Procestaal: Nederlands.
HvJ EU, 11-06-2024, nr. C-646/21
ECLI:EU:C:2024:487
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-06-2024
- Magistraten
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Arabadjiev, C. Lycourgos, E. Regan, F. Biltgen, N. Piçarra, P.G. Xuereb, L.S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer
- Zaaknummer
C-646/21
- Conclusie
A. Collins
- Roepnaam
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Personnes s’identifiant aux valeurs de l’Union)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:487, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑06‑2024
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBDHA:2021:11524
ECLI:EU:C:2023:581, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑07‑2023
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBDHA:2021:11524
Uitspraak 11‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Gemeenschappelijk asielbeleid — Richtlijn 2011/95/EU — Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de vluchtelingenstatus — Artikel 2, onder d) en e) — Gronden van vervolging — Artikel 10, lid 1, onder d), en lid 2 — ‘Behoren tot een bepaalde sociale groep’ — Artikel 4 — Beoordeling van feiten en omstandigheden op individuele basis — Richtlijn 2013/32/EU — Artikel 10, lid 3 — Vereisten voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming — Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Belang van het kind — Vaststelling — Minderjarige derdelanders die zich als gevolg van hun verblijf in een lidstaat vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Arabadjiev, C. Lycourgos, E. Regan, F. Biltgen, N. Piçarra, P.G. Xuereb, L.S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer
Partij(en)
In zaak C-646/21,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch (Nederland) bij beslissing van 22 oktober 2021, ingekomen bij het Hof op 25 oktober 2021, in de procedure
K,
L
tegen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, C. Lycourgos, E. Regan, F. Biltgen en N. Piçarra (rapporteur), kamerpresidenten, P. G. Xuereb, L. S. Rossi, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele en J. Passer, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: A. Lamote, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 april 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
K en L, vertegenwoordigd door B. W. M. Toemen en Y. E. Verkouter, advocaten, bijgestaan door S. Rafi, deskundige,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, A. Hanje en A. M. de Ree als gemachtigden,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door L. Halajová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Griekse regering, vertegenwoordigd door M. Michelogiannaki en T. Papadopoulou als gemachtigden,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigden,
- —
de Franse regering, vertegenwoordigd door A.-L. Desjonquères en J. Illouz als gemachtigden,
- —
de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Zs. Biró-Tóth en M. Z. Fehér als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma en F. Wilman als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juli 2023,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en van artikel 10, lid 1, onder d), en lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K en L, enerzijds, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Nederland) (hierna: ‘Staatssecretaris’), anderzijds, betreffende de afwijzing door deze laatste van de door K en L ingediende volgende verzoeken om internationale bescherming.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
Verdrag van Genève
3
Artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], dat op 22 april 1954 in werking is getreden en dat is aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op 31 januari 1967 te New York is gesloten en op 4 oktober 1967 in werking is getreden (hierna: ‘Verdrag van Genève’), bepaalt dat ‘[v]oor de toepassing van dit verdrag […] als ‘vluchteling’ [geldt] elke persoon [die] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, […]’.
CEDAW
4
Artikel 1 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (hierna: ‘CEDAW’), dat op 18 december 1979 is vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en op 3 september 1981 in werking is getreden (United Nations Treaty Series, deel 1249, nr. I-20378, blz. 13), waarbij alle lidstaten partij zijn, bepaalt dat ‘[v]oor de toepassing van dit verdrag […] onder ‘discriminatie van vrouwen’ [wordt] verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting of beperking op grond van geslacht, die tot gevolg of tot doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening door vrouwen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, op het terrein van de burgerrechten of welk ander gebied dan ook, ongeacht hun huwelijkse staat, op de grondslag van gelijkheid van mannen en vrouwen aan te tasten of teniet te doen’.
5
Artikel 3 van dit verdrag bepaalt dat de staten die partij zijn op alle gebieden, in het bijzonder op politiek, sociaal, economisch en cultureel gebied, alle passende maatregelen nemen, waaronder wetgevende, om de volledige ontplooiing en ontwikkeling van vrouwen te verzekeren, teneinde hen de uitoefening en het genot van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op gelijke voet met mannen te waarborgen.
6
Volgens artikel 5 van dat verdrag moeten de staten die partij zijn alle passende maatregelen nemen om het sociale en culturele gedragspatroon van de man en de vrouw te veranderen teneinde te komen tot de uitbanning van vooroordelen, van gewoonten en van alle andere gebruiken die zijn gebaseerd op de gedachte van de minderwaardigheid of meerderwaardigheid van een van beide geslachten of op de stereotiepe rollen voor mannen en vrouwen.
7
Luidens de artikelen 7, 10 en 16 van dat verdrag nemen de staten die partij zijn alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven van het land, op het gebied van onderwijs alsook in alle aangelegenheden betreffende huwelijk en familiebetrekkingen, uit te bannen.
Verdrag van Istanbul
8
Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, gesloten te Istanbul op 11 mei 2011, door de Europese Unie ondertekend op 13 juni 2017 en namens haar goedgekeurd bij besluit (EU) 2023/1076 van de Raad van 1 juni 2023 (PB 2023, L 143 I, blz. 4) (hierna: ‘Verdrag van Istanbul’), dat voor de Unie in werking is getreden op 1 oktober 2023, heeft volgens artikel 1 ervan onder meer tot doel om vrouwen te beschermen tegen alle vormen van geweld en geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen, te vervolgen en uit te bannen, en tevens bij te dragen aan de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en wezenlijke gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, mede door de eigen kracht van vrouwen te versterken.
9
In artikel 3 van dit verdrag wordt verduidelijkt dat, voor de toepassing ervan, ‘geweld tegen vrouwen’ wordt beschouwd als een schending van de mensenrechten en een vorm van discriminatie van vrouwen en dat hieronder wordt verstaan alle vormen van gendergerelateerd geweld die leiden of waarschijnlijk zullen leiden tot fysiek, seksueel of psychologisch letsel of leed of economische schade voor vrouwen, met inbegrip van bedreiging met dit soort geweld, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit in het openbaar of in de privésfeer geschiedt.
10
Artikel 4, lid 2, van dat verdrag bepaalt:
‘De partijen veroordelen alle vormen van discriminatie van vrouwen en nemen onverwijld de nodige wetgevende en andere maatregelen om discriminatie te voorkomen, in het bijzonder door:
- —
het verankeren van het beginsel van gelijkheid van vrouw en man in hun nationale grondwet of in andere passende wetgeving en erop toe te zien dat het in de praktijk wordt gebracht;
- —
het verbieden van discriminatie van vrouwen, waar nodig met behulp van sancties;
- —
het afschaffen van wetten en praktijken die discriminerend zijn voor vrouwen.’
11
Artikel 60 van het Verdrag van Istanbul is als volgt geformuleerd:
- ‘1.
De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen kan worden erkend als een vorm van vervolging in de zin van artikel 1, A, punt 2, van het [Verdrag van Genève] en als een vorm van ernstig gevaar die aanleiding geeft voor aanvullende/extra bescherming.
- 2.
De partijen waarborgen dat elk van de gronden uit [het Verdrag van Genève] op gendersensitieve wijze wordt uitgelegd en dat, indien wordt vastgesteld dat er op basis van een of meer van deze gronden reden is voor vrees voor vervolging, de aanvragers de vluchtelingenstatus wordt toegekend in overeenstemming met de van toepassing zijnde instrumenten.
[…]’
Unierecht
Richtlijn 2011/95
12
In de overwegingen 4, 16, 18 en 30 van richtlijn 2011/95 staat te lezen:
- ‘(4)
Het Verdrag van Genève en het protocol vormen de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.
[…]
- (16)
Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name erkend zijn in het [Handvest]. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid en het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle te eerbiedigen en de toepassing van de artikelen 1, 7, 11, 14, 15, 16, 18, 21, 24, 34 en 35 van [het] [H]andvest te bevorderen, en dient [zij] derhalve dienovereenkomstig te worden toegepast.
[…]
- (18)
Het ‘belang van het kind’ dient bij de uitvoering van deze richtlijn een van de hoofdoverwegingen van de lidstaten te zijn, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989. Bij de beoordeling van het belang van het kind dienen de lidstaten met name terdege rekening te houden met het beginsel van eenheid van gezin, het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.
[…]
- (30)
Het is evenzeer nodig tot een gemeenschappelijke opvatting te komen aangaande de vervolgingsgrond ‘het behoren tot een bepaalde sociale groep’. Bij het omschrijven van een bepaalde sociale groep moet, voor zover deze verband houden met de gegronde vrees voor vervolging van de verzoeker, terdege rekening worden gehouden met genderaspecten, met inbegrip van genderidentiteit en seksuele gerichtheid, die kunnen samenhangen met bepaalde juridische tradities en gewoonten, en die bijvoorbeeld kunnen leiden tot genitale verminking, gedwongen sterilisatie of gedwongen abortus.’
13
Artikel 2 (‘Definities’) van deze richtlijn luidt als volgt:
‘In deze richtlijn gelden de volgende definities:
- a)
‘internationale bescherming’: de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus zoals omschreven in de punten e) en g);
[…]
- d)
‘vluchteling’: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is;
- e)
‘vluchtelingenstatus’: de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als vluchteling;
[…]
- i)
‘verzoeker’: een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;
[…]
- k)
‘minderjarige’: een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar;
[…]
- n)
‘land van herkomst’: het land of de landen van de nationaliteit of, voor staatlozen, van de vroegere gewone verblijfplaats.’
14
Artikel 4 (‘Beoordeling van feiten en omstandigheden’) van die richtlijn, dat is opgenomen in hoofdstuk II betreffende de ‘beoordeling van verzoeken om internationale bescherming’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.
- 2.
De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.
- 3.
De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
- a)
alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
[…]
- c)
de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;
[…]
- 5.
Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:
[…]
- c)
de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden […];
[…]
- e)
vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.’
15
Artikel 9 (‘Daden van vervolging’) van dezelfde richtlijn bepaalt in de leden 1 en 2:
- ‘1.
Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
- a)
zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of
- b)
een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).
- 2.
Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:
[…]
- f)
daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.’
16
Artikel 10 (‘Gronden van vervolging’) van richtlijn 2011/95 bepaalt:
- ‘1.
Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:
[…]
- d)
een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:
- —
leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
- —
de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
[…] Er wordt terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd;
[…]
- 2.
Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de […] sociale […] kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.’
17
Artikel 20 van deze richtlijn, dat deel uitmaakt van hoofdstuk VII, ‘Kenmerken van de internationale bescherming’, bepaalt in de leden 3 en 5:
- ‘3.
Bij de toepassing van dit hoofdstuk houden de lidstaten rekening met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen […] [en] alleenstaande ouders met minderjarige kinderen […].
[…]
- 5.
Bij de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk die betrekking hebben op minderjarigen, laten de lidstaten zich primair leiden door het belang van het kind.’
Richtlijn 2013/32
18
Artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60) definieert een ‘volgend verzoek’ als ‘een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, […]’.
19
Artikel 10 (‘Vereisten voor de behandeling van verzoeken’) van deze richtlijn bepaalt in lid 3:
‘De lidstaten zorgen ervoor dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:
- a)
het onderzoek naar en de beslissing over verzoeken individueel, objectief en onpartijdig wordt verricht, respectievelijk genomen;
- b)
er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld uit verschillende bronnen, zoals het [Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO)] en de [Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR)], en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van verzoekers […] en dat het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken;
[…]
- d)
het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de mogelijkheid heeft om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze, kind- of gendergerelateerde kwesties.’
20
Luidens artikel 14, lid 1, vierde alinea, van die richtlijn ‘[kunnen] de lidstaten […] in hun nationale wetgeving voorschrijven in welke gevallen een minderjarige de gelegenheid moet krijgen voor een persoonlijk onderhoud’.
21
Artikel 15, lid 3, van dezelfde richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een persoonlijk onderhoud plaatsvindt in zodanige omstandigheden dat een verzoeker de gronden voor zijn verzoek uitvoerig uiteen kan zetten. Met het oog hierop dienen de lidstaten:
[…]
- e)
ervoor te zorgen dat een onderhoud met een minderjarige wordt afgenomen op een kindvriendelijke manier.’
22
Artikel 40 (‘Volgende verzoeken’) van richtlijn 2013/32 bepaalt in lid 2:
‘Om krachtens artikel 33, lid 2, onder d), een beslissing over de ontvankelijkheid van een verzoek om internationale bescherming te nemen, wordt een volgend verzoek om internationale bescherming eerst aan een voorafgaand onderzoek onderworpen om uit te maken of er nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn of door de verzoeker zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt krachtens [richtlijn 2011/95].’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
23
K en L, verzoeksters in het hoofdgeding, zijn zussen met de Iraakse nationaliteit die in 2003 respectievelijk 2005 geboren zijn. Zij zijn in 2015 samen met hun ouders en hun tante in Nederland aangekomen, waar zij sedertdien onafgebroken verblijven. Op 7 november 2015 hebben hun ouders in hun eigen naam en namens K en L asielaanvragen ingediend, die op 17 februari 2017 zijn afgewezen. Deze afwijzende besluiten zijn in 2018 definitief geworden.
24
Op 4 april 2019 hebben K en L volgende verzoeken in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32 ingediend. Deze zijn bij besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 december 2020 kennelijk ongegrond verklaard. Ter aanvechting van die afwijzende besluiten betogen K en L voor de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch (Nederland), de verwijzende rechter, dat zij door hun langdurige verblijf in Nederland de normen, waarden en gedragingen van hun leeftijdgenoten hebben overgenomen en dat zij dus zijn ‘verwesterd’. Daardoor menen zij dat zij als jonge vrouwen zelf keuzes kunnen maken over hun bestaan en hun toekomst, met name wat betreft de omgang met personen van het mannelijke geslacht, het al dan niet trouwen, studie, werk, en het vormen en uiten van hun politieke en religieuze opvattingen. Zij vrezen in geval van terugkeer naar Irak te worden vervolgd op grond van hun identiteit zoals zij die hebben gevormd in Nederland, waar zij normen, waarden en gedragingen hebben aangenomen die verschillen van die welke gangbaar zijn in hun land van herkomst, en die voor hun identiteit en hun morele integriteit dermate fundamenteel zijn geworden dat zij deze niet kunnen opgeven. Zij stellen daardoor te behoren tot een ‘specifieke sociale groep’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95.
25
K en L voeren tevens aan dat zij door dit langdurige verblijf in Nederland nu in dit land zijn geworteld en in geval van gedwongen vertrek ontwikkelingsschade zullen lijden. Deze zou bovenop de ontwikkelingsschade komen die zij reeds hebben opgelopen door de lange periode van onzekerheid over het al dan niet verkrijgen van een verblijfsvergunning in deze lidstaat.
26
In die context vraagt de verwijzende rechter vraagt zich in de eerste plaats af hoe het begrip ‘behoren tot een bepaalde sociale groep’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 moet worden uitgelegd. Hij is van oordeel dat het begrip ‘verwestering’ verband houdt met de gelijkheid tussen vrouwen en mannen en meer in het bijzonder met het recht van vrouwen op bescherming tegen iedere vorm van gendergerelateerd geweld, alsook het recht om niet te worden gedwongen te trouwen, om zelf te kiezen of zij een geloof willen aanhangen en om eigen politieke opvattingen te hebben en deze te uiten.
