Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/2.6.2.4
2.6.2.4 Enquêtegerechtigdheid en de concernenquête
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369701:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof Amsterdam (OK) 27 april 2000, JOR 2000/127 m.nt. Van den Ingh en HR 4 februari 2005, NJ 2005, 127 m.nt. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. Van den Ingh (Landis).
Dit werd bevestigd in HR 4 april 2014, NJ 2014, 296 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/ 259 m.nt. Olden (Slotervaartziekenhuis).
HR 8 april 2011, NJ 2011, 338 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2011/178 m.nt. Doorman (Bamford).
Hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, JOR 2012/143 m.nt. Doorman.
Inmiddels biedt het recht van Curaçao een eigen enquêterecht dat sterk lijkt op het Nederlandse. De vraag of een interregionale concernenquête mogelijk is, laat ik in het midden.
Een ander voorbeeld uit de rechtspraak waarin ruimhartig wordt omgegaan met de enquêtegerechtigdheid betreft de zogeheten concernenquête.1 Ook in deze jurisprudentie speelt de economische realiteit een belangrijke rol. Een bekend voorbeeld is de Landis-beschikking, waarin de Hoge Raad oordeelde dat een aandeelhouder van de moedervennootschap ook kon verzoeken om een enquête in haar drie 100% dochtervennootschappen. Dit, omdat deze dochtervennootschappen geen zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid kenden, nu zij en hun moedervennootschap samen een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden en er wat de samenstelling van de onderscheiden besturen betreft sprake was van een vrijwel volledige personele unie.
Uit deze motivering van de Hoge Raad blijkt reeds dat aandeelhouders van moedervennootschappen niet in het algemeen enquêtegerechtigd zijn ten aanzien van dochtervennootschappen.2 Of zij dat zijn hangt af van de omstandigheden van het geval, waarin de economische omstandigheden een belangrijke rol spelen. Bij het bepalen van de enquêtegerechtigdheid van aandeelhouders van moedervennootschappen aangaande dochtervennootschappen dient uiteraard ook rekening te worden gehouden met het bepaalde in de hierboven besproken Bamford-beschikking.3 Ik wijs er op dat inzake Bamford en Chinese Workers4 geen sprake kon zijn van een concernenquête, omdat de desbetreffende moedervennootschappen niet aan het (Nederlandse) enquêterecht waren onderworpen (het ging om vennootschappen die waren opgericht naar het recht van de Nederlandse Antillen5 en Hong Kong).