Hof Arnhem-Leeuwarden, 02-09-2014, nr. 200.106.205
ECLI:NL:GHARL:2014:6776
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
02-09-2014
- Zaaknummer
200.106.205
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2014:6776, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 02‑09‑2014; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2013:9414, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 10‑12‑2013; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2013:4326, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 18‑06‑2013; (Hoger beroep)
Uitspraak 02‑09‑2014
Inhoudsindicatie
Gelet op gebruik in de sector (2.9) en vooral omstandigheid dat verkoop van een vleeskalverbedrijf(locatie) zonder de bijbehorende toeslagrechten leidt tot een lagere koopprijs en dat de ontkoppeling niet heeft geleid tot een meerwaarde voor een dergelijk(e) bedrijf(slocatie) (2.8) brengen eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) mee dat verkoper de hem toegekende toeslagrechten om niet aan de koper dient over te dragen. Afdoening op grond van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) leidt tot zelfde uitkomst. Matiging van contractuele boete.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.106.205
(zaaknummer rechtbank Arnhem 218493)
arrest van de tweede civiele kamer van 2 september 2014
in de zaak van
[appellant sub 1] en [appellante sub 2],
beiden wonende te [woonplaats appellanten],
appellanten,
hierna: [appellanten] (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. F.R.H. Kuiper,
tegen:
[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2],
beiden wonende te [woonplaats geïntimeerden],
geïntimeerden,
hierna: [geïntimeerden] (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. J.M.M. Kroon.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding tot aan de beide arresten van 18 juni 2013 en 10 december 2013 verwijst het hof naar die arresten.
1.2
Het vervolg van het geding blijkt uit:
■ proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van [appellanten];
■ de akte overlegging producties tevens akte uitlating van [appellanten];
■ de akte uitlating van [geïntimeerden];
■ proces-verbaal van getuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerden];
■ de memorie na enquête van [appellanten].
1.3
Vervolgens hebben partijen andermaal de dossiers overgelegd en heeft het hof andermaal arrest bepaald.
2. Voortgezette motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
Nadat het hof ingevolge het arrest van 18 juni 2013 met partijen had gecompareerd (bij welke gelegenheid [deskundige 1] en [deskundige 2] als deskundigen zijn gehoord), zijn ingevolge het arrest van 10 december 2013 getuigen gehoord met betrekking tot: (1) de vraag op welke wijze bij vergelijkbare transacties is gehandeld, dit met het oog op vaststelling van de verkeersopvattingen binnen de sector, en (2) de wijze van totstandkoming van de onderhavige transactie, in verband met de vraag welke omstandigheden in de koopovereenkomst zijn verdisconteerd. Bovendien zijn door partijen nieuwe stukken overgelegd.
2.2
Thans zal het hof nader beslissen op de grieven 4 (voor zover het betreft het beroep op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid) en 6, 7 en 8 (onvoorziene omstandigheden).
2.3
Gelet op wat de deskundige [deskundige 1] heeft verklaard, gaat het hof er vanuit dat ten tijde van de koopovereenkomst (28 januari 2008) voor goed geïnformeerde partijen voorzienbaar was dat de inkomenssteun zou worden ontkoppeld van het aantal afgeleverde kalveren, dat ook duidelijk was dat er in plaats van de slachtpremies toeslagrechten zouden komen, maar dat de vormgeving nog onzeker was, met name de keuze van de referentiejaren. Er was een “einddatum” bekend, namelijk 2012, maar er kon ook worden gekozen voor ontkoppeling op een eerder moment, wat uiteindelijk ook is gebeurd (2010). Naar het hof uit de verklaring van [deskundige 1] verder begrijpt, lag het voor personen met voldoende deskundigheid bovendien voor de hand dat met betrekking tot de ontkoppeling van de inkomenssteun voor vleeskalverbedrijven gekozen zou worden voor een langere referentieperiode dan één jaar, bijvoorbeeld twee of drie jaar.
2.4
De deskundige [deskundige 2] heeft vooral verklaard over de vraag of het voor [appellanten]– ervan uitgaande dat hij minder toeslagrechten had verkregen dan wanneer alle in de referentiejaren 2006, 2007 en 2008 op de door hem aangekochte bedrijfslocatie te [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie bij de toekenning aan hem van toeslagrechten zouden zijn meegeteld – voordelig zou zijn geweest om extra toeslagrechten aan te kopen. Naar het hof begrijpt zou dat voordelig geweest zijn vanaf het derde jaar na aankoop van deze extra rechten. [deskundige 2] heeft verder onder meer verklaard over de vermoedelijke inhoud van de voergeldovereenkomst waarbij [appellanten] partij is. Volgens haar pakt de overeenkomst nadelig uit voor [appellanten], maar zijn dit soort contracten wel gangbaar.
