 2011 heeft [gedaagde] een nieuwe concept-voordrachtbrief aan de voorzitter van de raad van toezicht (in oprichting) voorgelegd, waarin het voorstel is gedaan haar per 1 januari 2011 te benoemen tot voorzitter van de raad van bestuur van het COA onder handhaving van de toen geldende arbeidsvoorwaarden.
2.11.
[gedaagde] heeft op 10 mei 2011 met ambtenaren van het departement van de Minister besproken hoe haar salaris binnen de Balkenendenorm kon worden gepast. Vervolgens heeft [gedaagde] op 12 mei 2011 een overzicht aan het departement gezonden met als titel ‘Bezoldiging bestuursvoorzitter COA’. Nadien heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat medewerkers van het departement die advies zouden geven over de inpassing van het salaris binnen de Balkenendenorm, op het kantoor van het COA inzage in het salaris konden krijgen.
2.12.
Op 8 september 2011 heeft de NOS het COA benaderd met een aantal vragen over de gang van zaken bij het COA. Deze vragen betroffen onder andere het salaris van [gedaagde] en haar gebruik van de dienstauto. Het COA heeft deze vragen op 12 september 2011 schriftelijk beantwoord. Bij de voorbereiding van deze antwoorden is [gedaagde] als beoogd voorzitter nauw betrokken geweest. In de schriftelijke reactie van het COA staat onder andere vermeld dat de bestuursvoorzitter voor 2011 mogelijk een eenmalige compensatie van € 23.790,12 ontvangt wegens een fiscale bijtelling voor het gebruik van de dienstauto:
“Dit is een erfenis uit het verleden toen de bestuursvoorzitter een vergoeding ontving ter compensatie van de fiscale bijtelling voor privégebruik van de dienstauto. Omdat de dienstauto niet voor privédoeleinden werd gebruikt is deze fiscale bijtelling en de compensatie overbodig. In ieder geval vanaf 2012 kan de bijtelling en de compensatie komen te vervallen.”
In antwoord op een vraag van de NOS over privégebruik van de dienstauto door [gedaagde] wordt het volgende vermeld:
“Op 2 mei 2005 moest de bestuursvoorzitter ondanks een geplande vakantie aanwezig zijn bij een overleg op het Centraal Bureau in Rijswijk. Na dit overleg is de bestuursvoorzitter met haar gezin vanuit Rijswijk naar Schiphol gebracht door een chauffeur om haar vakantieplannen met haar gezin ongestoord doorgang te laten vinden. Het COA vindt dit aanvaardbaar gezien de ontstane situatie.”
2.13.
De NOS heeft aanvullende vragen aan het COA gesteld, die het COA op
- 13.
september 2011 wederom schriftelijk heeft beantwoord. Ook daarbij is [gedaagde] nauw betrokken geweest. De schriftelijke reactie van het COA vermeldt onder meer:
“U stelt dat de dienstauto elke vrijdag in Rotterdam wordt achtergelaten ten behoeve van gebruik in het weekeinde door onze bestuursvoorzitter. Dat klopt niet.”
2.14.
In het televisiejournaal van 18 september 2011 heeft de NOS negatief bericht over het COA en over [gedaagde] als bestuursvoorzitter van het COA. Met name het werkklimaat binnen de organisatie en een angstcultuur die zouden zijn ontstaan door (de stijl van) het leidinggeven van [gedaagde] kwamen aan de orde. Zowel de Minister als de raad van toezicht en de ondernemingsraad van het COA hebben zich in eerste instantie volledig achter [gedaagde] geschaard en te kennen gegeven dat zij de kritiek op [gedaagde] niet herkenden.
2.15.
Naar aanleiding van deze uitzending heeft de Tweede Kamer op 19 en 21 september 2011 vragen aan de Minister gesteld, ook ten aanzien van de beloning van [gedaagde]. Op 22 september 2011 heeft [gedaagde] een brief opgesteld waarin zij de hoogte van haar salaris (€ 189.792,49) aan de Minister heeft gepresenteerd. Vergelijkbare informatie is in het benoemingsvoorstel van de raad van toezicht van 14 september 2011 gegeven, dat op 22 september 2011 bij het departement van de Minister is bezorgd.
2.16.
[gedaagde] heeft op 25 september 2011 aan de voorzitter van de raad van toezicht een overzicht gestuurd, waaruit blijkt dat zij een maandsalaris van ruim € 15.000 heeft. Dit salaris is hoger dan het salaris dat zij op 22 september 2011 aan de Minister heeft gepresenteerd. [gedaagde] heeft voor dit verschil in salaris niet direct een verklaring kunnen geven. Op 26 september 2011 heeft de directeur Management Services van het COA [gedaagde] bericht dat bij de berekening van haar salaris, zoals dat in de voordracht aan de Minister is gepresenteerd, een fout was gemaakt die mogelijk te maken had met het verschil tussen een 36-urige en 40-urige werkweek.
2.17.
Op 27 september 2011 heeft de Minister de raad van toezicht verzocht om nadere informatie over onder meer (de ontwikkeling van) het salaris van [gedaagde], de beloning van de andere directieleden en aan vertrokken directieleden betaalde ontslagvergoedingen. De raad van toezicht is vervolgens daaromtrent een intern onderzoek begonnen. [gedaagde] is op 27 september 2011 door de voorzitter van de raad van toezicht telefonisch op non-actief gesteld in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek naar salarisbetalingen en vergoedingen binnen het COA. De op non-actiefstelling is schriftelijk bevestigd. Aan deze op non-actiefstelling is uitgebreid aandacht besteed in de media.
2.18.
Op 28 september 2011 heeft de Minister de heer [A](hierna: [A]) voor de duur van vier maanden tot voorzitter van het bestuur van het COA benoemd.
2.19.
Op 29 september 2011 heeft [gedaagde] het COA gesommeerd de op non-actiefstelling op te heffen en aangekondigd het COA daartoe in kort geding te zullen dagvaarden indien het COA aan deze sommatie niet vrijwillig zou voldoen.
2.20.
Op 30 september 2011 heeft de Minister aan de Tweede Kamer bericht voornemens te zijn een onafhankelijk onderzoek naar de situatie bij het COA in te stellen.
2.21.
Het NOS-journaal van 18 september 2011 heeft de ondernemingsraad van het COA ertoe gebracht een ‘Meldpunt sociaal economische veiligheid’ in te stellen en onderzoek te laten verrichten naar het werkklimaat binnen het COA. Dit onderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau Bezemer en Kuiper. Het meldpunt is van 10 oktober 2011 tot en met
- 6.
november 2011 opengesteld en beheerd door Bezemer en Kuiper. Bezemer en Kuiper hebben op 30 januari 2012 over hun bevindingen gerapporteerd. In het rapport is – voor zover relevant – te lezen:
“Wij hebben géén onderzoek gedaan naar het waarheidsgehalte van de meldingen en hebben niet gecheckt hoe recent de door de melders genoemde ervaringen zijn of dat men wellicht op een (ver) verleden teruggrijpt.”
En in de conclusie:
“De managementstijl van de bestuurder leidt bij een aantal medewerkers op de centra tot irritatie. Echter, hoe dichter bij men bij bestuurder en directie staat, hoe meer angstig men zich toont. (…) De sociale onveiligheid op het centraal bureau wordt met name gevoeld in de managementlaag om de bestuurder en directie heen. Voor een aantal managers gaat deze onveiligheid zo ver dat wij spreken van een angstcultuur waarin managers zich onthouden van kritiek. De angst wordt opgeroepen door de managementstijl van bestuurder, haar omgang met medewerkers die negatieve gevoelens oproept, het budget dat zij gebruikt ten behoeve van haar ‘hofhouding’ en haar auto, de psychologische afstand die zij creëert.”
