Ik kan uit de verklaringen die bij de raadsheer-commissaris zijn afgelegd niet opmaken om welke verwijten het hier zou gaan.
HR, 05-11-2024, nr. 23/03738
ECLI:NL:HR:2024:1578
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-11-2024
- Zaaknummer
23/03738
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1578, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:7913
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:856
ECLI:NL:PHR:2024:856, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1578
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0265
Uitspraak 05‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Verkrachting van 12-jarige/14-jarige stiefdochter die behoort tot gezin van 37-jarige/40-jarige verdachte, meermalen gepleegd (art. 242 (oud) jo. 248.2 (oud) Sr). Afwijzing van een bij e-mail gedaan en ttz. in hoger beroep gehandhaafd verzoek tot horen van getuige à décharge, die aanwezig was bij gesprek waarin slachtoffer heeft gezegd dat beschuldigingen in strijd met waarheid zijn, op de grond dat hof horen niet noodzakelijk acht. Afwijzing toereikend gemotiveerd? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2017:1015 m.b.t. motiveringseisen aan getuigenverzoeken en HR:2021:576 m.b.t. bijstelling van deze eisen bij getuige à charge. I.c. blijkt niet dat getuige (in vooronderzoek of anderszins) al verklaring had afgelegd met belastende strekking. Dat betekent dat uit HR:2017:1015 voortvloeiende regel geldt dat verzoek tot horen van getuigen door verdediging moet worden gemotiveerd. HR:2021:576 heeft daarin geen verandering gebracht (vgl. HR:2021:1931). Verdediging heeft aan verzoek om getuige te doen horen ten grondslag gelegd dat zijn echtgenote “bij raadsheer-commissaris gedetailleerd (heeft) verklaard dat slachtoffer bij haar thuis heeft gezegd dat beschuldigingen aan adres cliënt in strijd met waarheid zijn” en dat getuige en haar zoon erbij aanwezig waren toen slachtoffer die verklaring aflegde. Verdediging heeft hierover aangevoerd dat verklaring van getuige kan “bijdragen aan overtuiging dat slachtoffer in strijd met waarheid cliënt heeft beschuldigd van seksueel misbruik”. Hof heeft verzoek van verdediging om getuige en (nogmaals) echtgenote als getuige te doen horen afgewezen op de grond dat hof horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht. Daartoe heeft hof overwogen dat echtgenote als getuige is gehoord bij Rh-C en toen ook door verdediging is bevraagd, terwijl in cassatie niet wordt geklaagd over afwijzing door hof van verzoek om echtgenote nogmaals te doen horen. Verder komt uit p-v van tz. in hoger beroep naar voren dat ook haar zoon door Rh-C is gehoord. Tegen deze achtergrond ligt in afwijzing van verzoek om getuige te horen, als oordeel van hof besloten dat het zich voldoende ingelicht acht. Hof heeft daarbij kennelijk betrokken dat verdediging niet heeft aangeduid waarover getuige anders of meer zou kunnen verklaren dan door echtgenote en zoon al ten overstaan van Rh-C was gedaan, terwijl uit overwegingen van hof niet kan worden afgeleid dat het die verklaring van echtgenote niet aannemelijk acht en uit die overwegingen wel blijkt waarom het verklaring van slachtoffer die het voor bewijs heeft gebruikt, geloofwaardig acht. Oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03738
Datum 5 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 september 2023, nummer 21-005480-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op meer tijdstippen in de periode van 7 september 2018 tot en met 19 juni 2021 te Losser, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid een kind dat hij verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2006, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten:
- het betasten van de vagina en de borsten van die [slachtoffer] en
- het brengen van zijn vingers tussen de schaamlippen en in de vagina van die [slachtoffer] en
- het brengen van zijn tong tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en
- het laten betasten en aftrekken van zijn penis door die [slachtoffer] en
- het houden van zijn penis bij de mond van die [slachtoffer]
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid erin hebben bestaan dat verdachte:
- die [slachtoffer] heeft geslagen en in de keel van die [slachtoffer] heeft geknepen, toen die [slachtoffer] niet meewerkte en
- heeft gedreigd de woning in brand te steken en de broer van die [slachtoffer] mee te nemen en die [slachtoffer] uit huis te plaatsen, indien die [slachtoffer] niet mee zou werken en iemand zou vertellen over bovengenoemde seksuele handelingen en
- misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiend overwicht ten opzichte van die [slachtoffer], bestaande uit het fysieke overwicht en het leeftijdsverschil en het feit dat hij, verdachte, de stiefvader van die [slachtoffer] was en
- voorbij is gegaan aan de verbale en non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en
- (hierdoor) een bedreigende situatie heeft gecreëerd waaraan die [slachtoffer] zich niet kon onttrekken en waarin die [slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen bovengenoemde seksuele handelingen.”
2.2.2
Het hof heeft het vonnis in eerste aanleg bevestigd met aanvulling van gronden. Dit vonnis bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“4.3.1 Feiten waarover geen discussie bestaat
Verdachte is de stiefvader van [slachtoffer]. [slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 2006. Verdachte heeft haar jarenlang verzorgd en opgevoed als behorend tot zijn gezin, ook in de ten laste gelegde periode: van 7 september 2018 tot en met 19 juni 2021. Dit gezin woonde in Losser.
4.3.2
Verklaring [slachtoffer]
Op basis van de verklaring van [slachtoffer] stelt de rechtbank vast dat verdachte haar vanaf haar twaalfde levensjaar heeft gedwongen tot seksuele handelingen. Wat aanvankelijk begon als “kriebelen”, ontaardde daarna in seksuele handelingen van verschillende aard. Verdachte betastte de vagina van [slachtoffer], zowel over als onder haar kleding, en ook haar borsten. Hij ging met zijn vingers over haar vagina en tussen haar schaamlippen en bracht een of twee vingers in haar vagina. Ook likte hij met zijn tong tussen haar schaamlippen. Hij liet haar verder zijn penis vasthouden. Hij hield dan haar hand vast, bracht die om zijn penis en maakte bewegingen, waardoor hij zich door haar liet aftrekken. Ook bracht hij zijn penis bij het hoofd en de mond van [slachtoffer], in een poging zich door haar te laten pijpen.
[slachtoffer] probeerde die handelingen vergeefs te voorkomen. Bijvoorbeeld door haar benen stijf tegen elkaar te drukken. Door te zeggen dat het pijn deed, door te doen alsof ze sliep, zoals zij in het studioverhoor heeft verklaard. Verdachte, een volwassen man, wist dit verzet van het twaalf- tot veertienjarige meisje te breken en met zijn vingers toch in haar vagina te dringen. Meermalen heeft zij gezegd dat dit pijn deed. Hij liet zich daardoor niet weerhouden. Hij sloeg haar en kneep met beide handen om haar keel met het doel de seksuele handelingen met haar te kunnen verrichten.
