Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.2.8.5:5.2.8.5 De pragmatische reden voor voorrang
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/5.2.8.5
5.2.8.5 De pragmatische reden voor voorrang
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS584050:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 407. Een vergelijkbare overweging is te vinden in Parl. Gesch. Boek 3, p. 889.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
189. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt wat de wetgever bij art. 3:292 BW nog meer voor ogen heeft gestaan:
“De bedoeling van dit laatste is de impasse te doorbreken die in het huidige recht kan ontstaan, doordat de retentor bij gebreke van een voorrang niet wil executeren en de andere schuldeisers dat evenmin willen, omdat zij de zaak niet in handen kunnen krijgen zonder eerst de wellicht aanzienlijke vordering van de retentor te voldoen.”1
Het verlenen van voorrang aan de vordering van de retentor zou hem idealiter aanmoedigen zich sneller te verhalen op de zaak en zo de patstelling die hij zelf veroorzaakt weer op te heffen. Die gedachtegang is op zichzelf goed te volgen. Als de retentor geen voorrang zou hebben, zou hij geen enkele reden hebben om de zaak uit handen te geven door middel van verhaal op de zaak. Maar dat neemt niet weg dat de gedachtegang getuigt van wensdenken. In de praktijk is het immers voor de retentor – ook al heeft hij voorrang – veelal makkelijker om gewoonweg de feitelijke macht te blijven uitoefenen en te wachten tot iemand zijn vordering voldoet. Hij moet alleen blijven zorgen voor voldoende kenbaarheid van de feitelijke macht. Als de schuldenaar – of bijvoorbeeld een executerende hypotheekhouder – maar voldoende belang heeft bij het herkrijgen van de feitelijke macht, zal hij op een gegeven moment in onderhandeling met de retentor moeten treden en tegemoetkomen aan diens wensen. De retentor hoeft zich dan niet te bekommeren om het leggen van beslag, het verkrijgen van een executoriale titel en het (doen) organiseren van een openbare veiling. De retentor hoeft niet te vrezen voor verval van zijn recht door zuivering als gevolg van executie door een andere schuldeiser, want dat speelt niet bij retentierecht. Het pragmatische motief zou pas echt gediend zijn, wanneer het recht van de retentor dat tegen een andere beslaglegger kan worden ingeroepen (en aldus ingevolge art. 3:292 BW voorrang boven laatstgenoemde heeft), van rechtswege zou vervallen zoals ik in paragraaf 5.2.7.2 in navolging van Van Hees heb bepleit. Dan wordt het doel bereikt dat de wetgever kennelijk voor ogen heeft gestaan, namelijk verhaal door de retentor (weliswaar niet door middel van beslag, maar van rechtswege) en opheffing van de patstelling die door hem wordt veroorzaakt.