De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.1:6.3.1 Algemeen
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.1
6.3.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS393673:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 5 is besproken dat in de meeste Europese subsidieregelingen is neergelegd dat de lidstaten zijn gehouden nationale uitvoeringsorganen aan te wijzen of op te richten die worden belast met de uitvoering van de desbetreffende regeling.1 De Europese subsidieregeling specificeert in veel gevallen welke naam een dergelijk nationaal uitvoeringsorgaan krijgt — zoals 'beheersautoriteit' of 'nationaal agentschap' —, aan welke kenmerken het desbetreffende orgaan moet voldoen en welke verantwoordelijkheden en taken op dat orgaan rusten. Gelet op de eisen die de Europese subsidieregelgeving aan de aanwijzing en oprichting van nationale uitvoeringsorganen stelt, is in hoofdstuk 3 betoogd dat in de praktijk van de zogenoemde institutionele autonomie weinig overblijft.2 Het is echter wel aan de lidstaten om te bepalen welke specifieke nationale autoriteit als bevoegd nationaal uitvoeringsorgaan zal fungeren dan wel om de desbetreffende autoriteit op te richten. Het betreft niet alleen organen die zijn belast met de verstrekking van de Europese subsidie, zoals de beheersautoriteit, maar ook organen die alleen zijn belast met controletaken, zoals de auditautoriteit. Bij de aanwijzing en oprichting van nationale autoriteiten dienen uiteraard de grenzen die de Europese subsidieregelgeving stelt in acht te worden genomen.
In deze paragraaf wordt bezien welke knelpunten zich in Nederland voordoen bij de verantwoordelijkheid voor de aanwijzing en oprichting van de bevoegde Nederlandse uitvoeringsorganen. In de eerste plaats wordt besproken in hoeverre een Nederlands uitvoeringsorgaan op grond van het Nederlandse recht rechtstreeks bevoegdheden kan ontlenen aan de Europese subsidieregelgeving. Deze vraag is in hoofdstuk 4 behandeld in het licht van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.3 Uit deze jurisprudentie blijkt dat de bevoegdheidsvraag aan de nationale rechtsorde wordt overgelaten. In paragraaf 6.3.2 wordt bezien hoe in de Nederlandse juridische literatuur en jurisprudentie wordt omgegaan met dit vraagstuk. Het kader dat in deze paragraaf wordt uiteengezet dient als basis voor de paragrafen 6.3.3 en 6.3.4, waarin de problemen worden besproken die zich voordoen met de bevoegdheid tot het verstrekken van Europese subsidies in het licht van het Nederlandse vereiste van de wettelijke grondslag voor het verstrekken van subsidies en de uitzonderingen daarop (6.3.3) en met andere bevoegdheden waarover nationale uitvoeringsorganen op grond van de Europese subsidieregelgeving moeten beschikken, zoals het opleggen van Europeesrechtelijke administratieve sancties en het intrekken en terugvorderen van Europese subsidies (6.3.4).
In de tweede plaats wordt in paragraaf 6.3.5 besproken welke problemen zich voordoen bij de oprichting van Nederlandse uitvoeringsorganen die niet zijn belast met het verstrekken van Europese subsidies. Gelet op de aan die organen gestelde Europese eisen, blijkt het niet altijd mogelijk om een bestaand Nederlands bestuursorgaan aan te wijzen, maar moeten deze organen worden opgericht. Besproken wordt in hoeverre het Comité van Toezicht dat toezicht houdt op de uitvoering van een OP en plaatselijke of lokale groepen die belast zijn met de selectie van projecten zijn aan te merken als bestuursorganen in de zin van de Awb. Omdat deze nationale uitvoeringsorganen geen subsidie verstrekken heeft het antwoord op deze vraag geen consequenties voor de toepasselijkheid van de subsidietitel van de Awb, maar wel voor de toepasselijkheid van andere Awb-bepalingen.
In de derde plaats wordt in deze paragraaf ingegaan op de specifieke problemen die zich voordoen bij de aanwijzing van decentrale overheden en productschappen als nationale uitvoeringsorganen die zijn belast met het verstrekken van Europese subsidies. Op grond van het in hoofdstuk 3 besproken beginsel van institutionele autonomie mag Nederland, binnen de door de Europese subsidieregelgeving getrokken grenzen, zelf bepalen welke nationale uitvoeringsorganen worden aangewezen ter uitvoering van de Europese subsidieregelgeving. Nederland heeft ervoor gekozen de uitvoering van een aantal Europese subsidieregelingen aan decentrale overheden (ELFPO en EFRO) en de productschappen (ELGF) over te laten. In de hoofdstukken 3 en 5 is besproken dat de lidstaat Nederland richting de Europese Commissie aansprakelijk blijft.4 Dit betekent dat de lidstaat Nederland ervoor moet zorgen dat voormelde decentrale overheden en de productschappen in het Europese 'gareel' lopen. Welke problemen dat met zich brengt komt aan de orde in paragraaf 6.3.5.