2.5
De getuige [getuige 1], hoofd INR en premies binnen de [bedrijf 1], heeft verklaard over de gang van zaken bij andere verkopen van vleeskalverbedrijven in de jaren 2010, 2011 en 2012. Bij de waardering van wat deze getuige heeft verklaard, moet worden bedacht dat veel verkooptransacties niet werkelijk vergelijkbaar zijn. Veel van de verkopers waarover [getuige 1] heeft verklaard, waren “stoppers”, dat wil zeggen vleeskalverhouders die hun bedrijf beëindigden. Deze stoppers hadden er geen belang bij om toeslagrechten op hun naam te krijgen, omdat zij die rechten toch niet zouden kunnen uitnutten. Dit is volgens [getuige 1] anders wat betreft de transacties [transactie 1], [transactie 2], [transactie 3], [transactie 4], [transactie 5] en [transactie 6]. Wat betreft de transactie [transactie 3] weet [getuige 1] niet of partijen wat zijn overeengekomen met betrekking tot toeslagrechten, en zo ja wat daarvan de inhoud is. Met betrekking tot de resterende transacties volgt uit zijn verklaring en de door hem overgelegde stukken kort samengevat het volgende:
■ [transactie 1]: koopovereenkomst van januari 2011; verkoper werkt mee aan overdracht van toeslagrechten in de jaren 2006, 2007 en 2008; daaraan zal een waarde worden toegekend die in mindering strekt op de waarde van de bedrijfsgebouwen; de totale koopsom wordt er niet door beïnvloed (artikel 9 koopakte; akte slechts zeer gedeeltelijk overgelegd).
■ [transactie 2]: koopovereenkomst van 10 april 2010; de toeslagrechten gaan op koper over (artikel 14 koopakte); in de opsplitsing van de koopsom (voorafgaand aan artikel 1) is aan de toeslagrechten geen waarde toegekend.
■ [transactie 4]: koopovereenkomst van oktober 2009; alle tot het verkochte behorende slachtpremies c.q. EU-toeslagrechten welke in het verleden (de referentiejaren) op het bedrijf zijn opgebouwd, zullen op de koper overgaan (artikel 21 koopakte); in de opsplitsing van de koopsom (artikel 22) is aan de toeslagrechten geen waarde toegekend.
■ [transactie 5]: koopovereenkomst van 4 oktober 2011; in de opsplitsing van de koopsom komt een bedrag van € 40.000 voor toeslagrechten voor; volgens [getuige 1] kan dit een fiscale achtergrond hebben (besparing van overdrachtsbelasting).
■ [transactie 6]: koopovereenkomst van 12 mei 2006; achteraf zijn met medewerking van verkoper de referentiegegevens met betrekking tot het overgedragen bedrijfsgedeelte overgeschreven op naam van koper; [getuige 1] is ervan overtuigd dat hij het zou hebben gehoord als verkoper voor zijn medewerking betaling zou hebben verkregen.
Naar aanleiding van de vraag of de getuige transacties kent waarbij “het anders is gegaan”, heeft de getuige verklaard over de transactie [transactie 7], waarvan de transportakte van 26 september 2007 is. In dat geval waren partijen overeengekomen dat er geen premierechten, maïspremies, toeslagrechten of (mest)productierechten in de koop waren inbegrepen (artikel 7). Volgens [getuige 1] is vervolgens voor het overschrijven van toeslagrechten betaald en wel 50% van de uitbetaalde waarde over een periode [getuige 3] jaar. Daarop heeft de advocaat van [geïntimeerden] de desbetreffende overeenkomst overgelegd, waaruit volgt dat de koopsom 75% bedroeg van de ontvangen waarde.
2.6
De getuige [getuige 2], notaris, heeft niets kunnen verklaren wat voor de beslissing van de zaak van belang is.
2.7
De getuige [getuige 3], makelaar, was destijds in opdracht van [appellanten] betrokken bij de koopovereenkomst tussen partijen. Volgens de getuige is er bij de voorbereiding van de koopovereenkomst met geen woord gerept over toeslagrechten, noch in de besprekingen met [geïntimeerden] noch in het contact met [appellanten]. Volgens [getuige 3] is de achtergrond van artikel 20 van de koopovereenkomst (volgens welke in het verkochte geen EU-toeslagrechten begrepen waren) dat er destijds al wel toeslagrechten waren maar geen toeslagrechten die voor vleeskalverbedrijven van belang zijn; er waren slechts slachtpremies. [getuige 3] en zijn kantoor waren er destijds niet mee bekend dat er ook voor vleeskalverbedrijven toeslagrechten zouden (kunnen) komen; die bekendheid bestond volgens de getuige ook niet “vanuit de branchevereniging”. [getuige 3] heeft wat betreft de transactie [transactie 6] verklaard dat de toeslagrechten “zodra dat kon” om niet door [transactie 6] zijn overgedragen. Volgens de getuige heeft een bedrijf zonder toeslagrechten weliswaar een lagere waarde en wordt om fiscale redenen aan het toeslagrecht een waarde toegekend, maar wil dit niet zeggen dat het complex van het over te dragen bedrijf meerwaarde krijgt als gevolg van de ontkoppeling. Als je een bedrijf zou kopen zonder toeslagrechten vertaalt dat zich volgens [getuige 3] onherroepelijk in een veel ongunstiger contract met de integratie, zoals de [bedrijf 1].
2.8
De getuige [getuige 4], agrarisch makelaar, heeft verklaard over de transactie [transactie 7]. Volgens zijn verklaring is tussen partijen uitdrukkelijk aan de orde geweest of toeslagrechten over zouden gaan op de koper en is afgesproken dat de verkoper alle rechten zelf zou aanhouden. Uiteindelijk zijn toch toeslagrechten overgedragen, tegen betaling van 75% van de waarde. Volgens [getuige 4] was er in 2005 en 2006 al voortdurend sprake van de aankomende ontkoppeling in agrarische tijdschriften en via bijscholing. Aan de getuige is verder onder meer ook gevraagd wat een koper te doen stond als hij geen toeslagrechten had. Daarop heeft [getuige 4] geantwoord dat het voorkomt dat er bedrijven worden verkocht zonder toeslagrechten, maar dat dit dan leidt tot een bijstelling van de koopprijs.