2.22.
Op 7 oktober 2011 zijn de bevindingen van het interne onderzoek aan de raad van toezicht gepresenteerd. Op 10 oktober 2011 heeft het COA de bevindingen aan [gedaagde] ter beschikking gesteld en haar uitgenodigd om hierop te reageren, hetgeen zij schriftelijk heeft gedaan op 11 oktober 2011.
2.23.
Op 10 oktober 2011 heeft de raad van toezicht, in afwachting van de uitkomst van het door de Minister aangekondigde onafhankelijk onderzoek, zijn taken neergelegd.
2.24.
Op 11 oktober 2011 heeft het COA [gedaagde] meegedeeld haar non-activiteit te verlengen totdat de uitkomst van het onderzoek waartoe de Minister op 30 september 2011 had besloten, bekend was, mede teneinde een onbelemmerde voortgang van dat onderzoek mogelijk te maken. Op dezelfde dag heeft de Minister aan de Tweede Kamer bericht een onafhankelijk onderzoek te zullen instellen naar het werkklimaat en de bestuursstructuur van het COA, waarbij ook vragen met betrekking tot de bezoldiging van [gedaagde] zouden worden onderzocht.
2.25.
Op 12 oktober 2011 heeft een kortgedingzitting plaatsgevonden, waar de vordering van [gedaagde] tot (onder meer) opheffing van de op non-actiefstelling is behandeld. De vorderingen van [gedaagde] zijn bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 19 oktober 2011 afgewezen. [gedaagde] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
2.26.
Op 25 november 2011 heeft de Minister de Commissie van Onderzoek Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Commissie COA) ingesteld, die de opdracht heeft gekregen onderzoek te doen naar het functioneren van het COA gericht op het werkklimaat, de bestuursstructuur en de gang van zaken rondom de salariëring van de directieleden van het COA.
2.27.
Bij arrest van 10 januari 2012 (hierna: het arrest) heeft het gerechtshof
's-Gravenhage het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 oktober 2011 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de op non-actiefstelling van [gedaagde] van 11 oktober 2011 opgeheven en het COA veroordeeld om [gedaagde] toe te laten de gebruikelijke werkzaamheden die behoren bij haar functie als algemeen directeur te hervatten, een en ander met ingang van veertien dagen na betekening van het arrest, doch in ieder geval niet eerder dan met ingang van donderdag 1 maart 2012, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor iedere dag dat het COA in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen. Tegen het arrest is geen beroep in cassatie ingesteld. [gedaagde] heeft het arrest op 9 februari 2012 aan het COA doen betekenen.
2.28.
Op 16 januari 2012 is op het intranet van het COA een bericht van de ondernemingsraad verschenen dat inhoudt dat de ondernemingsraad het raadzaam acht dat [gedaagde] de resultaten van het onafhankelijk onderzoek afwacht alvorens haar werkzaamheden te hervatten en dat hij er bij de raad van toezicht op zal aandringen dat deze zich hiervoor inzet. Verder staat in het bericht dat de ondernemingsraad onrust signaleert onder medewerkers door de uitspraak van het hof en de antwoorden van [gedaagde] in een interview bij Pauw & Witteman. Dit interview vond plaats op 10 januari 2012.
2.29.
De Minister heeft op 2 februari 2012 de benoeming van de interim-bestuurder [A] verlengd tot 3 mei 2012.
2.30.
Partijen zijn vanaf 23 januari 2012 met elkaar in gesprek geweest over de tenuitvoerlegging van het arrest. Dit heeft op 23 februari 2012 tot een overeenkomst geleid, die inhoudt dat (i) [gedaagde] afziet van werkhervatting per 1 maart 2012 en geen aanspraak maakt op dwangsommen in de periode 1 maart 2012 tot 1 april 2012, (ii) partijen zullen overleggen over eventuele verlenging van de onder (i) genoemde periode indien het rapport van de Commissie COA, inclusief het standpunt van de Minister, niet openbaar zal zijn vóór 1 april 2012, (iii) voor [gedaagde] met ingang van 1 april 2012 het recht op tenuitvoerlegging van het arrest herleeft indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt.
Ten tijde van deze afspraak bestond bij partijen de verwachting dat de Commissie COA omstreeks 21 maart 2012 haar bevindingen openbaar zou maken.
2.31.
Op 27 februari 2012 hebben partijen een gezamenlijk persbericht doen uitgaan over de inhoud van de op 23 februari 2012 gemaakte afspraken.
2.32.
Op 20 februari 2012 heeft de Commissie COA het COA schriftelijk verzocht om antwoord op een aantal feitelijke vragen met betrekking tot het privégebruik van de dienstauto door [gedaagde]. Het COA heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) opdracht verstrekt het daartoe noodzakelijke onderzoek te doen. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode van 21 tot en met 29 februari 2012. Op 8 maart 2012 heeft Hoffmann het rapport van haar bevindingen (hierna: het rapport Hoffmann) aangeboden aan het COA. Op 9 maart 2012 heeft het COA de door Hoffmann gemaakte samenvatting van het concept aan [gedaagde] verstrekt. Deze samenvatting luidt – voor zover relevant – als volgt:
“(…)
- 2.1.
Achteraf wijzigen agenda
Vastgesteld is dat er acht werkbezoeken in de digitale agenda van mevrouw [gedaagde] zijn ingevoerd die betrekking hadden op voorliggende datums. Het betroffen bezoeken in de weekeinden aan diverse ‘clusters’ en/of AZC’s. Uit de gesprekken is gebleken dat deze werkbezoeken, op verzoek van mevrouw [gedaagde], in de agenda zijn gezet. Uit het onderzoek is bekend geworden dat deze werkbezoeken in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden. Daarnaast is bekend geworden dat er in totaal 27 afspraken, inclusief de acht hierboven vermelde, achteraf in de digitale agenda van mevrouw [gedaagde] zijn ingevoerd.
- 2.2.
Privégebruik dienstauto
Bekend werd dat de dienstauto meestal op donderdagavond nabij de woning van mevrouw [gedaagde] geparkeerd werd en dat deze op maandagochtend weer opgehaald werd. In onze analyse gaan we er dan ook van uit dat de dienstauto vanaf donderdagavond tot en met zondag in het bezit was van mevrouw [gedaagde]. Wij kunnen echter niet met zekerheid vaststellen of zij dan ook altijd de bestuurder van de dienstauto was.
Vastgesteld is dat er met de dienstauto is gereden op dagen dat mevrouw [gedaagde] vrij was. Dit blijkt uit bekeuringen/verkeersovertredingen. De betreffende boetes zijn aan het CJIB betaald vanaf de bankrekening waarop het CAO het salaris van mevrouw [gedaagde] overmaakt. Opgemerkt wordt dat verkeersboetes van overtredingen gemaakt tijdens diensttijd altijd zijn betaald door het COA. (…)
- 2.3.
Privégebruik dienstauto en chauffeursdiensten
Vastgesteld is dat mevrouw [gedaagde] in 2010 en 2011 privé gebruik heeft gemaakt van de chauffeursdienst(en) van het COA. Dit had hoofdzakelijk betrekking op het brengen naar en ophalen van vliegvelden van mevrouw [gedaagde] en/of haar gezinsleden voor privéreizen. Het betrof de vliegvelden Schiphol/Amsterdam, Brussel/Zaventem en Luik. Een en ander vond ook plaats in de weekenden. In 2010 betrof dit twee privéreizen van mevrouw [gedaagde] en haar gezin. In 2011 betrof dit één privéreis.”
2.33.
