Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/13.6.7.2
13.6.7.2 Beperkte(re) meewerkplicht ‘klassieke’ geheimhouders
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495870:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Met het begrip ‘verdachte’ heb ik in deze studie niet alleen het oog op de verdachte in strafrechtelijke zin, maar ook degene die ervan wordt verdacht een bestuurlijk beboetbare overtreding te hebben begaan ofwel de ‘boeteling’. Ik zal deze begrippen door elkaar heen, samen gebruiken.
Vgl. HR 27 maart 1940, B. nr. 7138. Daarin oordeelt de HR dat een advocaat zich voor een weigering om te voldoen aan de verplichting ingevolge art. 70 en 74 Wet IB 1914, niet met vrucht kon beroepen op een beslissing van de Raad van Toezicht en Discipline, dat hij de boeken van zijn praktijk niet mocht tonen, noch daarvan inzage mocht verstrekken. Zie nadien HR 23 januari 1965, NJ 1965, 388.
Vgl. Hof ‘s-Gravenhage 6 september 1990, NJ 1992, 288.
Die belangenafweging kan echter ook ertoe leiden dat bij twijfel over de woon- of vestigingsplaats, meer of andere informatie wordt verstrekt.
In art. 51 AWR is vastgelegd dat voor een weigering om te voldoen aan de in de art. 47, 47a, 47b, 48 en 49 AWR omschreven verplichtingen, niemand zich met vrucht kan beroepen op de omstandigheden dat hij uit enigerlei hoofde tot geheimhouding verplicht is.1 Hierop sluit aan het fiscaal verschoningsrecht ex art. 53a AWR. In het kader van een derdenonderzoek kunnen bepaalde ‘klassieke' geheimhouders zich op dit recht beroepen. Het belang hiervan voor de nemo tenetur-problematiek is vooral dat de advocaat die de verdachte in fiscale boetezaken (hierna ook: de (fiscale) boeteling)2 bijstaat, mogelijk belastende informatie die hij van zijn cliënt (of anderszins) heeft verkregen, niet hoeft te delen met de inspecteur.
Doorwerking verschoningsrecht naar de eigen belastingaangelegenheden
In de praktijk zal een verschoningsgerechtigde zich in het kader van een onderzoek naar de eigen belastingaangelegenheden op een hem toekomend wettelijk verschoningsrecht willen beroepen.3 De rechtspraak is aanleiding te vermoeden dat de belastingkamer van de HR dit beroep op het verschoningsrecht zal verwerpen.4 De status van verschoningsgerechtigde kan wel van invloed zijn op de vraagstelling door de inspecteur.5 Gedacht kan worden aan een omzetbelastingcontrole, waarbij een advocaat of notaris wordt gevraagd aan te geven aan welke personen diensten zijn verleend en waar die cliënten woonachtig of gevestigd zijn; bijvoorbeeld om vast te stellen of het 0%-tarief juist is toegepast. Goed voorstelbaar is dat de verschoningsgerechtigde dan geen inzicht hoeft te geven in de identiteit van zijn cliënten, maar kan volstaan met hun woon- of vestigingsplaats. Sterker, redelijke belangenafweging uit hoofde van behoorlijk bestuur, duidt daarop.6
Informeel verschoningsrecht
Ik wijs volledigheidshalve op § 13.3.2.3 hiervoor. Daarin kwam kort gezegd ter sprake dat het beginsel van fair play verzet zich ertegen dat de inspecteur van zijn bevoegdheid ex art. 47 AWR gebruik maakt om kennis te krijgen van rapporten en andere geschriften van derden, voor zover zij ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daarover te adviseren.