Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/2.2.1
2.2.1 Informatie van de vennootschap en de geheimhouding daarvan
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972010:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het begrip ‘informatie’ heeft geen duidelijk afgebakende juridische betekenis. Zie ook Druey 1995, p. 29 e.v. over de verhouding tussen informatie en het recht. In de Nederlandse doctrine zijn wel pogingen gedaan om dit begrip in een juridische context te plaatsen en te definiëren. Ik verwijs onder meer naar Arendsen de Wolff (diss.) 1976. p. 26, waar ‘informatie’ wordt gedefinieerd als “een te identificeren gegeven of aantal gegevens, waaraan een bepaalde persoon (of bepaalde personen) in een bepaalde situatie belang hecht (of hechten)”; en Mussche (diss.) 2011, p. 8, die in dit verband spreekt over “alle feitelijke gegevens, daaronder ook ideeën en opinies begrepen, die een rationele beslissing kunnen beïnvloeden”. Van Dale definieert ‘informatie’ eenvoudigweg als “inlichtingen, gegevens waardoor je meer over iets te weten komt”. De strekking van het begrip ‘informatie’ lijkt in de literatuur en rechtspraak overigens niet tot discussie te leiden. Ik acht het voor dit onderzoek niet noodzakelijk om dit begrip nader te definiëren; dat komt mij voor als Begriffsjurisprudenz.
Zie hierover Mackaay (diss.) 1982, p. 107 e.v.; en Jansen (diss.) 2012, p. 6-7, met verwijzingen aldaar.
Zie Mackaay (diss.) 1982, p. 110.
Mackaay (diss.) 1982, p. 107-108.
Zie Mackaay (diss.) 1982, p. 110. Deze transactiekosten worden ook in de rechtspraak onderkend, zie bijvoorbeeld de uitspraken waarnaar wordt verwezen in voetnoot 14 hierna.
De vraag is overigens in hoeverre dit een ‘goed’ in juridische zin betreft. Zie bijvoorbeeld Druey 1995, p. 34-35, die stelt dat het goederenrecht geen geschikte basis biedt voor de allocatie van informatie. Vgl. in deze zin Mackaay (diss.) 1982, p. 115, waarin hij opmerkt dat “all in all, property rights in information are not always feasible and are usually imperfect in comparison with those that exist in most physical commodities”.
Vgl. bijvoorbeeld in het kader van de administratie: HR 9 oktober 1942, NJ 1942/821 (Ter Horst q.q./Bouman); en explicieter HR 24 november 2017, JOR 2018/40 m.nt. C.M. Harmsen (X/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds), r.o. 4.2. Ik meen dat hetzelfde geldt voor kennis die wordt toegerekend aan de vennootschap, waarover uitvoerig Katan (diss.) 2017.
Zie voor beschouwingen over het geheimhoudingsrecht van ondernemingen in algemene zin Druey 1977 en Von Stebut 1972. Voor een Nederlands ondernemingsrechtelijk perspectief verwijs ik naar Van der Korst (diss.) 2007; Timmerman 1988; en Van der Grinten 1976.
Vgl. HR 29 juni 2007, NJ 2007/639 m.nt. E.J. Dommering (HBU/Groendijk c.s.); en, specifiek voor de wat betreft de administratie van de onderneming, Polak 1935, p. 104.
Van der Korst maakt in dit verband een onderscheid tussen drie vormen van bescherming van de vertrouwelijkheid van informatie van de vennootschap, namelijk (i) voorgeschreven vertrouwelijkheid geldt, bijvoorbeeld wegens een verschoningsrecht of een contractueel geheimhoudingsbeding; (ii) vermogensrechtelijke bescherming, zijnde informatie met een handelswaarde die wordt beschermd door het (grond)recht op eigendom en/of specifieke regelgeving aangaande bedrijfsgeheimen; en (iii) persoonlijkheidsrechtelijke bescherming, bijvoorbeeld op grond van het (grond)recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Zie hierover Van der Korst (diss.) 2007, p. 17 e.v.