27
Deze rechter brengt in herinnering dat ‘verwesterde vrouwen’ volgens de rechtsspraak van de Raad van State (Nederland) een groep vormen die te divers is opdat die vrouwen kunnen worden geacht te behoren tot een ‘specifieke sociale groep’ als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95, en dat een eventuele ‘verwestering’ in de nationale rechtspraktijk wordt onderzocht als een grond van vervolging die ofwel verband houdt met religie, ofwel met politieke overtuigingen.
28
In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af op welke wijze het door artikel 24, lid 2, van het Handvest gewaarborgde belang van het kind in aanmerking moet worden genomen in het kader van de procedure voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming. Hij vindt geen aanwijzingen in het Unierecht over de manier waarop dat belang moet worden vastgesteld.
29
Deze rechter brengt dienaangaande in herinnering dat volgens het arrest van 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van een niet-begeleide minderjarige) (C-441/19, EU:C:2021:9, punt 45), de belangen van het kind overeenkomstig artikel 24, lid 2, van het Handvest bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties dan wel particuliere instellingen, een essentiële overweging moeten vormen, en vraagt zich af of een nationale rechtspraktijk waarbij eerst de bevoegde autoriteit bij het beslissen over het verzoek om internationale bescherming het belang van het kind algemeen beoordeelt, en pas daarna de verzoeker het aldus vastgestelde besluit kan aanvechten door concreet aan te tonen dat zijn belang als kind tot een ander besluit moet leiden, verenigbaar is met Unierecht.
30
In de derde plaats merkt deze rechter op dat de schade die K en L stellen te hebben geleden als gevolg van hun onzekere situatie in Nederland geen verband houdt met gronden van vervolging in hun land van herkomst, en hij vraagt zich af of het belang van het kind desalniettemin vereist dat dergelijke schade in het kader van de behandelingsprocedure in verband met een verzoek om internationale bescherming in aanmerking wordt genomen en, zo ja, op welke wijze.
31
In de vierde plaats ten slotte vraagt deze rechter zich af of een nationale rechtspraktijk waarbij de autoriteit die beslist op een ‘volgend verzoek’ in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32 niet verplicht is om ambtshalve het verblijfsrecht van de verzoeker op ‘reguliere gronden’ te onderzoeken, verenigbaar is met het Unierecht.
32
Daarop heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Dient artikel 10, eerste lid onder d, van [richtlijn 2011/95] aldus te worden uitgelegd dat westerse normen, waarden en feitelijke gedragingen die derdelanders aannemen terwijl zij een aanzienlijk deel van de levensfase waarin zij hun identiteit vormen op het grondgebied van de lidstaat verblijven en volwaardig deelnemen aan de samenleving, moeten worden beschouwd als een gemeenschappelijke achtergrond die niet kan worden gewijzigd, dan wel dermate fundamentele kenmerken van een identiteit zijn dat van betrokkenen niet kan worden geëist dat zij deze opgeven?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, dienen derdelanders die — ongeacht de motieven hiervoor — vergelijkbare westerse normen en waarden hebben aangenomen door feitelijk verblijf in de lidstaat gedurende hun identiteitsvormende levensfase te worden beschouwd als ‘leden van een specifieke sociale groep’ in de zin van artikel 10, eerste lid onder d, van [richtlijn 2011/95]? Dient de vraag of sprake is van een ‘specifieke sociale groep die in het betrokken land een eigen identiteit heeft’ hierbij beoordeeld te worden vanuit het perspectief van de lidstaat of moet dit gelezen in samenhang met artikel 10, tweede lid, van [richtlijn 2011/95] aldus worden uitgelegd dat doorslaggevend gewicht toekomt aan het aannemelijk kunnen maken door de vreemdeling dat hij in het land van herkomst wordt beschouwd als deel uitmakend van een specifieke sociale groep, althans dat dit wordt toegedicht? Is het vereiste dat verwestering alleen tot vluchtelingschap kan leiden als dit voortkomt uit religieuze of politieke motieven verenigbaar met artikel 10 van [richtlijn 2011/95], gelezen in samenhang met het verbod op refoulement en het recht op asiel?
- 3)
Is een nationale rechtspraktijk waarin een beslisautoriteit bij het beoordelen van een verzoek om internationale bescherming het belang van het kind weegt zonder dit belang van het kind eerst (in elke procedure) concreet vast te (laten) stellen verenigbaar met het Unierecht en meer in het bijzonder met artikel 24, tweede lid, van het [Handvest], gelezen in samenhang met artikel 51, eerste lid, van het Handvest? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de lidstaat een verzoek om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden moet beoordelen en het belang van het kind moet worden betrokken bij de beslissing op dat verzoek?
- 4)
Op welke wijze en in welke fase van de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet, gelet op artikel 24, tweede lid, van het Handvest, het belang van het kind en meer in het bijzonder de schade die een minderjarige heeft opgelopen door langdurig feitelijk verblijf in een lidstaat worden betrokken en gewogen? Is het hierbij relevant of dit feitelijk verblijf rechtmatig verblijf is geweest? Is het bij het wegen van het belang van het kind bij bovenstaande beoordeling relevant of de lidstaat binnen de Unierechtelijke beslistermijnen heeft beslist op het verzoek om internationale bescherming, of niet is voldaan aan een eerder opgelegde terugkeerplicht en of de lidstaat niet tot verwijdering is overgegaan nadat een terugkeerbesluit is uitgevaardigd waardoor feitelijk verblijf van de minderjarige in de lidstaat heeft kunnen voortduren?
- 5)
Is een nationale rechtspraktijk waarin onderscheid wordt gemaakt tussen eerste en opvolgende verzoeken om internationale bescherming, in die zin dat reguliere motieven buiten beschouwing worden gelaten bij opvolgende verzoeken om internationale bescherming, gelet op artikel 7 van het Handvest gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest, verenigbaar met het Unierecht?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
33
Vooraf zij opgemerkt dat de verwijzende rechter, met name in zijn eerste vraag, weliswaar verwijst naar ‘westerse normen, waarden en feitelijke gedragingen die derdelanders aannemen terwijl zij een aanzienlijk deel van de levensfase waarin zij hun identiteit vormen op het grondgebied van [een] lidstaat verblijven’, doch dat uit de verwijzingsbeslissing naar voren komt dat hij in wezen doelt op het feit dat deze vrouwen zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen en dat zij het voordeel van deze gelijkheid in hun dagelijks leven willen blijven genieten.
34
In het licht daarvan dient te worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen kunnen worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 10, lid 1, onder d), en lid 2, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat, al naargelang de omstandigheden in het land van herkomst, vrouwen uit dat land, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij zich tijdens hun verblijf in een lidstaat daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, die met name is verankerd in artikel 2 VEU, kunnen worden geacht te behoren tot ‘een specifieke sociale groep’, wat een ‘grond van vervolging’ vormt die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden.
35
In de eerste plaats wordt een ‘vluchteling’ in artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 gedefinieerd als een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen. Deze definitie is overgenomen uit artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag van Genève, welk verdrag luidens overweging 4 van deze richtlijn ‘de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen [vormt]’.
36
De bepalingen van richtlijn 2011/95 moeten dus niet alleen worden uitgelegd in het licht van de algemene opzet en de doelstelling van deze richtlijn, maar eveneens met inachtneming van het Verdrag van Genève en de andere toepasselijke verdragen als bedoeld in artikel 78, lid 1, VWEU. Tot die verdragen behoren onder meer het Verdrag van Istanbul en het CEDAW [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punten 37 en 44–47].
37
Zoals de artikelen 1 en 3 en artikel 4, lid 2, van het Verdrag van Istanbul bevestigen, houdt de gelijkheid tussen vrouwen en mannen onder meer het recht van iedere vrouw in op bescherming tegen alle vormen van gendergerelateerd geweld, alsook het recht om niet te worden gedwongen te trouwen, om zelf te kiezen of zij een geloof wil aanhangen, om eigen politieke opvattingen te hebben en deze te uiten, en om eigen levenskeuzen te maken, met name op het vlak van onderwijs, beroepsloopbaan of activiteiten in de publieke sfeer. Hetzelfde geldt voor de artikelen 3, 5, 7, 10 en 16 CEDAW.
38
Daarnaast moeten de bepalingen van richtlijn 2011/95 luidens overweging 16 ervan worden uitgelegd met eerbiediging van de rechten die zijn erkend in het Handvest, waarvan deze richtlijn de toepassing tracht te bevorderen, en dat in artikel 21, lid 1, iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht verbiedt [zie in die zin arresten van 13 januari 2021, Bundesrepublik Deutschland (Vluchtelingenstatus van een staatloze Palestijn), C-507/19, EU:C:2021:3, punt 39, en 9 november 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Begrip ‘ernstige schade’), C-125/22, EU:C:2023:843, punt 60].
39
In de tweede plaats somt artikel 10, lid 1, van richtlijn 2011/95 voor elk van de vijf gronden van vervolging die krachtens artikel 2, onder d), van deze richtlijn kunnen leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus, elementen op waarmee de lidstaten rekening moeten houden.
40
Wat in het bijzonder de vervolgingsgrond ‘behoren tot een bepaalde sociale groep’ betreft, blijkt uit artikel 10, lid 1, onder d), eerste alinea, dat een groep wordt geacht een ‘specifieke sociale groep’ te vormen wanneer aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten de personen die tot deze groep zouden kunnen behoren ten minste een van de volgende drie identificatiekenmerken delen: een ‘aangeboren kenmerk’, een ‘gemeenschappelijke achtergrond die niet kan worden gewijzigd’ of een ‘kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven’. Ten tweede moet die groep in het land van oorsprong een ‘eigen identiteit’ hebben, ‘omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd’ [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 40].
41
Daarnaast wordt in de tweede alinea van dat artikel 10, lid 1, onder d), onder meer gepreciseerd dat ‘terdege rekening [dient te worden] gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd’. Deze bepaling moet worden gelezen in het licht van overweging 30 van richtlijn 2011/95, waarin staat te lezen dat de genderidentiteit kan samenhangen met bepaalde juridische tradities en gewoonten [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 41].
42
Wat betreft de eerste voorwaarde voor de identificatie van een ‘specifieke sociale groep’, als geformuleerd in artikel 10, lid 1, onder d), eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 2011/95, namelijk dat de leden van de betrokken groep ten minste één van de drie daarin genoemde identificatiekenmerken delen, heeft het Hof reeds geoordeeld dat het feit dat iemand een vrouw is, een aangeboren kenmerk is en dus volstaat opdat aan deze voorwaarde is voldaan [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 49].
43
Daarnaast kunnen vrouwen ook aan die voorwaarde voldoen doordat zij een bijkomend gemeenschappelijk kenmerk delen, bijvoorbeeld een ander aangeboren kenmerk, een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden, zoals een bijzondere gezinssituatie, of een kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit dermate fundamenteel is dat van deze vrouwen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven [zie in die zin arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 50].
44
Hierbij veronderstelt het feit dat een vrouw zich daadwerkelijk vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen — wat inhoudt dat zij in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten — ten eerste, zoals de advocaat-generaal in punt 34 van zijn conclusie opmerkt, dat zij, onder meer op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze, vrij haar eigen levenskeuzen kan maken, welke keuzen bepalend zijn voor haar identiteit. Bijgevolg kan het feit dat een vrouwelijke derdelander zich daadwerkelijk vereenzelvigt met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen worden beschouwd als een ‘kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkene dermate fundamenteel is dat van de betrokkene niet mag worden geëist dat zij dit opgeeft’. Het maakt in dat verband geen verschil dat deze derdelander niet meent een groep te vormen met andere vrouwen uit derde landen of met alle vrouwen die zich met deze fundamentele waarde vereenzelvigen.
45
Ten tweede kan de omstandigheid dat jonge vrouwen uit derde landen in een lidstaat van ontvangst hebben verbleven tijdens een levensfase waarin een persoon zijn identiteit vormt, en zij zich tijdens dat verblijf daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, ‘een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden’, als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder d), eerste alinea, eerste streepje, van richtlijn 2011/95, opleveren.
46
Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat die vrouwen, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, voldoen aan de eerste voorwaarde voor de identificatie van een ‘specifieke sociale groep’, als geformuleerd in artikel 10, lid 1, onder d), eerste streepje, van richtlijn 2011/95.
47
Volgens artikel 10, lid 2, van deze richtlijn moet de betrokken bevoegde autoriteit nagaan of het behoren tot een bepaalde sociale groep een kenmerk is dat aan de betrokkene in zijn land van herkomst in de zin van artikel 2, onder n), van die richtlijn wordt toegedicht, ongeacht of hij werkelijk dat kenmerk vertoont.
48
Wat betreft de tweede voorwaarde voor de identificatie van een ‘specifieke sociale groep’ waarin artikel 10, lid 1, onder d), eerste alinea, tweede streepje, van deze richtlijn voorziet, die verband houdt met de ‘eigen identiteit’ van de groep in het land van herkomst, moet worden vastgesteld dat vrouwen door de directe omgeving als afwijkend kunnen worden beschouwd en kunnen worden erkend als personen met een eigen identiteit in die omgeving, met name ten gevolge van de sociale, morele of juridische normen die in hun land van herkomst gelden [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 52].
49
Aan deze tweede voorwaarde wordt ook voldaan door vrouwen die een bijkomend gemeenschappelijk kenmerk delen — zoals het feit dat zij zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen — wanneer de sociale, morele of juridische normen die in hun land van herkomst gelden tot gevolg hebben dat deze vrouwen wegens dat gemeenschappelijke kenmerk door de directe omgeving als afwijkend worden beschouwd [zie in die zin arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 53].
50
In dit verband moet worden gepreciseerd dat het staat aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om te bepalen welke directe omgeving relevant is voor de beoordeling of deze sociale groep bestaat. Deze omgeving kan samenvallen met het gehele derde land van herkomst van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, of kan meer beperkt zijn, bijvoorbeeld tot een deel van het grondgebied of van de bevolking van dat derde land [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 54].
51
Hieruit volgt dat vrouwen, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij zich tijdens hun verblijf in een lidstaat daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, al naargelang de omstandigheden in het land van herkomst kunnen worden geacht te behoren tot ‘een specifieke sociale groep’ als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95.
52
Gelet op de twijfels van de verwijzende rechter, dient te worden verduidelijkt dat het feit dat deze vrouwen zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen geenszins uit politieke of religieuze motieven hoeft voort te komen opdat kan worden erkend dat er wat hen betreft sprake is van een grond van vervolging in de zin van deze bepaling. Dat neemt niet weg dat deze vereenzelviging in voorkomend geval tevens kan worden opgevat als een grond voor vervolging die verband houdt met religie of politieke overtuigingen.
53
Wat in de derde plaats de beoordeling betreft van verzoeken om internationale bescherming — ‘volgende verzoeken’ daaronder begrepen — die zijn gebaseerd op de vervolgingsgrond ‘behoren tot een bepaalde sociale groep’, staat het aan de bevoegde nationale autoriteiten om, zoals artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 verlangt, na te gaan of de persoon die deze vervolgingsgrond inroept, wegens het behoren tot een dergelijke groep een ‘gegronde vrees’ heeft voor daden van vervolging, als bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van deze richtlijn, in zijn land van herkomst, [zie in die zin arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 59].
54
Bij die beoordeling moet de bevoegde nationale autoriteit er ten eerste rekening mee houden dat een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève onder meer de vorm kan aannemen van een daad ‘van genderspecifieke aard’, zoals in artikel 9, lid 2, onder f), van die richtlijn is gepreciseerd.