2.9
Op grond van deze getuigenverklaringen en stukken stelt het hof vast dat van een gebruik in de sector slechts in beperkte zin is gebleken; het aantal gevallen dat zich goed laat vergelijken met dat van partijen is daarvoor te gering. Niet alleen zijn er maar betrekkelijk weinig transacties waarbij de verkoper geen “stopper” is, maar ook zijn bijna alle transacties waarover de getuigen hebben verklaard, duidelijk later in de tijd (2009 en later, in plaats van begin 2008). Wel wijzen alle relevante transacties waarover door de getuigen is verklaard meer in de richting van het gelijk van [appellanten] dan in dat van [geïntimeerden]. Alleen wat betreft de transactie [transactie 7] is door de koper van de bedrijfslocatie extra voor de toeslagrechten betaald, maar dat betrof een geval waarin geen premierechten, toeslagrechten, of (mest)productierechten in de koop waren inbegrepen. Weliswaar is ook in de koopovereenkomst tussen partijen een beding op genomen volgens welke geen EU-toeslagrechten waren inbegrepen (artikel 20), maar het beding in de transactie [transactie 7] ging veel verder. Ook de wel ten tijde van de koopovereenkomst met betrekking tot vleeskalverbedrijven bestaande mestproductierechten bleven immers buiten de koop, hetgeen aannemelijk maakt dat [transactie 7] de bedoeling hadden om uitsluitend de fysieke productiemiddelen te verkopen respectievelijk kopen.
2.10
Verder blijkt zowel uit de verklaring van [getuige 3] als die van [getuige 4] dat verkoop van een vleeskalverbedrijf(locatie) zonder de bijbehorende toeslagrechten leidt tot een lagere koopprijs en dat de ontkoppeling niet heeft geleid tot een meerwaarde voor een dergelijk(e) bedrijf(slocatie). Dat weegt voor het hof zwaar. Door [geïntimeerden] is niet aangevoerd, in ieder geval niet voldoende gemotiveerd, dat partijen door middel van een lagere koopprijs in hun overeenkomst hebben verdisconteerd dat de (ten tijde van de koopovereenkomst nog toekomstige) toeslagrechten niet aan [appellanten] als koper zouden toekomen. Het komt dus erop neer dat [geïntimeerden] een meerwaarde heeft willen realiseren die voor verkopers onder overigens vergelijkbare omstandigheden niet alleen niet bestond onder het voorheen bestaande stelsel van slachtpremies, maar ook niet thans na de inwerkingtreding van het huidige stelsel van toeslagrechten. [geïntimeerden] zou de bedoelde meerwaarde dus realiseren dankzij de toevallige omstandigheid dat hij de bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] heeft verkocht in een overgangsperiode tussen de beide stelsels. Tegenover die door hem gerealiseerde meerwaarde staat bovendien een nadeel voor [appellanten]. Dat nadeel zou deze niet hebben geleden indien hij voorafgaand aan de referentiejaren zou hebben gekocht en evenmin wanneer hij na de inwerkingtreding van het huidige stelsel zou hebben gekocht.
2.11
Gelet op hetgeen onder 2.9 en 2.10 is overwogen brachten en brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid mee dat Henriks de aan hem toegekende toeslagrechten, voor zover die hem werden toegekend op grond van op de aan [appellanten] verkochte bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie in de referentiejaren, aan [appellanten] overdraagt en wel om niet.
2.12
Voor het hof is hiervoor een bijkomend argument dat [geïntimeerden] de extra toeslagrechten die hij dankzij “[plaats bedrijfslocatie]” op zijn naam heeft gekregen, oorspronkelijk op de locatie De Klomp niet kon benutten, maar dat hij daartoe extra grond heeft moeten pachten (proces-verbaal comparitie van partijen en proces-verbaal getuigenverhoor 20 december 2013, blad 2). Het is dus niet zo dat de wettelijke regeling met betrekking tot de toeslagrechten [geïntimeerden] zonder meer een voordeel in de schoot wierp; hij heeft de inrichting van zijn (resterende) bedrijf moeten wijzigen om dat voordeel te behalen. Dat had te meer aanleiding voor hem moeten zijn om zich af te vragen of dat voordeel hem in redelijkheid toekwam en hoe het door hem te behalen voordeel zich verhield tot door [appellanten] opgelopen nadeel.
2.13
Aan het voorgaande doet niet af dat partijen in de gevolgen van de ten tijde van de koopovereenkomst nog toekomstige systeemwijziging hadden kunnen voorzien en evenmin dat een voldoende zorgvuldig handelend adviseur van [appellanten] daarop mogelijk ook zou hebben aangestuurd. Vaststaat dat partijen in die systeemwijziging niet hebben voorzien. Dat betekent dat de koopovereenkomst op dit punt een leemte liet, die werd en wordt opgevuld door wat de eisen van redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden meebrengen (art. 6:248 lid 1 Burgerlijk Wetboek).
