Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.7.3
10.7.3 De nieuwe EEX-Vo en het voorstel Europees bankbeslag
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495781:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Inwerkingtreding op de 20e dag na publicatie (PbEU 12 december 2012, L351/1). Met uitzondering van de artikelen 75 en 76 welke van toepassing zijn met ingang van 10 januari 2014.
Hof van Justitie EG, 21 mei 1980, nr. C125/79 (Denilauler/Couchet). Dit geldt tevens voor andere belanghebbende uitspraken zoals Hof van Justitie EG, 17 november 1998, nr. C-391/95 (Van Uden/Deco-line) inzake de uitleg van artikel 24 EEX-Verdrag: de kort geding rechter is bevoegd, ook indien reeds een bodemprocedure aanhangig is of kan worden gemaakt en ongeacht of deze procedure voor arbiters wordt gevoerd, waarbij is vereist een reele band tussen het voorwerp van de gevraagde maatregelen en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter.
In de nieuwe EEX-Vo (Brussel-Ibis-Vo), welke van toepassing wordt met ingang van 10 januari 2015,1 zijn voor voorlopige en bewarende (exparte) maatregelen als conservatoir beslag twee artikelen van belang. Het eerste betreft artikel 2a) EEX-Ibis-Vo, dat betrekking heeft op de definitie van een ‘beslissing’: hieronder wordt in de Verordening verstaan:
‘elke door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling van het bedrag van de proceskosten door de griffier.’
‘Voor de toepassing van hoofdstuk III (erkenning en tenuitvoerlegging: MM) omvat het begrip ‘beslissing’ voorlopige en bewarende maatregelen die zijn gelast door een gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Het omvat niet (curs. MM) een voorlopige of bewarende maatregel die door een dergelijk gerecht wordt bevolen, zonder dat de verweerder is opgeroepen te verschijnen, tenzij de beslissing die de maatregel bevat voor de tenuitvoerlegging aan de verweerder is betekend.’
Een ex-parte verleend verlof tot het leggen van een conservatoir beslag dat niet tevoren aan de beoogd beslagene is betekend, valt dus niet onder de definitie van een ‘beslissing’. Praktisch gesproken betekent dit dat het verrassingseffect van ex-parte verloven, welke zijn afgegeven in een andere lidstaat dan die waar het verlof ten uitvoer moet worden gelegd, teniet gaat doordat als voorwaarde voor erkenning en tenuitvoerlegging wordt gesteld dat het verlof eerst aan de beoogd beslagene dient te worden betekend. Daarom is niet te verwachten dat deze weg in de praktijk zal worden bewandeld.
Het tweede voor voorlopige en bewarende (ex-parte) maatregelen als conservatoir beslag van belang zijnde artikel betreft artikel 35 EEX-Ibis-Vo, dat is opgenomen in afdeling 10 inzake voorlopige en bewarende maatregelen. Het artikel luidt als volgt:
‘In de wetgeving van een lidstaat vastgestelde voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de gerechten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen.’
Deze bepaling bevestigt het territorialiteitsbeginsel, voor zover het recht in de lidstaat waar het verlof wordt gevraagd slechts bevoegdheid verleent om voor vermogensbestanddelen in die lidstaat een beslagverlof af te geven. De verzoeker kan dus in de lidstaat waar een voorlopige of bewarende maatregel (die dus ook ex-parte kan zijn, en niet vooraf aan de beoogd beslagene behoeft te worden betekend, nu artikel 35 niet onder hoofdstuk III valt, waardoor het tweede deel van artikel 2a) niet van toepassing is) op grond van de wetgeving van die lidstaat kan worden afgegeven, verlof vragen. Ook al is een rechter in een andere lidstaat bevoegd om kennis te nemen van de vordering in de hoofdzaak.
In hoeverre de EEX-Ibis-Vo invloed zal uitoefenen op het voorstel Europees bankbeslag is op dit moment niet te zeggen. Het ligt desalniettemin in de rede dat de lidstaten ook ten aanzien van de automatische tenuitvoerlegging van een EAPO een kritische houding zullen aannemen. De lidstaten hebben er in ieder geval met betrekking tot de EEX-Vo voor gekozen vooralsnog het territorialiteitsbeginsel met betrekking tot exparte verleende verloven tot het leggen van conservatoir beslag niet op te geven.
Tenslotte is van belang onderdeel (34) in de considerans van de EEX-Ibis-Vo, waarin is opgenomen dat de continuïteit van het Verdrag van Brussel van 1968, Verordening (EG) nr. 44/2001 en Brussel-Ibis-Vo gewaarborgd moet worden. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie EU van het Verdrag van Brussel 1968 en de Verordeningen ter vervanging ervan. Dit betekent dat voor de erkenning en tenuitvoerlegging van ex-parte beslagverloven van belang zijnde uitspraken van het Hof van Justitie EU, zoals de eerder besproken zaak Denilauler, hun werking behouden.2