Onderdeel van het rapport Hoffmann maken uit de verklaringen van [secretaresse]en [chauffeur], de toenmalige secretaresse respectievelijk chauffeur van [gedaagde] (hierna: [secretaresse] respectievelijk [chauffeur]). Kort gezegd hebben [secretaresse] en [chauffeur] tegenover medewerkers van Hoffmann verklaard dat [secretaresse], met behulp van [chauffeur], in opdracht van [gedaagde] in de periode rond de uitzending van het NOS-journaal van 18 september 2011 fake afspraken in de digitale agenda van [gedaagde] heeft ingepland teneinde privégebruik door [gedaagde] van de dienstauto te maskeren. [chauffeur] heeft verder verklaard over chauffeursdiensten die hij in de periode van 2008 tot en met 2011 voor privéritten van [gedaagde] (en haar gezin) heeft verleend.
2.34.
Op 9 maart 2012 heeft de Commissie COA delen van haar conceptrapportage aan partijen ter beschikking gesteld. Op 12 maart 2012 heeft het COA een afschrift van het volledige rapport Hoffmann (met bijlagen) aan [gedaagde] ter beschikking gesteld.
2.35.
In een e-mailbericht van 12 maart 2012 aan de advocaat van het COA heeft de advocaat van [gedaagde] diverse opmerkingen gemaakt over het rapport van Hoffmann en het COA gesommeerd om het rapport te vernietigen en dit te (doen) verwijderen uit de onderzoeksresultaten van de Commissie COA. Het COA heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.
2.36.
[gedaagde] heeft in kort geding afgifte door de Staat van alle aan het rapport van de Commissie COA ten grondslag liggende informatie gevorderd en een verbod tot publicatie van het rapport totdat haar het recht van hoor en wederhoor is gegund. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de vorderingen van [gedaagde] bij vonnis van 26 maart 2012 afgewezen. [gedaagde] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bij arrest van
- 4.
april 2012 bekrachtigd.
2.37.
Het COA heeft [gedaagde] op 19 maart 2012 verzocht om verlenging van de overeenkomst van 23 februari 2012. [gedaagde] heeft dit verzoek op 21 maart 2012 afgewezen.
2.38.
Bij brief van 27 maart 2012 aan [gedaagde] heeft het COA het voornemen geuit om haar met ingang van 1 april 2012 op non-actief te stellen voor de duur van twee weken. In deze brief is – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“Als gevolg van het door u geïnitieerde kort geding zal het rapport van de Commissie thans naar verwachting in de eerste week van april 2012 beschikbaar komen (…). Het COA ziet zich derhalve genoodzaakt maatregelen te nemen om de periode (…) te overbruggen. Het COA heeft kennisgenomen van de bevindingen van het door Bezemer & Kuiper in opdracht van de Ondernemingsraad uitgebrachte rapport. Gelet op die bevindingen bestaat reden tot ernstige twijfel aan de kwaliteit van uw bestuursstijl en tot zorg van de effecten daarvan op het werkklimaat binnen het COA. Kennisneming van (een deel van) de concept bevindingen van de Commissie geeft het COA vooralsnog geen aanleiding aan te nemen dat die twijfel en zorg ongefundeerd zijn. Een eventuele terugkeer van u bij het COA, vooruitlopend op de definitieve rapportage van de Commissie (…) zou tot grote onrust bij delen van het personeel van het COA leiden, in ieder geval op het Centraal Bureau. Het COA acht die terugkeer derhalve niet verantwoord.
Bovendien bestaat, gelet op de bevindingen, zoals geconstateerd in het door Hoffmann Bedrijfsrecherche verrichte onderzoek, reden tot ernstige twijfel over uw integriteit. Het COA is derhalve voornemens u met ingang van 1 april 2012 voor een periode van twee weken op non-actief te stellen. (…)”.
en
“Het COA is bereid van uitvoering van zijn voornemen af te zien, indien u uiterlijk op 28 maart 2012 schriftelijk verklaart van werkhervatting en van uw aanspraak op dwangsom(men) ingevolge het arrest van 10 januari 2012 af te zien tot tien dagen nadat het rapport van de Onderzoekscommissie COA aan het COA ter beschikking is gekomen en besluitvorming naar aanleiding van dit rapport heeft plaatsgevonden. In dat geval wordt het eerdere u verleende bijzondere verlof dienovereenkomstig verlengd”.
2.39.
Bij brief van 29 maart 2012 heeft het COA [gedaagde] overeenkomstig zijn voornemen met ingang van 1 april 2012 voor de duur van twee weken op non-actief gesteld.
2.40.
Op 4 april 2012 heeft [gedaagde] aan het COA doen aanzeggen dat zij aanspraak maakt op € 20.000 ter zake van verbeurde dwangsommen ingevolge het arrest.
2.41.
In een “memorandum” van 6 april 2012 heeft de advocaat van [gedaagde] diverse kanttekeningen geplaatst bij het rapport van Hoffmann. De inhoud van dit memorandum gaf Hoffmann geen aanleiding om het rapport inhoudelijk aan te passen, zo heeft Hoffmann op 9 april 2012 aan de advocaten van [gedaagde] en het COA bericht.
2.42.
Op 10 april 2012 heeft de Commissie COA de volledige conceptrapportage aan partijen ter beschikking gesteld.
2.43.
Bij brief van 11 april 2012 heeft het COA [gedaagde] op de hoogte gesteld van zijn voornemen om de op non-actiefstelling van 1 april 2012 met twee weken te verlengen. In deze brief is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
“ (…) Voor de reden van dit voornemen verwijs ik u naar de brief van het COA van 27 maart 2012. Inmiddels heeft de ondernemingsraad van het COA bovendien kenbaar gemaakt dat u niet meer kan terugkeren bij het COA, in welke functie dan ook. (…). Het COA is bereid van een verlenging van de op non-actiefstelling af te zien, indien u uiterlijk op donderdag 12 april 2012 schriftelijk verklaart van werkhervatting en van uw aanspraak op (een) dwangsom(men) ingevolge het arrest van 10 januari 2012 af te zien tot 10 dagen nadat het rapport van de Onderzoekscommissie COA aan het COA ter beschikking is gekomen en besluitvorming naar aanleiding van dit rapport heeft plaatsgevonden. In dat geval wordt u vanaf 15 april 2012 bijzonder verlof verleend” .
2.44.
Bij brief van 13 april 2012 heeft het COA de aan [gedaagde] opgelegde non-activiteit met ingang van 15 april 2012 voor de duur van twee weken verlengd.
2.45.
Op 16 april 2012 heeft [gedaagde] het COA tot betaling van € 80.000 doen bevelen ter zake van verbeurde dwangsommen.
2.46.
Op 17 april 2012 heeft de Commissie COA haar definitieve bevindingen aan de Minister gerapporteerd (hierna: het rapport Commissie COA). Ten aanzien van de algemeen directeur (in de persoon van [gedaagde]) is in de samenvatting van het rapport de volgende conclusie opgenomen:
“De Commissie moet tot de conclusie komen dat de bestuursstijl van de algemeen directeur – en in het verlengde daarvan ook van de directieraad – aanzienlijk heeft bijgedragen aan een gebrek aan vertrouwen in de leiding en aan sociale onveiligheid binnen de organisatie. De enquête onderstreept de ernst van de situatie in dit opzicht. (…)
Binnen het COA bestond met recht kritiek op het feit dat de algemeen directeur niet altijd het goede voorbeeld gaf. Zij stelde zich boven de regels die voor anderen wel golden. Bovendien gaf zij ook bewust onjuiste informatie, zoals over het privé gebruik van haar dienstauto. Verder heeft zij geprobeerd het privé gebruik te maskeren.
Naar het oordeel van de Commissie past de wijze van optreden van de algemeen directeur niet in de publieke dienst.”
2.47.