2.14
Aan het voorgaande doet ook niet af dat [appellanten] het door hem opgelopen nadeel eventueel had kunnen beperken door toeslagrechten aan te kopen. Hij behoefde dat niet te doen omdat hij zich terecht op het standpunt kon stellen dat [geïntimeerden] diende mee te werken aan overschrijving van de aan deze toegekende toeslagrechten (voor zover die hem waren toegekend op grond van op de aan [appellanten] verkochte bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie in de referentiejaren).
2.15
In zoverre slaagt dus grief 4. Dat leidt tot toewijzing van de vordering van [appellanten] tot veroordeling van [geïntimeerden] tot overschrijving van de aan hem toegekende toeslagrechten voor zover gebaseerd op verkregen slachtpremies in de jaren 2006, 2007 en 2008, voor zover die premies zijn toegekend naar aanleiding van op de bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie. Aan die veroordeling zal het hof een dwangsom verbinden, maar voor een lager bedrag per dag en met een lager maximum dan door [appellanten] gevorderd. Ook toewijsbaar is de vordering tot veroordeling van [geïntimeerden] om aan [appellanten] te voldoen de bedragen die hij op grond van de bedoelde toeslagrechten tot nu toe heeft ontvangen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van de overheid aan [geïntimeerden]. Wat betreft het ingangsmoment van de wettelijke rente verwijst het hof naar artikel 6:83 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek.
2.16
Niet toewijsbaar is de door [appellanten] gevorderde veroordeling tot betaling van de contractuele boete. Door [geïntimeerden] is een beroep gedaan op matiging (conclusie van antwoord, blad 15, conclusie onder 4). Voor matiging bestaat inderdaad alle grond. Het gaat hier om de niet-nakoming van een gedeelte van de koopovereenkomst waarover tussen partijen onduidelijkheid bestond. Die onduidelijkheid komt in dit verband (dus wat betreft de contractuele boete) niet voor rekening van [geïntimeerden]; integendeel komt in dit verband wél betekenis toe aan de omstandigheid dat partijen in de gevolgen van de ten tijde van de koopovereenkomst nog toekomstige systeemwijziging hadden kunnen voorzien en dat een goed ingevoerde adviseur van [appellanten] daarop ook zou hebben aangestuurd. In verband daarmee eist de billijkheid klaarblijkelijk de matiging van de contractuele boete tot nihil.
2.17
Ten overvloede overweegt het hof nader als volgt. Indien het hof over grief 4 anders zou hebben geoordeeld, zouden slagen de grieven 6, 7 en 8, omdat dan sprake is van onvoorziene omstandigheden van dien aard dat [geïntimeerden] geen ongewijzigde instandhouding van de koopovereenkomst mag verwachten. In dat geval moet de overeenkomst aldus worden gewijzigd dat [geïntimeerden] alsnog verplicht is tot overdracht van de aan deze toegekende toeslagrechten voor zover die hem werden toegekend op grond van op de aan [appellanten] verkochte bedrijfslocatie [plaats bedrijfslocatie] gerealiseerde productie in de referentiejaren en daarnaast ook tot afdracht aan [appellanten] van de door [geïntimeerden] op basis van de bedoelde toeslagrechten ontvangen bedragen (het hof komt in zoverre terug van hetgeen het bij het tussenarrest van 18 juni 2013 onder 4.14 had overwogen). Deze uitkomst komt dus overeen met de uitkomst waartoe het gedeeltelijk slagen van grief 4 leidt. In dit verband beschouwt het hof de onvoorziene omstandigheden als zodanig klemmend dat de bedoelde wijziging van het overeengekomene geboden is, ondanks de in beginsel bij de toepassing van artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek te betrachten terughoudendheid. Die klemmendheid volgt met name uit hetgeen hiervoor onder 2.10 is overwogen.
2.18
De slotsom is dat het vonnis van 1 februari 2012 niet in stand kan blijven. Opnieuw rechtdoende zal het hof de primaire vordering van [appellanten] (gemodereerd) toewijzen, met uitzondering van zijn vordering met betrekking tot de contractuele boete.
Het hof zal [geïntimeerden] veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep. De aan de zijde van [appellanten] gevallen kosten zal het hof wat betreft de eerste aanleg begroten op € 103,91 voor explootkosten, € 260,— voor griffierecht en € 904,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten tarief II), en wat betreft het hoger beroep op € 104,64 voor explootkosten, € 291,— voor griffierecht en € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (het maximum [getuige 3] punten tarief II). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 1 februari 2012 en doet opnieuw recht;
veroordeelt [geïntimeerden] om binnen tien werkdagen na betekening van dit arrest mee te werken aan het overschrijven van de referentiejaren 2006, 2007 en 2008 op naam van [appellanten]/op het bedrijfsnummer van [appellanten], dan wel het om niet overdragen van toeslagrechten voor zover gebaseerd op de in de jaren 2006, 2007 en 2008 gerealiseerde productie op de locatie [plaats bedrijfslocatie], op straffe van een dwangsom van € 2.000,— per dag dat dit achterwege blijft, met een maximum van € 100.000,—;
veroordeelt [geïntimeerden] tot voldoening aan [appellanten] van de door hem ontvangen bedragen op grond van zijn toeslagrechten voor zover gebaseerd op de in de jaren 2006, 2007 en 2008 gerealiseerde productie op de locatie [plaats bedrijfslocatie], te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag der betaling door de overheid aan [geïntimeerden];
wijst af het meer of anders gevorderde;
veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep en begroot de tot de uitspraak van dit arrest aan de zijde van [appellanten] gevallen kosten wat betreft de eerste aanleg op € 103,91 voor explootkosten, € 260,— voor griffierecht en € 904,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, en wat betreft het hoger beroep op € 104,64 voor explootkosten, € 291,— voor griffierecht en € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
verklaart dit arrest wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.E. de Boer en Th.C.M. Willemse, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 september 2014.