55
Zo bepaalt artikel 60, lid 1, van het Verdrag van Istanbul dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen — dat volgens artikel 3 van dit verdrag als een schending van de mensenrechten en een vorm van discriminatie van vrouwen dient te worden beschouwd — moet worden erkend als een vorm van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag van Genève. Voorts verlangt dat artikel 60, lid 2, van het Verdrag van Istanbul dat de partijen waarborgen dat elk van de gronden van vervolging uit het Verdrag van Genève — dus ook de vervolgingsgrond ‘behoren tot een bepaalde sociale groep’ — op gendersensitieve wijze wordt uitgelegd.
56
Ten tweede mogen de lidstaten krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. Dit neemt niet weg dat de lidstaten in voorkomend geval actief met hem moeten samenwerken om de relevante elementen van zijn verzoek te bepalen en aan te vullen [zie in die zin arrest van 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), C-349/20, EU:C:2022:151, punt 64]. Indien de lidstaten van de door dit artikel 4 geboden mogelijkheid gebruikmaken, bepaalt lid 5 ervan voorts dat de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van zijn verklaringen geloofwaardig wordt geacht, en hem het voordeel van de twijfel wordt gegund, wanneer aan alle in dit lid 5 genoemde voorwaarden voldaan is. Tot deze voorwaarden behoren het feit dat de verklaringen van de verzoeker samenhangend en aannemelijk zijn en het feit dat de verzoeker in grote lijnen geloofwaardig is [zie in die zin arrest van 21 september 2023, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Politieke overtuiging in de lidstaat van ontvangst), C-151/22, EU:C:2023:688, punt 44].
57
Het Hof heeft dienaangaande verduidelijkt dat de verklaringen van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, slechts het uitgangspunt vormen van de procedure ter beoordeling van de feiten en omstandigheden die wordt gevoerd door de bevoegde autoriteiten, die vaak gemakkelijker toegang hebben tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker [zie in die zin arresten van 22 november 2012, M., C-277/11, EU:C:2012:744, punten 65 en 66; 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel), C-238/19, EU:C:2020:945, punt 52, en 9 november 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Begrip ‘ernstige schade’), C-125/22, EU:C:2023:843, punt 47].
58
Het zou dus in strijd zijn met artikel 4 van richtlijn 2011/95 om te oordelen dat het noodzakelijkerwijs uitsluitend aan de verzoeker staat om alle elementen te verstrekken ter staving van de redenen voor zijn verzoek om internationale bescherming — namelijk ten eerste het feit dat hij in zijn land van herkomst mogelijk zal worden beschouwd als lid van een specifieke sociale groep in de zin van artikel 10, lid 1, van deze richtlijn, en ten tweede dat hij in dat land om die reden dreigt te worden vervolgd [zie in die zin arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel), C-238/19, EU:C:2020:945, punten 54 en 55].
59
Ten derde bepaalt artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/95 dat de bevoegde nationale autoriteiten de beoordeling of een verzoeker een gegronde vrees heeft om te worden vervolgd, op individuele basis en per geval met waakzaamheid en voorzichtigheid moeten verrichten, uitsluitend op basis van een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden, teneinde uit te maken of de vastgestelde feiten en omstandigheden een zodanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst [zie in die zin arresten van 21 september 2023, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Politieke overtuiging in de lidstaat van ontvangst), C-151/22, EU:C:2023:688, punt 42, en 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 60].
60
In dat verband vereist artikel 10, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/32 dat de lidstaten ervoor zorgen dat, ten eerste, de beslissingen over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op deugdelijk onderzoek waarbij nauwkeurige en actuele informatie is verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EASO en de UNHCR, en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van verzoekers, en dat, ten tweede, het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken.
61
Zoals blijkt uit punt 36, onder x), van de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming nr. 1, die zien op de gendergerelateerde vervolging in het kader van artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag van Genève, moeten de bevoegde nationale autoriteiten te dien einde informatie verzamelen over het land van herkomst die relevant is voor de behandeling van verzoeken die zijn ingediend door vrouwen, zoals hun rechtspositie, hun politieke, economische en sociale rechten, de culturele en sociale gewoonten van het land en de gevolgen van niet-naleving van die gewoonten, de frequentie van de schadelijke traditionele praktijken, het voorkomen en de vormen van het gerapporteerde geweld tegen vrouwen, de bescherming die zij genieten, de straffen die de daders van dergelijk geweld worden opgelegd en de risico's die een vrouw loopt als zij terugkeert naar haar land van herkomst nadat zij een dergelijk verzoek heeft ingediend [arrest van 16 januari 2024, Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld), C-621/21, EU:C:2024:47, punt 61].
62
Ten vierde dient te worden verduidelijkt dat het feit dat een derdelander zich tijdens haar verblijf in een lidstaat daadwerkelijk gaat vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, niet kan worden beschouwd als een omstandigheid die deze derdelander zelf heeft veroorzaakt nadat zij haar land van herkomst heeft verlaten, als bedoeld in artikel 5, lid 3, van richtlijn 2011/95, noch als een activiteit die uitsluitend of hoofdzakelijk tot doel had de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, als bedoeld in artikel 4, lid 3, onder d), ervan. Het volstaat immers vast te stellen dat een dergelijke vereenzelviging, wanneer zij rechtens genoegzaam is aangetoond, geenszins kan worden gelijkgesteld met het misbruik en de instrumentalisering die deze bepalingen beogen te bestrijden [zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Latere godsdienstige bekering), C-222/22, EU:C:2024:192, punten 32 en 34].
63
In het onderhavige geval staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of verzoeksters in het hoofdgeding zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, in al haar onderdelen als beschreven in de punten 37 en 44 van het onderhavige arrest, en daarvan in hun dagelijks leven het voordeel willen genieten, zodat die waarde integrerend deel uitmaakt van hun identiteit, en of zij daardoor in hun land van herkomst in hun directe omgeving als afwijkend zouden worden beschouwd. Met de omstandigheid dat zij het reële gevaar om in hun land van herkomst wegens deze vereenzelviging te worden vervolgd, zouden kunnen vermijden door zich bij de uitdrukking daarvan terughoudend op te stellen, dient in dit verband geen rekening te worden gehouden (zie in die zin arrest van 7 november 2013, X e.a., C-199/12–C-201/12, EU:C:2013:720, punten 70, 71, 74 en 75).
64
Gelet op het voorgaande dient op de eerste en de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 10, lid 1, onder d), en lid 2, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat, al naargelang de omstandigheden in het land van herkomst, vrouwen uit dat land, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij zich tijdens hun verblijf in een lidstaat daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, kunnen worden geacht te behoren tot ‘een bepaalde sociale groep’, wat een ‘grond van vervolging’ kan vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden.
Derde en vierde vraag
65
Vooraf zij opgemerkt dat de verwijzende rechter met het tweede onderdeel van zijn derde vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 24, lid 2, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 51, lid 1, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een ‘nationale rechtspraktijk’ volgens welke de bevoegde autoriteit bij een verzoek om een verblijfsvergunning ‘op reguliere gronden’ het belang van het kind beoordeelt zonder dit ‘eerst concreet vast te stellen’.
66
Zoals de advocaat-generaal in punt 67 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt noch uit de verwijzingsbeslissing, noch uit het dossier waarover het Hof beschikt dat in het hoofdgeding een dergelijk verzoek om een verblijfsvergunning ‘op reguliere gronden’ aan de orde is.
67
Hoewel op prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie rust, bestaat de rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing niet in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar houdt zij verband met de behoefte aan werkelijke beslechting van een geschil (arrest van 14 januari 2021, The International Protection Appeals Tribunal e.a., C-322/19 en C-385/19, EU:C:2021:11, punt 53).
68
Voor zover het tweede onderdeel van de derde vraag in werkelijkheid ertoe strekt een advies van het Hof te verkrijgen, is het dus niet-ontvankelijk.
69
Met het eerste onderdeel van de derde vraag en met de vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 24, lid 2, van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bevoegde nationale autoriteit op een door een minderjarige ingediend verzoek om internationale bescherming beslist zonder het belang van deze minderjarige eerst in het kader van een individuele beoordeling concreet te hebben vastgesteld.
70
In dit verband vraagt deze rechter zich tevens af of, en, zo ja, op welke wijze rekening dient te worden gehouden met de schade die een minderjarige zou hebben opgelopen door een langdurig verblijf in een lidstaat en de onzekerheid omtrent zijn terugkeerplicht.
71
Gelet op de debatten tijdens de mondelinge behandeling dient meteen iedere twijfel te worden weggenomen omtrent de mogelijke niet-ontvankelijkheid van deze prejudiciële vragen wegens het feit dat K en L inmiddels geen minderjarigen meer zijn in de zin van artikel 3, onder k), van richtlijn 2011/95. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat K en L op 4 april 2019, het tijdstip van de indiening van hun volgende verzoeken, nog geen 18 jaar oud waren.
72
In dit licht zij eraan herinnerd dat artikel 24 van het Handvest — dat behoort tot de artikelen van het Handvest waarvan luidens overweging 16 van richtlijn 2011/95 de toepassing moet worden bevorderd — in lid 2 bepaalt dat ‘[b]ij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, […]de belangen van het kind een essentiële overweging [vormen].’
73
Uit artikel 24, lid 2, van het Handvest en uit artikel 3, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, dat op 20 november 1989 is vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waar de toelichting op artikel 24 van het Handvest uitdrukkelijk naar verwijst, blijkt dat het belang van het kind niet enkel in aanmerking moet worden genomen bij de inhoudelijke beoordeling van verzoeken met betrekking tot kinderen, maar ook, middels specifieke procedurele waarborgen, van invloed moet zijn op de besluitvormingsprocedure die tot die beoordeling leidt. Zoals het Comité voor de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties heeft opgemerkt, verwijst de uitdrukking ‘belangen van het kind’ in dit artikel 3, lid 1, immers tegelijkertijd naar een inhoudelijk recht, een uitleggingsbeginsel en een procedureregel [zie General Comment nr. 14 (2013) van het Comité voor de Rechten van het Kind over het recht van het kind dat zijn belangen de eerste overweging vormen (artikel 3, lid 1), CRC/C/GC/14, punt 6].
74
Daarnaast bepaalt artikel 24, lid 1, van het Handvest dat kinderen vrijelijk hun mening mogen uiten en dat daaraan in hen betreffende aangelegenheden in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang wordt gehecht.
75
In de eerste plaats dienen de lidstaten, zoals blijkt uit overweging 18 van richtlijn 2011/95, bij de beoordeling van het belang van het kind in het kader van een procedure voor internationale bescherming met name terdege rekening te houden met het beginsel van eenheid van gezin, het welzijn en de sociale ontwikkeling van het kind — waartoe zijn gezondheid, zijn gezinssituatie en zijn opvoeding behoren — en met overwegingen van veiligheid.
76
Dienaangaande bepaalt artikel 4, lid 3, onder c), van richtlijn 2011/95 dat de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming op individuele basis moet plaatsvinden en rekening houdt met onder meer de leeftijd van de verzoeker, teneinde te beoordelen of op basis van zijn persoonlijke omstandigheden, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen. In dit verband preciseert artikel 9, lid 2, onder f), van deze richtlijn dat een dergelijke daad van vervolging onder meer de vorm kan aannemen van een daad ‘van kindspecifieke aard’.
77
De beoordeling van de aan de leeftijd van de verzoeker te verbinden consequenties, waaronder de inaanmerkingneming van het belang van het kind wanneer de verzoeker minderjarig is, behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteit (zie in die zin arrest van 22 november 2012, M., C-277/11, EU:C:2012:744, punten 69 en 70).
78
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de bevoegde nationale autoriteit, wanneer de persoon die om internationale bescherming verzoekt minderjarig is, bij de beoordeling van de gegrondheid van diens verzoek om internationale bescherming na een onderzoek op individuele basis noodzakelijkerwijs rekening moet houden met het belang van deze minderjarige.
79
In de tweede plaats blijkt uit overweging 18 van richtlijn 2011/95 dat de lidstaten in het kader van een procedure voor internationale bescherming rekening moeten houden met de mening van de minderjarige in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Daarnaast kunnen de lidstaten overeenkomstig artikel 14, lid 1, vierde alinea, van richtlijn 2013/32 in hun nationale wetgeving voorschrijven in welke gevallen een minderjarige de gelegenheid moet krijgen voor een persoonlijk onderhoud. Wanneer de minderjarige die gelegenheid geboden wordt, is artikel 15, lid 3, onder e), van deze richtlijn van toepassing, dat bepaalt dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat dit onderhoud wordt afgenomen op een kindvriendelijke manier. In dit verband moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 10, lid 3, onder d), van die richtlijn voor zorgen dat de bevoegde nationale autoriteiten de mogelijkheid hebben om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals onder meer kindgerelateerde kwesties.
80
Bij gebreke aan meer gedetailleerde bepalingen in richtlijn 2011/95 en richtlijn 2013/32 staat het aan de lidstaat om de nadere regels vast te stellen voor de beoordeling van het belang van het kind in het kader van een procedure voor internationale bescherming, waaronder het tijdstip of de tijdstippen waarop die beoordeling moet worden verricht en in welke vorm, mits daarbij artikel 24 van het Handvest en de in de punten 75 tot en met 79 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen worden geëerbiedigd.
81
Dienaangaande dient ten eerste te worden verduidelijkt dat de lidstaten, volgens artikel 51, lid 1, van het Handvest, artikel 24, lid 2, ervan moeten naleven wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen en dus ook wanneer zij een ‘volgend verzoek’ in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32 behandelen. Ten tweede maakt artikel 40, lid 2, van deze richtlijn voor wat betreft de aard van de elementen of bevindingen die kunnen aantonen dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet, geen onderscheid tussen een eerste en een ‘volgend verzoek’ om internationale bescherming, zodat de beoordeling van de feiten en omstandigheden ter staving van deze verzoeken in beide gevallen moet worden verricht overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95 [arrest van 10 juni 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Nieuwe elementen of bevindingen), C-921/19, EU:C:2021:478, punt 40].
82
Wat betreft de vraag of, en, zo ja, op welke wijze rekening dient te worden gehouden met de schade die een minderjarige zou hebben opgelopen door een langdurig verblijf in een lidstaat en de onzekerheid omtrent zijn terugkeerplicht, die mogelijk kunnen worden toegeschreven aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het door de minderjarige ingediende verzoek om internationale bescherming, dient met de verwijzende rechter te worden opgemerkt dat de bevoegde nationale autoriteiten het bestaan van een dergelijke schade niet dienen te beoordelen in het kader van een procedure die ertoe strekt na te gaan of de betrokkene een ‘gegronde vrees’ heeft in zijn land van herkomst te worden vervolgd wegens het ‘behoren tot een bepaalde sociale groep’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95.
83
Evenwel kan een langdurig verblijf in een lidstaat, vooral wanneer dit samenvalt met een periode waarin een minderjarige verzoeker zijn identiteit heeft gevormd, krachtens artikel 4, lid 3, van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, van het Handvest, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming dat is gebaseerd op een vervolgingsgrond zoals het ‘behoren tot een bepaalde sociale groep’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van die richtlijn.
84
Gelet op het voorgaande dient op het eerste onderdeel van de derde vraag en op de vierde vraag te worden geantwoord dat artikel 24, lid 2, van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de bevoegde nationale autoriteit op een door een minderjarige ingediend verzoek om internationale bescherming beslist zonder het belang van deze minderjarige eerst in het kader van een individuele beoordeling concreet te hebben vastgesteld.