Per brief van 18 april 2012 heeft de Minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer de consequenties die hij aan de conclusies van de Commissie COA verbond, kenbaar gemaakt. Hij schrijft in zijn brief onder meer:
“Tegen deze achtergrond acht ik een terugkeer van mevrouw [gedaagde] naar het COA uitgesloten. Ik heb het COA hierover geïnformeerd.”
2.48.
Bij brief van 18 april 2012 heeft het COA [gedaagde] meegedeeld voornemens te zijn haar dienstverband met ingang van 23 april 2012 op te zeggen, onder uitbetaling van een bedrag gelijk aan het salaris dat zij zou hebben ontvangen indien het dienstverband met inachtneming van de geldende opzegtermijn van drie maanden zou zijn opgezegd. In deze brief heeft het COA de volgende twaalf redenen aan het voornemen ten grondslag gelegd en nader toegelicht:
- “1)
uw stijl van leidinggeven (“bestuursstijl”) heeft tot een sociaal onveilig werkklimaat binnen het COA geleid;
- 2)
u heeft onjuiste informatie omtrent uw bezoldiging aan de Minister, de Raad van Toezicht en de pers verstrekt;
- 3)
u heeft onjuiste informatie aan de Commissie, de Minister, de Raad van Toezicht en de pers verstrekt omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden;
- 4)
u heeft verhuld dat u de dienstauto, in strijd met wat u daarover verklaard heeft, ook voor privédoeleinden gebruikte;
- 5)
u heeft bij dat verhullen ondergeschikten betrokken;
- 6)
u heeft gebruik gemaakt van chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden;
- 7)
u heeft onjuiste informatie aan de pers verstrekt over het gebruik van chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden;
- 8)
u heeft onjuiste informatie aan de Minister verstrekt omtrent het afbestellen van een dienstauto;
- 9)
u heeft een vertrouwensbreuk gecreëerd met de Raad van Toezicht;
- 10)
u heeft bij de wijze waarop u bent opgekomen voor uw eigen belang, het belang van het COA en zijn medewerkers volledig uit het oog verloren;
- 11)
u heeft bij de wijze waarop u bent opgekomen voor uw eigen belang bovendien uit het oog verloren dat u werkzaam bent in de openbare dienst;
- 12)
de Minister heeft kenbaar gemaakt dat hij u niet benoembaar acht voor de functie van Voorzitter/lid van het Bestuur van het COA.”
2.49.
Het COA heeft daarbij opgemerkt dat elk van deze redenen afzonderlijk, maar in elk geval tezamen met één of meer andere redenen, de beëindiging van het dienstverband rechtvaardigen.
2.50.
Op 20 april 2012 heeft het COA het dienstverband met [gedaagde] met ingang van 23 april 2012 opgezegd. Het COA heeft het salaris van [gedaagde] doorbetaald tot 1 augustus 2012.
2.51.
Op 15 mei 2012 en 4 juni 2012 heeft [gedaagde] het COA tot betaling van € 225.000 respectievelijk € 325.000 doen bevelen ter zake van verbeurde dwangsommen.
2.52.
Op 15 juni 2012 heeft het COA [gedaagde] in kort geding gedagvaard en gevorderd dat aan [gedaagde] verboden wordt om verdere executiemaatregelen te nemen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de vordering bij vonnis van 27 juni 2012 afgewezen wegens gebrek aan belang aan de zijde van het COA, nu het door [gedaagde] voorgenomen executoriaal beslag gelet op het bepaalde in artikel 436 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in beginsel niet rechtsgeldig zal kunnen worden gelegd.
2.53.
Op 19 juni 2012 heeft Grant Thornton Forensic & Investigation Services B.V. (hierna: Grant Thornton) in opdracht van [gedaagde] een kritische analyse opgesteld van het rapport Commissie COA.
2.54.
Per 1 oktober 2012 heeft de Minister een nieuwe bestuursvoorzitter benoemd voor de duur van vier jaar.
2.55.
[gedaagde] heeft het COA op 2 oktober 2012 gedagvaard in een procedure inzake kennelijk redelijk ontslag bij de kantonrechter van deze rechtbank. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de kantonrechter in deze zaak eveneens heden uitspraak doet.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
Het COA vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat het COA, gelet op de non-actiefstelling van 29 maart 2012 en de verlenging daarvan op 13 april 2012, uit hoofde van het arrest geen dwangsommen heeft verbeurd en/of kan verbeuren, althans dat [gedaagde] geen aanspraak jegens het COA kan doen gelden in verband met enige verbeurde dwangsom(men), en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Het COA heeft aan deze vordering na aanvulling van de grondslag van de eis ter comparitie – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd.
Primair: Artikel 2.8.2. van de cao bood het COA de mogelijkheid tot een nieuwe op non-actiefstelling van [gedaagde], los van de in het najaar van 2011 gegeven op non-actiefstelling, omdat na het arrest van het hof nieuwe feiten zijn opgekomen, die meebrengen dat werkhervatting door [gedaagde], vooruitlopend op het definitieve rapport van de Commissie COA en ook daarna, de voortgang van de werkzaamheden in ernstige mate zou hebben belemmerd. Werkhervatting door [gedaagde] zou immers gelet op de bevindingen van bepaalde directieleden, de bevindingen van Bezemer en Kuiper, het standpunt van de ondernemingsraad en het rapport van de Commissie COA, tot grote onrust onder het personeel hebben geleid. Bovendien was het vertrouwen dat het COA in de integriteit van [gedaagde] als algemeen directeur moet kunnen stellen, gelet op de bevindingen van Hoffmann, komen te ontbreken.
Subsidiair: De redenen die het COA ten grondslag heeft gelegd aan de nieuwe op non-actiefstelling hebben een noodtoestand aan de zijde van het COA in het leven geroepen die een schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest op de voet van artikel 438 Rv rechtvaardigt.
Meer subsidiair: [gedaagde] heeft in strijd met de door haar jegens het COA te betrachten redelijkheid en billijkheid gehandeld door de tussen partijen op 23 februari 2012, naar aanleiding van het arrest gemaakte, afspraak niet te willen verlengen totdat de Commissie COA haar definitieve rapport openbaar had gemaakt en besluitvorming naar aanleiding van dat rapport had kunnen plaatsvinden. Het is immers uitsluitend aan het toedoen van [gedaagde] (het initiëren van een kort geding) te wijten dat de Commissie COA haar definitieve raport niet op of omstreeks 21 maart 2012, althans vóór 1 april 2012, heeft uitgebracht. [gedaagde] was derhalve jegens het COA gehouden tot verlenging van die uitspraak tot tien dagen nadat de Commissie COA haar rapport openbaar had gemaakt. Nu zij haar medewerking daaraan heeft onthouden, kan zij ook om die reden geen aanspraak maken op dwangsommen.
Meest subsidiair: In ieder geval heeft [gedaagde] geen aanspraak op dwangsommen na
- 23.
april 2012, omdat per die datum haar dienstverband is geëindigd en de verplichting tot wedertewerkstelling slechts geldt zolang het dienstverband bestaat.
3.3.
[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert na vermeerdering van eis ter comparitie ? samengevat ? bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
- a.
voor recht te verklaren dat [gedaagde] een beroep kan doen op de tenuitvoerlegging van het arrest vanaf 1 april 2012 tot 1 augustus 2012;
- b.
het COA te veroordelen tot betaling van € 610.000 netto, zijnde de door het COA verbeurde dwangsommen over de periode van 1 april 2012 tot 1 augustus 2012, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2012, althans vanaf een datum in goede justitie te bepalen;
- c.
het COA te veroordelen tot openlegging van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de overeenkomst van 12 juli 2012 (de vaststellingsovereenkomst tussen het COA en de heer [B]);
- d.
het COA te veroordelen zich te onthouden van enige (derden)beslaglegging ten laste van [gedaagde];
- e.
het COA te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, te begroten op € 40.000 te vermeerderen met btw, althans een in goede justitie te bepalen bedrag.
