HR 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:871.
HR, 25-11-2025, nr. 23/01838
ECLI:NL:HR:2025:1718
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
23/01838
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1718, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2294
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:854
ECLI:NL:PHR:2025:854, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 09‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1718
- Vindplaatsen
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Schuldwitwassen door op bankrekening van verdachte tegen vergoeding geldbedragen (€ 7.900,22) te laten storten die afkomstig zijn van vlak daarvoor gepleegde online key-fraude/oplichting waarbij verdachte zijn bankpas en pincode heeft afgegeven, art. 420quater.1.b Sr. Bewijsklacht “voorhanden heeft gehad”. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat er onvoldoende bewijs is voor beschikkingsmacht over tlgd. geldbedrag, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01848.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01838
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 april 2023, nummer 20-000245-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. Berndsen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van vijftig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.
Conclusie 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Schuldwitwassen, art. 420quater Sr. Falende bewijsklacht ‘voorhanden hebben’. Dat verdachte zijn bankpas en pincode had afgegeven, maakt niet dat feitelijke zeggenschap over geldbedrag op bankrekening ontbreekt (vgl. HR:2025:871). Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/01848
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01838
Zitting 9 september 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 26 april 2023 door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (parketnummer 20-000245-22) wegens “schuldwitwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Het hof heeft verder beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak tegen [medeverdachte] (23/01848), waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat M. Berndsen heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak – inhoudende dat er onvoldoende bewijs is voor beschikkingsmacht over het ten laste gelegde geldbedrag – ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, althans dat de bewezenverklaring blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikend is gemotiveerd.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij in de periode van 16 december 2020 tot en met 17 december 2020, in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag (in totaal ongeveer € 7.900,22), voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.3
Het hof heeft het verweer van de verdediging waar het in cassatie om gaat, als volgt samengevat en verworpen:
“iii. Beschikkingsmacht
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte niet langer de beschikkingsmacht had over de bankrekening op het moment dat hij zijn bankpas en bijbehorende pincode had afgegeven. Derhalve kan niet worden bewezen dat de verdachte het geldbedrag (als pleger of medepleger) voorhanden heeft gehad, nu hij slechts beheerder was van de bankrekening. Het beheren van een bankrekening zou onvoldoende zijn om te kunnen spreken van het voorhanden hebben van een geldbedrag. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsman verwezen naar twee uitspraken van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNN:2018 en ECLI:NL:RBNN:2020:1362).
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De casuïstiek van de in de door de verdediging aangehaalde uitspraken is naar het oordeel van het hof niet althans onvoldoende vergelijkbaar met de omstandigheden in de onderhavige zaak, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
Voor het – als pleger – ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp (ten tijde van het begaan van het delict) opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de precieze omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:570, rov. 2.4).
De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er geld naar zijn bankrekening zou worden overgemaakt. Na het afgeven van zijn bankpas had hij ook nog toegang had tot zijn bankrekening. Daarbij komt dat hij de opdrachten tot het storten van geld op diens bankrekening heeft gehoord. Hij was – weliswaar op afstand – fysiek aanwezig bij het opnemen van het geld bij de pinautomaat. Derhalve kan het niet anders zijn dan dat de verdachte zich ervan bewust was dat er een geldbedrag op zijn bankrekening was gestort. Door het afgeven van zijn pinpas en pincode heeft de verdachte naar het oordeel van het hof aldus € 7.900,22 op zijn bankrekening voorhanden gekregen en gehad en heeft hij daarover ook – al dan niet tezamen met degene(n) aan wie hij de pinpas en pincode had afgegeven, die het geld uit de geldautomaat had(den) gepind en met wie hij een afspraak had dat hij voor het gebruik van zijn bankrekening een geldbedrag van € 3000,- zou krijgen – kunnen beschikken, zodat het verweer wordt verworpen.”
2.4
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het oordeel dat de verdachte het bewezen verklaarde geldbedrag voorhanden heeft gehad, niet zonder meer begrijpelijk is. Daarbij wordt gewezen op de vaststelling van het hof dat de verdachte zijn bankpas en bijbehorende pincode had afgegeven, zodat de verdachte niet over het geldbedrag heeft kunnen beschikken. De voor het ‘voorhanden hebben’ vereiste feitelijke zeggenschap over het geldbedrag volgt daarom niet zonder meer uit de bewijsvoering.
2.5
De onderhavige zaak laat zich nagenoeg één-op-één vergelijken met een recent arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2025.1.In die zaak had de verdachte ook zijn bankpas en pincode afgegeven aan een derde, zodat diegene geldbedragen – die afkomstig waren van telefoonfraude en die hij niet op zijn eigen rekening wilde ontvangen – kon laten storten op de rekening van de verdachte. Op de rekening van de verdachte hadden vier bijschrijvingen plaatsgevonden van in totaal € 9.958 die daarna vrijwel direct werden gevolgd door contante geldopnames.
2.6
Volgens de Hoge Raad getuigt het op deze vaststellingen gebaseerd oordeel dat de verdachte het geldbedrag van in totaal € 9.958 ‘voorhanden heeft gehad’, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit ook niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte tijdens de periode dat het geld op zijn bankrekening heeft gestaan niet de beschikking had over zijn bankpas, maakte dat volgens de Hoge Raad niet anders. Die omstandigheid brengt – aldus de Hoge Raad – niet met zich dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap heeft kunnen uitoefenen over het geld dat op zijn bankrekening was gestort.
2.7
Hiermee valt ook het doek voor het middel in de onderhavige zaak. Anders dan de steller van het middel betoogt, betekent het feit dat de verdachte niet over zijn bankpas kon beschikken, niet dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap kon uitoefenen over het op zijn bankrekening gestorte geldbedrag. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zijn bankpas en pincode heeft afgegeven aan een onbekende man en dat hij wist dat er geld zou worden overgemaakt naar zijn bankrekening. Vervolgens is een geldbedrag van €7.900,22 overgemaakt op zijn rekening, waarna dit geldbedrag vrijwel direct in een aantal verschillende pintransacties contant is opgenomen. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte het geldbedrag van € 7.900,22 voorhanden heeft gehad, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is daarmee toereikend gemotiveerd verworpen.
2.8
Het middel faalt.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat er sinds het instellen van het cassatieberoep reeds twee jaren verstreken. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Gelet op de door het hof opgelegde taakstraf van vijftig uren kan de Hoge Raad volstaan met de constatering van dat verzuim.2.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑09‑2025
HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.