Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/3.3.2.3
3.3.2.3 Hoog aandelenkapitaal; omzetten onvolwaardige vordering in aandelenkapitaal
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452954:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. tevens het voor de vennootschapsbelasting gewezen arrest HR 10 maart 1993, BNB 1993/237. Zie over deze jurisprudentie J.C.K..W. Bartel in zijn noot in BNB 1993/237; H.G.M. Dijstelbloem in De NV 1996, blz. 19: P.M. Verhagen in haar aantekening op HR 18 oktober 1995 in FED 1995/900 alsmede J.C.M. van Sonderen/J.P. Vogelaar, Het fiscale rendement van een ver-liesvennootschap, M BB januari 1994, blz. 4 e.v.
In andere zin nog Hof Arnhem d.d. 2 oktober 1995, V-N 1996, blz. 1923. Wel conform het arrest van de Hoge Raad Hof Arnhem d.d. 8 maart 1996, FUtD 96-1032.
In deze zin tevens A.J.M. Arends, Nekslag voor Turbo-beleid?, MBB 1996/2, blz. 71 en 75; P. Fortuin, Het objectieve regime van inkomsten uit aandelen: Er is werk aan de winkel voor de wetgever, WFR 1996/6189, blz. 357 en J.W. Zwemmer in Ars Aequi 1996. blz. 775.
In dezelfde zin HR 29 april 1998, BNB 1998/216 en HR 16 december 1998, V-N 1999/7.14.
Uitspraken van hoven die in het kader van art. 29, tweede lid, Wet IB nog tot een tegengestelde conclusie komen, zullen dan ook naar verwachting door de Hoge Raad worden gecasseerd. Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 13 maart 1996, V-N 1997, blz. 696, hetzelfde Hof 29 maart 1996, FUtD 96-1239, hetzelfde hof 17 juli 1996, V-N 1997, blz. 695-696. In overeenstemming met de jurisprudentie van de Hoge Raad Hof 's-Hertogenbosch 22 september 1995, FUtD 95-2168.
Het meest in het oog springende gebruik van een turboconstructie betrof echter het onbelast terugbetalen op het hoge gestorte aandelenkapitaal van de turbovennootschap, nadat dit aandelenkapitaal door de inbreng van winstgevende activiteiten in de turbovennootschap weer was 'volgelopen'. Dit hoge gestorte aandelenkapitaal was in het verleden ontstaan hetzij door reële stortingen door de aandeelhouders van destijds hetzij door de omzetting van een waardeloze of onvolwaardige vordering in aandelenkapitaal. Het zal niet verbazen dat ook deze variant van een turboconstructie door de staatssecretaris van Financiën in meergenoemde resolutie steeds zijn bestreden.
In HR 18 oktober 1995, BNB 1996/189 gaf de Hoge Raad als fundamenteel oordeel dat bij de omzetting van een onvolwaardige vordering in aandelenkapitaal bij de beoordeling van de door de BV verkregen waarde moest worden uitgegaan van de nominale waarde van de verrekende vordering, zijnde het bedrag van de schuld waarvan de BV als debiteur is bevrijd.1 Voorts oordeelde de Hoge Raad op het beroep van de staatssecretaris van Financiën op het leerstuk van de wetsontduiking: 'Aan de staatssecretaris kan worden toegegeven dat het objectieve stelsel tot uitkomsten kan leiden die niet aansluiten bij wat maatschappelijk als inkomen wordt ervaren. Het gaat hier echter om een zo fundamentele aan de Wet ten grondslag liggende conceptie dat de in het beroepschrift in cassatie gewenste vervanging daarvan door een meer subjectief bepaald begrip opbrengst van aandelen slechts door de wetgever kan geschieden.' Een dergelijke vervanging van het objectieve stelsel van inkomsten uit aandelen door een meer subjectief stelsel is derhalve geen taak voor de rechter. Van strijd met doel en strekking van art. 24 j° art. 29, eerste lid, Wet IB was dan ook geen sprake.2
Hoewel bovenvermelde procedure was gevoerd in het kader van de toepassing van art. 29, eerste lid, Wet IB, moest worden aangenomen dat de Hoge Raad tot eenzelfde oordeel zou komen in geval van teruggaven van gestort kapitaal als bedoeld in art. 29, tweede lid, Wet IB. Beide wetsbepalingen zijn immers nauw met elkaar verweven en exponenten van hetzelfde objectieve systeem.3 In HR 15 juli 1997, BNB 1997/296-297 oordeelde de Hoge Raad dan ook in deze zin. De terugbetaling van kapitaal door de vennootschap aan haar aandeelhouders bleef onbelast, waarbij het niet van belang was of deze terugbetaling geschiedde uit winsten van de vennootschap die waren behaald nadat haar kapitaal aanvankelijk verloren was gegaan, noch of deze nieuwe winsten waren gegenereerd met - al dan niet in een deelneming ondergebrachte - nieuwe activiteiten, noch of de aandelen ten tijde van de terugbetaling in handen waren van andere aandeelhouders dan die welke de oorspronkelijke storting hadden verricht. Voorts had de wetgever voor de onbelaste terugbetaling van kapitaal uitdrukkelijk geen andere beperking willen aanbrengen dan de in art. 29, tweede lid, Wet IB neergelegde voorwaarde dat - indien en voorzover er zuivere winst is - de nominale waarde van de desbetreffende geplaatste aandelen bij voorafgaande statutenwijziging moet zijn verminderd. Dit systeem berustte zozeer op een fundamentele keuze van de wetgever dat het niet met een beroep op het leerstuk van de wetsontduiking terzijde kon worden gesteld.4 Weliswaar kon de Hoge Raad ook nu met de staatssecretaris van Financiën meeleven dat het objectieve stelsel in een geval als het onderhavige tot uitkomsten kon leiden die niet aansloten bij wat maatschappelijk als inkomen werd ervaren, doch de vervanging van dit stelsel door een meer subjectief bepaald begrip opbrengst van aandelen kon naar het oordeel van de Hoge Raad slechts door de wetgever geschieden.5