3.6.
[gedaagde] heeft aan deze vorderingen – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd. Het COA heeft niet aan de veroordeling van het hof voldaan. Zij is dan ook gerechtigd de dwangsommen die het COA vanaf 1 april 2012 heeft verbeurd te executeren tot het einde van de opzegtermijn die het COA in acht had moeten nemen (1 augustus 2012). De feiten en omstandigheden die het COA in conventie heeft aangevoerd, vormen geen grond om de tenuitvoerlegging van het arrest te staken, dan wel om de dwangsommen te matigen. Het COA handelt onrechtmatig door niet tot vrijwillige betaling over te gaan. De schade die zij, [gedaagde], daardoor heeft geleden bedraagt € 610.000. Het COA heeft een beroep op het beslagverbod op grond van artikel 436 Rv gedaan, doch dit levert misbruik van bevoegdheid op. Om die reden wordt een verklaring voor recht gevorderd dat zij, [gedaagde], ondanks het beslagverbod toch tot executie van het arrest kan overgaan. Nu de dwangsommen zijn verbeurd met een onherroepelijk arrest van het hof en van een restitutierisico aan haar zijde geen sprake is, dient het COA voorts verboden te worden om derdenbeslag te leggen op een vermogensbestanddeel van haar, waarmee het COA eerder heeft gedreigd.
Het COA heeft in de periode van totstandkoming van het rapport van de Commissie COA onverplicht met de heer [B], ex-directeur, onderhandeld en is een vergoeding van
€ 20.000 netto en betaling van kosten van rechtsbijstand van ruim € 38.000 overeengekomen. [gedaagde] vordert op de voet van artikel 834a Rv overlegging van de bescheiden die ten grondslag liggen aan vaststellingsovereenkomst van het COA en [B]. [B] heeft bijgedragen aan het vernietigen van haar eer en goede naam door zich in ruil voor betaling door het COA negatief over haar uit te laten bij de media en/of onderzoekende instanties.
De starre en onverzettelijke houding van het COA en zijn onzorgvuldige en ongefundeerde handelwijze tegenover haar rechtvaardigen de vergoeding van alle werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand ten behoeve van de onderhavige procedure.
3.7.
Het COA voert gemotiveerd verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie en in reconventie
kern van het geschil en context
4.1.
De vraag die in deze procedure centraal staat, is of het COA dwangsommen heeft verbeurd doordat het in gebreke is gebleven te voldoen aan het arrest, waarbij de op non-actiefstelling van [gedaagde] is opgeheven. De standpunten van partijen in dit verband laten zich in de kern als volgt samenvatten. Het COA stelt dat zich na het arrest nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die een nieuwe op non-actiefstelling rechtvaardigden en dat met die op non-actiefstelling de werking aan het arrest is komen te ontvallen. [gedaagde] daarentegen stelt dat deze nieuwe op non-actiefstelling misbruik van recht van het COA oplevert, in deze zin dat die hernieuwde op non-actiefstelling per 1 april 2012 ten doel had te ontkomen aan het rechterlijk bevel tot wedertewerkstelling. Dit geldt evenzeer voor de latere verlenging van de op non-actiefstelling per 15 april 2012 en ook voor het gegeven ontslag met ingang van 23 april 2012, zo betoogt [gedaagde].
4.2.
Het geschil van partijen moet in de volgende feitelijke en juridische context worden beoordeeld.
4.3.
Vast staat dat weliswaar het COA aan [gedaagde] heeft verzocht om haar recht van executie van het arrest ook na 1 april 2012 op te schorten, maar dat [gedaagde] daartoe niet bereid was. In die situatie was het COA verplicht het rechterlijk bevel tot wedertewerkstelling per 1 april 2012, zoals dat voortvloeit uit het arrest, na te leven. Vast staat dat het COA het arrest niet heeft tenuitvoergelegd; het heeft [gedaagde] per 1 april 2012 niet toegelaten tot haar werkzaamheden.
4.4.
In de situatie waarin het COA meende gegronde redenen te hebben om niet tot tenuitvoerlegging van het arrest over te hoeven gaan en [gedaagde] niet opnieuw tot haar werkzaamheden toe te laten, stonden hem, op grond van de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, twee afzonderlijke rechtswegen ten dienste.
4.5.
Ten eerste kan op grond van artikel 611d Rv de rechter die een dwangsom heeft opgelegd (hier: het hof Den Haag), op vordering van de veroordeelde (hier: het COA) de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling (hier: opheffing van de op non-actiefstelling en derhalve een bevel tot wedertewerkstelling) te voldoen.
4.6.
Ten tweede kan op grond van artikel 438 lid 2 Rv voor de voorzieningenrechter van de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn (hier: de rechtbank Den Haag), ter verkrijging van een voorziening bij voorraad, een executiegeschil worden gebracht. De voorzieningenrechter kan bijvoorbeeld de executie verbieden of voor een bepaalde tijd schorsen.
4.7.
Het COA heeft om hem moverende redenen afgezien van een procedure op grond van de artikelen 611d Rv en/of 438 lid 2 Rv. Ter comparitie heeft het COA toegelicht dat naar zijn verwachting niet kon worden volgehouden dat het “onmogelijk” was voor het COA om aan de veroordeling van het hof te voldoen. Daarom is geen procedure op grond van artikel 611d Rv aanhangig gemaakt. Verder heeft het COA – aldus zijn stellingen ter comparitie – niet in kort geding een nieuwe ordemaatregel gevorderd omdat het van oordeel was dat dat niet nodig was: de na het arrest opgekomen feiten rechtvaardigden in zijn visie immers een nieuwe op non-actiefstelling.
4.8.
Het COA heeft [gedaagde] per 1 april 2012 opnieuw op non-actief gesteld. Onbestreden is dat het COA met deze op non-actiefstelling in ieder geval heeft willen bewerkstelligen dat [gedaagde] zich niet op de werkvloer zou begeven en dat het COA geen dwangsommen ingevolge het arrest zou verbeuren. Indien in het vervolg over de op non-actiefstelling per 1 april 2012 wordt gesproken, wordt daarmee tevens bedoeld de verlenging daarvan per 15 april 2012.
4.9.
De rechtbank beklemtoont dat het COA op zichzelf geen recht heeft verspeeld door geen procedure op de voet van de artikelen 611d Rv en/of 438 Rv aan te spannen. De vragen die thans, in volle omvang, aan de orde zijn, kunnen als volgt worden samengevat: (i) was het COA bevoegd tot het treffen van de maatregel van op non-actiefstelling, en zo ja: (ii) levert toepassing van deze bevoegdheid – in het licht van het arrest, de zojuist geschetste context en de afweging van het COA om niet de rechter te adiëren teneinde de tenuitvoerlegging van het arrest te staken althans te schorsen – misbruik van bevoegdheid op jegens [gedaagde]? Van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is onder meer sprake wanneer degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze uitoefent met een ander doel dan waarvoor zij is verleend.
4.10.
