Hof Amsterdam, 10-06-2016, nr. 200.174.303/01 OK
ECLI:NL:GHAMS:2016:2332
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
10-06-2016
- Zaaknummer
200.174.303/01 OK
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2016:2332, Uitspraak, Hof Amsterdam, 10‑06‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2016:1610, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑04‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2016:1037, Uitspraak, Hof Amsterdam, 02‑03‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2016:488, Uitspraak, Hof Amsterdam, 10‑02‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:GHAMS:2016:487, Uitspraak, Hof Amsterdam, 05‑02‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Wetingang
art. 345 Burgerlijk Wetboek Boek 2
- Vindplaatsen
AR 2016/1791
OR-Updates.nl 2016-0197
OR-Updates.nl 2016-0154
AR 2016/541
JIN 2016/62 met annotatie van N.R.M. van Hellenberg Hubar
Uitspraak 10‑06‑2016
Inhoudsindicatie
OPK; enquêterecht; beëindiging van het onderzoek
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.174.303/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 10 juni 2016
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] ,
gevestigd te [....] ,
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. E.A. Brat, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STRARA VASTGOED B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: voorheen mr. J. Witvoet, kantoorhoudende te De Bilt,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SR HORECA B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: voorheen mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
VERWEERSTERS,
e n t e g e n
1. [B] ,
wonende te [....] ,
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
2. mr. A. van der Schee in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE DOBBELAAR B.V.,
kantoorhoudende te Utrecht,
BELANGHEBBENDEN.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen en belanghebbenden (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoekster met [A] ;
- -
verweerster 1 en 2 met respectievelijk Strara en SR en gezamenlijk met Strara c.s.;
- -
belanghebbende 1 en 2 met respectievelijk [B] en De Dobbelaar.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 5 februari 2016, 10 februari 2016, 2 maart 2016 en 22 april 2016.
1.3
Bij de beschikking van 5 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Strara en SR over de periode vanaf 1 januari 2015 en is een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Tevens is bij die beschikking bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van Strara, en bepaald dat de door [A] in Strara gehouden aandelen en de door De Dobbelaar in Strara gehouden aandelen, telkens minus één aandeel, ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.
1.4
Bij de beschikking van 10 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer jhr. drs. L.M. Rutgers van Rozenburg te Driebergen (hierna: Rutgers van Rozenburg) aangewezen als bestuurder en mr. E.L.A. van Emden te Utrecht (hierna: Van Emden) aangewezen als beheerder van aandelen, zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016. Bij de beschikking van 2 maart 2016 heeft de Ondernemingskamer mr. C.F. Mijs te Rotterdam (hierna: Mijs) aangewezen als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016.
1.5
[A] heeft bij brief van haar advocaat van 15 maart 2016, met bijlagen, de Ondernemingskamer verzocht het bevolen onderzoek te beëindigen. De Ondernemingskamer heeft partijen, belanghebbenden, Mijs, Rutgers van Rozenburg en Van Emden in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren.
1.6
Mr. Van der Schee, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van De Dobbelaar, heeft bij brief van 23 maart 2016 gemeld dat zij zich aangaande het beëindigingsverzoek refereert aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
1.7
Rutgers van Rozenburg heeft in zijn brief van 23 maart 2016 aan de Ondernemingskamer geconcludeerd dat het bevel tot onderzoek kan worden ingetrokken.
1.8
Mr. Van Zelm voornoemd heeft bij brief 24 maart 2016 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek tot beëindiging van het onderzoek af te wijzen en te bepalen dat [C] (hierna: [C] ) zich garant dient te stellen voor de onderzoekskosten.
1.9
Bij de beschikking van 22 april 2016 heeft de Ondernemingskamer op het daartoe strekkende verzoek van [A] , Rutgers van Rozenburg en Van Emden, de bij beschikking van 5 februari 2016 getroffen onmiddellijke voorzieningen opgeheven.
2. De feiten
2.1
De Ondernemingskamer verwijst naar de feiten vermeld in r.o. 2.1 tot en met 2.21 van haar beschikking van 5 februari 2016 en voegt daaraan het volgende toe.
2.2
Bij besluit van 13 november 2015 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van Strara, waar [A] en mr. Van der Schee in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van De Dobbelaar aanwezig waren, De Dobbelaar geschorst als bestuurder van Strara. Tevens is bij besluit van 13 november 2015 van de algemene vergadering van aandeelhouders van SR, waar Strara aanwezig was, [B] geschorst als bestuurder van SR. [A] is op 13 november 2015 vrijwillig teruggetreden als bestuurder van Strara. Op 13 november 2015 is [D] (hierna: [D] ) benoemd als bestuurder van zowel Strara als SR. Met ingang van 20 november 2015 zijn De Dobbelaar en [B] ontslagen als bestuurder van respectievelijk Strara en SR.
2.3
[A] en mr. Van der Schee in haar voormelde hoedanigheid zijn met elkaar in onderhandeling getreden over verkoop en levering van alle door De Dobbelaar in het geplaatste kapitaal van Strara gehouden aandelen aan [A] . Dit heeft ertoe geleid dat deze aandelen op 3 maart 2016 zijn overgedragen aan [A] .
3. De gronden van de beslissing
3.1
[A] heeft aan haar verzoek het onderzoek te beëindigen ten grondslag gelegd dat niet langer belang bestaat bij het onderzoek. Dit is een gevolg van de in 2.2 genoemde benoeming van [D] tot bestuurder van Strara c.s. en de in 2.3 vermelde transactie van 3 maart 2016, die ertoe heeft geleid dat alle aandelen in het geplaatste kapitaal van Strara sindsdien in handen zijn van [A] . Daar komt bij dat Strara niet in staat is om de kosten van het onderzoek, waarvan het uitvoeren kostbaar en tijdrovend zal zijn, te dragen. Het verzoek tot beëindiging van het onderzoek wordt namens Strara c.s. ondersteund door hun bestuurder [D] , aldus [A] .