Hij dreigde de woning in brand te steken, haar broertje mee te nemen en haar uit huis te laten plaatsen als zij aan zijn seksuele verlangens niet zou meewerken of als zij het aan anderen zou vertellen. Hij was zich van zijn strafbare gedrag bewust: hij vertelde haar dat hij ervoor in de gevangenis zou kunnen komen.
Door het fysieke geweld en door de bedreigingen brak hij haar weerstand en maakte hij de gezinssituatie voor [slachtoffer] zo onveilig dat zij gedurende al die jaren niemand heeft durven vertellen wat er gaande was.
4.3.3
Steunbewijs
De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen verklaringen van haar moeder, haar tante [getuige 4] en haar broertje [getuige 5].
De rechtbank kiest bij de bewijswaardering voor de oorspronkelijk door moeder op 21 juni 2021 afgelegde verklaringen, te weten de aangifte en de aanvulling daarop. De latere verklaringen en de onder ede door moeder ter terechtzitting afgelegde verklaring acht de rechtbank leugenachtig en volstrekt onbetrouwbaar.
Moeder en tante hebben verklaard wat [slachtoffer] hen heeft verteld. Zij hebben ook verklaard over haar gemoedstoestand daarbij en over het feit dat [slachtoffer] in feite gevlucht was naar haar tante en niet naar huis, naar haar stiefvader, terug wilde.
Moeder verklaart bij de politie ook wat zij zelf heeft waargenomen: dat zij vaak heeft gezien dat verdachte met [slachtoffer] en [getuige 5] in bed lag. En dat [slachtoffer] dan dicht tegen verdachte aan lag.
Ook verdachte zelf verklaart (p. 220) dat hij met [slachtoffer] en [getuige 5] in bed lag. [getuige 5] verklaart over een ook door [slachtoffer] beschreven specifieke situatie, waarbij [getuige 5] zag dat verdachte in het haar van [slachtoffer] zat, alsof hij er iets uit wilde halen. Deze situatie beschrijft [slachtoffer] als een moment waarop [getuige 5] thuis kwam terwijl verdachte met haar op de bank op schoot zat en seksuele handelingen bij haar verrichtte. [getuige 5] verklaart ook over de keren dat hij met verdachte en [slachtoffer] in bed lag en hij verdachte hoorde kreunen en bewegingen onder de deken waarnam.
4.3.4
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Het verweer van de verdediging houdt samengevat in dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is omdat:
- verdachte niet haar biologische vader is. maar een strenge stiefvader;
- [slachtoffer] minder aandacht kreeg na de geboorte van haar halfbroertje;
- [slachtoffer] is beïnvloed door haar tante [getuige 4] en haar partner:
- [slachtoffer] manipulatief, onhandelbaar en leugenachtig is en al geruime tijd seksueel actief. De aangevoerde argumenten zijn op onderdelen speculatief, gebaseerd op niet aannemelijk geworden beschuldigingen van moeder, dan wel irrelevant, zodat de rechtbank daarop niet in extenso zal ingaan.
De rechtbank heeft bij de feitenvaststelling de verklaring van [slachtoffer], zoals afgelegd in het studioverhoor op 24 juni 2021 als uitgangspunt genomen. De rechtbank ziet geen enkele reden om aan de wijze van totstandkoming en de inhoud van die verklaring te twijfelen. [slachtoffer] heeft uitgebreid, gedetailleerd, consistent en genuanceerd verklaard over de hierna bewezen te verklaren handelingen die door verdachte zijn gepleegd. Genuanceerd: zij heeft tal van seksuele handelingen genoemd, maar bijvoorbeeld niet dat verdachte met zijn penis in haar mond of vagina is binnengedrongen, wat voor de hand zou hebben gelegen als zij hem, zoals verdachte en moeder telkens beweren, vals wilde beschuldigen. Ook dat draagt bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.
De rechtbank weegt verder mee dat moeder in haar aangifte haar eigen dochter omschreef als een eerlijk meisje, dat nooit een vriendje had gehad, dat zij niet zo’n meisje was, dat ze haar geloofde en dat ze dit niet had kunnen verzinnen, het is zo gedetailleerd verteld. Ook vindt de rechtbank van belang dat moeder zegt te hebben gezien dat verdachte op een bepaalde manier naar [slachtoffer] keek als zij in haar ondergoed voorbij liep.
En de rechtbank hecht waarde aan de beschrijving van de emotionele toestand waarin [slachtoffer] verkeerde op de dag dat ze voor het eerst over het misbruik aan anderen vertelde. De broer van [slachtoffer], [getuige 6], verklaart bij de politie niet alleen over het dominante en agressieve gedrag van verdachte, maar ook dat [slachtoffer] op 19 juni 2021 huilend naar hem toe kwam en vertelde dat verdachte aan haar had gezeten.
Dat komt overeen met wat tante [getuige 4] verklaart dat [slachtoffer] helemaal overstuur was op 19 juni 2021, toen ze vertelde dat verdachte haar misbruikt had. Ze huilde en trilde. Moeder zag bovendien, zoals ze in haar aangifte zegt, dat [slachtoffer] eerlijk was toen ze het vertelde, dat moeder dat zag aan haar blik en ook zag dat ze brak toen ze het vertelde.
Ten slotte mag niet onvermeld blijven wat de inhoud was van het gesprek tussen verdachte en moeder op het moment dat verdachte net uit huis vertrokken was na de onthulling van [slachtoffer] en verdachte nog niet wist waarvan hij werd beschuldigd. De rechtbank citeert: “(....)[verdachte] antwoordde: “Dan heeft dat teringjonk het toch voor elkaar om ons uit elkaar te krijgen”. Hij zei: “Wat heeft ze lopen te vertellen, dat ik haar misbruik heb of zo? Ik ben geen pedofiel!” Ik heb toen de haak erop gegooid. Ik dacht dat is toch niet het eerste wat je zegt wat er in je opkomt. Hij had duizend andere dingen kunnen zeggen”.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met ‘teringjonk’ [slachtoffer] bedoelde. De geciteerde uitlating van verdachte en de reactie van moeder daarop zijn opmerkelijk, verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven voor zijn uitlating. Deze uitlating van verdachte en de reactie van moeder dragen bij aan de overtuiging dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.”
2.2.3
Het hof heeft deze bewijsoverwegingen van de rechtbank als volgt aangevuld:
“In hoger beroep is door de verdediging het verweer gevoerd dat de oorspronkelijke processen-verbaal van de verhoren van [getuige 7] van 21 juni 2021 en 15 juli 2021 niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De verbatim-uitwerkingen van deze verhoren zouden het vertrekpunt moeten zijn. Ook is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat onder meer uit het door [getuige 5] op 27 december 2021 handgeschreven briefje blijkt hoe hij door aangeefster onder druk is gezet om onwaarheden te verklaren.