Aan [gedaagde] kan niet met succes worden tegengeworpen dat zij niet in rechte is opgekomen tegen de nieuwe op non-actiefstelling. Ook in dit opzicht geldt, in het algemeen, dat iemand geen rechten verspeelt door geen gebruik te maken van een spoedvoorziening, waardoor overigens slechts voorlopige maatregelen mogelijk zouden zijn geweest die de bodemrechter (in dit geval deze rechtbank) niet zouden hebben gebonden.
cao en tweede op non-actiefstelling
4.11.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de non-activiteit als gevolg van de door partijen op 23 februari 2012 gemaakte afspraken moet worden beschouwd als een non-activiteit in de zin van artikel 2.8.2 van de cao. Deze non-activiteit liep op grond van het arrest door tot 1 maart 2012 en op grond van de afspraken van partijen tot 1 april 2012, en is daarmee conform de desbetreffende cao-bepaling reeds eenmaal verlengd. De cao bepaalt – zo stelt nog steeds [gedaagde] – dat het COA in deze situatie niet gerechtigd was de op non-actiefstelling te laten voortduren, omdat niet aan de in artikel 2.8.2 van de cao voor die voortduring gestelde eisen is voldaan; dezelfde op non-actiefstelling mag maximaal eenmaal worden verlengd met twee weken. Het COA bestrijdt dit standpunt.
4.12.
De rechtbank laat in het midden of de non-activiteit van [gedaagde] tot 1 april 2012 als (dezelfde, doch verlengde) non-activiteit in de zin van de cao is aan te merken of niet. Ook als wordt aangenomen dat dit wel het geval is, brengt een redelijke uitleg van artikel 2.8.2 van de cao mee dat onder bijzondere omstandigheden een op non-actiefstelling, ook na het verstrijken van de in artikel 2.8.2 lid 3 van de cao genoemde termijn, zonder dat een ontslagvergunning of ontbindingsverzoek is ingediend, kan worden gevolgd door een nieuwe op non-actiefstelling. Van bij voorbaat onbevoegd handelen van het COA door [gedaagde] opnieuw op non-actief te stellen is dan ook geen sprake.
misbruik van bevoegdheid?
4.13.
Naar het oordeel van de rechtbank was het COA slechts bevoegd tot het opnieuw op non-actiefstellen van [gedaagde] indien die nieuwe op non-actiefstelling berust op feiten en omstandigheden die (i) het COA pas na het arrest bekend zijn geworden en waarmee het vóór het arrest redelijkerwijs niet bekend behoefde te zijn en (ii) van zodanige aard zijn dat zij de op non-actiefstelling rechtvaardigen. Van een werkgever mag immers worden verwacht dat hij ten tijde van de rechterlijke beoordeling van een op non-actiefstelling van een werknemer alle hem bekende relevante feiten en omstandigheden die aan wedertewerkstelling in de weg zouden moeten staan, aan de rechter voorlegt. Een situatie waarin de werkgever na een rechterlijk bevel tot wedertewerkstelling alsnog hem bekende, maar voor de rechter ‘achtergehouden’, feiten en omstandigheden aan de werknemer mag tegenwerpen via een nieuwe op non-actiefstelling en daarmee het gerechtelijk bevel ‘naast zich neer kan leggen’, is onaanvaardbaar, reeds omdat het in feite de kracht aan het rechterlijk bevel zou ontnemen. Indien blijkt dat aan de eisen onder (i) en (ii) geformuleerd niet is voldaan, leidt dat tot de conclusie dat het COA misbruik van bevoegdheid heeft gemaakt.
4.14.
Het COA heeft aan de op non-actiefstelling van 1 april 2012 – kort gezegd – twee redenen ten grondslag gelegd: a) werkhervatting door [gedaagde] zou tot grote onrust onder het personeel leiden en b) het vertrouwen in de integriteit van [gedaagde] was, gelet op de bevindingen van Hoffmann, komen te ontbreken.
4.15.
Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat aan deze op non-actiefstelling, anders dan aan het ontslag per 23 april 2012, niet ten grondslag is gelegd het verwijt dat [gedaagde] onjuiste mededelingen over haar salaris aan de raad van toezicht, het Ministerie en/of de pers heeft verstrekt. Deze in de media breed uitgemeten kwestie, waarop ook een groot deel van de processtukken betrekking heeft, kan in dit vonnis dus verder onbesproken blijven.
- (a)
onrust onder het personeel
4.16.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het hof van 23 december 2011 – de behandeling die voorafging aan het arrest – staat dat mr. Uhlenbroek het volgende heeft opgemerkt: “Als COA gedwongen wordt om vooruit te lopen op de uitkomst van het onderzoek [van de Commissie COA, rb] dan moet zij overgaan tot beëindiging van het contract met [gedaagde]. Het COA kan de rust in de organisatie anders niet bewaren. Dit onderzoek moet in alle objectiviteit en vrijheid tot stand komen. COA wil [gedaagde] helemaal niet ontslaan, maar als zij voor het einde van het onderzoek zou moeten terugkomen zou COA daartoe wel worden gedwongen.” Mr. Uhlenbroek heeft in de onderhavige procedure bevestigd deze bewoordingen ter zitting van het hof te hebben gebezigd en verder beklemtoond dat het COA in de procedure bij het hof niet heeft aangevoerd dat onrust onder het personeel aan opheffing van de op non-actiefstelling in de weg zou moeten staan.
4.17.
Volgens [gedaagde] is dit laatste niet juist en heeft het COA “onrust onder het personeel” steeds gebruikt als argument om de op non-actiefstelling te rechtvaardigen. In het midden kan blijven of het COA dit argument als (zelfstandig) verweer in de procedure bij het hof heeft gevoerd. Van doorslaggevend belang is dat het COA reeds ten tijde van de behandeling door het hof van de vordering van [gedaagde] tot wedertewerkstelling zelf de taxatie heeft gemaakt dat een terugkeer van [gedaagde] op de werkvloer tot grote onrust onder het personeel zou (kunnen) leiden. Dat na het arrest feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen (het COA wijst in dit verband op de bevindingen van bepaalde directieleden, de bevindingen van Bezemer en Kuiper, het standpunt van de ondernemingsraad en het conceptrapport van de Commissie COA) die bij terugkeer van [gedaagde] op de werkvloer tot nog méér onrust zou hebben geleid dan voordien al het geval zou zijn geweest, maakt die (grotere) onrust niet tot een nieuw feit waarmee het COA vóór het arrest geen rekening heeft gehouden of redelijkerwijs geen rekening heeft kunnen en hoeven houden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het COA misbruik van bevoegdheid maakt voor zover het de op non-actiefstelling per 1 april 2012 heeft doen gronden op te verwachten onrust onder het personeel bij wedertewerkstelling van [gedaagde].
4.18.
De stellingen die [gedaagde] heeft ingenomen ten aanzien van de bevindingen van de directieleden, Bezemer en Kuiper, de ondernemingsraad en de Commissie COA behoeven in het licht van het voorgaande geen bespreking meer.
- (b)
ontbreken van vertrouwen in de integriteit van [gedaagde]
4.19.
Het COA heeft de op non-actiefstelling van 1 april 2012 verder gegrond op het komen te ontbreken van het vertrouwen in de integriteit van [gedaagde]. Het COA heeft daarbij met name geput uit de bevindingen en conclusies van het rapport Hoffmann, die (samengevat) inhouden dat (i) [gedaagde] achteraf haar agenda heeft gewijzigd en daarin ondergeschikten heeft betrokken, (ii) privé gebruik heeft gemaakt van de dienstauto (ook in het weekend) en (iii) privé gebruik heeft gemaakt van de chauffeursdiensten. Hoffman was in februari 2012 ingeschakeld door het COA naar aanleiding van vragen van de Commissie COA over het gebruik van de dienstauto door [gedaagde]. Het COA heeft meer in het bijzonder betoogd dat enerzijds het rapport Hoffmann, en anderzijds de mededelingen van [gedaagde] omtrent het niet privé gebruiken van de dienstauto en de chauffeursdiensten, grond voor ernstige twijfel aan de integriteit van [gedaagde] gaven.
formele bezwaren [gedaagde] tegen rapport Hoffmann
4.20.