Uitspraak 10‑12‑2013
Inhoudsindicatie
Bewijsopdracht in kader van aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden met betrekking tot (1) handelwijze bij vergelijkbare transacties met het oog op vaststelling van verkeersopvattingen binnen de sector en (2) de wijze van totstandkoming van onderhavige transactie.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.106.205
(zaaknummer rechtbank Arnhem 218493)
arrest van de tweede civiele kamer van 10 december 2013
in de zaak van
[appellant sub 1] en [appellante sub 2],
beiden wonende te [woonplaats appellanten],
appellanten,
hierna:[appellanten] (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. F.R.H. Kuiper,
tegen:
[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2],
beiden wonende te [woonplaats geïntimeerden],
geïntimeerden,
hierna: [geïntimeerden] (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. J.M.M. Kroon.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 18 juni 2013 verwijst het hof naar dat arrest.
1.2
Ingevolge het arrest van 18 juni 2013 heeft op 22 november 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal van die comparitie behoort tot de gedingstukken. Bij gelegenheid van de comparitiezitting zijn [deskundige 1] en [deskundige 2] gehoord als deskundigen.
1.3
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2. Voortgezette motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
Volgens hetgeen bij gelegenheid van de comparitie van partijen is besproken, wensen beide partijen dat het hof thans een bewijsopdracht zal geven, opdat getuigen kunnen worden gehoord met betrekking tot: (1) de vraag op welke wijze bij vergelijkbare transacties is gehandeld, dit met het oog op vaststelling van de verkeersopvattingen binnen de sector, en (2) de wijze van totstandkoming van de onderhavige transactie, naar het hof begrijpt in verband met de vraag welke omstandigheden in de koopovereenkomst zijn verdisconteerd. Zowel wat betreft de verkeersopvattingen binnen de sector als wat betreft de vraag wat in de koopovereenkomst was verdisconteerd, draagt[appellanten] op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bewijslast. Het hof zal het bedoelde bewijs dus aan hem opdragen.
2.2
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
laat[appellanten] toe tot het onder 2.1 bedoelde bewijs;
bepaalt dat het verhoor van de getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op 20 december 2013 vanaf 9.00 uur;
bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.E. de Boer en Th.C.M. Willemse, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 december 2013.
Uitspraak 18‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Verkoop vleeskalverbedrijf. Wijziging regelgeving (toeslagrechten in plaats van slachtpremies). Is de verkoper gehouden tot overschrijving van verkregen toeslagrechten? Geen non-conformiteit. Aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid? Geen dwaling. Onvoorziene omstandigheden. Geen onrechtmatige daad? Geen ongerechtvaardigde verrijking. Hof beveelt comparitie van partijen met betrekking tot feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het beroep op onvoorziene omstandigheden en wijdt aan die grondslag reeds enkele beschouwingen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof
(zaaknummer rechtbank Arnhem 218493)
arrest van de tweede civiele kamer van
in de zaak van
[appellant 1] en [appellant 2],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna: (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. F.R.H. Kuiper,
tegen:
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
hierna: (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. J.M.M. Kroon.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 28 september 2011 en 1 februari 2012, die de rechtbank Arnhem tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden heeft gewezen.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
■ de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 februari 2012;
■ de memorie van grieven;
■ de memorie van antwoord.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2.3
Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.
3. De vaststaande feiten
3.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het vonnis van 1 februari 2012. Die feiten zijn de volgende.
3.2
[appellanten] c.s. exploiteert een veehouderij en een agrarisch loonbedrijf aan de [adres] te [woonplaats], waar hij ook woont. [geïntimeerden] c.s. houdt een vleeskalverbedrijf aan de [adres] in[woonplaats] en hield vanaf omstreeks 2000 tot april 2008 een vleeskalverbedrijf aan de [adres] te [woonplaats]. Op dit laatste bedrijf hield hij ongeveer 500 kalveren.
3.3
In januari 2008 heeft [geïntimeerden] c.s. zijn bedrijf te [woonplaats] aan zijn buurman [appellanten] c.s. verkocht voor een koopsom van € 925.000,—. Bij de verkoop is [A] (hierna: [A]) van Drieklomp Makelaars en Rentmeesters als aankopend makelaar opgetreden voor [appellanten] c.s. De op 28 januari 2008 getekende koopovereenkomst omschrijft het verkochte als:
“het vleeskalverbedrijf bestaande uit bedrijfswoning, kalverstallen met stalinrichting, voerkeuken en technische installaties, overige opstallen, ondergrond, erf, tuin, toegangsweg en cultuurgrond, (…).”
