Vgl. HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:995, rechtsoverweging 2.3.2.
HR, 08-10-2021, nr. 21/00235
ECLI:NL:HR:2021:1339
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-10-2021
- Zaaknummer
21/00235
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1339, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑10‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2021:19
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑01‑2021
- Vindplaatsen
V-N 2021/43.18 met annotatie van Redactie
NLF 2021/1968 met annotatie van Ludwijn Jaeger
NTFR 2021/3527 met annotatie van mr. Y. Ameziane
Viditax (FutD) 2021100815
FutD 2021-3102
Uitspraak 08‑10‑2021
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00235
Datum 8 oktober 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 5 januari 2021, nrs. BK-20/00398 en BK-20/00399, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 19/3352 en SGR 19/3353) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2012 en 2013 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door B. de Jong, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2012 en 2013 een contante gift aan [C] (hierna: [C] ) opgevoerd van € 5.000 respectievelijk € 8.000. Aan belanghebbende is voor de jaren 2012 en 2013 op 31 mei 2014 respectievelijk 21 oktober 2015 een definitieve aanslag IB/PVV opgelegd waarbij de giften in aftrek zijn toegestaan.
2.2
De ANBI-status van [C] is na een door de Belastingdienst verricht onderzoek op6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.
2.3
In januari 2015 is de FIOD strafrechtelijke onderzoeken gestart naar het gebruik van valse giftkwitanties bij andere ANBI-instellingen dan [C] ( [...] 1 en [...] 2). Uit die onderzoeken bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan [C] hadden opgenomen in hun aangiften.
2.4
Op 17 september 2015 is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar [C] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV ( [...] 3). De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend om de bevindingen uit dit FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De resultaten van het onderzoek zijn op 23 april 2018 ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/kantoor Den Haag.
2.5
Op 16 december 2017 zijn aan belanghebbende voor de jaren 2012 en 2013 navorderingsaanslagen in de IB/PVV opgelegd waarbij de giftenaftrek is gecorrigeerd. Daarbij zijn aan belanghebbende over die jaren vergrijpboeten opgelegd.
2.6
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit.
2.7
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat als gevolg van de bevindingen op grond van het op 17 september 2015 aangevangen strafrechtelijk onderzoek door de FIOD, bij de Inspecteur het vermoeden is ontstaan dat de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2013, als gevolg van de in aftrek gebrachte gift aan [C] , tot een te laag bedrag is vastgesteld. Het Hof heeft verder geoordeeld dat de gedingstukken geen aanleiding geven voor de veronderstelling dat de Inspecteur vóór het opleggen van deze aanslag bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de uit het strafrechtelijk onderzoek gebleken feiten, zodat aan het vereiste van een nieuw feit is voldaan.
3. Beoordeling van de middelen
3.1
Het eerste middel klaagt over het hiervoor in 2.7 weergegeven oordeel van het Hof en voert aan dat het strafrechtelijk onderzoek geen nieuw feit kan opleveren omdat dit onderzoek is aangevangen vóór het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2013.
3.2
De klacht faalt voor zover zij berust op de opvatting dat kennis die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek omtrent de aangelegenheden van een belastingplichtige aanwezig is bij het onderdeel Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), bedoeld in artikel 3, lid 1, (thans) onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, zonder meer moet worden toegerekend aan de inspecteur belast met de heffing van rijksbelastingen.1.Ook overigens faalt de klacht, nu het Hof niet onbegrijpelijk, en zonder miskenning van het bepaalde in artikel 16, lid 1, AWR, heeft geoordeeld dat de gedingstukken geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de Inspecteur voor het opleggen van de definitieve aanslag voor het jaar 2013 bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn met bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek.
3.3
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2021.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑10‑2021
Beroepschrift 24‑01‑2021
Uit het beroepschirft in cassatie van belanghebbende:
UITSLUITEND DIGITAAL
Retouradres: […]
De Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Postbus 20303
2300 EH DEN HAAG
[…], 24 januari 2021
Inzake: Beroep in cassatie
Edelhoogachtbaar College,
Namens [X], thans wonende aan de […] te [Z] (hierna: belanghebbende) heeft ondergetekende, de heer B. de Jong, gemachtigde en kantoorhoudende te […], hierbij de eer bij uw Raad beroep in cassatie in te stellen tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) van 5 januari 2021 met zaaknummers BK-20/00398 en BK-20/00399 inzake twee beroepen tegen de uitspraken op bezwaar die zijn genomen namens de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur) met betrekking tot twee opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2012 en 2013. Een afschrift van het bestreden arrest alsmede een afschrift van de machtiging zullen via het digitale portaal worden verstuurd.