Vijfde vraag
85
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, ervan aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een ‘nationale rechtspraktijk’ op grond waarvan ‘reguliere gronden’ in aanmerking kunnen worden genomen bij de behandeling van een eerste verzoek om internationale bescherming maar niet bij de behandeling van een ‘volgend verzoek’ in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32.
86
Om de in de punten 66 tot en met 68 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen en zoals de advocaat-generaal in wezen opmerkt in punt 73 van zijn conclusie, is de vijfde vraag niet-ontvankelijk aangezien deze geen verband houdt met het hoofdgeding.
Kosten
87
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 10, lid 1, onder d), en lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
moet aldus worden uitgelegd dat
al naargelang de omstandigheden in het land van herkomst, vrouwen uit dat land, minderjarige vrouwen daaronder begrepen, die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij zich tijdens hun verblijf in een lidstaat daadwerkelijk zijn gaan vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, kunnen worden geacht te behoren tot ‘een bepaalde sociale groep’, wat een ‘grond van vervolging’ vormt die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden.
- 2)
Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
moet aldus worden uitgelegd dat
het eraan in de weg staat dat de bevoegde nationale autoriteit op een door een minderjarige ingediend verzoek om internationale bescherming beslist zonder het belang van deze minderjarige eerst in het kader van een individuele beoordeling concreet te hebben vastgesteld.
Lenaerts | Bay Larsen | Arabadjiev |
Lycourgos | Regan | Biltgen |
Piçarra | Xuereb | Rossi |
Jarukaitis | Kumin | Jääskinen |
Wahl | Ziemele | Passer |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 juni 2024.
De griffier | De president |
A. Calot Escobar | K. Lenaerts |
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑06‑2024
Conclusie 13‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk asielbeleid en subsidiaire bescherming — Volgende verzoeken om internationale bescherming — Richtlijn 2011/95/EU — Artikel 10, lid 1, onder d) — Gronden van vervolging — Het behoren tot een specifieke sociale groep — Derdelanders die een aanzienlijk deel van de levensfase waarin mensen hun identiteit vormen in een lidstaat hebben doorgebracht — Europese normen, waarden en gedragingen — Gendergelijkheid — Vrouwen en meisjes die de omgangsregels in het land van herkomst overtreden — Belang van het kind
A. Collins
Partij(en)
Zaak C-646/211.
K,
L
tegen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
[verzoek van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch (Nederland), om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
De onderhavige conclusie betreft de verzoeken om internationale bescherming van K en L, twee tienermeisjes uit Irak2. die vijf jaar in Nederland hebben gewoond terwijl de eerste verzoeken van hun gezin om internationale bescherming werden beoordeeld. Gedurende die periode maakten zij deel uit van een samenleving die waarde hecht aan gendergelijkheid en hebben zij de normen, waarden en gedragingen van hun leeftijdgenoten aangenomen. In hun volgende verzoeken om internationale bescherming3., die de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Nederland) kennelijk ongegrond heeft verklaard4., stellen verzoeksters dat zij zich bij terugkeer naar Irak niet zullen kunnen conformeren aan normen, waarden en gedragingen die vrouwen en meisjes niet de vrijheden bieden die zij in Nederland genoten, en waarvan de uiting hen zou blootstellen aan het risico van vervolging. Met zijn prejudiciële vragen wenst de verwijzende rechter te vernemen of personen in de omstandigheden van verzoeksters recht kunnen hebben op internationale bescherming omdat zij tot een specifieke sociale groep behoren in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95/EU5., en op welke wijze het belang van een kind kan worden betrokken bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
2.
Artikel 10 van richtlijn 2011/95, met het opschrift ‘Gronden van vervolging’, bepaalt:
- ‘1.
Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:
- a)
het begrip ‘ras’ omvat met name de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;
- b)
het begrip ‘godsdienst’ omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging gebaseerd zijn of daardoor worden bepaald;
- c)
het begrip ‘nationaliteit’ is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat met name ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door haar culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;
- d)
een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:
- —
leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
- —
de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
Afhankelijk van de omstandigheden in het land van herkomst kan een specifieke sociale groep een groep zijn die als gemeenschappelijk kenmerk seksuele gerichtheid heeft. Seksuele gerichtheid omvat geen handelingen die volgens het nationale recht van de lidstaten als strafbaar worden beschouwd. Er wordt terdege rekening gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd;
- e)
het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
- 2.
Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.’
B. Nederlandse beleidscirculaires
3.
Volgens de bijlage bij de verwijzingsbeslissing bepaalt paragraaf C7.2.86. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (C) het volgende:
‘De hoofdregel is dat een enkele in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl niet tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming kan leiden. Aanpassing aan de gebruiken van Afghanistan mag worden verlangd. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk:
- —
Indien een vrouw aannemelijk maakt dat de westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging;
- —
Indien een vrouw aannemelijk maakt dat zij persoonlijke kenmerken heeft, die uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk zijn te veranderen en zij vanwege deze kenmerken in Afghanistan voor vervolging te vrezen heeft of een risico loopt op een onmenselijke behandeling.’
4.
Paragraaf B8.10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (B), met het opschrift ‘Verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen’, bepaalt:
‘De [Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)] verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd […] aan een verwesterde minderjarige vrouw als de minderjarige vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk.
De IND beoordeelt of sprake is van een onevenredige psychosociale druk aan de hand van in ieder geval de volgende omstandigheden:
- a.
de mate van verwestering van de minderjarige vrouw;
- b.
individuele humanitaire omstandigheden, waaronder in ieder geval wordt betrokken de medische omstandigheden (bij de minderjarige vrouw of bij een gezinslid) en het overlijden in Nederland van een gezinslid van de minderjarige vrouw; en
- c.
de mogelijkheden tot deelname in de Afghaanse samenleving, waarbij in ieder geval wordt betrokken de samenstelling van het gezin en de aanwezigheid van machtige actoren (stamoudsten, krijgsheren) om de minderjarige vrouw te beschermen.
ad a
De IND beoordeelt de mate van verwestering aan de hand van de volgende omstandigheden:
- —
de minderjarige vrouw is ten minste tien jaar oud;
- —
de verblijfsduur in Nederland bedraagt ten minste acht jaar, gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot aan de aanvraag tot een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zoals in deze paragraaf is omschreven; en
- —
het volgen van onderwijs in Nederland.
Indien de minderjarige vrouw niet voldoet aan een of meer van de onder ad a genoemde omstandigheden, dan rust op de vreemdeling een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat zij in het bezit gesteld moet worden van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van dit beleid.
[…]’
III. Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
5.
Op 29 september 2015 hebben verzoeksters samen met hun vader, moeder en tante Irak verlaten. Op 7 november 2015 hebben zij in Nederland bij de autoriteiten verzoeken om internationale bescherming ingediend. Destijds waren verzoeksters 10 en 12 jaar oud. Op 31 juli 2018 heeft de Raad van State (Nederland) hun verzoeken definitief afgewezen. Op 4 april 2019 hebben verzoeksters volgende verzoeken om internationale bescherming ingediend, die op 21 december 2020 kennelijk ongegrond zijn verklaard. Op 28 december 2020 hebben verzoeksters bij de verwijzende rechter beroep tegen deze besluiten ingesteld, waarvan hij op 17 juni 2021 heeft kennisgenomen. Op de datum van de zitting waren verzoeksters 15 en 17 jaar oud en hadden zij gedurende vijf jaar en zeven en een halve maand onafgebroken in Nederland gewoond.
6.
Verzoeksters stellen dat zij door hun langdurige feitelijke verblijf in Nederland gedurende de levensfase waarin mensen hun identiteit vormen, de normen, waarden en gedragingen van hun Nederlandse leeftijdgenoten hebben aangenomen. In Nederland zijn zij zich bewust geworden van de vrijheid om als meisje zelf de eigen levenskeuzen te maken. Zij geven aan dat zij, net zoals zij in Nederland hebben gedaan, zelf willen blijven bepalen of zij met jongens willen omgaan, of ze willen sporten, of ze willen studeren, of zij willen trouwen, en zo ja met wie, en of zij buitenshuis willen werken. Zij willen ook zelf bepalen wat hun politieke en religieuze opvattingen zijn en deze in het openbaar kunnen uiten. Aangezien zij na terugkeer naar Irak geen afstand kunnen doen van deze normen, waarden en gedragingen, vragen zij internationale bescherming.
7.
De verwijzende rechter overweegt dat de normen, waarden en gedragingen waarnaar verzoeksters verwijzen in wezen bestaan in een geloof in gendergelijkheid.7. Hij moet beslissen of verzoeksters beschouwd kunnen worden als leden van een specifieke sociale groep in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95, of, in welke fase en op welke wijze een beslissingsautoriteit het belang van het kind moet betrekken bij een verzoek om internationale bescherming, en of rekening moet worden gehouden met de schade die verzoeksters stellen te hebben opgelopen door de stress van een leven met aanhoudende onzekerheid over hun verblijf in Nederland en de dreiging van een gedwongen terugkeer naar hun land van herkomst.
8.
Daarop heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en de volgende prejudiciële vragen aan het Hof voorgelegd:
- ‘1)
Dient artikel 10, eerste lid onder d, van [richtlijn 2011/95] aldus te worden uitgelegd dat westerse normen, waarden en feitelijke gedragingen die derdelanders aannemen terwijl zij een aanzienlijk deel van de levensfase waarin zij hun identiteit vormen op het grondgebied van de lidstaat verblijven en volwaardig deelnemen aan de samenleving, moeten worden beschouwd als een gemeenschappelijke achtergrond die niet kan worden gewijzigd, dan wel dermate fundamentele kenmerken van een identiteit zijn dat van betrokkenen niet kan worden geëist dat zij deze opgeven?
- 2)
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, dienen derdelanders die — ongeacht de motieven hiervoor — vergelijkbare westerse normen en waarden hebben aangenomen door feitelijk verblijf in de lidstaat gedurende hun identiteitsvormende levensfase te worden beschouwd als ‘leden van een specifieke sociale groep’ in de zin van artikel 10, eerste lid onder d, van [richtlijn 2011/95]? Dient de vraag of sprake is van een ‘specifieke sociale groep die in het betrokken land een eigen identiteit heeft’ hierbij beoordeeld te worden vanuit het perspectief van de lidstaat of moet dit gelezen in samenhang met artikel 10, tweede lid, [van richtlijn 2011/95] aldus worden uitgelegd dat doorslaggevend gewicht toekomt aan het aannemelijk kunnen maken door de vreemdeling dat hij in het land van herkomst wordt beschouwd als deel uitmakend van een specifieke sociale groep, althans dat dit wordt toegedicht? Is het vereiste dat verwestering alleen tot vluchtelingschap kan leiden als dit voortkomt uit religieuze of politieke motieven verenigbaar met artikel 10 van [richtlijn 2011/95], gelezen in samenhang met het verbod op refoulement en het recht op asiel?
- 3)
Is een nationale rechtspraktijk waarin een beslissingsautoriteit bij het beoordelen van een verzoek om internationale bescherming het belang van het kind weegt zonder dit belang van het kind eerst (in elke procedure) concreet vast te (laten) stellen verenigbaar met het Unierecht en meer in het bijzonder met artikel 24, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: ‘Handvest’)], gelezen in samenhang met artikel 51, eerste lid, van het Handvest? Luidt de beantwoording van deze vraag anders als de lidstaat een verzoek om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden moet beoordelen en het belang van het kind moet worden betrokken bij de beslissing op dat verzoek?
- 4)
Op welke wijze en in welke fase van de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet, gelet op artikel 24, tweede lid, van het Handvest, het belang van het kind en meer in het bijzonder de schade die een minderjarige heeft opgelopen door langdurig feitelijk verblijf in een lidstaat worden betrokken en gewogen? Is het hierbij relevant of dit feitelijk verblijf rechtmatig verblijf is geweest? Is het bij het wegen van het belang van het kind bij bovenstaande beoordeling relevant of de lidstaat binnen de Unierechtelijke beslistermijnen heeft beslist op het verzoek om internationale bescherming, of niet is voldaan aan een eerder opgelegde terugkeerplicht en of de lidstaat niet tot verwijdering is overgegaan nadat een terugkeerbesluit is uitgevaardigd waardoor feitelijk verblijf van de minderjarige in de lidstaat heeft kunnen voortduren?
- 5)
Is een nationale rechtspraktijk waarin onderscheid wordt gemaakt tussen eerste en opvolgende verzoeken om internationale bescherming, in die zin dat reguliere motieven buiten beschouwing worden gelaten bij opvolgende verzoeken om internationale bescherming, gelet op artikel 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 24, tweede lid, van het Handvest, verenigbaar met het Unierecht?’
9.
Verzoeksters, de Tsjechische, de Griekse, de Franse, de Hongaarse en de Nederlandse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Deze partijen en de Spaanse regering hebben ter terechtzitting van 18 april 2023 schriftelijke en mondelinge vragen van het Hof beantwoord.
IV. Analyse
A. Eerste en tweede vraag
10.
Ik zal de eerste en de tweede vraag samen behandelen, aangezien zij beide de uitlegging van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 betreffen.
11.
De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of derdelanders die gedurende een aanzienlijk deel van hun identiteitsvormende levensfase in een lidstaat hebben gewoond, kunnen worden beschouwd als leden van een specifieke sociale groep in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), eerste streepje, van richtlijn 2011/95, omdat zij ‘een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden’ of kenmerken delen die ‘voor de identiteit […] van de betrokkenen dermate fundamenteel [zijn], dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij [deze] opgeven’. Vereist die bepaling dat de verlening van internationale bescherming slechts kan worden gerechtvaardigd door het aanhangen van bepaalde waarden wanneer dit een religieuze of politieke grondslag heeft? Hoe moet de verwijzende rechter beoordelen of is voldaan aan de voorwaarde van artikel 10, lid 1, onder d), tweede streepje, van richtlijn 2011/95, te weten of de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd?
1. Samenvatting van de ingediende opmerkingen
12.
De Nederlandse regering wijst erop dat vrouwen met een westerse levensstijl volgens de richtsnoeren van de IND, die gebaseerd zijn op een uitspraak van de Raad van State8., geen leden van een specifieke sociale groep zijn. Aan hen kan niettemin internationale bescherming worden verleend, indien: i) die levensstijl gebaseerd is op religieuze of politieke overtuigingen die fundamenteel zijn voor hun identiteit of morele integriteit; ii) het aannemelijk is dat deze vrouwen door actoren in hun land van herkomst vervolgd zullen worden vanwege kenmerken die nagenoeg niet te veranderen zijn, of iii) zij in hun land van herkomst een risico lopen op een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 15, onder b), van richtlijn 2011/95. Het in de eerste voorwaarde genoemde begrip ‘politieke overtuigingen die fundamenteel zijn voor de identiteit of de morele integriteit’ wordt in ruime zin uitgelegd, teneinde de vervolging te kunnen omvatten van vrouwen die zich niet houden aan seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen.9.
13.
De Tsjechische, de Griekse, de Hongaarse en de Nederlandse regering zijn het met elkaar eens dat de argumenten van verzoeksters gebaseerd zijn op een voorkeur voor een bepaalde levensstijl. Dat kan niet resulteren in het verlenen van internationale bescherming ingevolge nationale regels waarbij richtlijn 2011/95 is omgezet. Nadat verzoeksters zich gedurende een langdurig feitelijk verblijf op het grondgebied van een lidstaat aan het leven in die lidstaat hebben aangepast, zou van hen bij terugkeer naar hun land van herkomst mogen worden verwacht dat zij zich opnieuw aan het leven aldaar aanpassen, door zich op dezelfde wijze als andere ingezetenen te conformeren aan de normen en gebruiken van hun land van herkomst. De wens om een bepaalde levensstijl aan te houden, is geen geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven. Verzoeksters vertonen geen identificeerbaar aangeboren kenmerk of hebben geen gemeenschappelijke achtergrond, omdat de vermeende categorie ‘vrouwen en meisjes die een westerse levensstijl hebben verworven’ te ruim, heterogeen en abstract is om een duidelijk afgebakende sociale groep te vormen in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95. Evenmin hebben verzoeksters pogingen ondernomen om te onderbouwen waarom of hoe zij bij terugkeer naar hun land van herkomst een risico op vervolging zouden lopen.