3.4
Op 7 april 2008 hebben partijen een wijzigingsformulier aan de Dienst Regelingen een uitvoeringsorgaan van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie verzonden. Op dit formulier is aangekruist:
“Het bedrijf is geheel overgedragen aan een andere relatie.”
Verderop is bij de vraag of bij de overdracht ook een locatie is overgedragen ingevuld:
“ja, [nummer], Locatie [adres], [woonplaats].”
Bij de opmerkingen is vermeld dat de runderen van het aangekochte bedrijf op het UBN-nummer van [appellanten] c.s. dienden te worden bijgeschreven en dat het UBN-nummer [nummer] diende te vervallen. De overdracht heeft vervolgens op 15 april 2008 plaatsgevonden.
3.5
Over 2008 en 2009 heeft [appellanten] c.s. van overheidswege per geslacht kalf slachtpremies ontvangen. Deze premies worden aan witvleeskalverhouders uitgekeerd door het Productschap Vee, Vlees en Eieren en zijn het gevolg van Europese regelgeving ter zake van inkomenssteun in de landbouwsector.
3.6
In november 2008 heeft de Raad van de Europese Unie beslist dat de slachtpremies (inkomenssteun) voor kalveren en volwassen runderen uiterlijk per 1 januari 2012 ontkoppeld dienden te worden van de productie. Die ontkoppeling houdt in dat de veehouder niet langer per geslacht dier uitbetaald krijgt maar forfaitaire bedragen ontvangt. Het stond de lidstaten vrij om te beslissen op welke wijze en in welk tempo zij tot volledige ontkoppeling in 2012 zouden komen. Nederland heeft besloten de ontkoppelde inkomenssteun te baseren op de hoeveelheid geleverde kalveren in de jaren 2006, 2007 en 2008 (de ‘referentiejaren’) en dit systeem te laten ingaan vanaf 1 januari 2010.
3.7
Bij brieven van 30 maart 2010 en 11 juni 2010 heeft [appellanten] c.s. [geïntimeerden] c.s. verzocht respectievelijk gesommeerd mee te werken aan het op naam van [appellanten] c.s. overschrijven van de referentiegegevens over de jaren 2006 tot en met 2008, die (grotendeels) op naam van [geïntimeerden] c.s. staan. [geïntimeerden] c.s. heeft hierop, onder meer bij brief van 6 mei 2010, afwijzend gereageerd.
3.8
In een brief van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 10 december 2007 is onder meer vermeld:
‘(…) Nederland heeft in 2004 in beginsel besloten tot een volledige ontkoppeling van de directe inkomenssteun. Een aantal sectoren is hiervan toen echter uitgezonderd omdat een abrupte ontkoppeling tot ongewenste distorsies zou kunnen leiden. Het ging daarbij om de slachtpremies voor kalveren en volwassen runderen en lijnzaad (vlas). Aangekondigd werd dat deze sectoren bij wijze van uitzondering een periode van vier jaar zouden krijgen om te anticiperen op een volledige ontkoppeling per 2010 (TK 21 501-32, nr.73). (…)
Het kabinet is van mening dat volledige ontkoppeling gewenst is. De inzet van het kabinet is om te komen tot een ontkoppeling van de slachtpremies voor kalveren en volwassen runderen en van lijnzaad per 2010, zoals reeds in 2004 aangekondigd. (…).’
4. De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.1
In dit geding heeft [appellanten] primair gevorderd dat [geïntimeerden] zal worden veroordeeld tot medewerking aan overschrijving van de referentiejaren 2006, 2007 en 2008 op naam van [appellanten], althans overschrijving van aan [geïntimeerden] toegekende toeslagrechten voor zover gebaseerd op verkregen slachtpremies in de jaren 2006, 2007 en 2008, op straffe van een dwangsom, met betaling van een contractuele boete en met veroordeling tot voldoening aan [appellanten] van de door [geïntimeerden] op basis van de bedoelde toeslagrechten ontvangen bedragen. Subsidiair heeft [appellanten] een verklaring voor recht gevorderd dat [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van [geïntimeerden] tot schadevergoeding. Bij het bestreden vonnis van 1 februari 2012 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen.
4.2
In hoger beroep heeft [appellanten] zijn eis gewijzigd, aldus dat hij – in plaats van zijn subsidiaire vordering in eerste aanleg – subsidiair “partiële vernietiging” op grond van dwaling vordert, meer subsidiair wijziging van de overeenkomst op grond van artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek en uiterst subsidiair een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld, met veroordeling van [geïntimeerden] tot schadevergoeding.
4.3
Met grief 1 klaagt [appellanten] erover dat de rechtbank onder 4.4 van het bestreden vonnis heeft overwogen dat er van een volledige bedrijfsovername geen sprake is geweest. De grief wordt vergeefs opgeworpen. Uit de bedoelde rechtsoverweging blijkt dat de rechtbank zich er rekenschap van heeft gegeven dat [geïntimeerden] de bedrijfsmiddelen van zijn locatie te [woonplaats] aan [appellanten] heeft overgedragen. Dat is waarom het gaat. Dat de rechtbank dit niet een volledige bedrijfsovername heeft willen noemen omdat immers [geïntimeerden] zijn andere bedrijfslocatie (te [woonplaats]) niet heeft verkocht, terwijl [appellanten] dezelfde feiten wel van het etiket “volledige bedrijfsovername” voorziet, betreft een omstandigheid die voor de beoordeling van de zaak van geen betekenis is. In dit verband acht het hof onjuist de stelling van [geïntimeerden] (memorie van antwoord onder 23) als zouden alleen onroerende zaken zijn overgedragen. Uit de omschrijving in de koopovereenkomst (hiervoor onder 3.3) en de bijschrijving van de runderen van het aangekochte bedrijf op het UBN-nummer van [appellanten] (hiervoor onder 3.4) blijkt anders. [geïntimeerden] heeft zijn standpunt in zoverre niet begrijpelijk gemotiveerd.