3.2
Tegen dit verzoek heeft mr. Van Zelm bezwaar gemaakt bij zijn in 1.8 genoemde brief. Hij heeft daarin echter niet duidelijk gemaakt namens wie hij dit standpunt heeft ingenomen. Bij de behandeling van het enquêteverzoek trad hij nog op namens zowel SR als [B] . De Ondernemingskamer houdt het ervoor dat hij thans alleen namens [B] optreedt. Mr. Brat heeft in zijn brief van 11 februari 2016 gemeld dat mr. Van Zelm niet langer voor SR optreedt, wat niet is betwist door mr. Van Zelm. De inhoud en strekking van mr. Van Zelms brief van 24 maart 2016 wijzen in dezelfde richting, alsook de omstandigheid dat de bestuurders van Strara c.s. met betrekking tot het beëindigingsverzoek een standpunt innemen dat haaks staat op dat van [B] .
3.3
Mr. Van Zelm heeft aangevoerd dat [A] haar verzoek om een enquête niet langer kan intrekken. Dat is op zichzelf juist (de oorspronkelijke verzoeker kan zijn enquêteverzoek niet meer op de voet van artikel 283 Rv intrekken zodra bij beschikking het bevel tot het instellen van een onderzoek is gegeven), maar dit verweer ziet eraan voorbij dat het verzoek van [A] strekt tot beëindiging van het onderzoek.
3.4
De Ondernemingskamer overweegt dat beëindiging van een eenmaal bevolen enquête niet ter vrije beschikking staat van de verzoeker. Dat de verzoeker ten gevolge van gewijzigde omstandigheden niet langer wenst dat het tot een onderzoek komt en derhalve verzoekt vóór aanvang daarvan een einde daaraan te maken, brengt op zichzelf nog niet mee dat de procedure dient te worden beëindigd. De Ondernemingskamer dient een dergelijk verzoek inhoudelijk te beoordelen. Bij het beoordelen daarvan komt voornamelijk betekenis toe aan de belangen van de oorspronkelijke verzoeker(s) en aan het belang van de te onderzoeken vennootschap(pen) en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie daarvan zijn betrokken (zie Hoge Raad 17 december 2010; ECLI:NL:HR:2010:BO3356). [B] , in zijn toenmalige hoedanigheid van bestuurder van SR en in die van enig bestuurder en enig aandeelhouder van De Dobbelaar, welke vennootschap 50% van de aandelen in Strara hield en daarvan bestuurder was, behoort tot de laatstgenoemde categorie.
3.5
Blijkens de beschikking van 5 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen vanwege onenigheid tussen [B] en [C] , die directe negatieve invloed had op de bedrijfsvoering van Strara c.s. De verhouding tussen hen was uitgemond in een volledige impasse in de besturen en in de algemene vergaderingen van aandeelhouders van Strara en van SR. Hierom is een onderzoek bij deze vennootschappen bevolen over de periode vanaf 1 januari 2015. Van die situatie van onenigheid en impasse is vanaf november 2015 niet langer sprake ten gevolge van de in 2.2 en 2.3 weergegeven gebeurtenissen, waarvan de Ondernemingskamer eerst na het geven van de beschikking van 10 februari 2016 op de hoogte is gesteld.
3.6
[A] heeft zich bij brief van mr. Brat van 15 maart 2016 op het standpunt gesteld dat, nu de impasse is doorbroken en de vennootschappen iedere euro hard kunnen gebruiken, wat [A] betreft niet meer de behoefte en de noodzaak bestaat tot het verrichten van kostbaar en tijdrovend onderzoek. Zij voert aan zich er ook van bewust te zijn dat Strara de kosten van het onderzoek niet kan dragen, wat volgens haar door [D] wordt onderschreven. Na het aantreden van [D] als bestuurder is volgens [A] naar voren gekomen dat de financiële situatie waarin Strara c.s. verkeerden, penibeler was dan aanvankelijk werd gedacht. [A] heeft het nodig geacht – ter voorkoming van faillissement – uitstel van betaling te verlenen aan Strara c.s. voor alle verplichtingen die zij uit hoofde van diverse geldleningen hebben jegens [A] . Strara c.s. heeft veel (oude) rekeningen vooralsnog onbetaald moeten laten wegens het gebrek aan financiële middelen en [D] heeft met veel crediteuren nieuwe (betalings)afspraken moeten maken, aldus [A] .
3.7
Ook [D] – zo blijkt uit de brief van mr. Brat van 15 maart 2016 – en Rutgers van Rozenburg hebben in hun hoedanigheid van bestuurder namens Strara laten weten een onderzoek niet zinvol te achten. Volgens Rutgers van Rozenburg – zo blijkt uit zijn in 1.7 genoemde brief – is uit eigen onderzoek naar de financiële situatie van zowel Strara als SR naar voren gekomen dat deze dermate slecht is, dat het onderzoek niet te financieren valt.
3.8
[B] heeft zich in het kader van de behandeling van het enquêteverzoek als belanghebbende op het standpunt gesteld dat de kosten van een te bevelen onderzoek niet door Strara kunnen worden gedragen. Thans meent hij dat Strara wel daartoe in staat is. Hij wijst daartoe op een tweetal mededelingen op de website van het restaurant-café dat door Strara c.s. wordt geëxploiteerd, waar wordt vermeld dat de keuken is verbouwd en uitgebreid. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat [C] tijdens de behandeling van het enquêteverzoek ter zitting heeft aangeboden zich garant te stellen voor de kosten van het onderzoek. Met betrekking tot zijn belang bij een onderzoek heeft hij aangevoerd dat daaruit zal blijken of er sprake is geweest van wanbeleid en of hij dan wel De Dobbelaar daarvoor aansprakelijk is. Hij vindt het nodig dat het onderzoek wordt verricht, omdat [A] zich in door haar tegen hem in gang gezette procedures beroept op een onvolledige en onjuiste administratie.