Ondanks de handgeschreven briefjes van aangeefster en haar vriend acht het hof de verklaringen van aangeefster met betrekking tot het handelen van verdachte geloofwaardig en betrouwbaar. Aangeefster en haar vriend zijn na het schrijven van deze briefjes bij de raadsheer-commissaris gehoord. Daar heeft zij aangegeven dat het klopt wat zij bij de politie heeft verklaard. Naar aanleiding van het handgeschreven briefje is aan aangeefster toen de vraag gesteld of zij haar verklaring wilde intrekken omdat het misbruik niet zou zijn gebeurd. Daarop antwoordde aangeefster dat het wel gebeurd is tussen haar en verdachte. Voorts hebben aangeefster en haar vriend beide bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij onder druk zijn gezet door de moeder van aangeefster om de handgeschreven briefjes te schrijven en dit ook nader toegelicht. Het hof acht ook deze verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar en zal daarom uitgaan van de eerdere verklaringen van aangeefster.
Het hof acht het voorts niet aannemelijk dat aangeefster haar broertje [getuige 5] onder druk heeft gezet om de verklaring tegenover de medewerker van [Veilig Thuis] af te leggen, zoals door de verdediging ter terechtzitting is bepleit. Het hof merkt op dat de verklaringen van [getuige 5] zijn vastgelegd in een verslag van een kindgesprek dat een medewerker van [Veilig Thuis] op 23 juni 2021, dus kort nadat [slachtoffer] melding had gemaakt van het misbruik, met hem heeft gevoerd over de thuissituatie. [getuige 5] geeft daarbij onder meer aan dat hij zijn zus wel gelooft. Het hof vindt de verklaring van [getuige 5] betrouwbaar en is van oordeel dat de rechtbank terecht voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van hetgeen [getuige 5] op 23 juni 2021 heeft verklaard tegenover de medewerker van het [Veilig Thuis].
Verder is het hof van oordeel dat de verbatim-uitwerkingen van de verhoren van [getuige 7] op 21 juni 2021 en 15 juli 2021 geen ander beeld geven van haar verklaringen dan de weergave van die verhoren, zoals ze zich oorspronkelijk in het dossier bevonden. Het hof acht de verklaring van [getuige 7] van 21 juni 2021, die door de rechtbank voor het bewijs is gebruikt, dan ook net als de rechtbank, betrouwbaar. Die verklaring vindt steun in ander bewijs. Het feit dat de verbalisanten tijdens een onderbreking in het opnemen van de aangifte van [getuige 7], tegen elkaar een aantal opmerkingen hebben gemaakt over wat zij in het onderzoek van belang vinden – zoals het aspect van dwangmatigheid en dominantie – en hun opmerking dat ze dat moeten onderzoeken, maakt dat niet anders. Die opmerkingen geven – anders dan de verdediging stelt – geen blijk van een vooringenomenheid van de verbalisanten, waardoor zij niet meer in staat zouden zijn om het opnemen van de aangifte op een juiste wijze te doen.”
2.2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023 heeft de raadsman van de verdachte het verzoek gedaan [getuige 1] als getuige te horen. De aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota houdt daarover in:
“7. [getuige 1] (hierna: [getuige 1]) is de man van [getuige 2] voornoemd (de Hoge Raad begrijpt: de [getuige 2]) en schoonvader van [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft een periode bij de [schoonfamilie] ingewoond. [getuige 2] heeft bij de raadsheer-commissaris gedetailleerd verklaard dat [slachtoffer] bij haar thuis heeft gezegd dat haar beschuldigingen aan het adres van cliënt in strijd met de waarheid zijn. Over voornoemd contact heeft getuige [getuige 2] verklaard:
‘Op het moment dat [slachtoffer] vertelde dat haar verklaring niet zou kloppen waren mijn zoon en mijn man daar ook bij.’
8. De verdediging wenst onverminderd ook [getuige 1] te kunnen bevragen over (onder meer) deze wezenlijke uitingen van [slachtoffer]. Een verklaring van [getuige 1] kan daarom bijdragen aan de overtuiging dat [slachtoffer] in strijd met de waarheid cliënt heeft beschuldigd van seksueel misbruik.
Belang horen getuigen
9. De verklaring van voornoemde getuigen strekt tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde. Het horen van deze personen als getuige is hierom van belang voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artt. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Het horen van deze getuigen is (mogelijk) van belang voor de uitkomst van de procedure, althans versterken deze getuigen in ieder geval de positie van de verdediging. Het horen is dus in het belang van de verdediging. Daarnaast is het horen van deze getuigen tevens noodzakelijk. Zonder deze getuigen blijft (mogelijk) relevant ontlastend bewijs buiten het dossier.”
2.2.5
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige afgewezen. Het hof heeft deze afwijzing als volgt gemotiveerd:
“Ten aanzien van het verzoek tot het opnieuw horen van [getuige 2] heeft het hof overwogen dat zij op 9 januari 2023 als getuige is gehoord bij de raadsheer-commissaris. Zij is toen ook door de verdediging bevraagd. De enkele omstandigheid dat zij daarna nog audiofragmenten heeft toegestuurd, waarvan de context ook onduidelijk is, maakt niet dat het hof het noodzakelijk vindt haar nogmaals als getuige te horen. Hetzelfde geldt voor het horen van haar echtgenoot, [getuige 1]. Ook dit verzoek acht het hof niet noodzakelijk.”
2.3.1
In zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“3.7.3. Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering van het verzoek betrekking te hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing, en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.
3.8.1.
Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval – en met inachtneming van het toepasselijke criterium – moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM.
3.8.2.
In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.”
2.3.2
De uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in de zaak Keskin tegen Nederland (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16) heeft aanleiding gegeven de eisen met betrekking tot de onderbouwing van verzoeken van de verdediging tot het oproepen en horen van getuigen bij te stellen waar het gaat om getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd. In de terminologie van het EHRM betreft het dan ‘prosecution witnesses’ of getuigen à charge. Die bijstelling houdt – kort gezegd en voor zover hier van belang – in dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576.)
2.3.3
In deze zaak heeft de raadsman van de verdachte verzocht om [getuige 1] als getuige op te roepen en te horen. Uit het verzoek en de procesgang blijkt niet dat [getuige 1] – in het vooronderzoek of anderszins – al een verklaring had afgelegd met een belastende strekking, zodat het verzoek van de raadsman niet betrekking heeft op een getuige die een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking, zoals onder 2.3.2 bedoeld. Dat betekent dat de uit het hiervoor genoemde arrest van 4 juli 2017 voortvloeiende regel geldt dat het verzoek tot het horen van getuigen door de verdediging moet worden gemotiveerd. Het arrest van 20 april 2021 heeft daarin geen verandering gebracht. (Vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931.)