Voor het procesverloop en de vaststaande feiten wordt verwezen naar het bestreden arrest, voor zover het verloop en de feiten hierna niet nadrukkelijk worden bestreden.
Aan het beroep liggen de volgende middelen van cassatie ten grondslag:
Middel i
1.
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt dan wel schending van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
2.
Het Hof oordeelt in de rechtsoverwegingen 5.1.3 tot en met 5.1.5 — kort gezegd — dat de inspecteur een nieuw feit heeft omdat hij bij het opleggen van de definitieve aanslag voor het jaar 2013 nog niet op de hoogte was van een in september 2015 ingesteld onderzoek door de FIOD naar [C].
3.
Naar de mening van belanghebbende is voormeld oordeel van het Hof onbegrijpelijk.
4.
De definitieve aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2013 is opgelegd op 21 oktober 2013. Op grond van de gedingstukken is komen vast te staan dat de inspecteur reeds in 2013 een onderzoek bij [C] heeft ingesteld naar de administratie van [C]. Dit onderzoek heeft geleid tot intrekking van de ANBI-status met terugwerkende kracht tot en met 2 januari 2008. Derhalve is [C] slechts twee dagen (vanaf 1 januari 2008 tot en met 2 januari 2008) in het bezit geweest van een ANBI-status.
5.
Op grond van de gedingstukken is eveneens komen vast te staan dat de FIOD op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek is gestart bij [C] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van [C] en het gebruik hiervan bij het doen van de aangiften IB/PW.
6.
De inspecteur had al twijfels naar aanleiding van de giftenaftrek door belanghebbende (vanwege het onderzoek naar de administratie van [C]) en heeft om die reden een vragenbrief verstuurd naar belanghebbende met het verzoek de giftenaftrek te onderbouwen met kwitanties. Belanghebbende heeft naar aanleiding van de vragenbrief aanvullende informatie aan de inspecteur doen toekomen.
7.
Op 21 oktober 2015 is de inspecteur vervolgens overgegaan tot het opleggen van de definitieve aanslag voor het jaar 2013. Op dat moment was het onderzoek van de FIOD al ruim een maand aan de gang. Het kan niet anders dan dat de inspecteur hiervan op de hoogte was, althans hiervan op de hoogte had behoren te zijn. Immers, zoals ook blijkt uit de gegevens op de website van de Belastingdienst, is de FIOD de opsporingsdienst van de Belastingdienst.1. De FIOD kan derhalve — in dit verband — niet los worden gezien van de inspecteur. Een nieuw feit ontbreekt daarmee voor wat het jaar 2013 betreft. Het Hof heeft zulks miskend en ten onrechte geoordeeld dat sprake is van een nieuw feit, althans onbegrijpelijk geoordeeld dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit als bedoeld in art. 16 AWR voor het jaar 2013.
Middel ii
8.
Schending, althans een verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het leerstuk ambtelijk verzuim jo. art. 16 AWR en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming leidt tot nietigheid dan wel schending van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
9.
Het Hof overweegt in de rechtsoverwegingen 5.1.6 en 5.1.7 — kort gezegd — dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan door een giftenaftrek toe te staan, terwijl hij wist dat de ANBI-status reeds met terugwerkende kracht was ingetrokken.
10.
Het leerstuk ambtelijk verzuim houdt in dat fouten van de inspecteur (behoudens schrijf- en typfouten e.d.) aan een navordering in de weg staan.
11.
Op grond van de stukken is komen vast te staan dat de ANBI-status van [C] op 6 januari 2014 is ingetrokken met terugwerkende kracht tot en met 2 januari 2008. Op grond van de gedingstukken is eveneens komen vast te staan dat de definitieve aanslagen voor de jaren 2012 en 2013 zijn opgelegd op respectievelijk 31 mei 2014 en 21 oktober 2015.
12.
De intrekking van de ANBI-status van [C] door de inspecteur was vermeld in het ANBI-register (zie productie #3 van het beroepschrift bij de Rechtbank). De inspecteur was derhalve op de hoogte van de intrekking van de ANBI-status met terugwerkende kracht op 6 januari 2014. Het ANBI-register is voor een ieder te raadplegen.
