De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.5.1:3.5.1 Inleidende opmerkingen
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.3.5.1
3.5.1 Inleidende opmerkingen
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948037:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
553. In paragraaf 2.4.1 is reeds ingegaan op het tweetrapslegaat, en de verschillende manieren waarop dit vormgegeven kan worden. Een van die vormen is het fideï-commissaire sublegaat (zie randnummer 522). Bij het fideï-commissaire sublegaat verkrijgt de bezwaarde uit hoofde van legaat een vorderingsrecht op de erfgenamen dat een onvoorwaardelijk te innen recht op onvoorwaardelijke levering van het gelegateerde goed inhoudt. Tegelijkertijd rust op hem de verplichting om dat goed, althans het overschot daarvan, op enig moment aan de verwachter door te leveren. De verwachter heeft uit hoofde van het sublegaat dus een vorderingsrecht op de bezwaarde, dat hem op een bepaald moment recht geeft op levering van het betreffende goed, althans het overschot daarvan. Dat kan een vordering zijn die recht geeft op onvoorwaardelijke levering nadat aan een bepaalde voorwaarde is voldaan, maar kan ook een vordering inhouden die recht geeft op een directe, maar voorwaardelijke levering van het gelegateerde goed. In beide gevallen heeft de verwachter in eerste instantie slechts een obligatoire positie jegens de bezwaarde.
554. In deze paragraaf zal de verhouding tussen de figuur van het fideï-commissaire sublegaat en de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde en/of de verwachter worden behandeld. Het ‘bijzondere’ aan het fideï-commissaire sublegaat is de hiervoor genoemde verplichting van de bezwaarde, dan wel zijn erfgenamen, om het gelegateerde goed, althans het overschot daarvan, op enig moment aan de verwachter te leveren. Als de bezwaarde of zijn rechtsopvolgers die verplichting niet (meer kunnen) nakomen, kan een vordering uit hoofde van wanprestatie ontstaan (artikel 6:74 BW). Het is met name die vordering en de daarmee corresponderende schuld, waarvan het de vraag is of die wel of niet tot de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde (de schuld) dan wel zijn erfgenamen, respectievelijk de verwachter (de vordering) gaat behoren. Daarom wordt in deze paragraaf het fideï-commissaire sublegaat als uitgangspunt genomen.