2.4
De verdediging heeft aan het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen ten grondslag gelegd dat zijn echtgenote [getuige 2] “bij de raadsheer-commissaris gedetailleerd [heeft] verklaard dat [slachtoffer] bij haar thuis heeft gezegd dat haar beschuldigingen aan het adres van cliënt in strijd met de waarheid zijn” en dat [getuige 1] en haar zoon ([getuige 8]) erbij aanwezig waren toen [slachtoffer] die verklaring aflegde. De verdediging heeft hierover aangevoerd dat een verklaring van [getuige 1] kan “bijdragen aan de overtuiging dat [slachtoffer] in strijd met de waarheid cliënt heeft beschuldigd van seksueel misbruik”.
2.5
Het hof heeft het verzoek van de verdediging om [getuige 1] en (nogmaals) [getuige 2] als getuige te horen afgewezen op de grond dat het hof het horen van deze getuigen niet noodzakelijk acht. Daartoe heeft het hof overwogen dat [getuige 2] als getuige is gehoord bij de raadsheer-commissaris en toen ook door de verdediging is bevraagd, terwijl in cassatie niet wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het verzoek om [getuige 2] nogmaals te horen. Verder komt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023 naar voren dat ook haar zoon [getuige 8] door de raadsheer-commissaris is gehoord. Tegen deze achtergrond ligt in de afwijzing van het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen, als oordeel van het hof besloten dat het zich voldoende ingelicht acht. Het hof heeft daarbij kennelijk betrokken dat de verdediging niet heeft aangeduid waarover [getuige 1] anders of meer zou kunnen verklaren dan door [getuige 2] en [getuige 8] al ten overstaan van de raadsheer-commissaris was gedaan, terwijl uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid dat het die verklaring van [getuige 2] niet aannemelijk acht en uit die overwegingen wel blijkt waarom het de verklaring van [slachtoffer] die het voor het bewijs heeft gebruikt, geloofwaardig acht. Gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verdenking van seksueel misbruik van stiefdochter. Zes middelen. Het eerste middel, dat klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige, slaagt volgens de AG. De conclusie strekt om die reden tot vernietiging van de uitspraak van het hof en terugwijzing naar dat hof.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03738
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 20 september 2023 het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 7 december 2021 conform het bepaalde in art. 423, eerste lid, Sv met aanvulling van de bewijsoverwegingen bevestigd, behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De verdachte is door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest, wegens “het misdrijf: verkrachting, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd”. Daarnaast heeft het hof de verdachte een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd, inhoudende dat de verdachte voor de duur van twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , het genoemde kind (hierna ook wel: [slachtoffer] ), subsidiair voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan een vervangende hechtenis van 14 dagen. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen voor een bedrag van € 10.013,34 en haar voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het hof heeft in dat verband aan de verdachte tevens een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd en daarbij de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 dagen bepaald. Tot slot heeft het hof de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens de verdachte heeft W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Het middel
3. Het eerste middel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige 1] als getuige, en valt gelet op de toelichting uiteen in de volgende twee deelklachten:
- het oordeel dat het verzoek niet noodzakelijk is, is ontoereikend gemotiveerd;
- de afwijzing van het verzoek is in het licht van het in art. 6, eerste lid, onder d, EVRM neergelegde recht op het ondervragen van defence witnesses onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd.
4. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Alvorens daartoe over te gaan, volgen hieronder eerst het verzoek van de verdediging en de beslissing van het hof op dat verzoek, alsook (voor de volledigheid) de bewijsoverwegingen van het hof.
Het verzoek van de verdediging en de beslissing van het hof op dat verzoek
5. De verdediging heeft zich per e-mail van 13 januari 2023 tot de voorzitter van het hof gericht met een aantal aanvullende onderzoekswensen, waaronder het horen van [getuige 1] als getuige. Dit verzoek houdt het volgende in (hier weergegeven zonder de voetnoten):
“[getuige 1]
1. [getuige 1] , wonende te [postcode] te [plaats] aan de [a-straat 1] en geboren op [geboortedatum] 1984.
[getuige 1] is de man van [getuige 2] en schoonvader van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft een periode bij [getuige 1] ingewoond. [getuige 2] heeft bij de raadsheer-commissaris gedetailleerd verklaard dat [slachtoffer] bij haar thuis heeft gezegd dat haar beschuldigingen aan het adres van cliënt in strijd met de waarheid zijn. Over voornoemd contact heeft [getuige 2] verklaard:
‘Op het moment dat [slachtoffer] vertelde dat haar verklaring niet zou kloppen waren mijn zoon en mijn man daar ook bij.’
De verdediging wenst [getuige 1] te kunnen bevragen over (onder meer) deze wezenlijke uitingen van [slachtoffer] . Een verklaring van [getuige 1] kan daarom bijdragen aan de overtuiging dat [slachtoffer] in strijd met de waarheid cliënt heeft beschuldigd van seksueel misbruik. De verklaring van [getuige 1] strekt zodoende tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde. Het horen van deze persoon als getuige is hierom van belang voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artt. 348 en 350 Sv te nemen beslissing.
Belang horen getuigen
Het horen van deze getuige is (mogelijk) van belang voor de uitkomst van de procedure, althans versterkt deze getuige in ieder geval de positie van de verdediging. Het horen van de hierboven genoemde getuige is dus in het belang van de verdediging.
In het geval Uw Hof het oordeel is toegedaan dat het verdedigingsbelang niet (meer) aan de orde is, merk ik op dat het horen van voornoemde getuigen tevens noodzakelijk is.
Wijze horen getuigen
De nadrukkelijke voorkeur van de verdediging gaat er naar uit dat [getuige 1] (onder ede) wordt gehoord bij de raadsheer-commissaris. Reden om deze getuige bij de raadsheer-commissaris te willen horen is voornamelijk gelegen in de mogelijke bereidheid daar vrijuit te verklaren; het betreft immers een delicate zedenzaak. Er bestaan aan de zijde van de verdediging geen bezwaren tegen het horen van deze getuige door een raadsheer uit de strafkamer die deze strafzaak gaat behandelen.”
6. Op 13 maart 2023 is namens de poortraadsheer de volgende beslissing op de verschillende onderzoekswensen, waaronder het verzoek tot het horen van [getuige 1] , kenbaar gemaakt aan de verdediging:
“In bovengenoemde zaak heeft u aanvullende onderzoekswensen ingediend.