[gedaagde] heeft (als primair verweer) tegen het rapport Hoffmann aangevoerd dat dit niet mag worden meegewogen bij de beoordeling, nu het berust op een onderzoek dat niet als onafhankelijk en onpartijdig onderzoek kan hebben te gelden en de totstandkoming daarvan voorts in strijd komt met de elementaire rechtsbeginselen van hoor en wederhoor.
4.21.
Volgens [gedaagde] is Hoffmann niet onafhankelijk, nu het COA één van de grootste klanten is van een zustervennootschap van Hoffmann, Trigion. Het COA heeft dienaangaande onweersproken gesteld dat Hoffmann en het COA een mantelovereenkomst hebben gesloten waarin een bepaling is opgenomen die beoogt te waarborgen dat enige belangenverstrengeling wordt voorkomen. Dit staat dus vast. [gedaagde] heeft voorts geen feiten of omstandigheden gesteld die erop duiden dat Hoffmann deze bepaling niet in acht heeft genomen. Ook anderszins blijkt niet van belangenverstrengeling. Ook het gegeven dat [gedaagde], op het moment dat aan Hoffmann de opdracht tot dit onderzoek was verstrekt, daarvan niet op de hoogte is gesteld, maakt de totstandkoming van het onderzoek niet onrechtmatig. Het COA heeft [gedaagde] niet ingelicht, zo heeft het toegelicht, teneinde een onbelemmerde voortgang van het onderzoek te kunnen waarborgen. De rechtbank billijkt deze handelwijze.
4.22.
Tot slot heeft [gedaagde] (onbestreden) gesteld dat Hoffmann heeft verzuimd haar te horen alvorens haar bevindingen aan de Commissie COA ter beschikking te stellen. Als onweersproken staat ook vast dat [gedaagde] van Hoffmann geen gelegenheid heeft gekregen op de bevindingen te reageren, voordat deze bevindingen aan de Commissie COA ter beschikking werden gesteld. Dit is ook door Grant Thornton naar voren gebracht. Alhoewel de rechtbank op dit punt van oordeel is dat het, zeker gezien de aanloop van het conflict en de belastende inhoud van het rapport Hoffmann ten aanzien van de persoon van [gedaagde], beter was geweest indien [gedaagde] wél in de gelegenheid was gesteld om tijdig (lees: vóórdat de bevindingen naar de Commissie COA gingen) te reageren, brengt dit niet mee dat het rapport Hoffmann als zodanig niet als partijrapportage mag worden gebruikt in deze procedure. Vermelding verdient overigens nog het volgende. Het staat vast dat [gedaagde] nadien alsnog in de gelegenheid is gesteld om een mondelinge en/of schriftelijke reactie te geven op de bevindingen van Hoffmann. Ook staat vast dat de advocaat van [gedaagde] – na het commentaar dat zij reeds per e-mailbericht van 12 maart 2012 aan het COA kenbaar had gemaakt – gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid die haar is geboden om te reageren op de inhoud van het rapport. Dit is gebeurd door middel van het memorandum van 6 april 2012. Hoffmann heeft in dit memorandum geen aanleiding gezien om de inhoud van zijn rapport aan te passen. Wel is het memorandum als bijlage bij het rapport Hoffmann gevoegd.
gegronde twijfel aan integriteit?
4.23.
Volgens het COA heeft [gedaagde], nog voordat sprake was van de negatieve aandacht in de media voor het COA en de positie van haar, [gedaagde], meermalen – achteraf gezien bezijden de waarheid – verklaard dat zij de dienstauto niet voor privédoeleinden heeft gebruikt, onder meer in februari 2011 tegenover de toenmalige vice-voorzitter van de raad van toezicht, in maart 2011 tegenover mr. I. van Berkel (advocaat van het COA, via [C]), op 21 april 2011 tegenover de raad van toezicht en op 10 mei 2011 tegenover de waarnemend directeur Vreemdelingzaken en de directeur PRIO. Het COA heeft gemotiveerd gesteld dat [gedaagde] (i) (meermalen) tegenover de Minister, de raad van toezicht en de pers (in strijd met de waarheid) heeft verklaard de dienstauto niet privé te gebruiken, (ii) heeft verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte,
- (iii)
bij dat verhullen ondergeschikten heeft betrokken, (iv) zonder toestemming van het COA gebruik heeft gemaakt van de chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden, en (v) onjuiste informatie aan de pers heeft verstrekt over het gebruik van chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden.
4.24.
[gedaagde] heeft daartegen het volgende aangevoerd. Zij heeft het privégebruik van de dienstauto nooit ontkend. Zij had daartoe ook geen reden, omdat zij op grond van haar arbeidsvoorwaarden gerechtigd was tot het privégebruik. De Minister en zijn ambtenaren en ook de raad van toezicht wisten dat zij de dienstauto privé gebruikte. De informatie die in september 2011 aan de NOS is verstrekt, te weten dat zij de auto niet privé reed, is in overleg met het departement naar buiten gebracht, gelet op het toen al bestaande voornemen tot het schrappen van de compensatie voor de fiscale bijtelling, waardoor haar salaris beter binnen de Balkenendenorm kon worden gepast. Deze informatie zag niet op privégebruik van de auto in het verleden. De bevindingen van Hoffmann, waaronder begrepen de inhoud van de verklaringen van [secretaresse] en [chauffeur], zijn niet juist. [gedaagde] heeft [secretaresse] en/of [chauffeur] niet de opdracht gegeven tot het achteraf invoeren van fake afspraken in haar digitale agenda en zij was ook niet op de hoogte van het invoeren van deze fake afspraken. De werkbezoeken zijn verzonnen door [secretaresse], al dan niet met medewerking van [chauffeur]. [chauffeur] heeft onder druk van het COA, zijn werkgever, en uit angst voor [chauffeur]verlies, zijn medewerking verleend aan het onderzoek door een valse verklaring af te leggen. Dit wordt bevestigd door het gegeven dat [chauffeur] tijdens zijn tweede bezoek aan [gedaagde], vlak na haar op non-actiefstelling, zei: “als ik aan alles medewerking verleen, dan kan ik mijn baan houden bij het COA”. Het klopt op zichzelf wel dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van de chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden, maar zij had daarvoor toestemming van het COA zolang het om gebruik doordeweeks ging.
4.25.
Het COA heeft hiertegenover gesteld dat [gedaagde] nimmer toestemming had om gebruik te maken van de chauffeursdiensten voor privéritten. Verder heeft het COA beklemtoond dat het [gedaagde] niet verwijt dat zij privé gebruik heeft gemaakt van de dienstauto, doch wel dat zij tegenover diverse personen en instanties heeft verklaard dat zij van de dienstauto juist géén gebruik maakte.
4.26.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de feiten en omstandigheden die het COA ten grondslag legt aan zijn ernstige twijfel aan de integriteit van [gedaagde] en vervolgens aan de op non-actiefstelling, vóór het arrest niet aan het COA bekend waren en hem ook niet redelijkerwijs bekend behoefden te zijn. Dit brengt mee dat die feiten en omstandigheden als zodanig ook kunnen worden betrokken bij de beoordeling van de vervolgvraag, namelijk of het komen te ontbreken van het vertrouwen van het COA in de integriteit van [gedaagde], gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, een hernieuwde op non-actiefstelling rechtvaardigden (en daarmee ook een verlenging daarvan).
4.27.