Artikel 8 EVRM en artikel 10 Gw.
Zie hierover ook Schild (diss.) 2012, p. 263 e.v. Privacy en geheimhouding zijn echter geen synoniemen van elkaar, zie Druey 1977, p. 233.
De verstrekking van regulatoir beschermde informatie, zoals voorwetenschap of persoonsgegevens, kan in strijd zijn met wettelijke verplichtingen van de vennootschap. Ook contractuele verplichtingen van de vennootschap kunnen in de weg staan aan informatieverstrekking, waarbij met name kan worden gedacht aan geheimhoudingsbedingen. Zie anders op dit laatste punt: Van der Korst (diss.) 2007, p. 173-174. Vgl. echter Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2023, ARO 2023/91 (Watson), r.o. 3.19, waarin contractueel overeengekomen geheimhouding tussen de vennootschap en bepaalde financiers een relevant gezichtspunt bood.
Zie ter illustratie in het kader van informatieverzoeken van kapitaalverschaffers onder meer de conclusie van A-G Timmerman bij HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI), onder 3.6.6; Hof Amsterdam (OK) 3 februari 2022, JOR 2022/172 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek I), r.o. 3.12; en Hof Amsterdam (OK) 18 april 2023, JOR 2023/206 m.nt. T. Drenth (Fuikebrug), r.o. 4.15.
Zie Druey 2009, p. 261; en Druey 1977, p. 115. Vgl. Druey 1977, p. 130-132, over de vrijheid van de onderneming in vorenstaande zin.
Zie Van der Grinten 1976, p. 222 onder e en d; en Timmerman 1988, p. 318-319.
Vgl. Geis 2019, p. 451, waarin wordt betoogd dat “forcing insiders to divulge sensitive information can also harm business prospects, kneecap fruitful investment projects, and stymie potential innovation. Transparency is not a universal ideal, and there is a legitimate role for opacity in the corporate boardroom.” De Ondernemingskamer heeft in verschillende uitspraken het belang van vertrouwelijkheid voor het beschermen van gevoelige bedrijfsprocessen erkend. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 8 juni 2023, ARO 2023/91 (Watson), waar het zag op de omvangrijke herstructurering van een onderneming in financieel zwaar weer; en Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2017, JOR 2017/261 m.nt. C.D.J. Bulten (AkzoNobel), r.o. 3.23, waar het zag op onderhandelingen over een potentieel openbaar bod.
Vgl. de conclusie van A-G Timmerman bij HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI), onder 3.6.6; en Rb. Rotterdam 3 februari 2021, JOR 2021/176 m.nt. P.P. de Vries (Infopact), r.o. 4.7.1: “Sinds zijn aftreden als bestuurder stelt met name [naam eiser 2] met zekere regelmaat vragen en verzoekt hij om detailinformatie en maandelijkse rapportages over uiteenlopende onderwerpen. Kennelijk wil hij een continue dialoog in gang houden met het bestuur en het beleid van [naam bedrijf 1] ad hoc bijsturen. Daarmee wordt echter miskend dat de positie van (minderheids)aandeelhouder een wezenlijk andere is dan die van bestuurder.”
Zie HR 21 februari 2003, NJ 2003/182 m.nt. J.M.M. Maeijer (HBG), waarover in het kader van ingrijpende bestuursbesluiten ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 24.
Geis 2019, p. 417-418.
Zie Timmerman 1988, p. 318-319: “Het begrip ‘schadelijkheid’ dient m.i. ruim te worden uitgelegd. Het behoeft niet te gaan om na de openbaarmaking direct meetbare materiële schade. Zij kan betrekking hebben op moeilijkheden die een onderneming ondervindt in haar functioneren, bijvoorbeeld als zij ermee moet rekening houden ertoe gedwongen te kunnen worden om interne beraadslaging ter voorbereiding op een besluit aan buitenstaanders bekend te maken.”