3.9
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de belangen van [A] , Strara en SR bij beëindiging van het onderzoek zwaarder wegen dan het belang van [B] bij het doen verrichten daarvan.
3.10
De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 5 februari 2016 bepaald dat de kosten van het onderzoek dienen te worden gedragen door Strara. Dat [A] ter zitting heeft aangeboden garant te staan voor die kosten, doet aan dit uitgangspunt niet af. Ten tijde van de behandeling van het verzoek was het conflict tussen [C] en [B] nog in volle gang. Rutgers van Rozenburg maakt in zijn brief van 23 maart 2016 gewag van een in de korte periode van het bestaan van Strara c.s. opgebouwde grote schuldenpositie. Inmiddels hebben de vennootschappen zelf initiatieven ontplooid om orde op zaken te stellen. In dat kader heeft [A] bewilligd in een uitstel van betaling van haar vorderingen. De mededelingen op de website, waarnaar [B] verwijst, zeggen onvoldoende over de financiële situatie van Strara c.s. Het is in het belang van Strara, dat zij thans, in de fase waarin Strara c.s. hernieuwde pogingen doet de onderneming op te bouwen en te doen renderen, niet geconfronteerd wordt met kosten die haar financiële positie extra belasten. In haar belang is ook dat Strara c.s. hun tijd en aandacht zo veel mogelijk kunnen besteden aan deze opbouw. Een onderzoek is voorts niet meer in het belang van [A] , die aanvankelijk om een onderzoek heeft verzocht maar heeft laten weten hier in de gegeven omstandigheden geen toegevoegde waarde meer in te zien. Hiertegenover is het door [B] aangevoerde belang van onvoldoende gewicht. [B] stelt bij voltooiing van het onderzoek belang te hebben omdat uit het onderzoek zal blijken of er sprake is geweest van wanbeleid en of hij, dan wel De Dobbelaar, daarvoor aansprakelijk is, alsook vanwege het nut van het onderzoek in het kader van civiele procedures. Dit belang is in de gegeven omstandigheden echter onvoldoende om voortzetting van het onderzoek te rechtvaardigen en moet wijken voor het zwaarder wegende belang van Strara c.s. en [A] bij beëindiging van het onderzoek.
3.11
De Ondernemingskamer maakt voor de volledigheid nog melding van een door haar ontvangen e-mailbericht van Mijs van 1 april 2016, dat luidt:
“Naar aanleiding van de verzoeken tot beëindiging van het onderzoek naar Strara Vastgoed BV deel ik u mede dat ik geen zekerheid heb gekregen voor de kosten van het onderzoek. De heer Rutgers van Rozenburg heeft mij laten weten dat de vennootschap niet in staat is om een voorschot op de kosten van het onderzoek te betalen of op andere wijze zekerheid te stellen. Ik heb de advocaat van de heer [B] verzocht of zijn cliënt bereid is zekerheid te stellen, maar heb daarop geen antwoord gekregen.”
Partijen zijn niet in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, maar de inhoud van dit mailbericht maakt de beslissing niet anders.
3.12
Op grond van het voorgaande zal het onderzoek worden beëindigd.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
beëindigt, met ingang van heden, het bij beschikking van 5 februari 2016 bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Strara Vastgoed B.V. en SR Horeca B.V., beide gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. J.G. Sijmons, raadsheren, en drs. P.R. Baart en prof. dr. mr. F. van der Wel RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof en R.P. Jager, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 10 juni 2016.
Uitspraak 22‑04‑2016
Inhoudsindicatie
OK; enquêterecht; opheffing van de getroffen onmiddellijke voorzieningen
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.174.303/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 22 april 2016
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] ,
gevestigd te [....] ,
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. E.A. Brat, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STRARA VASTGOED B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: mr. J. Witvoet, kantoorhoudende te De Bilt,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SR HORECA B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
VERWEERSTERS,
e n t e g e n
1. [B] ,
wonende te [....] ,
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
2. mr. A. van der Schee in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE DOBBELAAR B.V.,
kantoorhoudende te Utrecht,
BELANGHEBBENDEN.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen en belanghebbenden (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoekster met [A] ;
- -
verweerster 1 en 2 met respectievelijk Strara en SR;
- -
belanghebbende 1 en 2 met respectievelijk [B] en De Dobbelaar.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar de beschikkingen van 5 februari 2016, 10 februari 2016 en 2 maart 2016.
1.3
Bij de beschikking van 5 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Strara en SR over de periode vanaf 1 januari 2015 en is een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Tevens is bij die beschikking bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van Strara, en bepaald dat de door [A] in Strara gehouden aandelen en de door De Dobbelaar in Strara gehouden aandelen, telkens minus één aandeel, ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.
1.4
Bij de beschikking van 10 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer jhr. drs. L.M. Rutgers van Rozenburg te Driebergen (hierna: Rutgers van Rozenburg) aangewezen als bestuurder en mr. E.L.A. van Emden te Utrecht (hierna: Van Emden) aangewezen als beheerder van aandelen, zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016. Bij de beschikking van 2 maart 2016 heeft de Ondernemingskamer mr. C.F. Mijs te Rotterdam (hierna: Mijs) aangewezen als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016.
1.5
Mr. Brat voornoemd heeft bij brief van 15 maart 2016, met bijlagen, de Ondernemingskamer namens [A] verzocht de getroffen onmiddellijke voorzieningen op te heffen, nu daaraan niet langer behoefte bestaat. Mr. Brat maakt er onder meer melding van dat [A] op 3 maart 2016 enig aandeelhouder is geworden van Strara. Rutgers van Rozenburg heeft bij brief van 15 maart 2015 de Ondernemingskamer eveneens verzocht, mede namens Van Emden, de getroffen onmiddellijke voorzieningen op te heffen. Volgens Rutgers van Rozenburg is voortzetting van hun werkzaamheden niet langer zinvol en heeft Strara aan haar financiële verplichtingen jegens hem en Van Emden voldaan. De Ondernemingskamer heeft partijen, belanghebbenden en Mijs in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren.