14.
De Spaanse en de Franse regering en de Commissie zijn het hier niet mee eens. Zij zijn van mening dat meisjes onder andere op grond van geslacht en leeftijd, die aangeboren kenmerken vormen, lid van een specifieke sociale groep kunnen zijn.
15.
In haar mondelinge opmerkingen heeft de Spaanse regering aangevoerd dat in de verwijzingsbeslissing wordt aangegeven dat verzoeksters niet louter de ambitie hebben verworven om zich in financieel of cultureel opzicht te verbeteren; het zou nauwkeuriger zijn hen te omschrijven als vrouwen of meisjes die een manier van leven hebben aangenomen waarbij hun grondrechten worden erkend en hun de mogelijkheid wordt geboden om deze rechten uit te oefenen. Derhalve voldoen zij aan de eerste voorwaarde van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95. Of ook is voldaan aan de tweede voorwaarde van die bepaling — dat de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft — hangt af van de omstandigheden in hun land van herkomst.
16.
De Franse regering voert aan dat het feit dat iemand een lange periode in een lidstaat heeft doorgebracht, betekent dat hij een gemeenschappelijke achtergrond deelt die niet gewijzigd kan worden of dat er sprake is van een gedeeld geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven. Door de normen, waarden en gedragingen waardoor die lidstaat wordt gekenmerkt te blijven aanhangen, zal de directe omgeving in hun land van herkomst personen die deze kenmerken delen, als leden van een aparte groep beschouwen. Zo kan weerstand tegen het gedwongen huwelijk verzoeksters blootstellen aan vervolging waartegen de autoriteiten hen niet zullen beschermen.
17.
De Commissie voert aan dat de overtuiging dat mannen en vrouwen gelijke rechten hebben kan worden beschouwd als een gedeeld en fundamenteel geloof. Het bestaan van wetten in het land van herkomst die meisjes en vrouwen discrimineren en hen onevenredig trachten te bestraffen wanneer zij zich niet houden aan bepaalde normen en gebruiken, geeft aan dat dergelijke personen een risico lopen dat zij in dat land als een aparte groep worden beschouwd.
2. Opmerking vooraf
18.
De verwijzende rechter wijst erop dat de onderhavige zaak geen ‘verwesterde vrouwen’ als zodanig betreft.10. De verwijzingsbeslissing verwijst echter naar ‘westerse levensstijl’ en ‘verwesterde gedragingen’, hetgeen mogelijk het gebruik van die termen in de Vreemdelingencirculaire 2000 (C) weerspiegelt. De partijen die opmerkingen hebben ingediend waren overwegend van mening dat de begrippen ‘verwesterd’ en ‘westers’ te vaag waren om in verband met verzoeken om internationale bescherming te worden toegepast. Ik ben het met deze opmerkingen eens. ‘Het Oosten’ en ‘het Westen’ zijn uitgestrekte regio's die gekenmerkt worden door een grote verscheidenheid en tal van religieuze tradities, morele normen en waarden. Bij gebreke van nauwkeurige definities — die niet aan het Hof zijn voorgesteld — zijn termen zoals ‘westerse levensstijl’ en ‘verwesterde vrouwen’ grotendeels betekenisloos. Schadelijker is dat de toepassing van de termen ‘oosters’ en ‘westers’ in verband met morele normen en waarden een valse dichotomie inhoudt die onderdeel is van een tweedracht zaaiende dialoog. Derhalve wordt in de onderhavige conclusie het gebruik van deze termen vermeden.
3. Beoordeling
a) Overzicht van de toepasselijke bepalingen en inleiding
19.
Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 195111. (hierna: ‘Vluchtelingenverdrag’), is op 22 april 1954 in werking getreden. Het is aangevuld met het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op 31 januari 1967 te New York is gesloten en op 4 oktober 1967 in werking is getreden.12. Het Vluchtelingenverdrag vormt de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.13. Bij het Vluchtelingenverdrag zijn alle lidstaten partij, maar de Europese Unie niet.
20.
Richtlijn 2011/95 biedt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een leidraad door te verwijzen naar gemeenschappelijke begrippen, die moeten worden uitgelegd met inachtneming van het Vluchtelingenverdrag. In de preambule van dit verdrag is vermeld dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) verantwoordelijk is voor het toezicht op de toepassing van internationale verdragen die de bescherming van vluchtelingen waarborgen. Gezien de rol die het Vluchtelingenverdrag aan de UNHCR toekent, heeft het Hof geoordeeld dat de documenten van de UNHCR bijzonder relevant zijn voor de uitlegging van richtlijn 2011/95.14. Deze richtlijn dient tevens te worden uitgelegd met inachtneming van het Handvest.15.
21.
De internationale bescherming waarnaar richtlijn 2011/95 verwijst, moet in beginsel worden verleend aan een derdelander of staatloze die in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst een gegronde vrees heeft voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep (vluchteling), of een reëel risico loopt op ernstige schade (persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt).16.
22.
In artikel 10 van richtlijn 2011/95 worden de gronden van vervolging genoemd.17. Alle in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2011/95 vermelde elementen zijn relevant voor de beoordeling of er sprake is van gronden van vervolging; die categorieën sluiten elkaar niet uit.18. Het gebruik van de woorden ‘met name’ in de onderdelen van die bepaling geeft aan dat de daarin vervatte aspecten niet uitputtend zijn. Ten slotte moet volgens vaste rechtspraak elke beslissing over de verlening of weigering van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus worden gebaseerd op een individuele beoordeling.19.
23.
De UNHCR heeft opgemerkt dat de uitlegging van de uitdrukking ‘het behoren tot een bepaalde sociale groep’ in artikel 1 A, lid 2, van het Vluchtelingenverdrag dient te evolueren en open dient te staan voor de verscheidenheid en de veranderende aard van groepen in verschillende samenlevingen en voor ontwikkelingen in de internationale mensenrechtennormen. Staten hebben erkend dat vrouwen, families, stammen, beroepsgroepen en homoseksuelen een bepaalde sociale groep vormen voor de toepassing van dit verdrag. Afhankelijk van de specifieke omstandigheden in een samenleving kan een vrouw een verzoek indienen dat gebaseerd is op politieke overtuiging (indien de staat haar gedragingen beschouwt als een politieke verklaring die hij tracht te onderdrukken), godsdienst (indien haar gedragingen gebaseerd zijn op een godsdienstige overtuiging waar de staat zich tegen keert) of het behoren tot een bepaalde sociale groep.20.
24.
Opdat er sprake kan zijn van een ‘specifieke sociale groep’ voor de toepassing van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95, moet aan twee cumulatieve voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste moeten de leden van de groep een ‘aangeboren kenmerk’ vertonen of een ‘gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden’, of een kenmerk of geloof delen dat ‘voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven’. Deze elementen hebben betrekking op de zogenoemde interne aspecten van een groep. Ten tweede moet deze groep in het betrokken land een eigen identiteit hebben, omdat zij in haar directe omgeving als ‘afwijkend’ wordt beschouwd.21. Dat betreft een element van sociale perceptie, of de zogenoemde externe aspecten van een groep. In deze context is het ‘betrokken land’ het land van herkomst, in dit geval Irak, en is de ‘directe omgeving’ de samenleving in dat land van herkomst.
b) Interne aspecten van een groep
25.
Uit de bewoordingen van artikel 10, lid 1, onder d), tweede alinea, van richtlijn 2011/95 blijkt duidelijk dat voor het vaststellen van het bestaan van een specifieke sociale groep gender22. en genderaspecten relevant kunnen zijn. Gender kan in bepaalde situaties een voldoende criterium zijn wanneer een dergelijke groep wordt omschreven.23. Vrouwen zijn volgens de UNHCR een duidelijk voorbeeld van een sociale subgroep die gedefinieerd wordt op basis van aangeboren kenmerken, en zij worden veelvuldig anders behandeld dan mannen. Vrouwen kunnen in sommige samenlevingen in het algemeen een specifieke sociale groep vormen, omdat zij, anders dan mannen, te maken hebben met systemische discriminatie met betrekking tot de uitoefening van hun grondrechten.24.
26.
In de onderhavige zaak voeren verzoeksters niet aan dat zij louter vanwege hun geslacht recht hebben op internationale bescherming. Zij stellen dat zij de normen, waarden en gedragingen die gegrond zijn op hun geloof in gendergelijkheid en die zij in Nederland hebben aangenomen, niet kunnen opgeven. Dit doet bijgevolg de vraag rijzen of een dergelijk geloof een gedeeld kenmerk dan wel een gedeeld geloof kan vormen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven. Ik ga eerst in op de betekenis van de woorden ‘kenmerk’ en ‘geloof’ en beoordeel vervolgens het vereiste dat er sprake is van een gedeeld geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven.
1) Betekenis van ‘kenmerk’ en ‘geloof’
27.
Ten aanzien van de normen, waarden en gedragingen waarvan verzoeksters stellen dat zij deze gedurende hun verblijf in Nederland hebben aangenomen, merkt de verwijzende rechter op dat bij de aanvaarding van normen, waarden en gedragingen sprake kan zijn van een ‘kenmerk’ dat voor de identiteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven.
28.
Richtlijn 2011/95 bevat geen definitie van de in artikel 10, lid 1, onder d), ervan gebezigde termen ‘aangeboren kenmerk’ en ‘een kenmerk […] dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven’. In woordenboeken wordt een ‘kenmerk’ van een persoon bijvoorbeeld gedefinieerd als ‘een karaktertrek of eigenschap die typisch bij die persoon hoort en dient om hem te identificeren’. ‘Aangeboren’ betekent ‘ermee geboren’ of ‘bepaald door factoren die vanaf de geboorte in een individu aanwezig zijn’. Voorbeelden van aangeboren kenmerken zijn iemands lengte, oogkleur en genetische erfgoed. Richtlijn 2011/95 geeft één enkel voorbeeld van een ‘gemeenschappelijk kenmerk’, te weten seksuele gerichtheid.25.
29.
Op grond van die definities concludeer ik dat het aannemen van bepaalde normen, waarden en gedragingen niet kan worden omschreven als een ‘kenmerk’.26. Het woord ‘geloof’, met de betekenis ‘de aanvaarding of het gevoel dat iets waar is’, lijkt in de omstandigheden van verzoeksters treffender te zijn.
30.
Vervolgens is het, in het licht van het standpunt waarop de Nederlandse regering zich stelt, relevant om na te gaan of het gedeelde geloof dat bij artikel 10, lid 1, onder d), eerste streepje, van richtlijn 2011/95 wordt genoemd, moet worden uitgelegd als een impliciete verwijzing naar een religieuze of politieke overtuiging. De Commissie wijst erop dat het gebruik van het woord ‘Glaubensüberzeugung’ in de Duitse taalversie tot twijfel kan leiden of de overtuiging in kwestie van religieuze aard moet zijn.
31.
Artikel 10, lid 1, onder b), van richtlijn 2011/95, waarin vervolging op grond van godsdienst wordt behandeld, verwijst naar ‘theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen’. Zo bezigen de Duitse, de Engelse, de Franse en de Nederlandse taalversie van dat artikel van richtlijn 2011/95 de termen ‘religiöse Überzeugung’, ‘religious belief’, ‘croyances religieuses’ en ‘godsdienstige overtuiging’. Daarentegen wordt in artikel 10, lid 1, onder d), ervan in die respectieve taalversies het woord ‘Glaubensüberzeugung’, ‘belief’, ‘croyance’ en ‘geloof’ gebezigd.
32.
Artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95, dat politieke vervolging betreft, verwijst naar het hebben van een opvatting, gedachte of mening betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 ervan genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden.
33.
Met andere woorden, artikel 10, lid 1, onder b), van richtlijn 2011/95 verwijst naar theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen; artikel 10, lid 1, onder e), naar politieke opvattingen, gedachten of meningen, en artikel 10, lid 1, onder d), naar een geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven.27. Op grond daarvan lijken er geen tekstuele of contextuele aanwijzingen te zijn ter staving van het idee dat de grondslag van een geloof in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), religieus of politiek van aard moet zijn.28. Een andersluidende uitlegging erkent bovendien niet dat er binnen een specifieke godsdienst sprake kan zijn van tal van opvattingen over fundamentele aangelegenheden en dat een persoon zijn opvattingen over die aangelegenheden kan veranderen zonder zich tot een andere godsdienst te bekeren.29.
2) Is het geloof in kwestie een gedeeld geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven?
34.
Een geloof in gendergelijkheid creëert tal van keuzen in relatie tot onderwijs en beroepskeuze, de mate en de aard van activiteiten in de openbare sfeer, de mogelijkheid om economische onafhankelijkheid te verwezenlijken door buitenshuis te werken, beslissingen om alleen of in gezinsverband te wonen, en vrije partnerkeuze. Deze zaken zijn fundamenteel voor de identiteit van een individu.30.
35.
Gendergelijkheid is in artikel 2 en artikel 3, lid 3, VEU verankerd als een van de belangrijkste waarden en doelen van de Europese Unie, en wordt in de rechtspraak van het Hof als een grondbeginsel van het Unierecht erkend. Artikel 8 VWEU bepaalt dat de Europese Unie er bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen. Op basis van artikel 19 VWEU kan de Europese Unie wetgeving vaststellen ter bestrijding van gendergerelateerde discriminatie. In artikel 157 VWEU wordt het beginsel van gelijke beloning voor gelijkwaardige arbeid vastgelegd, en een rechtsgrondslag verschaft voor het invoeren van wettelijke regelingen inzake gendergelijkheid op het gebied van arbeid. In artikel 157, lid 4, VWEU wordt positieve actie erkend als een middel om gendergelijkheid te verwezenlijken.
36.
Sinds in de jaren zeventig de eerste richtlijnen op dit vlak zijn aangenomen, heeft de Europese Unie uitgebreide wetgeving ontwikkeld op het gebied van gendergelijkheid, voornamelijk op het terrein van arbeid, waaronder voor zaken als gelijke beloning, sociale zekerheid, arbeid, arbeidsomstandigheden en intimidatie.31. Deze wetgeving verbiedt rechtstreekse en zijdelingse discriminatie op grond van geslacht en brengt in de rechtsorde van de lidstaten afdwingbare rechten voor justitiabelen tot stand.32.
37.
De normen, waarden en gedragingen waarvan verzoeksters stellen dat zij deze gedurende hun verblijf in Nederland hebben aangenomen, weerspiegelen ook enkele grondrechten die in het Handvest zijn verankerd: artikel 21, lid 1, bevat het recht om niet te worden gediscrimineerd op grond van geslacht; artikel 23 erkent het recht op gelijkheid van mannen en vrouwen op alle gebieden, met inbegrip van werkgelegenheid, beroep en beloning33.; artikel 9 verwijst naar het recht vrijelijk te huwen; artikel 11 voorziet in de vrijheid van meningsuiting; in artikel 14 is het recht op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing verankerd, en artikel 15 voorziet in het recht om te werken en in de vrijheid van beroep.34. De lidstaten zijn ook partij bij het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat streeft naar de bevordering van de gelijke erkenning, het gelijke genot en de gelijke uitoefening door vrouwen van alle rechten van de mens op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, op het terrein van de burgerrechten of welk ander gebied dan ook.35.