De rechtbank stelt voorts vast dat [gedaagde] de stellingen van het COA, zoals opgenomen in onderdeel 4.23 onder (i), (ii) en (iii), voldoende gemotiveerd heeft betwist. Ten aanzien van stelling (iv) heeft [gedaagde] erkend dat zij gebruikmaakte van de chauffeursdiensten, maar zij stelt zich op het standpunt dat zij toestemming had van het COA tot gebruik van de chauffeursdiensten voor privéritten doordeweeks. Het COA heeft vervolgens de door [gedaagde] gestelde toestemming tot gebruik van de chauffeursdiensten voor privéritten betwist. Ten aanzien van stelling (v) heeft [gedaagde] zich niet concreet uitgesproken.
4.28.
Op het COA rust de bewijslast van de onder 4.23 vermelde stellingen, nu enerzijds het COA deze stellingen als feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd aan de maatregel van op non-actiefstelling en het COA zich op de rechtsgevolgen van deze op non-actiefstelling beroept en anderzijds [gedaagde] de juistheid van die stellingen heeft betwist. De rechtbank zal het COA toelaten tot het leveren van bewijs dat – na het arrest, maar vóór de op non-actiefstelling per 1 april 2012 – sprake was van feiten en omstandigheden van zodanige aard dat het COA met recht zijn vertrouwen in de integriteit van [gedaagde] heeft verloren. De bewijslevering dient zich toe te spitsen op de volgende stellingen: (i) [gedaagde] heeft (meermalen) tegenover de Minister en de raad van toezicht (in strijd met de waarheid) verklaard de dienstauto niet privé te gebruiken, (ii) [gedaagde] heeft ook anderszins verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte, (iii) [gedaagde] heeft bij dat verhullen ondergeschikten betrokken en (iv) [gedaagde] heeft (zonder toestemming van het COA) gebruikgemaakt van de chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden. De bewijslevering dient er (aldus) mede toe om de juistheid van de door Hoffmann weergegeven verklaringen van [secretaresse] en [chauffeur] te onderzoeken en om de omvang van het privégebruik van de dienstauto en het gebruik van chauffeursdiensten voor privéritten vast te stellen.
4.29.
[gedaagde] wordt toegelaten tot het leveren van bewijs van de door haar gestelde toestemming van het COA voor het gebruik van chauffeursdiensten voor privéritten doordeweeks alsmede van feiten en omstandigheden die een rechtvaardiging kunnen opleveren voor (i) (bij gebreke van zulke toestemming) het gebruik van de chauffeursdiensten en (ii) de aan de NOS verstrekte informatie over het gebruik van de chauffeursdiensten.
4.30.
In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing van de rechtbank op de vorderingen van het COA en [gedaagde] aangehouden, met uitzondering van de hierna onder 4.32 volgende beslissing.
4.31.
Uit hetgeen in 4.28 en 4.29 is vermeld volgt dat aan elk van partijen bewijsopdrachten worden gegeven. Uiteraard krijgt iedere partij de mogelijkheid om (te zijner tijd) tegenbewijs te leveren ter zake van de bewijsthema’s die onderwerp vormen van de aan de andere partij gegeven bewijsopdracht. De rechtbank geeft de advocaten van partijen in overweging om zich met elkaar te verstaan in het belang van een zo doelmatig mogelijke verdere procesvoering. Zo zal het praktisch zijn om getuigen die ten aanzien van verschillende bewijsthema’s kunnen worden gehoord – in het kader van de bewijsopdracht aan de ene en aan de andere partij, en in een eventueel tegenverhoor –, slechts eenmaal voor te brengen, en hen dan te doen horen in elke processuele context die hier aan de orde kan komen.
4.32.
[gedaagde] heeft, op de voet van artikel 843a Rv, openlegging gevorderd van de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de vaststellingsovereenkomst tussen het COA en de heer [B] van 12 juli 2012. Aan toewijzing van de vordering staat (reeds) in de weg dat de gevorderde bescheiden geen verband houden met een rechtsbetrekking waarbij [gedaagde] partij is, zoals is vereist in artikel 843a lid 1 Rv.
proces-verbaal van de comparitie
4.33.
Dit vonnis is gewezen met inachtneming van alle opmerkingen van partijen bij het proces-verbaal van de comparitie. Weliswaar heeft mr. Verbeek de rechtbank verzocht om bepaalde opmerkingen van mr. Uhlenbroek buiten beschouwing te laten omdat deze hiermee de behandeling ter zitting zou trachten te heropenen, hetgeen strijd zou opleveren met het beginsel van hoor en wederhoor, doch op dit verzoek hoeft niet te worden beslist nu de zaak niet tot een andere (tussen)uitkomst leidt ingeval bedoelde opmerkingen buiten beschouwing worden gelaten.
parallelle procedure bij de kantonrechter
4.34.
Uit de processtukken blijkt dat, parallel aan deze procedure, bij de kantonrechter van deze rechtbank tussen partijen een andere civiele procedure aanhangig is, over – kort gezegd – de vraag of het aan [gedaagde] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is. De gedingstukken uit die procedure zijn in deze procedure overgelegd. Tijdens de comparitie op 22 april 2013 heeft de rechtbank aan partijen een vraag voorgelegd over de mogelijkheid van tegenstrijdige beslissingen in de beide vonnissen over dezelfde of nauw aan elkaar verwante kwesties. Partijen hebben, desgevraagd, geen suggesties gedaan die behulpzaam kunnen zijn om die mogelijkheid te vermijden of te verkleinen. Omdat de rechtbank de mogelijkheid van tegenstrijdige beslissingen – in vonnissen van dezelfde rechtbank tussen dezelfde partijen en over nagenoeg dezelfde kwesties – hoogst ongewenst acht, hebben de leden van de meervoudige kamer binnen dit kader over enkele aspecten van beide zaken overlegd met de kantonrechter, onder meer over het (gelijktijdige) tijdstip waarop de uitspraken worden gedaan. Dit overleg heeft er ook toe geleid dat de getuigenverhoren gelijktijdig zullen plaatsvinden, ten overstaan van zowel het hierna te noemen lid van de meervoudige kamer als de kantonrechter.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
laat het COA toe bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het COA met recht zijn vertrouwen in de integriteit van [gedaagde] heeft verloren, waarbij de bewijslevering zich dient toe te spitsen op de volgende stellingen:
- (i)
[gedaagde] heeft (meermalen) tegenover de Minister en de raad van toezicht (in strijd met de waarheid) verklaard de dienstauto niet privé te gebruiken,
- (ii)
[gedaagde] heeft ook anderszins verhuld dat zij de dienstauto ook voor privédoeleinden gebruikte,
- (iii)
[gedaagde] heeft bij dat verhullen ondergeschikten betrokken en
- (iv)
[gedaagde] heeft (zonder toestemming van het COA) gebruikgemaakt van de chauffeursdiensten van het COA voor privédoeleinden;
5.2.
laat [gedaagde] toe bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het COA haar toestemming heeft gegeven voor het gebruik van chauffeursdiensten voor privéritten doordeweeks en van feiten en omstandigheden die een rechtvaardiging kunnen opleveren voor (i) (bij gebreke van deze toestemming) het gebruik van de chauffeursdiensten, (ii) de aan de NOS verstrekte informatie over het gebruik van de chauffeursdiensten;
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 juli 2013 voor akte na tussenvonnis aan de zijden van het COA en van [gedaagde], waarbij zij kenbaar zullen maken of zij het bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;
5.4.
bepaalt dat het COA en [gedaagde], indien zij getuigen willen laten horen, in diezelfde akten de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de periode van 15 juli tot en met 15 oktober 2013 moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van
mr. J.W. Bockwinkel als rechter-commissaris in het paleis van justitie te Den Haag aan Prins Clauslaan 60;
5.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen, telkens voor zover het de aan de desbetreffende partij gegeven bewijsopdracht betreft;
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. H.F.M. Hofhuis, J.W. Bockwinkel, M.J. van Cleef-Metsaars en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.