Bijgevoegd kunt u kennisnemen van het advies van de advocaat-generaal met betrekking tot die onderzoekswensen.
In antwoord op uw verzoek deel ik u hierbij de beslissing van de poortraadsheer mede.
De poortraadsheer ziet vooralsnog geen aanleiding om in uw verzoeken te bewilligen. Desgewenst kunt u uw verzoeken ter terechtzitting herhalen.”
7. De verdediging heeft daarop per brief van 21 maart 2023, verstuurd bij e-mail van diezelfde datum, als volgt gereageerd:
“Op 13 maart 2023 ontvingen wij het bericht van de poortraadsheer […] dat er vooralsnog geen aanleiding was om in onze verzoeken te bewilligen. Naar het lijkt is echter enkel gereageerd op een onderzoekswens uit onze brief van 10 februari 2023 (wederom horen [getuige 2] ). De eerder ingediende onderzoekswensen uit de brief van 13 januari 2023 (bijlage 1) blijven onbesproken, ook in de meegezonden reactie van de advocaat-generaal. Daarnaast lijkt de poortraadsheer geen beslissing te hebben genomen omtrent het verzoek stukken aan het dossier toe te voegen.
Onderzoekswensen brief 13 januari 2023
Per brief van 13 januari 2023 is verzocht [getuige 1] te horen bij de raadsheer-commissaris. Ik verwijs Uw Hof vriendelijk naar de onderbouwing in die brief. Wel wordt benadrukt dat [getuige 1] nog niet eerder is gehoord. Op dit verzoek is nog niet gereageerd door de advocaat-generaal en is naar het lijkt ook nog geen beslissing genomen door de poortraadsheer.
[…]”
8. Op 20 juli 2023 is namens de poortraadsheer daarop het volgende aan mr. Stam (een van de raadsmannen) meegedeeld:
“[…]
De beslissing van de poortraadsheer van 13 maart 2023 zag op alle door u gedane verzoeken. Dat wil zeggen dat de poortraadsheer, gelet op de onderbouwing en in het licht van de inhoud van het strafdossier, vooralsnog geen reden ziet om in uw verzoeken tot het horen van [getuige 1] en het wederom horen van [getuige 2] te bewilligen. Ook de andere verzoeken (het digitaal onderzoek naar de herkomst van de op de telefoon van aangeefster aangetroffen foto’s en het voegen van de gevraagde audiobestanden) worden vooralsnog niet toegewezen. De poortraadsheer was volledig in de berichtgeving van 13 maart 2023 en ziet geen reden om die beslissing te herzien.
De zaak is afgesloten bij het kabinet raadsheer-commissaris en staat gepland voor inhoudelijke behandeling op 6 september a.s. in Zwolle.
Voor het doen van (verdere) verzoeken kunt u zich richten tot de voorzitter van het hof dan wel tot de advocaat-generaal.”
9. Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023 heeft de verdediging opnieuw een aantal onderzoekswensen gedaan. Ik citeer uit de pleitnota, voor zover hier van belang:
“[getuige 2]
4. [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) is de schoonmoeder van [slachtoffer] . Zij is op 9 januari 2023 al gehoord bij de raadsheer-commissaris. Na dit verhoor hebben zich echter ontwikkelingen voorgedaan die ertoe leiden dat is verzocht [getuige 2] nogmaals te horen als getuige.
5. Daags na het verhoor e-mailde deze getuige verschillende screenshots en audiobestanden. Uw Hof heeft deze stukken ontvangen op 10 februari 2023. Uit deze e-mail met stukken blijkt:
a. Dat zowel [getuige 3] (hierna; [getuige 3] ) als [slachtoffer] in strijd met de waarheid hebben verklaard over de lengte van hun relatie;
b. Dat [slachtoffer] telefonisch aan [getuige 2] heeft toegegeven – in strijd met haar verklaring bij de raadsheer-commissaris – dat zij na het openen van de uitnodiging voor het verhoor van 9 januari 2023 wel degelijk heeft gezegd dat zij haar tante moest berichten. Ook zou [slachtoffer] hebben bevestigd dat zij haar tante moest bellen om het verhaal ‘gelijk te krijgen’; en
c. Tot slot dat uit de meegezonden audio-opname blijkt dat [slachtoffer] vertelt niet terug te durven komen op haar belastende verklaring omdat ze bang is voor gek te worden verklaard en bovenal haar zoon kwijt te raken: ‘anders had ik het al lang gedaan’ waren haar woorden.
6. De verdediging wenst [getuige 2] opnieuw te kunnen bevragen, specifiek over de verwijten aan haar adres tijdens de verhoren bij de raadsheer-commissaris op 9 januari 2023 en de zojuist genoemde stukken.1.Haar verklaring kan bijdragen aan de overtuiging dat [slachtoffer] in strijd met de waarheid cliënt heeft beschuldigd van seksueel misbruik.
[getuige 1]
7. [getuige 1] (hierna; [getuige 1] ) is de man van [getuige 2] voornoemd en schoonvader van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft een periode bij de [schoonfamilie] ingewoond. [getuige 2] heeft bij de raadsheer-commissaris gedetailleerd verklaard dat [slachtoffer] bij haar thuis heeft gezegd dat haar beschuldigingen aan het adres van cliënt in strijd met de waarheid zijn. Over voornoemd contact heeft getuige [getuige 2] verklaard:
‘Op het moment dat [slachtoffer] vertelde dat haar verklaring niet zou kloppen waren mijn zoon en mijn man daar ook bij.’
8. De verdediging wenst onverminderd ook [getuige 1] te kunnen bevragen over (onder meer) deze wezenlijke uitingen van [slachtoffer] . Een verklaring van [getuige 1] kan daarom bijdragen aan de overtuiging dat [slachtoffer] in strijd met de waarheid cliënt heeft beschuldigd van seksueel misbruik.
Belang horen getuigen
9. De verklaring van voornoemde getuigen strekt tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde. Het horen van deze personen als getuige is hierom van belang voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artt. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Het horen van deze getuigen is (mogelijk) van belang voor de uitkomst van de procedure, althans versterken deze getuigen in ieder geval de positie van de verdediging. Het horen is dus in het belang van de verdediging. Daarnaast is het horen van deze getuigen tevens noodzakelijk. Zonder deze getuigen blijft (mogelijk) relevant ontlastend bewijs buiten het dossier.”
10. Na hervatting van het onderzoek heeft de voorzitter het volgende als beslissing van het hof medegedeeld:
“Ten aanzien van het verzoek tot het opnieuw horen van [getuige 2] heeft het hof overwogen dat zij op 9 januari 2023 als getuige is gehoord bij de raadsheer-commissaris. Zij is toen ook door de verdediging bevraagd. De enkele omstandigheid dat zij daarna nog audiofragmenten heeft toegestuurd, waarvan de context ook onduidelijk is, maakt niet dat het hof het noodzakelijk vindt haar nogmaals als getuige te horen. Hetzelfde geldt voor het horen van haar echtgenoot, [getuige 1] . Ook dit verzoek acht het hof niet noodzakelijk.”2.