1.6
De Ondernemingskamer heeft met betrekking tot het verzoek tot opheffing van de getroffen onmiddellijke voorzieningen slechts van mr. A. van der Schee, in haar hoedanigheid van curator van De Dobbelaar, een reactie ontvangen: zij heeft bij brief van 23 maart 2016 gemeld dat zij zich dienaangaande refereert aan het oordeel van de Ondernemingskamer.
2. De gronden van de beslissing
2.1
Nu [A] , Rutgers van Rozenburg en Van Emden hebben verzocht de getroffen onmiddellijke voorzieningen op te heffen en uit hetgeen zij daartoe hebben aangevoerd volgt dat het voortbestaan daarvan niet langer zinvol is, en niet is gebleken van enig bezwaar daartegen aan de zijde van een andere partij of belanghebbende, zal de Ondernemingskamer dienovereenkomstig beslissen.
2.2
Op het eveneens door mr. Brat bij de brief van 15 maart 2016 namens [A] gedane verzoek tot het beëindigen van het onderzoek, zal de Ondernemingskamer bij afzonderlijke beschikking beslissen.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
heft op, met ingang van heden, de bij beschikking van 5 februari 2016 getroffen onmiddellijke voorzieningen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. J.G. Sijmons, raadsheren, en G.A. Cremers en prof. dr. mr. F. van der Wel RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof en R.P. Jager, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 22 april 2016.
Uitspraak 02‑03‑2016
Inhoudsindicatie
OK; enquêterecht; aanwijzing van een onderzoeker
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.174.303/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 2 maart 2016
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] ,
gevestigd te [....] ,
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. E.A. Brat, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STRARA VASTGOED B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: mr. J. Witvoet, kantoorhoudende te De Bilt,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SR HORECA B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
VERWEERSTERS,
e n t e g e n
1. [B] ,
wonende te [....] ,
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
2. mr. A. van der Schee in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE DOBBELAAR B.V.,
kantoorhoudende te Utrecht,
ter zitting vertegenwoordigd door haar kantoorgenoot mr. F.A.M. Nowee,
BELANGHEBBENDEN.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen en belanghebbenden (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoekster met [A] ;
- -
verweerster 1 en 2 met respectievelijk Strara en SR;
- -
belanghebbende 1 en 2 met respectievelijk [B] en De Dobbelaar.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar de beschikkingen van 5 februari 2016 en 10 februari 2016.
1.3
Bij de beschikking van 5 februari 2016 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Strara en SR over de periode vanaf 1 januari 2015 en is een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. Tevens is bij die beschikking bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van Strara, en bepaald dat de door [A] in Strara gehouden aandelen en de door De Dobbelaar in Strara gehouden aandelen, telkens minus één aandeel, ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.
1.4
Mr. J. Witvoet, kantoorgenoot van mr. Van Zelm voormeld, heeft bij brief van 22 februari 2016 namens [B] de Ondernemingskamer verzocht over te gaan tot aanwijzing van een onderzoeker. Een afschrift van die brief heeft hij gezonden aan mr. Brat en mr. Van der Schee voormeld, alsook aan Jhr. drs. L.M. Rutgers van Rozenburg en mr. E.L.A. van Emden, die bij de beschikking van 10 februari 2016 zijn aangewezen als respectievelijk bestuurder en beheerder van aandelen zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer zal thans de hierna te vermelden persoon aanwijzen als onderzoeker, een en ander zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst aan als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016 in deze zaak: mr. C.F. Mijs te Rotterdam;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. J.G. Sijmons, raadsheren, en G.A. Cremers en prof. dr. mr. F. van der Wel RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof en R.P. Jager, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 2 maart 2016.
Uitspraak 10‑02‑2016
Inhoudsindicatie
OK; enquêterecht; aanwijzing van een bestuurder en een beheerder van aandelen
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.174.303/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 10 februari 2016
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] ,
gevestigd te [....],
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. E.A. Brat, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STRARA VASTGOED B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: mr. J. Witvoet, kantoorhoudende te De Bilt,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SR HORECA B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
VERWEERSTERS,
e n t e g e n
1. [B],
wonende te [....],
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
2. mr. A. van der Schee in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE DOBBELAAR B.V.,
kantoorhoudende te Utrecht,
ter zitting vertegenwoordigd door haar kantoorgenoot mr. F.A.M. Nowee,
BELANGHEBBENDEN.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen en belanghebbenden (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoekster met [A];
- -
verweerster 1 en 2 met respectievelijk Strara en SR;
- -
belanghebbende 1 en 2 met respectievelijk [B] en De Dobbelaar.
1.2
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar de beschikking van 5 februari 2016.
1.3
Bij die beschikking heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Strara en SR over de periode vanaf 1 januari 2015. Tevens is bij die beschikking bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, een door de Ondernemingskamer nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd tot bestuurder van Strara, en bepaald dat de door [A] in Strara gehouden aandelen en de door De Dobbelaar in Strara gehouden aandelen, telkens minus één aandeel, ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon.
2. De gronden van de beslissing
De Ondernemingskamer zal thans de hierna te vermelden personen aanwijzen als respectievelijk bestuurder en beheerder van aandelen, een en ander zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016.
3. De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst aan als bestuurder zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016 in deze zaak: Jhr. drs. L.M. Rutgers van Rozenburg te Driebergen;
wijst aan als beheerder van aandelen zoals bedoeld in de beschikking van 5 februari 2016 in deze zaak: mr. E.L.A. van Emden te Utrecht;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. J.G. Sijmons, raadsheren, en G.A. Cremers en prof. dr. mr. F. van der Wel RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof en R.P. Jager, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 10 februari 2016.