In veel gevallen zullen die transactiekosten relatief overzichtelijk zijn omdat informatie betrekkelijk eenvoudig beschikbaar is, maar excessen komen voor. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 28 maart 2018, ARO 2018/108 (Baars Holding), r.o. 3.16, waarin wordt gesproken over informatieverzoeken van een individuele commissaris die “zo talrijk [zijn] dat het bestuur daardoor gehinderd wordt in zijn eigenlijke taak.”; Hof Amsterdam (OK) 18 april 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:986 (Zeebra), r.o. 3.17, met betrekking tot informatieverzoeken van een bestuurder; en Hof Amsterdam (OK) 25 oktober 2023, JOR 2024/89 m.nt. P.L. Hezer (Steenfabriek II), r.o. 4.19, met betrekking tot informatieverzoeken van kapitaalverschaffers (waarover ook voetnoot 14 hiervoor).
Deze term is ontleend aan Druey 1977, waar het wordt gebruikt om te verwijzen naar bepaalde informatie waarover een rechtssubject beschikt die krachtens de wet of naar zijn aard vertrouwelijk is (p. 9-13).
Zie ook Druey 1977, p. 21 e.v., over de legitimiteit van de Geheimsphäre.
Informatie is een haast ongrijpbaar begrip dat zich juridisch lastig laat duiden.1 In de rechtseconomie wordt informatie gezien als een middel dat het mogelijk maakt om een rationele keuze te maken tussen onzekere opties:2 in dit verband wordt ook wel gesproken van selection power.3 Zonder voldoende informatie, zullen veelal suboptimale keuzes worden gemaakt, hetgeen ten koste gaat van de mogelijke waardecreatie of zelfs kan resulteren in waardeverlies:
“Lack of information impairs one’s ability to make decisions of the fully rational kind postulated in economic discourse. Decisions must therefore be made in the presence of uncertainty. In many instances, uncertainty will cause people to make decisions different from what they would have been under conditions of abundant information. As information subsequently becomes available, such decisions may appear in retrospect to have been erroneous. They entail a loss or a failure to obtain a gain that could have been avoided with better information. Uncertainty is generally a source of disutility, and information is the antidote to it.”4
Tegenover deze selection power staan echter transactiekosten in de vorm van de inspanningen en investeringen die nodig zijn om informatie te vergaren en te verwerken.5 Tegen deze achtergrond wordt informatie in de rechtseconomie beschouwd als een (schaars) goed, omdat het zowel (transactie)kosten als waarde vertegenwoordigt.6 Partijen zullen steeds zoeken naar een optimale balans tussen de selection power die zij aan informatie ontlenen en de transactiekosten die zij moeten maken om zich die informatie eigen te maken.
Zoals haar andere goederen, behoort informatie van de vennootschap toe aan de betreffende vennootschap.7 Een uitputtend overzicht valt niet te geven, maar voorbeelden van informatie van de vennootschap zijn de door de vennootschap gevoerde administratie, haar strategische en commerciële knowhow en de interpretaties en analyses van die informatie door haar leiding en adviseurs, alsmede hun kennis van de implementatie van het beleid en de strategie. De vennootschap gebruikt deze informatie bij de ontplooiing van haar activiteiten, zoals het drijven van haar onderneming of het leiden van haar concern. Hierin uit zich de waarde van informatie als selection power. De vennootschap heeft reeds transactiekosten gemaakt om die informatie te vergaren en te verwerken.
