Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8.2.2.2
8.2.2.2 Het retentierecht vervalt niet van rechtswege door faillietverklaring
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS592320:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Feltz I, p. 479. Uit de literatuur, aangehaald in de parlementaire geschiedenis (t.a.p., voetnoot 1), blijkt van discussie over het al of niet voortbestaan van het retentierecht na faillietverklaring. Er wordt een vergelijking gemaakt met het vervallen van beslag ingevolge art. 33 lid 2 Fw. Bijvoorbeeld Browne 1882, p. 62-63 en Wildervanck 1890, p. 44-45 zijn nog van mening dat het goed zou zijn om in de wet een bepaling op te nemen die expliciet bepaalt dat het retentierecht niet vervalt door de faillietverklaring. Zij menen dat de retentor de zaak niet hoeft af te geven totdat zijn volledige vordering is voldaan. Gerritsen 1894, p. 93-94 sluit zich hier bij aan. In 1894 is de ’nieuwe’ Faillissementswet reeds in het Staatsblad gepubliceerd. De voormelde opvattingen over het retentierecht in faillissement zijn in art. 60 van de destijds geldende Faillissementswet bevestigd.
Van der Feltz I, p. 479.
Kamerstukken II 1980/81, 16593, 3, p. 149. De wetgever had in het kader van art. 6:53 BW in het bijzonder onder meer de curator en de beslaglegger van de wederpartij voor ogen, zie Parl. Gesch. Boek 6, p. 211.
345. Art. 60 lid 1 Fw is inhoudelijk ongewijzigd ten opzichte van het artikel in de oorspronkelijke Faillissementswet.1 Art. 60 (oud) Fw luidde:
“De schuldeischer, die gerechtigd is goederen, aan den schuldenaar toebehoorende, terug te houden, totdat zijne schuldvordering is gekweten, verliest door de faillietverklaring van de schuldenaar dit recht van terughouding niet.”
Het artikel werd destijds noodzakelijk geacht om het misverstand weg te nemen dat het retentierecht door de faillietverklaring automatisch zou vervallen.2 Faillietverklaring zelf tast dus het retentierecht niet aan. De wetgever achtte dit rechtvaardig, om de volgende reden:
“Het faillissement mag niet strekken om een schuldeiser ten bate van zijn mede- schuldeischers van zijn rechten te berooven. De zoogenaamde paritas creditorum vordert dit allerminst; immers dat wil alleen zeggen dat schuldeischers, die gelijke rechten hebben, gelijk behandeld moeten worden, niet ook zij die verschillende rechten kunnen doen gelden.”3
Bij de wijziging van de Faillissementswet door de invoering van het BW, is besloten de bepaling (in gewijzigde redactie) te behouden. In de memorie van toelichting van de wijziging van de Faillissementswet is te lezen dat het eerste lid van art. 60 Fw strikt genomen overbodig is,4 maar niettemin gehandhaafd wordt om twee redenen: ten eerste omdat art. 20 Fw tot een misverstand zou kunnen leiden omdat de zaak, die weliswaar niet in de macht van de schuldenaar is, wél behoort tot zijn vermogen en ten tweede als inleiding op de leden 2 t/m 4 van art. 60 Fw. Het resultaat is een ietwat dubbelzinnig artikel, waarin in het eerste lid wordt bepaald dat het retentierecht niet verloren gaat door faillietverklaring waarna in lid 2 blijkt dat de curator de zaak van de gefailleerde kan opeisen. Het beste is dus om art. 60 lid 1 Fw zo te verstaan, dat het retentierecht niet van rechtswege door de faillietverklaring verloren gaat.