38.
Ik twijfel er niet aan dat veel mensen die hun leven in Nederland hebben doorgebracht zodanig door de waarde van gendergelijkheid zijn beïnvloed dat deze een onuitwisbaar deel van hun identiteit vormt.
39.
Gelet op het voorgaande mag mijns inziens van meisjes en vrouwen die de normen, waarden en gedragingen hebben aangenomen die een geloof in gendergelijkheid weerspiegelen, niet worden verwacht dat zij dat geloof opgeven, net zomin als van iemand mag worden verwacht dat hij zijn religieuze of politieke overtuigingen opgeeft of zijn seksuele gerichtheid ontkent. Hieruit volgt dat de lidstaten niet van meisjes en vrouwen mogen verwachten dat zij hun gedrag aanpassen door zich onopvallend te gedragen om veilig te blijven, des te meer omdat identiteitsaspecten die zijn gevormd op basis van een geloof in gendergelijkheid, naar hun aard vaak in het openbaar tot uiting komen.36. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 ten aanzien van homoseksuelen geen beperkingen stelt aan de wijze waarop de leden van de specifieke sociale groep zich ten aanzien van hun identiteit of hun gedragingen kunnen opstellen.37.
40.
Vervolgens rijst de vraag of verzoeksters een zodanig geloof in gendergelijkheid hebben aangenomen en tot bestanddeel van hun leven hebben gemaakt dat dit geloof tot hun identiteit is gaan behoren.38. Gezien de leeftijd van verzoeksters en de duur van hun verblijf in Nederland merkt de verwijzende rechter redelijkerwijs op dat zij een aanzienlijk deel van de levensfase waarin zij hun identiteit vormen in deze lidstaat hebben doorgebracht.39. Ik twijfel er niet aan dat de onderdompeling van verzoeksters in de cultuur van die lidstaat een intense ervaring was, die hun mogelijkheden gaf en toekomstperspectieven opende waarvan zij zich anders misschien niet bewust zouden zijn geweest. Derhalve is het aannemelijk dat zij, anders dan hun leeftijdgenoten in Irak, die deze ervaring niet hebben gehad, een manier van leven hebben aangenomen die de erkenning en uitoefening van hun grondrechten weerspiegelt, met name hun geloof in gendergelijkheid, voor zover zij dat geloof hebben aangenomen en tot bestanddeel van hun leven hebben gemaakt, zodat het tot hun karakter is gaan behoren. De mate waarin dat het geval is, moet door de bevoegde autoriteiten, en uiteindelijk door de nationale rechter, worden beoordeeld met inachtneming van de individuele omstandigheden van verzoeksters, waarbij, indien relevant, rekening wordt gehouden met de in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2011/95 vermelde overweging.40.
c) Externe aspecten van een groep
41.
Ondanks enige onduidelijkheid lijkt het erop dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen hoe de bevoegde autoriteiten en de nationale rechters dienen te bepalen of is voldaan aan het vereiste van artikel 10, lid 1, onder d), tweede streepje, van richtlijn 2011/95, te weten of een specifieke sociale groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. Die vraag doet kwesties rijzen ten aanzien van de bewijslast en de inhoudelijke beoordeling van de stellingen van verzoeksters.
1) Bewijslast
42.
Artikel 4, lid 3, van richtlijn 2011/95 bepaalt dat de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en rekening moet houden met onder meer: a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst, met inbegrip van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land en de wijze waarop deze worden toegepast; b) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, en c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker. Ingevolge artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 mogen de lidstaten van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van zijn verzoek om internationale bescherming, met inbegrip van de redenen ter ondersteuning van dat verzoek41., zo spoedig mogelijk indient. Derhalve moet de verzoeker duidelijk de redenen uiteenzetten en onderbouwen dat hij voor vervolging in zijn land van herkomst te vrezen heeft.
43.
Behelst dat vereiste ook de plicht om te staven dat de specifieke sociale groep waartoe de verzoeker stelt te behoren, in het betrokken land een eigen identiteit heeft omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd, welk standpunt de Nederlandse regering lijkt in te nemen? Ik meen van niet. De verklaringen die de verzoeker krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 moet indienen ter staving van een verzoek om internationale bescherming, vormen slechts het uitgangspunt voor de door de bevoegde autoriteiten te verrichten beoordeling van de feiten en omstandigheden die tot dat verzoek hebben geleid. Deze bepaling verlangt ook van de lidstaat dat hij de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker beoordeelt.42.
44.
Het Hof heeft geoordeeld dat de samenwerkingsplicht die ten aanzien van die beoordeling op de lidstaat rust, concreet tot gevolg heeft dat, indien de elementen die zijn aangevoerd door de persoon die om internationale bescherming verzoekt, om welke reden ook onvolledig, verouderd of irrelevant zijn, die lidstaat deze persoon moet helpen bij het verzamelen van alle elementen die het verzoek kunnen staven. De lidstaat heeft mogelijkerwijze gemakkelijker toegang tot bepaalde soorten documenten dan de verzoeker.43. De bewijslast dat een specifieke sociale groep in een bepaald land een eigen identiteit heeft, lijkt dus zowel op de verzoeker als op de lidstaat te rusten, en niet uitsluitend op de verzoeker. In dit verband is het ook van belang om eraan te herinneren dat voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker waarvoor eventueel bewijsmateriaal ontbreekt, blijkens artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 de verzoeker geloofwaardig wordt geacht en hem het voordeel van de twijfel wordt gegund wanneer, onder andere, deze verklaringen samenhangend zijn en aannemelijk zijn bevonden en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek.
45.
Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2011/95 bepaalt dat het, bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, niet ter zake doet of hij in werkelijkheid de kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.44. Uit de bewoordingen van die bepaling blijkt duidelijk dat dit een rol speelt zodra is vastgesteld dat er sprake is van een specifieke sociale groep. Anders dan de verwijzende rechter impliceert, wordt de vaststelling of een groep in het land van herkomst een eigen identiteit heeft, niet vervangen en ook niet minder belangrijk gemaakt door de beoordeling van de perceptie van de actoren van vervolging. Zij heeft louter gevolgen voor de mate waarin moet worden aangetoond dat de verzoeker tot die sociale groep behoort, aangezien het ten behoeve van het verzoek om internationale bescherming kan volstaan om aan te tonen dat hij nu eenmaal als zodanig wordt beschouwd.45.
2) Inhoudelijke beoordeling
46.
Het Hof heeft erkend dat het bestaan van strafwetgeving die zich specifiek richt op homoseksuelen steun kan bieden voor de vaststelling dat deze personen een afzonderlijke groep vormen die in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. In het verlengde daarvan vormt het feit dat een samenleving bepaald gedrag van mannen aanvaardt, terwijl datzelfde gedrag bij vrouwen wordt bestraft, een aanwijzing dat vrouwen, of bepaalde categorieën vrouwen, in hun directe omgeving als afwijkend worden beschouwd. Derhalve moeten de bevoegde autoriteiten de juridische, sociale en culturele zeden en gebruiken in het land van herkomst van de verzoeker in overweging nemen.46.
47.
In het recente landspecifieke richtsnoer betreffende Irak van het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA)47. worden groepen van personen geïdentificeerd die in hun directe omgeving als afwijkend worden beschouwd. Volgens dat landspecifieke richtsnoer kunnen personen, met name vrouwen, die zich niet houden aan de sociale zeden en gebruiken, als amoreel worden beschouwd, gestigmatiseerd worden en een risico lopen op ernstige schade.48. Dergelijke overtredingen omvatten naar verluidt seksuele betrekkingen buiten het huwelijk, het slachtoffer zijn van verkrachting of andere vormen van seksueel geweld, de weigering om te huwen met een man die de familie heeft uitgekozen49., het huwen tegen de wil van de familie, een ongepast voorkomen of ongepaste kledij, en onaanvaardbare contacten of dating. Aanvaardbare werkzaamheden voor vrouwen zijn naar verluidt beperkt tot huishoudelijke taken en banen bij overheidsinstellingen. De samenleving staat afwijzend tegenover vrouwen en meisjes die in winkels, cafés, de entertainmentsector, de zorgsector of de vervoerssector werken. De openbare activiteit van vrouwen, met inbegrip van hun aanwezigheid en activiteiten op internet, kan tot intimidatie leiden. Voor vrouwen kunnen er beperkingen gelden ten aanzien van hun deelname aan betogingen, omdat hun familie bang is voor negatieve reacties. Seksuele smaad kan hen blootstellen aan stigmatisering door de samenleving of ertoe leiden dat zij geacht worden de eer van de familie te hebben aangetast.50.
48.
Uit het voorgaande blijkt dat meisjes en vrouwen die in gendergelijkheid geloven geacht kunnen worden zich niet te houden aan de sociale zeden en gebruiken in Irak vanwege uitingsvormen van dat geloof, bijvoorbeeld door verklaringen of gedragingen die in verband worden gebracht met keuzen met betrekking tot zaken als onderwijs, loopbaan en werk buitenshuis, de mate en de aard van activiteiten in de openbare sfeer, beslissingen om alleen of in gezinsverband te wonen en vrije partnerkeuze. Het staat aan de bevoegde autoriteiten en aan de nationale rechters om te bepalen of dat voor verzoeksters in hun individuele omstandigheden inderdaad het geval is.
d) Vervolging
49.
Sommige partijen die opmerkingen hebben ingediend, hebben aangevoerd dat verzoeksters geen bewijs hadden aangedragen dat zij bij terugkeer naar hun staat van herkomst gevaar zouden lopen te worden vervolgd. Dat is een andere, zij het verwante51., kwestie dan die van het vaststellen of zij tot een specifieke sociale groep behoren in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95. De verwijzende rechter stelt geen vragen over de uitlegging van de bepalingen van deze richtlijn die specifiek betrekking hebben op de beoordeling van een gegronde vrees voor vervolging. Het volstaat erop te wijzen dat de lidstaten volgens artikel 8, lid 2, van richtlijn 2011/95 bij de beoordeling of een verzoeker een gegronde vrees heeft voor vervolging onder andere rekening houden met de algemene omstandigheden in het betrokken deel van het land van herkomst. Daartoe moeten zij nauwkeurige en actuele informatie opvragen uit relevante bronnen, zoals de UNHCR en het EUAA.
50.
In het recente landspecifieke richtsnoer betreffende Irak wordt aangegeven dat meisjes en vrouwen die zich niet houden aan de sociale zeden en gebruiken, blootgesteld kunnen worden aan daden die zo ernstig zijn dat deze met vervolging overeenkomen.52. Derhalve zouden verzoeksters en/of hun directe familie mogelijkerwijze, omdat zij in dat opzicht als afwijkend worden beschouwd53., met vergelding te maken kunnen krijgen die vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn 2011/95 vormt. De waarschijnlijkheid en de ernst van deze risico's zijn, wederom, aangelegenheden die de bevoegde autoriteiten en de nationale rechters in het licht van de omstandigheden van verzoeksters dienen te beoordelen.
B. Derde vraag
51.
De derde vraag bestaat uit twee delen. Ten eerste vraagt de verwijzende rechter in wezen of het Unierecht van de beslissingsautoriteit verlangt dat zij de belangen van het kind, zoals in artikel 24, lid 2, van het Handvest naar dat begrip wordt verwezen, vaststelt en betrekt bij een verzoek om internationale bescherming. Ten tweede wenst hij te vernemen of de beantwoording van het eerste deel anders luidt indien het belang van het kind moet worden betrokken bij wat hij een ‘verblijfsaanvaarding op reguliere gronden’ noemt.
52.
Een relevante overweging in dat verband is dat de procedure bij de verwijzende rechter volgende verzoeken en geen eerste verzoeken om internationale bescherming betreft.54.
1. Eerste deel
53.
Artikel 2, onder k), van richtlijn 2011/95 definieert een minderjarige of, met andere woorden, een kind als ‘een onderdaan van een derde land of een staatloze die jonger is dan 18 jaar’.
54.
Artikel 24, lid 2, en artikel 51, lid 1, van het Handvest bevestigen de fundamentele aard van de rechten van het kind en het vereiste dat de lidstaten deze rechten eerbiedigen wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Derhalve dient richtlijn 2011/95 te worden uitgelegd en toegepast in het licht van artikel 24, lid 2, van het Handvest.55. Dat wordt weerspiegeld in overweging 16 van richtlijn 2011/95, waarin is vermeld dat deze richtlijn de toepassing van onder andere artikel 24 van het Handvest tracht te bevorderen, en in overweging 18 ervan, waarin is vermeld dat het belang van het kind, wanneer de lidstaten die richtlijn uitvoeren, een van de hoofdoverwegingen van die lidstaten dient te zijn, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 198956.. Bij de beoordeling van het belang van het kind dienen de lidstaten met name terdege rekening te houden met het beginsel van eenheid van het gezin, het welzijn en de sociale ontwikkeling van het kind, overwegingen van veiligheid en de opvattingen van het kind, met inachtneming van zijn leeftijd en niveau van maturiteit.
55.
Artikel 4, lid 3, onder c), van richtlijn 2011/95 vereist dat een verzoek om internationale bescherming op individuele basis wordt beoordeeld, waarbij rekening wordt gehouden met de situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van die persoonlijke omstandigheden, de daden waaraan die persoon blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen. In artikel 9, lid 2, onder f), ervan is vermeld dat daden van vervolging onder meer de vorm kunnen aannemen van daden van kindspecifieke aard.57.
56.
Gelet op de voorgaande overwegingen, en zoals in de rechtspraak van het Hof is aangegeven58., moet het belang van het kind mijns inziens worden vastgesteld op individuele basis en worden betrokken bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming, met inbegrip van volgende verzoeken.
57.
De Nederlandse regering heeft aangevoerd dat de Nederlandse bevoegde autoriteiten voldoende rekening houden met de belangen van het kind, omdat deze belangen op passende wijze worden weerspiegeld in alle procedurele aspecten van de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming in verband met of met betrekking tot kinderen, bijvoorbeeld door het gebruik van kindvriendelijke ondervragingsprocedures.59.
58.
De toepassing van kindvriendelijke procedurele waarborgen is van groot praktisch belang. Toch bevatten artikel 24 van het Handvest, de artikelen 3, 9, 12 en 13 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarop die bepaling van het Handvest is gebaseerd, richtlijn 2011/95 of de rechtspraak van het Hof niets dat aangeeft dat de belangen van het kind niet zouden moeten worden betrokken bij de beoordeling van de inhoud van verzoeken in verband met kinderen. In artikel 24, lid 2, van het Handvest zelf is bepaald dat bij ‘alle’ handelingen in verband met kinderen ‘rekening wordt gehouden’ met de belangen van het kind.60. Volgens de rechtspraak van het Hof maakt alleen een algemene en grondige beoordeling van de situatie van een kind het mogelijk te bepalen wat het belang van dat kind is.61. In dit verband kan advies van een deskundige nuttig of zelfs noodzakelijk zijn. De Commissie herinnert er terecht aan dat de lidstaten er volgens artikel 10, lid 3, van richtlijn 2013/32 op toezien dat de beslissingen over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek en dat het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de mogelijkheid heeft om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over onder andere kindgerelateerde kwesties.62.