13.
De inspecteur had dan ook, nu de ANBI-status reeds op 6 januari 2014 was ingetrokken met terugwerkende kracht, niet mogen overgaan tottoestaan van de giftenaftrek in mei 2014 en oktober 2013 voor respectievelijk de jaren 2012 en 2013. Op grond van afdeling 6.9 van de Wet inkomstenbelasting is een gift enkel aftrekbaar, indien de gift is gedaan aan een ANBI. Dit was op het moment van het opleggen van de definitieve aanslagen niet (meer) het geval weshalve ten onrechte giftenaftrek is toegestaan. Dit is een ambtelijk verzuim hetgeen aan een navordering in de weg staat voor zowel het jaar 2012 als 2013. Het Hof heeft dit miskend, althans onbegrijpelijk geoordeeld dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim.
Middel iii
14.
Schending, althans een verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het leerstuk ambtelijk verzuim jo. art. 16 AWR en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming leidt tot nietigheid dan wel schending van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
15.
Het Hof overweegt in rechtsoverweging 5.1.8 — kort gezegd — dat de vraag of sprake is van een ambtelijk verzuim in het midden kan blijven. Dit oordeel is — in het licht van hetgeen is aangevoerd — onbegrijpelijk, althans berust op een onjuiste rechtsopvatting.
16.
Belanghebbende heeft, naar aanleiding van een vragenbrief van de inspecteur, slechts € 2.000,= aan giftenkwitanties overgelegd ter onderbouwing van zijn opgevoerde aftrekpost van € 5.000,= voor het jaar 2012. De inspecteur had dan ook € 3.000,= aan giftenaftrek niet in aftrek mogen toestaan. Immers heeft de inspecteur — naar aanleiding van het ANBI-onderzoek naar [C] (dat heeft geleid tot intrekking van de ANBI-status) — vragenbrieven verstuurd en werden slechts aftrekposten gehonoreerd indien en voor zover een kwitantie kon worden overgelegd. Dit blijkt ook wel uit de reactie van de inspecteur ter zitting bij het Hof in een zaak van een andere belastingplichtige. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (die tevens op 13 oktober 2020 heeft plaatsgevonden) is namelijk het volgende neergelegd (productie #1 van het cassatieberoep):
‘De Inspecteur:
(…)
Voor 2012 zijn geen kwitanties van de giften overgelegd. Dit vind ik opmerkelijk. Er zijn dus giften in de aangifte opgenomen zonder dat belanghebbende over kwitanties beschikte. Daarmee is sprake van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte.
Voor hetjaar 2013 zijn wel kwitanties opgelegd, echter dat maakt juist — nu het vervalste kwitanties zijn — dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden die een vergrijpboete van 75% rechtvaardigen.’
17.
Nu belanghebbende € 3.000,= aan giftenaftrek niet heeft onderbouwd, door middel van een kwitantie, had de inspecteur dit deel aan giftenaftrek niet mogen toestaan. Dit brengt naar het oordeel van de inspecteur, zoals is vermeld in het proces-verbaal, zelfs mee dat daarmee opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan.
18.
Het hof heeft het voorgaande miskend, althans onbegrijpelijk geoordeeld dat de vraag of sprake is van een ambtelijk verzuim in het midden kan worden gelaten (rechtsoverweging 5.1.8).
Middel iv
19.
Schending, althans een verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in art. 67e AWR in samenhang met paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming leidt tot nietigheid dan wel schending van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
20.
In paragraaf 8, lid 8 van het BBBB, is vastgelegd dat de ernst van de te beboeten gedraging aanleiding kan geven om de op te leggen vergrijpboete te verhogen tot hetwettelijk maximum. Hiertoe is — volgens dit lid — in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning.
21.
Het Hof heeft onbegrijpelijk — op grond van de gedingstukken — strafverzwarende omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan een vergrijpboete van 75% voor de jaren 2012 en 2013 passend en geboden zou zijn.
22.