Uitspraak 05‑02‑2016
Inhoudsindicatie
OK; enquêterecht; er wordt een onderzoek bevolen; bij wijze van onmiddellijke voorzieningen worden bestuurders geschorst, wordt een bestuurder benoemd en worden aandelen ten titel van beheer overgedragen
Partij(en)
beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.174.303/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 5 februari 2016
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[A] ,
gevestigd te Utrecht,
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. E.A. Brat, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STRARA VASTGOED B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: mr. J. Witvoet, kantoorhoudende te De Bilt,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SR HORECA B.V.,
gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt,
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
VERWEERSTERS,
e n t e g e n
1. [B] ,
wonende te Bosch en Duin, gemeente Zeist,
advocaat: mr. E.M. van Zelm, kantoorhoudende te De Bilt,
2. mr. A. van der Schee in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE DOBBELAAR B.V.,
kantoorhoudende te Utrecht,
ter zitting vertegenwoordigd door haar kantoorgenoot mr. F.A.M. Nowee,
BELANGHEBBENDEN.
1. Het verloop van het geding
1.1
In het vervolg zullen partijen en belanghebbenden (ook) als volgt worden aangeduid:
- -
verzoekster met [A] ;
- -
verweerster 1 en 2 met respectievelijk Strara en SR en gezamenlijk met Strara c.s.;
- -
belanghebbende 1 en 2 met respectievelijk [B] en De Dobbelaar en gezamenlijk met [C] ;
- -
SR en [B] met SR c.s.
1.2
[A] heeft bij op 31 juli 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, – zakelijk weergegeven –:
a. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Strara c.s.;
b. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:
primair
- De Dobbelaar te schorsen als bestuurder van Strara;
- [B] te schorsen als bestuurder van SR;
- één of meer van de door De Dobbelaar gehouden aandelen in het kapitaal van Strara over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder;
- de besluiten tot het aangaan van de huurovereenkomsten te vernietigen, Strara c.s. te verbieden nog uitvoering te geven aan de huurovereenkomsten en Strara c.s. op te dragen de gevolgen van de vernietigde besluiten ongedaan te maken;
subsidiair een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
met hoofdelijke veroordeling van Strara c.s. in de kosten van het geding en van het onderzoek.
1.3
SR c.s. heeft bij op 1 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek, met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, – zakelijk weergegeven en naar de Ondernemingskamer begrijpt –:
a. primair, het verzoek van [A] tot het gelasten van een onderzoek en tot het treffen van bepaalde onmiddellijke voorzieningen af te wijzen;
b. subsidiair, voor het geval de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Strara c.s. mocht bevelen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:
- Strara te schorsen als bestuurder van SR;
- één of meer van de door [A] gehouden aandelen in het kapitaal van Strara ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder;
- [A] te verbieden het vonnis van 29 juli 2015 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland te executeren, zo nodig onder oplegging van een dwangsom van een zodanig bedrag als de Ondernemingskamer juist acht;
met veroordeling van [A] in de kosten van het geding en van het onderzoek.
1.4
Strara heeft bij op 14 oktober 2015 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek, met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, – zakelijk weergegeven en naar de Ondernemingskamer begrijpt–:
a. primair het verzoek van [A] tot het gelasten van een onderzoek en het treffen van de onmiddellijke voorzieningen af te wijzen;
b. subsidiair, voor het geval de Ondernemingskamer een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Strara c.s. mocht bevelen, bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding;
- [A] te schorsen als bestuurder van Strara;
- [A] te verbieden het vonnis van 29 juli 2015 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland te executeren, zo nodig onder oplegging van een dwangsom van een zodanig bedrag als de Ondernemingskamer juist acht;
met veroordeling van [A] in de kosten van het geding en van het onderzoek.
1.5
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 22 oktober 2015. De Ondernemingskamer heeft bij die gelegenheid beslist dat de op 21 oktober 2015 van mr. Van Zelm voornoemd ontvangen stukken buiten beschouwing zullen worden gelaten, nu deze na ommekomst van de voor het indienen daarvan voorgeschreven termijn zijn binnengekomen. Mr. Brat voornoemd en mr. P.T.P. Hendriks, advocaat te Amsterdam, hebben het standpunt van [A] toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van nadere producties 43 tot en met 68, die op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij zijn gezonden. Mr. Van Zelm heeft de standpunten van Strara en [B] en van SR toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van een op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere productie 3B. De aanwezigen hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
2. De feiten
De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:
2.1
Op 15 augustus 2014 hebben [D] (hierna: [D] ) en [B] een ‘Intentieovereenkomst inzake vastgoed Julianalaan 10/12 Bilthoven’ gesloten. Het pand aan de Julianalaan 10/12 in Bilthoven (hierna: het pand) betreft het voormalig postkantoor te Bilthoven, waarvan [B] eigenaar is. Deze intentieovereenkomst strekt er – kort gezegd – toe dat [D] en [B] zich zullen inspannen het pand gezamenlijk te verwerven (waarvoor toestemming van de gemeente De Bilt nodig was) en dit deels als bedrijfsruimte voor horeca te verhuren en deels als woonruimte. De verwervingskosten werden geprognotiseerd op € 1.4 miljoen, voor welk bedrag [D] financiering (tegen vestiging van hypotheek) aan een gezamenlijk op te richten entiteit zou verstrekken.
2.2
Eveneens op 15 augustus 2014 hebben [D] en [B] een ‘intentieovereenkomst inzake horecaexploitatie’ gesloten. Deze overeenkomst voorzag in de oprichting van een entiteit die de bedrijfsruimte in het pand zou huren en een horecagelegenheid in het pand zou gaan exploiteren. [D] zou daartoe een lening van € 450.000 verstrekken.
2.3
[D] is enig bestuurder van [A] . Stichting Administratiekantoor [A] Holding, waarvan [D] enig bestuurder is, houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van [A] .
2.4
[A] is enig aandeelhouder en bestuurder van Mangoa B.V. (hierna: Mangoa), een vennootschap die zich onder meer bezig houdt met het beleggen, beheren en financieren van onroerende zaken alsmede met (bemiddeling bij) aan- en verkoop van onroerende zaken.