59.
Daaraan wens ik toe te voegen dat ingeval zich een relevante en materiële verandering heeft voorgedaan in de omstandigheden of de gezondheid van een kind tussen de datum van de beoordeling van zijn eerste verzoek en die van zijn volgende verzoek om internationale bescherming, een nieuwe beoordeling van de belangen van het kind passend kan zijn teneinde deze vast te stellen.63.
60.
Beslissingen inzake wanneer en hoe precies dergelijke aangelegenheden beoordeeld moeten worden en in aanmerking moeten worden genomen, zijn kwesties die onder de uitoefening van de procedurele autonomie van de lidstaten vallen, met dien verstande dat het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel moeten worden geëerbiedigd.64.
61.
Derhalve is een beoordeling van de belangen vereist om te kunnen beslissen op het verzoek om internationale bescherming van een minderjarige of op een verzoek dat een minderjarige betreft of aanzienlijke gevolgen voor hem met zich meebrengt65. en dat voldoet aan de vereisten van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 51, lid 1, van het Handvest. In een dergelijke passende beoordeling kan rekening worden gehouden met aspecten zoals de chronologische leeftijd, de ontwikkelingsleeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheden, de gezinssituatie, de opleiding en de fysieke en mentale gezondheid van het kind.66.
62.
In dat verband ben ik het eens met de opmerkingen van de Tsjechische, de Hongaarse en de Nederlandse regering dat de belangen van het kind slechts één overweging zijn in de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, zij het een van het allergrootste belang. Het is belangrijk om in herinnering te brengen dat de doelstelling van richtlijn 2011/95 bestaat in het identificeren van personen die, gedwongen door de omstandigheden, daadwerkelijk en terecht internationale bescherming in de Europese Unie behoeven. Internationale bescherming is louter beschikbaar voor vluchtelingen en voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder d) en f), ervan. Binnen dit rechtskader moeten de bevoegde autoriteiten het belang van het kind als een van de hoofdoverwegingen nemen67., en zou het in strijd zijn met de algemene opzet en de doelstellingen van richtlijn 2011/95 om de vluchtelingenstatus en subsidiairebeschermingsstatus toe te kennen aan derdelanders die zich in situaties bevinden die geen enkel verband houden met de logica van de internationale bescherming.68.
63.
Bij wijze van illustratie van een verzoek om internationale bescherming waarbij het belang van het kind bijzonder belangrijk is, denk ik aan omstandigheden waarin de specifieke geestelijke of lichamelijke kwetsbaarheden van het kind aangeven dat daden die niet als daden van vervolging zouden worden beschouwd indien zij een ander kind zouden betreffen dat niet aan dergelijke kwetsbaarheden lijdt, of een volwassene, in het licht van andere relevante omstandigheden, zoals de beschikbaarheid van ondersteuning door de familie in het land van herkomst, grotere gevolgen voor dat kind zouden hebben, zodat deze daden zouden neerkomen op daden van vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn 2011/95. Het belang van het kind is ook bijzonder relevant bij kindspecifieke vormen van vervolging.69.
64.
Een dergelijke situatie kan duidelijk worden onderscheiden van de omstandigheden die hebben geleid tot het arrest M'Bodj70., waarin het Hof heeft geoordeeld dat het ontbreken van adequate gezondheidszorg in het land van herkomst van een verzoeker niet met een onmenselijke of vernederende behandeling overeenkomt, tenzij aan een verzoeker die aan een ernstige ziekte lijdt opzettelijk medische zorg wordt geweigerd, en dat een lidstaat geen bepalingen mag vaststellen of handhaven op grond waarvan aan een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt de subsidiairebeschermingsstatus wordt toegekend op grond dat hij het risico loopt dat zijn gezondheidstoestand verslechtert omdat in zijn land van herkomst geen adequate behandeling voorhanden is.
65.
Wederom staat het aan de bevoegde autoriteiten, en uiteindelijk aan de nationale rechters, om al deze kwesties in de context van individuele verzoeken om internationale bescherming te beoordelen.
2. Tweede deel
66.
Uit de wijze waarop de verwijzende rechter het tweede deel van de derde vraag heeft geformuleerd, begrijp ik dat dit deel niet behoeft te worden beantwoord indien het antwoord op het eerste deel luidt dat het Unierecht van een beslissingsautoriteit verlangt dat deze het belang van het kind vaststelt en betrekt bij haar uitspraak over een verzoek om internationale bescherming.
67.
In ieder geval valt moeilijk uit de verwijzingsbeslissing af te leiden hoe er in de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak enig — feitelijk of logisch — verband is tussen wat er gebeurt in procedures met betrekking tot een ‘verzoek om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden’, dat volgens de Nederlandse regering niet wordt beheerst door het Unierecht71., en de verzoeken om internationale bescherming ingevolge het nationale recht waarbij richtlijn 2011/95 is omgezet. De Franse en de Hongaarse regering alsmede de Commissie zijn van mening dat de verwijzingsbeslissing voor het Hof onvoldoende informatie bevat, met name over wat wordt bedoeld met een ‘verzoek om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden’, om een nuttig antwoord te kunnen geven op het tweede deel van de derde vraag. Bovendien heeft de vertegenwoordiger van verzoeksters bij wijze van antwoord op een ter terechtzitting gestelde vraag van het Hof bevestigd dat de onderhavige procedure louter verzoeken om internationale bescherming betreft, en geen ‘[verzoeken] om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden’. Dat bevestigt de opmerking van de Nederlandse regering dat het tweede deel van de derde vraag niet van belang is voor de beslechting van de aangelegenheden die bij de verwijzende rechter in behandeling zijn. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging het tweede deel van de derde vraag niet-ontvankelijk te verklaren en dat deel verder onbesproken te laten.72.
C. Vierde vraag
68.
De vierde vraag heeft specifiek betrekking op de schade die een minderjarige kan oplopen als gevolg van een langdurig feitelijk verblijf in een lidstaat, en de rechter wenst te vernemen of en zo ja in welke fase van de inhoudelijke beoordeling van een volgend verzoek om internationale bescherming daarmee rekening moet worden gehouden. De verwijzende rechter speculeert dat het van belang kan zijn om in overweging te nemen of het eerste verzoek binnen de Unierechtelijke beslistermijnen is beoordeeld, of het verblijf van de verzoeker in de lidstaat rechtmatig was en of aan een eerder opgelegde terugkeerplicht was voldaan dan wel of tot verwijdering was overgegaan.
69.
Volgens de verwijzingsbeslissing stellen verzoeksters dat zij een ontwikkelingsachterstand of ontwikkelingsschade hebben opgelopen door de stress van een leven met onzekerheid over de uitkomst van de eerste verzoeken van hun gezin om internationale bescherming en de dreiging van een gedwongen terugkeer naar hun land van herkomst, en hebben zij deze stellingen met bewijsmateriaal gestaafd. Afgezien van de vertegenwoordiger van verzoeksters voeren alle partijen die de vierde vraag hebben beantwoord, aan dat de uitkomst van een volgend verzoek om internationale bescherming niet met inachtneming van dergelijke schade zou moeten worden beoordeeld.
70.
Het lijdt geen twijfel dat een leven met aanhoudende onzekerheid en dreiging tot stress leidt die een ontwikkelingsachterstand of ontwikkelingsschade bij kinderen kan veroorzaken.73. Dat is op zich geen factor die een recht op internationale bescherming krachtens richtlijn 2011/95 kan vestigen of een soepelere benadering voor de beoordeling van een verzoek daartoe kan rechtvaardigen, zoals de verwijzende rechter lijkt te impliceren. De ouders van verzoeksters hebben besloten dat het in het belang van hun kinderen was om de rechtsmiddelen uit te putten die voor het eerste verzoek van het gezin om internationale bescherming voorhanden waren, en om namens hun kinderen volgende verzoeken in te dienen. Niets geeft aan dat de verwerking van deze verzoeken en de beoordeling van deze beroepen langer heeft geduurd dan redelijkerwijs kon worden verwacht. De beslissingen van de ouders van verzoeksters hadden onvermijdelijk tot gevolg dat het verblijf van het gezin in Nederland werd verlengd. Er moet van worden uitgegaan dat de ouders in het licht van die omstandigheden de gevolgen van hun beslissingen voor het welzijn van hun kinderen in overweging hebben genomen. Aangenomen mag worden dat zij hun beslissingen hebben genomen in de overtuiging dat het voor hun kinderen beter was om in Nederland te blijven dan om naar Irak terug te keren. Dat is misschien geen ideale keuze geweest, maar op basis van de eigen argumentatie van verzoeksters valt moeilijk te aanvaarden dat zij daardoor meer schade hebben opgelopen dan indien hun ouders hadden besloten met hen naar Irak terug te keren.
71.
Ten slotte moet, wanneer beslist wordt op verzoeken om internationale bescherming in verband met een minderjarige, aandacht worden geschonken aan zijn ontwikkelingsleeftijd en zijn fysieke en mentale gezondheid op het tijdstip waarop de beoordeling wordt verricht. De omstandigheden die nadelige gevolgen voor de ontwikkeling of de gezondheid van het kind kunnen hebben gehad, zijn hierbij niet relevant.
D. Vijfde vraag
72.
Met zijn vijfde vraag wenst de nationale rechter te vernemen of een nationale rechtspraktijk waarin onderscheid wordt gemaakt tussen eerste en volgende verzoeken om internationale bescherming, in die zin dat reguliere motieven buiten beschouwing worden gelaten bij volgende verzoeken om internationale bescherming, gelet op artikel 7 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, ervan, verenigbaar is met het Unierecht.
73.
Het is moeilijk het verband te leggen met het Unierecht en het belang van de onderhavige vraag in de procedure bij de verwijzende rechter, die volgende verzoeken om internationale bescherming betreft, en geen verzoeken om verblijfsaanvaarding op reguliere gronden, waarvan de Nederlandse regering stelt dat deze niet door het Unierecht worden beheerst. Derhalve geef ik het Hof in overweging de onderhavige vraag om dezelfde redenen als die in punt 67 van de onderhavige conclusie niet-ontvankelijk te verklaren.
V. Conclusie
74.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch (Nederland), te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming
dient aldus te worden uitgelegd dat:
- —
derdelanders die meisjes en vrouwen zijn, vanwege hun biologische geslacht een aangeboren kenmerk delen en, omdat zij een aanzienlijk deel van de levensfase waarin zij hun identiteit vormen in een lidstaat hebben gewoond, een geloof in gendergelijkheid kunnen delen dat voor hun identiteit dermate fundamenteel is dat van hen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven;
- —
teneinde te bepalen of een groep in een land van herkomst een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd, de lidstaten krachtens artikel 4 van richtlijn 2011/95 verplicht zijn om rekening te houden met alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om internationale bescherming wordt genomen, met inbegrip van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van dat land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast, tezamen met alle relevante elementen die de persoon die om internationale bescherming verzoekt, indient;
- —
een groep die bestaat uit vrouwen en meisjes die een geloof in gendergelijkheid delen, in het land van herkomst een eigen identiteit heeft indien zij, wanneer zij dat geloof middels verklaringen of gedragingen uiten, door de samenleving in dat land geacht worden zich niet te houden aan de sociale zeden en gebruiken;
- —
een gedeeld geloof in gendergelijkheid geen religieuze of politieke grondslag hoeft te hebben.
- 2)
Richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 2, en artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
dient aldus te worden uitgelegd dat:
- —
een nationale rechtspraktijk waarin een beslissingsautoriteit bij de inhoudelijke beoordeling van een verzoek om internationale bescherming of een volgend verzoek om internationale bescherming het belang van het kind niet als een van de hoofdoverwegingen neemt of het belang van het kind weegt zonder dit belang van het kind eerst, in elke procedure, vast te (laten) stellen, onverenigbaar is met het Unierecht;
- —
de methode en procedure om het belang van het kind vast te stellen, aangelegenheden zijn die de lidstaten moeten regelen, waarbij zij ten volle rekening houden met het doeltreffendheidsbeginsel;
- —
de schade die een minderjarige heeft opgelopen als gevolg van zijn langdurige feitelijke verblijf in een lidstaat, niet relevant is voor een beslissing of een volgend verzoek om internationale bescherming moet worden ingewilligd, wanneer dat langdurige feitelijke verblijf in een lidstaat voortvloeit uit beslissingen van de ouders of de voogden van de minderjarige om de rechtsmiddelen uit te putten die voorhanden zijn om de afwijzing van het eerste verzoek aan te vechten en een volgend verzoek om internationale bescherming in te dienen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑07‑2023
Oorspronkelijke taal: Engels.
In de onderhavige conclusie verwijs ik naar hen als ‘verzoeksters’.
Verzoeken van 4 april 2019. In artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60) wordt een ‘volgend verzoek’ gedefinieerd als een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1, van deze richtlijn.
Besluiten van 21 december 2020, waartegen op 28 december 2020 beroep is ingesteld en waarvan de verwijzende rechter op 17 juni 2021 heeft kennisgenomen.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).
Hoewel die paragraaf deel uitmaakt van het onderdeel met het opschrift ‘Landgebonden beleid’ en betrekking heeft op Afghanistan, betreft de onderhavige verwijzing verzoeksters uit Irak.
Verwijzingsbeslissing, punt 23.
Werkinstructie 2019/1, Het beoordelen van asielaanvragen van verwesterde vrouwen.
Paragraaf C2.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (C).
Verwijzingsbeslissing, punt 25.
United Nations Treaty Series, deel 189, 1954, blz. 150, nr. 2545.
Bij dat protocol zijn de beperkingen ratione temporis en de geografische beperkingen van het Vluchtelingenverdrag geschrapt, zodat het universeel van toepassing zou zijn in plaats van louter op personen die vluchteling waren geworden ten gevolge van gebeurtenissen die vóór 1 januari 1951 hadden plaatsgevonden.
Zie artikel 78 VWEU aangaande de ontwikkeling van een gemeenschappelijk beleid inzake asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming, in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen. Zie onder andere ook de overwegingen 3, 4, 14 en 22 tot en met 24 van richtlijn 2011/95.
Arrest van 9 november 2021, Bundesrepublik Deutschland (Instandhouding van het gezin) (C-91/20, EU:C:2021:898, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Overweging 16 van richtlijn 2011/95 en arrest van 5 september 2012, Y en Z (C-71/11 en C-99/11, EU:C:2012:518, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de artikelen 13 en 18 van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met de definities van ‘vluchteling’ en ‘persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt’ in artikel 2, respectievelijk onder d) en f) ervan. In artikel 5 van die richtlijn wordt onder andere bepaald dat dit situaties omvat waarin een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade gegrond is op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan nadat de verzoeker zijn land van herkomst heeft verlaten. In de verwijzingsbeslissing wordt niet om een uitlegging van die bepaling verzocht.
Zie punt 2 van de onderhavige conclusie.
Hoewel artikel 10, lid 1, onder d), tweede alinea, verwijst naar het feit dat er ‘terdege rekening [wordt] gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd’, belet dit niet dat er voor de andere gronden van vervolging van artikel 10 van richtlijn 2011/95 genderaspecten in aanmerking worden genomen.
Artikel 4 van richtlijn 2011/95. Zie ook arrest van 4 oktober 2018, Ahmedbekova (C-652/16, EU:C:2018:801, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en UNHCR, Guidelines on International Protection: Gender-Related Persecution within the context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating to the Status of Refugees (UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming: Gendergerelateerde vervolging in het kader van artikel 1 A, lid 2, van het Vluchtelingenverdrag en/of het Protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen), 2002, punt 7.