De bewijsoverwegingen van het hof3.
11. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof arrest gewezen op 20 september 2023. Daarin is het beroepen vonnis van de rechtbank grotendeels bevestigd, met aanvulling door het hof van de bewijsoverwegingen van de rechtbank. Deze door het hof bevestigde bewijsoverwegingen houden het volgende in:
“4.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat op de terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
4.3.1
Feiten waarover geen discussie bestaat
Verdachte is de stiefvader van [slachtoffer] . [slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 2006. Verdachte heeft haar jarenlang verzorgd en opgevoed als behorend tot zijn gezin, ook in de ten laste gelegde periode van 7 september 2018 tot en met 19 juni 2021. Dit gezin woonde in [plaats] .
4.3.2
Verklaring [slachtoffer]
Op basis van de verklaring van [slachtoffer] stelt de rechtbank vast dal verdachte haar vanaf haar twaalfde levensjaar heeft gedwongen tot seksuele handelingen. Wat aanvankelijk begon als “kriebelen”, ontaardde daarna in seksuele handelingen van verschillende aard. Verdachte betastte de vagina van [slachtoffer] , zowel over als onder haar kleding, en ook haar borsten. Hij ging met zijn vingers over haar vagina en tussen haar schaamlippen en bracht een of twee vingers in haar vagina. Ook likte hij met zijn tong tussen haar schaamlippen. Hij liet haar verder zijn penis vasthouden. Hij hield dan haar hand vast, bracht die om zijn penis en maakte bewegingen, waardoor hij zich door haar liet aftrekken. Ook bracht hij zijn penis bij het hoofd en de mond van [slachtoffer] , in een poging zich door haar te laten pijpen.
[slachtoffer] probeerde die handelingen vergeefs te voorkomen. Bijvoorbeeld door haar benen stijf tegen elkaar te drukken. Door te zeggen dat het pijn deed, door te doen alsof ze sliep, zoals zij in het studioverhoor heeft verklaard. Verdachte, een volwassen man, wist dit verzet van het twaalf- tot veertienjarige meisje te breken en met zijn vingers toch in haar vagina te dringen. Meermalen heeft zij gezegd dat dit pijn deed. Hij liet zich daardoor niet weerhouden. Hij sloeg haar en kneep met beide handen om haar keel met het doel de seksuele handelingen met haar te kunnen verrichten.
Hij dreigde de woning in brand te steken, haar broertje mee te nemen en haar uit huis te laten plaatsen als zij aan zijn seksuele verlangens niet zou meewerken of als zij het aan anderen zou vertellen. Hij was zich van zijn strafbare gedrag bewust: hij vertelde haar dat hij ervoor in de gevangenis zou kunnen komen.
Door het fysieke geweld en door de bedreigingen brak hij haar weerstand en maakte hij de gezinssituatie voor [slachtoffer] zo onveilig dat zij gedurende al die jaren niemand heeft durven vertellen wat er gaande was.
4.3.3
Steunbewijs
De verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door de in de bewijsmiddelenbijlage opgenomen verklaringen van haar moeder, haar tante [getuige 4] en haar broertje [getuige 5] . De rechtbank kiest bij de bewijswaardering voor de oorspronkelijk door moeder op 21 juni 2021 afgelegde verklaringen, te weten de aangifte en de aanvulling daarop. De latere verklaringen en de onder ede door moeder ter terechtzitting afgelegde verklaring acht de rechtbank leugenachtig en volstrekt onbetrouwbaar.
Moeder en tante hebben verklaard wat [slachtoffer] hen heeft verteld. Zij hebben ook verklaard over haar gemoedstoestand daarbij en over het feit dat [slachtoffer] in feite gevlucht was naar haar tante en niet naar huis, naar haar stiefvader, terug wilde.
Moeder verklaart bij de politie ook wat zij zelf heeft waargenomen: dat zij vaak heeft gezien dat verdachte met [slachtoffer] en [getuige 5] in bed lag. En dat [slachtoffer] dan dicht tegen verdachte aan lag. Ook verdachte zelf verklaart (p. 220) dat hij met [slachtoffer] en [getuige 5] in bed lag.
[getuige 5] verklaart over een ook door [slachtoffer] beschreven specifieke situatie, waarbij [getuige 5] zag dat verdachte in het haar van [slachtoffer] zat, alsof hij er iets uit wilde halen. Deze situatie beschrijft [slachtoffer] als een moment waarop [getuige 5] thuis kwam terwijl verdachte met haar op de bank op schoot zat en seksuele handelingen bij haar verrichtte.
[getuige 5] verklaart ook over de keren dat hij met verdachte en [slachtoffer] in bed lag en hij verdachte hoorde kreunen en bewegingen onder de deken waarnam.
4.3.3
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Het verweer van de verdediging houdt samengevat in dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is omdat:
- verdachte niet haar biologische vader is, maar een strenge stiefvader;
- [slachtoffer] minder aandacht kreeg na de geboorte van haar halfbroertje;
- [slachtoffer] is beïnvloed door haar tante [getuige 4] en haar partner;
- [slachtoffer] manipulatief, onhandelbaar en leugenachtig is en al geruime tijd seksueel actief.
De aangevoerde argumenten zijn op onderdelen speculatief; gebaseerd op niet aannemelijk geworden beschuldigingen van moeder, dan wel irrelevant, zodat de rechtbank daarop niet in extenso zal ingaan.
De rechtbank heeft bij de feitenvaststelling de verklaring van [slachtoffer] , zoals afgelegd in het studioverhoor op 24 juni 2021, als uitgangspunt genomen. De rechtbank ziet geen enkele reden om aan de wijze van totstandkoming en de inhoud van die verklaring te twijfelen. [slachtoffer] heeft uitgebreid gedetailleerd, consistent en genuanceerd verklaard over de hierna bewezen te verklaren handelingen die door verdachte zijn gepleegd. Genuanceerd: zij heeft tal van seksuele handelingen genoemd, maar bijvoorbeeld niet dat verdachte met zijn penis in haar mond of vagina is binnengedrongen, wat voor de hand zou hebben gelegen als zij hem, zoals verdachte en moeder telkens beweren, vals wilde beschuldigen. Ook dat draagt bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.