2.5
[B] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van De Dobbelaar.
2.6
Strara is op 23 september 2014 opgericht. [A] en De Dobbelaar houden elk 50% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van Strara. [A] en De Dobbelaar vormen samen het bestuur van Strara en zijn als bestuurders elk alleen/zelfstandig bevoegd Strara te vertegenwoordigen. De onderneming van Strara legt zich toe op het beleggen, beheren, verhuren van vermogenswaarden, in het bijzonder registergoederen en hypothecaire schuldvorderingen.
2.7
Strara houdt de aandelen in het geplaatste kapitaal van SR. SR is eveneens op 23 september 2014 opgericht. Strara en [B] vormen samen het bestuur van SR en zijn als bestuurders elk alleen/zelfstandig bevoegd SR te vertegenwoordigen. De onderneming van SR legt zich (sinds 3 april 2015) toe op het uitoefenen van een restaurant-cafébedrijf in het pand, genaamd PK.
2.8
Op 29 september 2014 is een leningovereenkomst gesloten tussen enerzijds Strara (als leningnemer), SR (als mede-debiteur) en De Dobbelaar (als garantieverstrekker) en anderzijds Mangoa (als leninggever), waarbij Mangoa een bedrag van € 1.4 miljoen te leen verstrekt aan Strara, met het oog op herfinanciering en verbouwing van het pand. In de overeenkomst wordt tevens melding gemaakt van een lening van € 450.000 aan SR. De overeenkomst bepaalt voorts dat Mangoa zekerheden zal verkrijgen in de vorm van een hypotheekrecht op het pand, een eerste pandrecht op alle vorderingen, huurpenningen, intellectuele eigendomsrechten en overige activa van Strara en SR en een eerste pandrecht op de aandelen van De Dobbelaar. De gelden zijn ter beschikking gesteld, maar de zekerheden zijn niet verstrekt.
2.9
Op 15 december 2014 heeft [D] aan [B] privé een lening verstrekt van € 70.000. Deze overeenkomst voorziet in een als zekerheid te verstrekken pandrecht op de aandelen in Strara, welk zekerheidsrecht echter niet is verstrekt.
2.10
Een gespreksverslag van een bespreking op 15 april 2015 waarbij onder meer [B] , [D] en zijn echtgenote aanwezig waren vermeldt onder meer:
“[D] [ [D] ] geeft aan dat er (…) steeds meer dingen naar boven komen die niet goed of zelfs heel slecht verlopen. Hij geeft aan dat er een chaos op de vloer heerst. Er is geen enkele structuur en er zijn geen handboeken, huisregels en procedures voor het personeel, terwijl [B] [ [B] ] hiervoor zou zorgen.
(…)
Uiteindelijk geeft [B] aan dat hij meer horeca ervaring heeft en [D] meer ervaring heeft in organiseren en structureren. Afgesproken wordt dat [D] hiermee dan ook gaat helpen door o.a. managementvergaderingen voor te zitten en hier actiepunten voor te maken.”
2.11
Vanaf circa eind april 2015 zijn [B] en [D] met elkaar in conflict geraakt.
2.12
Bij e-mailbericht van 12 juni 2015 schreef [F] , werkzaam bij het administratiekantoor FFC BV, aan [B] , met cc aan [D] onder meer:
“Ik begrijp dat je informatie nodig hebt met betrekking tot SR Horeca en Strara Vastgoed. Om de balans- plus winst en verliesrekening op te stellen moeten we beschikken over alle gegevens en daar gaat het nu juist mis.
Wij proberen sinds enkele weken de salarissen van het personeel van jullie bar te regelen. Het moet me echter van het hart dat het verre van vlekkeloos verloopt. (…) er missen écht heel veel stukken.
(…)
Daarnaast is de overige administratie ook verre van compleet. (…)”
2.13
Bij brief van 3 juni 2015 heeft [D] [B] opgeroepen voor algemene vergaderingen van aandeelhouders van Strara en SR op 15 juni 2015. De agenda vermeldt als agendapunten onder meer:
“5. Toelichting personeelsbeleid door [B] ;
6. Recht op informatie voor [A] en volledige toegang tot de financiële administratie en banksysteem;
7. Nakoming gemaakte afspraken tussen aandeelhouders onderling en de betrokken vennootschappen,
8. Verantwoording (financieel) beleid door [B] /De Dobbelaar B.V. (…);
9. Staken onrechtmatige gedragingen en uitlatingen van [B] /De Dobbelaar B.V. binnen de ondernemingen respectievelijk jegens derden (leveranciers etc.);
10. Onrechtmatige uitkeringen aan de Dobbelaar B.V./ [B] uit hoofde van managementwerkzaamheden (mogelijk fraude);
11. Staken van werkzaamheden van [B] als (manager) binnen de ondernemingen van de vennootschappen;
12. Ontslag van De Dobbelaar B.V. en [B] als statutair bestuurder van de vennootschappen met onmiddellijke ingang;
13. Onderzoek tot mogelijkheid aansprakelijk stellen van [B] /De Dobbelaar B.V. voor door de vennootschappen geleden schade.”
2.14
Op 15 juni 2015 zijn de algemene vergaderingen gehouden. Het (49 pagina’s tellende) verslag vermeldt onder meer dat over bovengenoemde onderwerpen is gesproken. Besluiten zijn niet genomen.
2.15
Op 25 juni 2015 heeft [B] in diverse hoedanigheden een tweetal huurovereenkomsten ondertekend. Een “overeenkomst van huur onderneming”, waarbij SR met ingang van 1 september 2014 van Strara haar horecaonderneming huurt – omschreven als de voor de uitoefening van het horecabedrijf geschikte bedrijfsruimte in het pand aan de Julianalaan 10 te Bilthoven en de in die bedrijfsruimte aanwezige inventaris – voor een huurprijs van € 20.000 per maand. Vermeld wordt tevens dat [B] het beheer zal voeren van de onderneming en daarvoor een managementfee zal declareren van € 7.000 per maand, welke fee deel uitmaakt van de huurprijs. En voorts een huurcontract tussen [B] en Strara, waarbij laatstgenoemde met ingang van 1 september 2014 de bedrijfsruimte in het pand huurt voor een bedrag van € 82.428 per jaar.