Zie UNHCR, Guidelines on International Protection: ‘Membership of a particular social group’ within the context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating to the Status of Refugees (UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming: ‘Het behoren tot een bepaalde sociale groep’ in het kader van artikel 1 A, lid 2, van het Vluchtelingenverdrag en/of het Protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen), 2002, punten 3 en 4.
Het staat aan de verwijzende rechter om op basis van een gegeven feitelijke situatie te bepalen of aan die cumulatieve voorwaarden is voldaan. Zie arrest van 4 oktober 2018, Ahmedbekova (C-652/16, EU:C:2018:801, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In richtlijn 2011/95 wordt gender niet gedefinieerd; deze term is elders gedefinieerd als ‘de maatschappelijk bepaalde rollen, gedragingen, activiteiten en eigenschappen die in een maatschappij passend worden geacht voor vrouwen en mannen’ [zie artikel 3, onder c, van het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (‘Verdrag van Istanbul’), dat in werking is getreden op 1 augustus 2014 (Council of Europe Treaty Series — nr. 210)]. Op 9 mei 2023 heeft het Europees Parlement de toetreding tot dit verdrag door de Europese Unie goedgekeurd [zie ook advies 1/19 (Verdrag van Istanbul) van 6 oktober 2021, EU:C:2021:832].
Conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld) (C-621/21, EU:C:2023:314, punt 73).
Zie UNHCR, Guidelines on International Protection: Gender-Related Persecution within the context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or its 1967 protocol relating to the Status of Refugees, 2002, punten 30 en 31; Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), EASO Guidance on membership of a particular social group (EASO-richtsnoeren inzake het behoren tot een bepaalde sociale groep), 2020, blz. 21, en conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld) (C-621/21, EU:C:2023:314, punt 71).
Zie ook arrest van 7 november 2013, X e.a. (C-199/12–C-201/12, EU:C:2013:720, punt 46).
Het is eventueel relevant om toe te voegen dat artikel 10, lid 1, onder d), eerste streepje, van richtlijn 2011/95 bepaalt dat een groep ook een specifieke sociale groep kan zijn als de leden ervan een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden. Ik ben er niet van overtuigd dat dit aspect in de onderhavige zaak relevant is. Het is zeker verdedigbaar dat personen zoals verzoeksters, die een aanzienlijk deel van de levensfase waarin zij hun identiteit vormen in een lidstaat hebben doorgebracht, een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden. In de onderhavige zaak lijkt er echter geen argument te zijn aangevoerd dat verzoeksters een gegronde vrees voor vervolging kunnen hebben omdat zij een dergelijke gemeenschappelijke achtergrond hebben.
Zie ook de overwegingen 29 en 30 van richtlijn 2011/95, die een duidelijk onderscheid maken tussen de in artikel 10, lid 1, ervan vermelde gronden van vervolging.
Met andere woorden, religieuze edicten en geloofsdogma's sluiten het bestaan van tal van uiteenlopende religieuze overtuigingen onder de gelovigen niet uit. Zo kunnen katholieken geloven dat het vrouwen dient te worden toegestaan om tot priester te worden gewijd, ondanks dat canon 1024 zulks verbiedt.
Erik Erikson was een van de eerste psychologen die het begrip identiteit beschreef in het kader van de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Hij meende dat identiteit een persoon in staat stelt om zijn leven met een bepaald doel te leiden en een bepaalde richting aan zijn leven te geven, met een gevoel van innerlijke eenheid en continuïteit in tijd en plaats. Identiteit is psychosociaal van aard en wordt gevormd door het snijpunt van individuele biologische en psychologische vermogens in combinatie met de kansen en vormen van ondersteuning die het sociale kader van een persoon biedt. Identiteit wordt normaal gesproken een belangrijke kwestie tijdens de adolescentie, wanneer het individu zich bezighoudt met vragen over zijn voorkomen, beroepskeuze, ambities op werkgebied, onderwijs, relaties, seksualiteit, politieke en sociale opvattingen, persoonlijkheid en interesses. De belangrijkste kwesties omtrent identiteit vergen in een later levensstadium vaak nadere reflectie en herziening. De tak van de psychologie die zich met identiteit en het zelf bezighoudt, heeft de theorieën van Erikson ontwikkeld en verfijnd. Zie bijvoorbeeld Branje, S., De Moor, E.L., Spitzer, J., en Becht, A.I., ‘Dynamics of Identity Development in Adolescence: A Decade in Review’, Journal of Research on Adolescence, 2021, deel 1(4), blz. 908–927.
Zie bijvoorbeeld richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB 2006, L 204, blz. 23), richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van richtlijn 86/613/EEG van de Raad (PB 2010, L 180, blz. 1) en richtlijn 2004/113/EG van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB 2004, L 373, blz. 37).
Reeds in 1976 heeft het Hof geoordeeld dat het in het Unierecht vastgelegde beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen rechtstreekse werking heeft, zodat een justitiabele zich daar tegenover zijn werkgever op kan beroepen (arrest van 8 april 1976, Defrenne, 43/75, EU:C:1976:56).
Het recht van eenieder op gelijkheid voor de wet en op bescherming tegen discriminatie vormt een universeel recht dat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens wordt erkend.
Zie ook gelijkwaardige bepalingen van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (EVRM), dat alle lidstaten ondertekend hebben, met name artikel 14 (verbod van discriminatie), artikel 12 (recht te huwen) en artikel 10 (vrijheid van meningsuiting), alsmede artikel 2 van het protocol bij het EVRM (recht op onderwijs).
Dit verdrag is op 18 december 1979 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen en op 3 september 1981 in werking getreden (United Nations Treaty Series, deel 1249, blz. 13). De Europese Unie is geen partij.
Arrest van 7 november 2013, X e.a. (C-199/12–C-201/12, EU:C:2013:720, punten 70–75). Opgemerkt kan worden dat de beoordeling van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zijn uitspraak van 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk (CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, § 275), betrekking heeft op een andere aangelegenheid, te weten of de verzoekers in die zaak een reëel risico liepen op een slechte behandeling die in strijd was met artikel 3 EVRM en/of een schending van artikel 2 EVRM. In dit verband heeft het EHRM overwogen of de verzoekers die risico's zouden kunnen vermijden door ‘het spel mee te spelen’.
Arrest van 7 november 2013, X e.a. (C-199/12–C-201/12, EU:C:2013:720, punt 68).
Zie UNHCR, Guidelines on International Protection: ‘Membership of a particular social group’ within the context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating to the Status of Refugees, 2002, punt 15. Zie ook EASO Guidance on membership of a particular social group, 2020, blz. 16.
Zie voetnoot 30 van de onderhavige conclusie.
Zie punt 45 van de onderhavige conclusie.
Arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel) (C-238/19, EU:C:2020:945, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin arresten van 22 november 2012, M. (C-277/11, EU:C:2012:744, punten 65 en 66), en 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst) (C-349/20, EU:C:2022:151, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook Praktische gids van het EASO: Bewijsbeoordeling, 2015.
Zie in die zin arrest van 4 oktober 2018, Ahmedbekova (C-652/16, EU:C:2018:801, punt 85).
Zie naar analogie arrest van 25 januari 2018, F (C-473/16, EU:C:2018:36, punten 31 en 32), en conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Fathi (C-56/17, EU:C:2018:621, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie artikel 4, lid 3, onder a), van richtlijn 2011/95 en de conclusies van advocaat-generaal Sharpston in de gevoegde zaken X (C-199/12–C-201/12, EU:C:2013:474, punt 35) en in de zaak Shepherd (C-472/13, EU:C:2014:2360, punt 56). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld) (C-621/21, EU:C:2023:314, punten 72 en 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Het EUAA is opgericht bij verordening (EU) 2021/2303 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2021 inzake het Asielagentschap van de Europese Unie en tot intrekking van verordening (EU) nr. 439/2010 (PB 2021, L 468, blz. 1), teneinde het EASO te vervangen en de functies ervan over te nemen.
Zie EUAA, Country Guidance: Iraq — Common analysis and guidance note, 2022, met name de onderdelen 2.13 en 2.17. De UNHCR overweegt dat personen die geacht worden strikte islamitische voorschriften te overtreden afhankelijk van hun individuele omstandigheden op basis van hun godsdienst of het behoren tot een bepaalde sociale groep internationale vluchtelingenbescherming nodig kunnen hebben: UNHCR, International Protection Considerations with Regard to People Fleeing the Republic of Iraq, 2019, blz. 79 en 80.
Het kinderhuwelijk is een constant verschijnsel in Irak, waar de juridische leeftijd om te huwen 15 jaar is met toestemming van de ouders en 18 jaar zonder toestemming van de ouders (EUAA, Country Guidance: Iraq — Common analysis and guidance note, 2022, onderdeel 2.16). Volgens de partnerorganisatie ‘Girls not Brides’ huwt 28 % van de meisjes in Irak vóór de leeftijd van 18 jaar en 7 % vóór de leeftijd van 15 jaar. Wat het kinderhuwelijk in het algemeen betreft, zie de resolutie van het Europees Parlement van 4 juli 2018, getiteld ‘Naar een externe EU-strategie tegen huwelijken op jonge leeftijd en gedwongen huwelijken — volgende stadia’ [2017/2275(INI)].
Zie bijvoorbeeld EASO, Country of Origin Information Report: Iraq — Key socio-economic indicators; For Baghdad, Basra and Erbil, 2020, met name onderdeel 1.4; EUAA, Country Guidance: Iraq — Common analysis and guidance note, 2022, met name de onderdelen 2.13 en 2.16.4, en het rapport inzake Irak van 28 oktober 2020 van Humanists International, met name het onderdeel met het opschrift ‘Discrimination against women and minorities’.
Conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in de zaak Intervyuirasht organ na DAB pri MS (Vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld) (C-621/21, EU:C:2023:314, punten 74–77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie punt 47 van de onderhavige conclusie.
Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32 geen onderscheid maakt tussen een eerste verzoek om internationale bescherming en een volgend verzoek wat de aard van de elementen of bevindingen betreft die kunnen aantonen dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor internationale bescherming, zodat de beoordeling van de feiten en omstandigheden ter staving van deze verzoeken in beide gevallen moet worden verricht overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95 [arrest van 10 juni 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Nieuwe elementen of bevindingen), C-921/19, EU:C:2021:478, punt 40].
Zie naar analogie arresten van 9 september 2021, Bundesrepublik Deutschland (Gezinslid) (C-768/19, EU:C:2021:709, punt 38), en 1 augustus 2022, Bundesrepublik Deutschland (Gezinshereniging met een minderjarige vluchteling) (C-273/20 en C-355/20, EU:C:2022:617, punten 36–39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ondertekend op 20 november 1989 (United Nations Treaty Series, deel 1577, blz. 3). Volgens de Toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) is artikel 24 van het Handvest gebaseerd op dit verdrag, dat door alle lidstaten is bekrachtigd, in het bijzonder op de artikelen 3, 9, 12 en 13 ervan. Zie naar analogie arrest van 4 oktober 2018, Ahmedbekova (C-652/16, EU:C:2018:801, punt 64).
In een aantal andere bepalingen van richtlijn 2011/95, en in overweging 38 ervan, zijn ook de vereisten van artikel 24 van het Handvest weerspiegeld. Ingevolge artikel 20, lid 3, van richtlijn 2011/95 zijn de lidstaten verplicht om rekening te houden met de specifieke situatie van kwetsbare personen, zoals minderjarigen. In artikel 20, lid 5, ervan wordt bepaald dat de lidstaten zich bij de uitvoering van de bepalingen van hoofdstuk VII van deze richtlijn die betrekking hebben op minderjarigen aan wie internationale bescherming is verleend, primair laten leiden door het belang van het kind. Zo hebben de bepalingen van hoofdstuk VII betrekking op toegang tot onderwijs en gezondheidszorg (respectievelijk artikel 27, lid 1, en artikel 30 van richtlijn 2011/95). De vereisten van artikel 20, leden 3 en 5, gelden echter niet voor de omzetting van de bepalingen in hoofdstuk II van richtlijn 2011/95, te weten de bepalingen die specifiek betrekking hebben op de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming.
Arrest van 9 september 2021, Bundesrepublik Deutschland (Gezinslid) (C-768/19, EU:C:2021:709, punt 38).
Zie ook Comité voor de rechten van het kind, Algemeen commentaar nr. 14 (2013) over het recht van het kind zijn belangen de eerste overweging te laten zijn (art. 3, eerste lid) (CRC/C/GC/14), waarin wordt uiteengezet dat het belang van het kind bestaat uit een inhoudelijk recht, een uitleggingsprincipe en een procedureregel.
Zie naar analogie arrest van 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van een niet-begeleide minderjarige) (C-441/19, EU:C:2021:9, punt 46).
Zie Praktische gids van het EASO over het belang van het kind in asielprocedures, 2019, blz. 14, waarin is vermeld dat ‘[e]rop toezien dat het belang van het kind de eerste overweging vormt, […] een doorlopend proces [is] dat steeds moet plaatsvinden voordat een belangrijke administratieve beslissing wordt genomen’.
Zie naar analogie arrest van 9 september 2020, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Afwijzing van een volgend verzoek — Termijn om beroep in te stellen) (C-651/19, EU:C:2020:681, punten 34 en 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arresten van 11 maart 2021, Belgische Staat (Terugkeer van de ouder van een minderjarige) (C-112/20, EU:C:2021:197, punten 33–38), en 17 november 2022, Belgische Staat (Gehuwde minderjarige vluchteling) (C-230/21, EU:C:2022:887, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie naar analogie arrest van 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van een niet-begeleide minderjarige) (C-441/19, EU:C:2021:9, punt 47).
Indien een beslissingsautoriteit bijvoorbeeld redelijkerwijs aanneemt dat het verzoek van de ouders om internationale bescherming niet zal worden ingewilligd, dan kan daaruit volgens dat het in het belang van het kind is om met de ouders naar het land van herkomst terug te keren.
Zie naar analogie arrest van 18 december 2014, M'Bodj (C-542/13, EU:C:2014:2452, punt 44).
Zie naar analogie arrest van 5 september 2012, Y en Z (C-71/11 en C-99/11, EU:C:2012:518, punten 65 en 66), en in vergelijkbare zin UNHCR, Guidelines on International Protection No. 8: Child Asylum Claims under Articles 1A(2) and 1F of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating to the Status of Refugees (UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming nr. 8: Asielverzoeken van minderjarigen in de zin van artikel 1 A, lid 2, en artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag en/of het Protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen), 2009, punten 15–17. Zie ook het onderdeel van deze richtsnoeren die kindspecifieke vormen van vervolging betreffen.
Arrest van 18 december 2014 (C-542/13, EU:C:2014:2452).
In haar opmerkingen over de vijfde vraag, die ook naar de verblijfsaanvaarding op reguliere gronden verwijst, heeft de Nederlandse regering het Hof verwezen naar artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 van 23 november 2000 (Stb. 2000, 497).
Arrest van 14 januari 2021, The International Protection Appeals Tribunal e.a. (C-322/19 en C-385/19, EU:C:2021:11, punten 51–55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie bijvoorbeeld Kalverboer, M.E., Zijlstra, A.E., en Knorth, E.J., ‘The developmental consequences for asylum-seeking children living with the prospect for five years or more of enforced return to their home country’, European Journal of Migration and Law, deel 11, Martinus Nijhoff Publishers, 2009, blz. 41–67.