4.4
De grieven 2, 3, 4 en 5 hebben betrekking op de beoordeling door de rechtbank van de primaire grondslag van de vorderingen van [appellanten]. Die primaire grondslag veronderstelt dat [geïntimeerden] op grond van de koopovereenkomst gehouden is om eraan mee te werken dat [appellanten] de toeslagrechten kan uitoefenen die aan [geïntimeerden] zijn toegekend naar aanleiding van de productie van slachtkalveren op zijn voormalige bedrijfslocatie te [woonplaats].
4.5
Het hof overweegt als volgt. Van non-conformiteit kan geen sprake zijn omdat ook volgens de eigen stellingen van [appellanten] de afgeleverde zaak ten tijde van de aflevering aan de overeenkomst beantwoordde. De later ingetreden wijziging in de regelgeving kan daaraan niet afdoen. Die wijziging zou wel op andere gronden tot gevolg kunnen hebben dat op [geïntimeerden] de verbintenis is komen te rusten om eraan mee te werken dat [appellanten] de toeslagrechten kan uitoefenen die aan [geïntimeerden] zijn toegekend naar aanleiding van de productie van slachtkalveren op de bedrijfslocatie te [woonplaats], maar daartoe heeft [appellanten] onvoldoende gesteld. [appellanten] erkent dat zoiets niet is besproken en beweert zelfs dat partijen aan toekomstige toeslagrechten niet hebben gedacht (memorie van grieven onder 18). Ook als juist is (zoals [appellanten] onder meer met grief 5 stelt) dat een rendabele exploitatie van het gekochte als slachtkalverbedrijf zonder toeslagrechten niet mogelijk is, is die omstandigheid onvoldoende om daaruit af te leiden dat [geïntimeerden] redelijkerwijs moest begrijpen dat hij zich mede ertoe had verbonden om de eventueel aan hem op basis van de productie op de locatie te [woonplaats] toe te kennen toeslagrechten aan [appellanten] te doen toekomen en dat [appellanten] dit redelijkerwijs heeft mogen verwachten. In zoverre falen de grieven.
4.6
Waar [appellanten] zich erop beroept dat andere verkopers in vergelijkbare gevallen vrijwillig hebben meegewerkt aan een overdracht van toeslagrechten om niet (memorie van grieven onder 18), begrijpt het hof hem aldus dat hij zich beroept op de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid. In zoverre houdt het hof de beslissing op grief 4 aan tot na de comparitie van partijen als hierna onder 4.11 bedoeld.
4.7
De grieven 6, 7 en 8 (gedeeltelijk) hebben betrekking op hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist omtrent het beroep van [appellanten] op dwaling en onvoorziene omstandigheden. Met betrekking tot deze grieven overweegt het hof als volgt.
4.8
[geïntimeerden] heeft bij gelegenheid van de comparitie na antwoord ten overstaan van de rechtbank onder meer verklaard dat toen hij de koopovereenkomst tekende niemand nog wist wat er ging gebeuren, dat hij toen “niet direct” wist dat er iets ging veranderen met de slachtpremies. Hij is er pas ongeveer een jaar na verkoop van het bedrijf achter gekomen dat en hoe het systeem van de slachtpremies ging veranderen. Volgens hetgeen [appellanten] bij dezelfde gelegenheid heeft verklaard was ten tijde van de koopovereenkomst wel bekend dat de inkomenssteun een keer zou worden ontkoppeld van het aantal afgeleverde kalveren, maar wist niemand per wanneer, met welke referentiejaren en “hoe precies”. De stellingen van [appellanten] komen er op neer dat de uitwerking die de ontkoppeling uiteindelijk heeft gekregen, zozeer nadelig voor hem is uitgepakt (en daartegenover navenant voordelig voor [geïntimeerden]) dat hij, indien hij dat vooraf geweten had, de koop nimmer op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.
4.9
[appellanten] beroept zich vergeefs op dwaling, omdat de feiten waaromtrent volgens [appellanten] partijen beiden hebben gedwaald ten tijde van de overeenkomst nog geheel in de toekomst lagen. Daaraan doet niet af dat het gaat om de uitwerking van een beleidsvoornemen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat ten tijde van de overeenkomst reeds bestond, omdat partijen niet omtrent dat beleidsvoornemen hebben gedwaald, maar uitsluitend omtrent de uitwerking die daaraan ná de overeenkomst is gegeven. Het hof verwijst naar het tweede lid van artikel 6:228 Burgerlijk Wetboek.