2.16
Mangoa, [A] en [D] hebben bij dagvaarding van 26 juni 2015 een kort geding aanhangig gemaakt tegen De Dobbelaar, [B] , Strara en SR. Bij vonnis in kort geding van 29 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter - onder meer - Strara, SR en [B] geboden om overeenkomstig de leningsovereenkomst van 29 september 2014 zekerheidsrechten ten behoeve van Mangoa te vestigen, hen geboden de betaling van rente- en/of managementvergoedingen aan De Dobbelaar en/of [B] te staken en vergoedingen tot een bedrag van € 77.808,57 terug te betalen aan Strara. Reconventionele vorderingen strekkende tot een tijdelijk verbod voor [D] om bestuurshandelingen met betrekking tot Strara en SR te verrichten, tot een contactverbod en tot opheffing van beslagen, heeft de voorzieningenrechter afgewezen.
In rechtsoverweging 6.9 overwoog de voorzieningenrechter:
“De voorzieningenrechter hecht eraan hier melding te maken van het feit dat [De Dobbelaar, [B] , Strara en SR] ter zitting hebben erkend dat [D] (via [A] ) bestuurder is van Strara en SR Horeca. De voorzieningenrechter gaat er (…) uitdrukkelijk vanuit dat gedaagden deze positie van [D] (en [A] ) en de daarbij behorende taak tot het bepalen van het algemene en financiële beleid zullen eerbiedigen, in die zin dat zij hem in staat zullen stellen zijn taken als bestuurder naar behoren uit te voeren, onder meer door het verstrekken van toegang tot de (financiële) administratie en onderliggende stukken, de bancaire systemen, de onderneming (PK) en degenen die daarbij zijn betrokken.”
2.17
Bij e-mail van 13 juli 2015 aan het personeel van SR schreef [B] onder meer:
“Deze mail stuur ik om jullie eens en voor altijd duidelijk te maken dat ik de operationele leiding heb over PK en niet [D] .”
2.18
Bij brief van 27 augustus 2015 van hun advocaat hebben [C] de intentieovereenkomsten opgezegd, omdat naar hun stelling Strara, Mangoa en [A] deze overeenkomsten niet behoorlijk nakomen en zij de voortgang van de activiteiten van Strara en SR belemmeren en sterk benadelen.
2.19
Op 15 september 2015 is een verzoek tot faillietverklaring van Strara behandeld bij de rechtbank Midden-Nederland. Dit verzoek was ingediend door Break-Even Consultancy B.V., die stelde dat Strara geleverde financiële werkzaamheden onbetaald liet. [D] , die bij toeval in het gerechtsgebouw aanwezig was, heeft verweer gevoerd. Bij beschikking van 17 september 2015 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.
2.20
De Dobbelaar is bij vonnis van 17 september 2015 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. A. van der Schee, advocaat te Utrecht, tot curator. Tegen dit vonnis in hoger beroep ingesteld.
2.21
In een tweede kort geding heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 14 oktober 2015 – onder meer – [B] geboden het pand te leveren aan Strara en Strara geboden om vervolgens een eerste hypotheekrecht ten gunste van Mangoa te vestigen. Voorts is De Dobbelaar geboden een pandrecht tweede in rang te vestigen ten gunste van Mangoa op de door De Dobbelaar gehouden aandelen in Strara. In reconventie zijn vorderingen van De Dobbelaar en [B] tot opheffing van beslagen en staking van de executie van het vonnis van 29 juli 2015 afgewezen.
3. De gronden van de beslissing
3.1
[A] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Strara en SR en dat gelet op de toestand van de vennootschappen onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft [A] – kort samengevat – de volgende bezwaren naar voren gebracht:
- a.
er bestaat een impasse in de besluitvorming binnen de organen van Strara en SR nu [D] en [B] geen overeenstemming kunnen bereiken over welk punt dan ook;
- b.
de belangen van [B] en De Dobbelaar enerzijds en die van Strara en SR anderzijds zijn op ongeoorloofde wijze verstrengeld doordat, zonder goedkeuring van [A] , twee huurovereenkomsten tot stand zijn gebracht, één tussen Strara en SR met daarin een beheervergoeding voor [B] in privé ad € 7.000 per maand en één tussen Strara en [B] , en doordat [B] weigert het pand aan Strara over te dragen;
- c.
bij het aangaan van de huurovereenkomsten heeft [B] gehandeld in strijd met de statuten van Strara door het aangaan van rechtshandelingen met hemzelf niet aan [D] over te laten en door geen goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders te vragen;
- d.
[C] onthoudt [A] inlichtingen en informatie over Strara en SR en kan het door hen gevoerde (financiële en personeels-)beleid niet verantwoorden;
- e.
[C] erkent [A] niet (feitelijk) in haar positie als statutair bestuurder van Strara en (indirect) van SR, doch slechts als aandeelhouder, en zet [A] als (indirect) bestuurder van Strara c.s. buiten spel;
- f.
er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling van [C] als statutair bestuurder van Strara en SR. De financiële en personeelsadministratie zijn niet op orde;
- g.
[C] negeert in strijd met artikel 2:8 BW de belangen van [D] als financier, bestuurder en aandeelhouder, en de belangen van de leveranciers en personeel van Strara c.s.