De rechtbank weegt verder mee dat moeder in haar aangifte haar eigen dochter omschreef als een eerlijk meisje, dat nooit een vriendje had gehad, dat zij niet zo’n meisje was, dat ze haar geloofde en dat ze dit niet had kunnen verzinnen, het is zo gedetailleerd verteld. Ook vindt de rechtbank van belang dat moeder zegt te hebben gezien dat verdachte op een bepaalde manier naar [slachtoffer] keek als zij in haar ondergoed voorbij liep.
En de rechtbank hecht waarde aan de beschrijving van de emotionele toestand waarin [slachtoffer] verkeerde op de dag dat ze voor het eerst over het misbruik aan anderen vertelde. De broer van [slachtoffer] , [getuige 6] , verklaart bij de politie niet alleen over het dominante en agressieve gedrag van verdachte, maar ook dat [slachtoffer] op 19 juni 2021 huilend naar hem toe kwam en vertelde dat verdachte aan haar had gezeten.
Dat komt overeen met wat tante [getuige 4] verklaart: dat [slachtoffer] helemaal overstuur was op 19 juni 2021, toen ze vertelde dat verdachte haar misbruikt had. Ze huilde en trilde.
Moeder zag bovendien, zoals ze in haar aangifte zegt, dat [slachtoffer] eerlijk was toen ze het vertelde, dat moeder dat zag aan haar blik en ook zag dat ze brak toen ze het vertelde.
Tenslotte mag niet onvermeld blijven wat de inhoud was van het gesprek tussen verdachte en moeder op het moment dat verdachte net uit huis vertrokken was na de onthulling van [slachtoffer] en verdachte nog niet wist waarvan hij werd beschuldigd. De rechtbank citeert: “(....) [verdachte] antwoordde: “Dan heeft dat teringjonk het toch voor elkaar om ons uit elkaar te krijgen”. Hij zei: “Wat heeft ze lopen te vertellen, dat ik haar misbruik heb of zo? Ik ben geen pedofiel!” Ik heb toen de haak erop gegooid. Ik dacht dat is toch niet het eerste wat je zegt wat er in je opkomt. Hij had duizend andere dingen kunnen zeggen”.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met teringjonk: [slachtoffer] bedoelde. De geciteerde uitlating van verdachte en de reactie van moeder daarop zijn opmerkelijk, verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven voor zijn uitlating. Deze uitlating van verdachte en de reactie van moeder dragen bij aan de overtuiging dat verdachte zich aan het ten laste gelegde schuldig heeft gemaakt.”
12. Het hof heeft de bevestigde bewijsoverwegingen van de rechtbank, voor zover hier van belang, als volgt aangevuld:
“In hoger beroep is door de verdediging het verweer gevoerd dat de oorspronkelijke processen-verbaal van de verhoren van [getuige 7] van 21 juni 2021 en 15 juli 2021 niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. De verbatim-uitwerkingen van deze verhoren zouden het vertrekpunt moeten zijn. Ook is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat onder meer uit het door [getuige 5] op 27 december 2021 handgeschreven briefje blijkt hoe hij door aangeefster onder druk is gezet om onwaarheden te verklaren.
Ondanks de handgeschreven briefjes van aangeefster en haar vriend acht het hof de verklaringen van aangeefster met betrekking tot het handelen van verdachte geloofwaardig en betrouwbaar. Aangeefster en haar vriend zijn na het schrijven van deze briefjes bij de raadsheer-commissaris gehoord. Daar heeft zij aangegeven dat het klopt wat zij bij de politie heeft verklaard. Naar aanleiding van het handgeschreven briefje is aan aangeefster toen de vraag gesteld of zij haar verklaring wilde intrekken omdat het misbruik niet zou zijn gebeurd. Daarop antwoorde aangeefster dat het wel gebeurd is tussen haar en verdachte. Voorts hebben aangeefster en haar vriend beide bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij onder druk zijn gezet door de moeder van aangeefster om de handgeschreven briefjes te schrijven en dit ook nader toegelicht. Het hof acht ook deze verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar en zal daarom uitgaan van de eerdere verklaringen van aangeefster.
Het hof acht het voorts niet aannemelijk dat aangeefster haar broertje [getuige 5] onder druk heeft gezet om de verklaring tegenover de medewerker van [Veilig Thuis] af te leggen, zoals door de verdediging ter terechtzitting is bepleit. Het hof merkt op dat de verklaringen van [getuige 5] zijn vastgelegd in een verslag van een kindgesprek dat een medewerker van [Veilig Thuis] op 23 juni 2021, dus kort nadat [slachtoffer] melding had gemaakt van het misbruik, met hem heeft gevoerd over de thuissituatie. [getuige 5] geeft daarbij onder meer aan dat hij zijn zus wel gelooft. Het hof vindt de verklaring van [getuige 5] betrouwbaar en is van oordeel dat de rechtbank terecht voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van hetgeen [getuige 5] op 23 juni 2021 heeft verklaard tegenover de medewerker van het [Veilig Thuis] .
Verder is het hof van oordeel dat de verbatim-uitwerkingen van de verhoren van [getuige 7] op 21 juni 2021 en 15 juli 2021 geen ander beeld geven van haar verklaringen dan de weergave van die verhoren, zoals ze zich oorspronkelijk in het dossier bevonden. Het hof acht de verklaring van [getuige 7] van 21 juni 2021, die door de rechtbank voor het bewijs is gebruikt, dan ook net als de rechtbank, betrouwbaar. Die verklaring vindt steun in ander bewijs. Het feit dat de verbalisanten tijdens een onderbreking in het opnemen van de aangifte van [getuige 7] , tegen elkaar een aantal opmerkingen hebben gemaakt over wat zij in het onderzoek van belang vinden – zoals het aspect van dwangmatigheid en dominantie – en hun opmerking dat ze dat moeten onderzoeken, maakt dat niet anders. Die opmerkingen geven – anders dan de verdediging stelt – geen blijk van een vooringenomenheid van de verbalisanten, waardoor zij niet meer in staat zouden zijn om het opnemen van de aangifte op een juiste wijze te doen.”
De bespreking van het middel
13. Aan de verdachte is in hoger beroep tenlastegelegd het seksueel misbruiken van [slachtoffer] , zijn stiefdochter. De verdediging heeft de betrouwbaarheid van haar belastende verklaringen betwist en in dat kader voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak verschillende onderzoekswensen ingediend bij het hof. Een van deze onderzoekswensen betreft het verzoek tot het horen van [getuige 1] , de schoonvader van [slachtoffer] , bij wie zij een tijd heeft ingewoond. Aanleiding voor dit verzoek is het getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris van zijn vrouw, tevens schoonmoeder van [slachtoffer] , [getuige 2] . [getuige 2] heeft aldaar verklaard dat [slachtoffer] heeft gezegd dat haar beschuldigingen aan het adres van de verdachte in strijd zijn met de waarheid. Haar man, [getuige 1] , en haar zoon zouden erbij zijn geweest toen [slachtoffer] deze uitlatingen deed. De verdediging heeft het hof vervolgens schriftelijk verzocht [getuige 1] als getuige te horen ten einde hem te bevragen over deze, voor de verdachte, ontlastende uitlatingen van [slachtoffer] en aldus het standpunt van de verdediging dat de belastende verklaringen van [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn nader te kunnen staven. Het betreft derhalve een verzoek tot het horen van een getuige die mogelijk ontlastend kan verklaren (een getuige à décharge, oftewel een defence witness). De poortraadsheer heeft dit verzoek in het hierboven aangehaalde e-mailbericht van 20 juli 2023 zonder nadere motivering afgewezen en slechts geattendeerd op de mogelijkheid het verzoek ter terechtzitting te herhalen.