Het is aan de inspecteur om te bewijzen dat sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. Op basis van het (zeer generieke) dossier van de FIOD is niet, althans onvoldoende, komen vast te staan dat sprake is van valse kwitanties aan de zijde van belanghebbende. De valse administratie van [C], waar niks van klopt en waaraan geen waarde kan worden gehecht, kan niet ten grondslag worden gelegd aan het bewijs om een strafverzwarende omstandigheid aanwezig te achten. Het sms-contact tussen belanghebbende en de penningmeester kan evenmin dienen als bewijs, gelet op de nadrukkelijke betwisting van belanghebbende, om een extra hoge vergrijpboete op te leggen. Belanghebbende heeft immers — vlak na de door hem ontvangen vragenbrief van de inspecteur — de penningmeester verzocht om kwitanties ten einde zijn administratie compleet te krijgen (hetgeen bovendien niet helemaal volledig is gelukt; immers ontbreken er kwitanties voor het jaar 2012).
23.
Het Hof heeft dan ook ten onrechte, althans onbegrijpelijk, geoordeeld dat sprake is van een falsificatie op grond waarvan een vergrijpboete van 75% passend en geboden is.
Middel v
24.
Schending, althans een verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in art. 67e AWR in samenhang met paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming leidt tot nietigheid dan wel schending van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
25.
Het Hof heeft voor het jaar 2012 een vergrijpboete van 75% passend en geboden geacht voor het volledige nagevorderde belastingbedrag. Dit is ten onrechte, omdat belanghebbende voor het jaar 2012 ter zake van € 3.000,= geen kwitanties heeft gebruikt.
26.
Het Hof heeft echter onbegrijpelijk geoordeeld dat er een vergrijpboete moet worden opgelegd van 75% vanwege het gebruik van een falsificatie, terwijl belanghebbende voor € 3.000,= van de opgevoerde aftrekpost in het geheel geen kwitantie heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn aftrekpost.
27.
Daar komt bij dat de inspecteur in de zaak van de andere belastingplichtige, waarvan het proces-verbaal is bijgevoegd bij dit cassatieberoep als productie #1, een vergrijpboete van 30% had opgelegd juist omdat de desbetreffende belastingplichtige géén kwitanties had overgelegd. Dan kan immers bezwaarlijk worden volgehouden dat er valse kwitanties zijn gebruikt.
28.
Belanghebbende had derhalve, voor het jaar 2012, slechts een vergrijpboete van 75% kunnen krijgen over het nagevorderde bedrag van € 2.000,= van de opgevoerde aftrekpost waarbij gebruik is gemaakt van een kwitantie. Het Hof heeft zulks miskend, nu voor de aftrekpost van € 3.000 (van de € 5.000) geen gebruik is gemaakt van een kwitantie. De vergrijpboete voor de opgevoerde aftrekpost, ter grootte van € 3.000,=, kan dan ook maximaal 50% zijn conform paragraaf 25 van het BBBB.
Middel vi
29.
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming leidt tot nietigheid dan wel schending van het in artikel 8:77 Awb vervatte motiveringsvereiste.
Het Hof overweegt in rechtsoverweging 12 het volgende:
‘Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in het incidenteel hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.068 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verweerschrift in hoger beroep tevens houdende het incidenteel hoger beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.’
30.
Het Hof heeft ten onrechte 1 punt toegekend voor het verweerschrift in hoger beroep tevens houdende het incidenteel hoger beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht had het Hof 1 punt moeten toekennen voor het verweerschrift én 1 punt voor het incidenteel hoger beroep. Het Hof heeft zulks miskend en heeft ten onrechte 1 punt toegekend voor de twee afzonderlijke proceshandelingen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof had derhalve in totaal drie punten moeten toekennen, met een totaalbedrag ad € 1.602,=.
Conclusie
31.
Uw Raad wordt verzocht om de zaak te verwijzen naar een ander Hof te verdere afhandeling van het geschil.
Strafkorting
32.
Indien en voor zover Uw Raad arrest wijst twee jaren na het cassatieberoep, verzoekt belanghebbende Uw Raad om de vergrijpboetes te verminderen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
Immateriële schadevergoeding
33.
Indien en voor zover Uw Raad arrest wijst twee jaren na het cassatieberoep, verzoekt belanghebbende om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Verzoek proceskostenvergoeding
34.
Gegeven de conclusie verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, te vermeerderen met de wettelijke rente 4 weken na het arrest.
Met de verschuldigde eerbied en hoogachting,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑01‑2021
https://www.fiod.nl/wat-doet-de-fiod/