De vennootschap is, net als ieder ander (rechts)persoon, in beginsel niet gehouden de informatie die haar toekomt te delen met derden. Ook aan de vennootschap komt derhalve binnen bepaalde perken een geheimhoudingsrecht toe.8 Dit geheimhoudingsrecht volgt uit het algemene rechtsprincipe dat ik hiervoor omschreef,9 maar onderdelen daarvan zijn ook nader uitgewerkt in verschillende (grond)rechten.10 De voornaamste daarvan is het grondrecht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven.11 Het geheimhoudingsrecht van de vennootschap is dus (onder meer) een uitvloeisel van dit recht op privacy, dat ook rechtspersonen toekomt.12
In sommige gevallen is het belang van de vennootschap bij het behoud van vertrouwelijkheid van bepaalde informatie evident, bijvoorbeeld waar het ziet op informatie met een concrete handelswaarde, zoals bedrijfsgeheimen. Het ligt voor de hand dat verstrekking van dergelijke informatie de vennootschap zou benadelen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de vennootschap haar eigen marktpositie zou verzwakken door concurrentiegevoelige informatie aan de concurrent te verstrekken. Onder omstandigheden kan informatieverstrekking bovendien in strijd zijn met wettelijke of contractuele verplichtingen van de vennootschap.13 Ik wijs ook op het onwenselijke beslag dat de behandeling van informatieverzoeken kan leggen op de vennootschapsleiding.14
Niet alle gevallen zijn echter zo duidelijk of laten zich eenvoudig kwantificeren. In algemene zin waarborgt het geheimhoudingsrecht de vrijheid van de vennootschap om haar activiteiten ongestoord en naar eigen inzicht te kunnen ontplooien, zonder oneigenlijke inmenging van buitenaf.15 Zo kan de vertrouwelijkheid van overleg en beraad van het bestuur en de raad van commissarissen eraan bijdragen dat gedachtevorming in die colleges vrij tot stand kan komen, terwijl het vroegtijdig delen van informatie voordat een besluit is genomen juist kan leiden tot onrust.16 In meer algemene zin kan het lekken van bepaalde informatie over gevoelige processen, ontwikkelingen binnen de vennootschap en voorgenomen investeringen deze onder druk zetten.17 Vertrouwelijkheid van bepaalde informatie waarborgt zo het functioneren van de vennootschap.
In de verhouding tot haar aandeelhouders brengt het voorgaande bijvoorbeeld mee dat het geheimhoudingsrecht de bestuursautonomie beschermt:18 de vennootschapsleiding is in beginsel niet gehouden haar aandeelhouders vooraf te consulteren of te informeren bij de uitoefening van haar taak.19 Ook bestaat het risico dat verstrekte informatie wordt gebruikt om de vennootschap te schaden of anderszins wordt misbruikt. Illustratief zijn ervaringen uit de VS aan het begin van de twintigste eeuw:
“By 1900, for example, revised statutes even seemed to offer unqualified shareholder inspection rights. Further, courts began to punish firms that refused to allow inspection, even under circumstances where the shareholder’s motives for demanding the information seemed highly questionable. Some firms bought shares in a competitor to obtain confidential operating information. A few rogues even pored over corporate books in pursuit of compromising information that might be used to blackmail managers.
The information pendulum had seemingly swung too far towards transparency. Managers could not run a business with investors constantly peering over their shoulders. The right to inspect had, in part, become a right to harm the firm – and, derivatively, to harm other shareholders – by grabbing corporate information for private advantage.”20
Het voorgaande illustreert dat de vennootschap een intrinsiek belang heeft bij het bewaren van de vertrouwelijkheid van bepaalde informatie, ook ten opzichte van haar aandeelhouders. Daarvoor is niet vereist dat de verstrekking van informatie direct leidt tot kwantificeerbare materiële schade.21 In dat verband is ook relevant dat de verstrekking van informatie een zekere inspanning vergt en daarmee leidt tot transactiekosten voor de vennootschap.22 Dit alles maakt dat de erkenning van een zekere ‘Geheimsphäre’23 bijdraagt aan het functioneren van de vennootschap en daarmee diens maatschappelijke (duurzame) waardecreatie.24