4.10
Ter zake van het beroep van [appellanten] op artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek stelt het hof voorop dat toepassing van die bepaling veronderstelt het intreden van onvoorziene– in de zin van niet in de overeenkomst verdisconteerde – omstandigheden, die op het ogenblik van het tot stand komen van de overeenkomst nog in de toekomst lagen, van dien aard dat de wederpartij geen ongewijzigde instandhouding van de contractuele rechtsverhouding mag verwachten. Daaraan is niet spoedig voldaan, omdat redelijkheid en billijkheid immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord eisen en afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toelaten. Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 1998, NJ 1998/493 inzake Briljant Schreuders/ABP.
4.11
Met het oog op het beroep van [appellanten] op onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek heeft het hof behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. In de eerste plaats behoeft het hof inzicht in alternatieve scenario’s van ontkoppeling van de inkomenssteun voor slachtkalverbedrijven, zoals die zouden hebben kunnen dienen als uitwerking van het hiervoor bedoelde beleidsvoornemen van de Minister. In de tweede plaats is van belang of [appellanten] het door hem geleden inkomensverlies had kunnen opvangen of beperken door toeslagrechten aan te kopen of te huren (dat dit mogelijk is, is door [geïntimeerden] onder meer aangevoerd bij conclusie van antwoord onder 53 en 54). Indien die mogelijkheid inderdaad bestond, is van belang welke kosten daarmee voor [appellanten] gemoeid zouden zijn geweest. Het hof wil over beide punten met partijen en hun advocaten van gedachten wisselen. Indien partijen zich bij die gedachtewisseling willen laten bijstaan door een partijdeskundige, zal het hof daarvoor de ruimte geven. Voor dat geval draagt het hof aan partijen op om voorafgaande aan de comparitie een notitie van hun partijdeskundige aan de wederpartij en het hof over te leggen, waarin beknopt op de zojuist bedoelde punten wordt ingegaan. Het hof zal ter zitting tevens een minnelijke regeling beproeven.
4.12
Aan het voorgaande voegt het hof nog het volgende toe.
4.13
Niet bij voorbaat beslissend is dat [appellanten] door een deskundige makelaar werd bijgestaan. Onder meer afhankelijk van de grootte van het door [appellanten] als gevolg van de bedoelde ontkoppeling geleden nadeel en het daartegenover staande voordeel voor [geïntimeerden], leidt die omstandigheid er niet zonder meer toe dat, ervan uitgaande dat aan de maatstaf van het eerste lid van artikel 6:258 Burgerlijk Wetboek is voldaan, de onvoorziene omstandigheden naar verkeersopvattingen voor rekening van [appellanten] komen.
4.14
Voor zover sprake blijkt te zijn van onvoorziene omstandigheden van dien aard dat [geïntimeerden] geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten, ligt het niet voor de hand dat wijziging van de overeenkomst zover behoort te gaan dat [appellanten] feitelijk in de positie wordt geplaatst alsof partijen zouden zijn overeengekomen dat [geïntimeerden] toekomstige toeslagrechten die naar aanleiding van productie op de locatie [woonplaats] zouden worden toegekend, geheel aan [appellanten] diende af te staan. Dat de uitwerking die aan het voornemen tot ontkoppeling zou worden gegeven nog onbekend was, impliceert immers dat [appellanten] er rekening mee diende te houden dat die uitwerking nadelen voor hem zou kunnen hebben. Voor zover de nadelen van de uiteindelijk door de regelgever gekozen uitwerking (en de daartegenover staande voordelen voor [geïntimeerden]) zo groot zijn dat zij de in de koopovereenkomst verdisconteerde risicoverdeling te buiten gaan (vergelijk hiervoor onder 4.10), is dat nog geen reden om die nadelen gehéél op [geïntimeerden] af te wentelen (en de door hem als gevolg van de ontkoppeling genoten voordelen geheel te ontnemen). Het ligt in dat geval meer voor de hand dat wijziging plaatsvindt in de vorm van een correctie op de koopprijs.
4.15
Voor zover grief 8 betrekking heeft op hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist omtrent het beroep van [appellanten] op onrechtmatige daad, faalt de grief. Niet valt vol te houden dat [geïntimeerden] toeslagrechten uitoefent die aan [appellanten] toekomen (memorie van grieven onder 31). Ook overigens heeft [appellanten] onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld.
4.16
Ook grief 9, die betrekking heeft op ongerechtvaardigde verrijking, faalt. In de toelichting op de grief voert [appellanten] aan dat inkomenssteun waar hij recht op heeft, ten goede van [geïntimeerden] komt (memorie van grieven onder 34). [appellanten] heeft volgens de geldende regelgeving echter juist geen recht op de bedoelde inkomenssteun en ook uit hoofde van hetgeen partijen zijn overeengekomen heeft hij zo’n recht niet (vergelijk de bespreking van de grieven 2 tot en met 5). Een andere feitelijke grondslag voor het beroep op ongerechtvaardigde verrijking leest het hof in de grief niet.
5. Slotsom
Het hof zal met partijen compareren naar aanleiding van hetgeen hiervoor onder 4.6, 4.11 en 4.14 is overwogen.
6. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bepaalt dat partijen in persoon samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als hiervoor vermeld en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden juli, augustus, september en oktober 2013 zullen opgeven op de rol van 2 juli 2013, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;
bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van de comparitie van partijen nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen (bijvoorbeeld op grond van de opdracht hiervoor onder 4.11 met betrekking tot notities van een partijdeskundige) deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.E. de Boer en Th.C.M. Willemse, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.