14. Namens de verdachte is dit verzoek inderdaad tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 6 september 2023 gedaan, samen met andere onderzoekswensen zoals het opnieuw horen van [getuige 2] als getuige. Het hof heeft deze verzoeken op die terechtzitting afgewezen. De overweging van het hof ten aanzien van laatstgenoemd verzoek houdt in dat [getuige 2] reeds als getuige is gehoord en toen ook door de verdediging is bevraagd, en dat de enkele omstandigheid dat zij naderhand nog audiofragmenten heeft toegestuurd er niet toe leidt dat het hof het noodzakelijk acht haar nogmaals te horen. Direct daarop laat het hof volgen dat “hetzelfde geldt voor het horen van haar echtgenoot [getuige 1] ”. Naar het oordeel van het hof is ook dat verzoek niet noodzakelijk.
15. Het middel behelst (als gezegd) in de eerste plaats de klacht dat ’s hofs beslissing op het verzoek tot het horen van [getuige 1] ontoereikend is gemotiveerd. Deze klacht is mijns inziens gegrond. Het hof heeft naar het mij voorkomt niet nader gemotiveerd waarom het van oordeel is dat het horen van [getuige 1] als getuige niet noodzakelijk is. Evenmin heeft het hof er blijk van gegeven te hebben getoetst of – met deze afwijzing – de overall fairness van het strafproces als bedoeld in art. 6 EVRM niettemin is gewaarborgd.4.Zulks, naar ik meen, ten onrechte. Ook in een geval als dit, waarin het verzoek betrekking heeft op het horen van een ontlastende getuige – en de (Post-)Keskin-rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad dienvolgens niet van toepassing is –, mag van de rechter een gemotiveerde beslissing worden verlangd, mits het verzoek voldoende is onderbouwd.5.Hoe uitgebreider het verzoek is onderbouwd, met des te meer overtuigingskracht zal de rechter een afwijzende beslissing daarop moeten motiveren, aldus De Graaf.6.Mede gelet op de onderbouwing van het door de verdediging gedane verzoek en het belang daarvan voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing, had het hof zijn beslissing naar mijn mening van een nadere motivering moeten voorzien.
16. Voor zover ’s hofs beslissing zou moeten worden begrepen in het licht van zijn daaraan voorafgaande overwegingen over het verzoek tot het wederom horen van [getuige 2] , geldt dat deze overwegingen de afwijzing van het verzoek tot het horen van [getuige 1] niet kunnen dragen. Hij is, anders dan [getuige 2] , immers in deze strafprocedure niet eerder als getuige gehoord, dus ook niet bij de raadsheer-commissaris. Bovendien wenste de verdediging hem niet (zozeer) te horen over de genoemde audiofragmenten, maar over ontlastende uitlatingen die [slachtoffer] zou hebben gedaan in zijn bijzijn.
17. Dit motiveringsgebrek wordt mijns inziens ook niet ondervangen door de hiervoor aangehaalde (aanvullende) bewijsoverwegingen van het hof. Het hof heeft weliswaar overwegingen gewijd aan de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen van [slachtoffer] , maar daarin heeft het hof de getuigenverklaring van [getuige 2] dat [slachtoffer] in gesprekken met haar en [getuige 1] zou zijn teruggekomen van de inhoud van haar belastende verklaringen niet betrokken.7.
18. Op grond van het voorgaande meen ik dat ’s hofs oordeel dat het horen van [getuige 1] als getuige niet noodzakelijk is, zonder nader motivering, die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk is.8.
Slotsom
19. Het eerste middel slaagt. Om die reden kan, denk ik, een bespreking van de overige middelen achterwege blijven. Mocht Uw Raad een bespreking van een of meer van die andere middelen (niettemin) geboden achten, dan ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
20. Overige gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.9.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑09‑2024
Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2023, blad 4.
Deze overwegingen heb ik hier opgenomen om te laten zien dat hierin geen overweging is terug te vinden die gewijd is aan het afwijzen van het verzoek van de verdediging om [getuige 1] als getuige te horen.
Ik verwijs naar HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1461. Het schijnt mij toe dat uit dit arrest volgt dat óók in gevallen waarin het Keskin-kader niet van toepassing is, tot uitgangspunt moet worden genomen dat de verdachte op grond van art. 6 EVRM het recht heeft belastend bewijsmateriaal te betwisten en dat, als die mogelijkheid ontbreekt, de overall fairness moet worden beoordeeld en gewaarborgd. Hoewel het verzoek in die zaak niet zag op een ontlastende getuige, vermag ik, mede tegen de achtergrond van de relevante EHRM rechtspraak over het ondervragingsrecht van defence witnesses (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin/Nederland), rov.42-43; EHRM 18 december 2018, nr. 36658/05 (Murtazaliyeva/Rusland), rov. 158), niet in te zien waarom een dergelijk uitgangspunt niet ook in een geval als het onderhavige zou hebben te gelden.
O.a. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans (rov. 3.8.1).
F.C.W. de Graaf, ‘Belastende en ontlastende getuigen in de rechtspraak van het EHRM’, DD 2022/3, p. 44.
Had het hof wél geëxpliciteerd waarom het geen acht heeft geslagen op deze getuigenverklaring, dan hadden in die overwegingen mogelijk ook de gronden besloten gelegen voor zijn oordeel dat het niet noodzakelijk is [getuige 1] te horen.
Nu de bewezenverklaring in overwegende mate steunt op de belastende verklaringen van [slachtoffer] en de verdediging het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige heeft gedaan juist ten einde die verklaringen van [slachtoffer] te (kunnen) betwisten, meen ik dat de verdachte ook voldoende belang heeft bij vernietiging van de bestreden uitspraak.
Ik heb nog nagegaan wat de vernietiging van de onderhavige uitspraak betekent voor de beslissing van het hof tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis. Uit art. 75, achtste lid, Sv maak ik op dat dit bevel tot dertig dagen nadien onverminderd van kracht blijft.