3.2
Daartegenover heeft Strara aangevoerd dat [A] , althans haar dochtervennootschap Mangoa, de financiering van Strara c.s. heeft teruggevorderd, conservatoir beslag heeft laten leggen en het financieel verkeer van deze vennootschappen daardoor heeft doen blokkeren. Strara en SR c.s. hebben voorts onder meer aangevoerd dat [A] kennis heeft kunnen nemen van de administratie van Strara, heeft ingestemd met de managementfee van [B] , zelf een onwerkbare situatie heeft gecreëerd, Strara c.s. en [C] overvoert met procedures, zelf delen van de administratie achter houdt en zonder overleg intervenieerde in de bedrijfsvoeringen en dat er een “machtsstrijd” heerst tussen [D] en [B] .
3.3
Tussen partijen is klaarblijkelijk niet in geschil dat Strara en SR kunnen worden aangemerkt als een concern en dat [A] op die grond ook kan worden ontvangen in het verzoek met betrekking tot SR. De Ondernemingskamer ziet in de feiten en omstandigheden die in deze zaak naar voren zijn gekomen geen aanleiding anders te oordelen.
3.4
De Ondernemingskamer stelt voorop dat uit hetgeen partijen hebben gesteld genoegzaam is gebleken, dat er tussen [D] en [B] geen overeenstemming bestaat over de rolverdeling van de beide statutair bestuurders van Strara. Die onenigheid tussen [B] en [D] heeft, zo stelt de Ondernemingskamer vast, directe negatieve invloed op de bedrijfsvoering van Strara c.s. en heeft geleid tot de opzegging van de financiering van Strara c.s. en de conservatoire beslaglegging. Ondanks de door [B] en SR overgelegde verklaring van [G] d.d. 4 augustus 2015, die vooral betrekking heeft op de intentie van partijen bij de aanvang van de samenwerking, is voorts onvoldoende weersproken dat de genoemde huurovereenkomsten zijn aangegaan zonder de goedkeuring van [A] in haar hoedanigheid van bestuurder en aandeelhouder. Het had, mede in het licht van de – mogelijk – tegenstrijdige belangen van [B] en de vennootschappen, wel op de weg van Strara gelegen die goedkeuring te vragen. De intentieovereenkomsten van 15 augustus 2014, die volgens de slotparagraaf van de huurovereenkomst inzake de horecagelegenheid d.d. 25 juni 2015, daarvoor de afspraken zou bevatten, bieden onvoldoende grondslag voor het aangaan van deze overeenkomsten buiten de medebestuurder en de algemene vergadering van aandeelhouders om.
3.5
Partijen hebben in de schriftelijke stukken en bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting te kennen gegeven dat zij weliswaar van mening verschillen over het antwoord op de vraag aan wie het een en ander te wijten is, maar dat wel vaststaat dat de verhouding tussen hen tot een volledige impasse in de besturen en in de algemene vergaderingen van aandeelhouders van Strara en van SR heeft geleid. [B] en [D] hebben het vertrouwen in elkaar opgezegd en “kunnen niet meer door één deur”, aldus ook het verweer van Strara.
3.6
Op grond van vorenstaande moet naar het oordeel van de Ondernemingskamer reeds worden getwijfeld aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de vennootschappen. Zij acht een onderzoek naar dat beleid en die gang van zaken dan ook noodzakelijk. Aangezien de Ondernemingskamer uit de stellingen van partijen afleidt dat de overige gronden en verweren samenhangen met het wantrouwen tussen [D] en [B] en de daaruit voortvloeiende impasse, zal zij die niet nader bespreken.
3.7
De Ondernemingskamer zal een onderzoek bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Strara en SR vanaf 1 januari 2015 tot 22 oktober 2015. De onderzoeker kan, naast hetgeen in de rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5 is overwogen, tevens de overige door partijen over en weer geuite verwijten bij het onderzoek betrekken.
3.8
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Strara en SR, zoals die blijkt uit de voorgaande overwegingen, tevens noopt tot het treffen van de navolgende onmiddellijke voorzieningen. Zij zal [A] en De Dobbelaar schorsen als bestuurders van Strara en in hun plaats een door haar aan te wijzen persoon benoemen tot bestuurder. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak bij Strara naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door de geschorste bestuurders op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer ziet tevens aanleiding om de aandelen in Strara, met uitzondering van één door [A] gehouden aandeel en één door De Dobbelaar gehouden aandeel, over te dragen ten titel van beheer aan een door haar te benoemen beheerder. Tevens zal de Ondernemingskamer [B] schorsen als bestuurder van SR.
3.9
De te benoemen bestuurder mag het bovendien tot zijn taak rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven.
3.10
De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder en beheerder ten laste brengen van Strara.
3.11
De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder der partijen en de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder en de beheerder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.
3.12
Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.
3.13
De Ondernemingskamer acht ten slotte termen aanwezig de kosten van het geding tussen de verschenen partijen te compenseren zoals hierna te vermelden.
4. De beslissing
De Ondernemingskamer:
beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Strara Vastgoed B.V. en SR Horeca B.V., beide gevestigd te Bilthoven, gemeente De Bilt, over de periode vanaf 1 januari 2015;
benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;
stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 15.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;
bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Strara Vastgoed B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;
benoemt mr. M.M.M. Tillema tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;
schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden [A] en De Dobbelaar B.V. als bestuurders van Strara Vastgoed B.V.;
schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden [B] als bestuurder van SR Horeca B.V.;
benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Strara Vastgoed B.V.;
bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat de door [A] in Strara Vastgoed B.V. gehouden aandelen en de door De Dobbelaar B.V. in Strara Vastgoed B.V. gehouden aandelen, telkens minus één aandeel, ten titel van beheer met ingang van heden zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;
bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder en van de beheerder van aandelen ten laste komen van Strara Vastgoed B.V. en bepaalt dat Strara Vastgoed B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder respectievelijk de beheerder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van diens werkzaamheden;
compenseert de kosten van het geding tussen de verschenen partijen aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.M. Tillema, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. J.G. Sijmons, raadsheren, en G.A. Cremers en prof. dr. mr. F. van der Wel RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof en R.P. Jager, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 5 februari 2016.