Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 03-12-2020, nr. C-44/19
ECLI:EU:C:2020:982
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
03-12-2020
- Magistraten
E. Regan, M. Ilešič, E. Juhász, C. Lycourgos, I. Jarukaitis
- Zaaknummer
C-44/19
- Conclusie
M. Szpunar
- Roepnaam
Repsol Petróleo
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2020:982, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑12‑2020
ECLI:EU:C:2020:309, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 23‑04‑2020
Uitspraak 03‑12‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2003/96/EG — Belasting van energieproducten en elektriciteit — Artikel 21, lid 3 — Geen belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt — Verbruik van energieproducten binnen een bedrijf waar zij zijn geproduceerd voor de vervaardiging van eindenergieproducten waarbij onvermijdelijk tevens niet-energiegerelateerde producten worden verkregen’
E. Regan, M. Ilešič, E. Juhász, C. Lycourgos, I. Jarukaitis
Partij(en)
In zaak C-44/19*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 27 juni 2018, ingekomen bij het Hof op 24 januari 2019, in de procedure
Repsol Petróleo, SA
tegen
Administración General del Estado,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič, E. Juhász (rapporteur), C. Lycourgos en I. Jarukaitis, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 maart 2020,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Repsol Petróleo SA, aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Bonastre Capell en M. Muñoz Pérez, vervolgens door F. Bonastre Capell en M. Linares Gil, abogados,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz als gemachtigde,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, O. Serdula en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Arenas en A. Armenia als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 april 2020,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB 2003, L 283, blz. 51).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Repsol Petróleo SA (hierna: ‘Repsol’) en de Administración General del Estado (rijksoverheid, Spanje) over de beslissing van deze laatste om het verbruik, voor productiedoeleinden, van door Repsol zelf geproduceerde minerale oliën aan accijns op minerale oliën te onderwerpen, voor zover deze productie andere restproducten dan energieproducten heeft opgeleverd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 92/81
3
Artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (PB L 316, blz. 12) bepaalde het volgende:
‘Het verbruik van minerale oliën binnen een bedrijf dat minerale oliën produceert, wordt niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor accijns verschuldigd wordt, voor zover het om verbruik ten behoeve van die productie gaat.
Verbruik voor doeleinden die geen verband houden met die productie en met name voor de voortbeweging van motorvoertuigen, wordt beschouwd als een belastbaar feit waardoor accijns verschuldigd wordt.’
Richtlijn 2003/96
4
De overwegingen 3 tot en met 5 van richtlijn 2003/96 luiden als volgt:
- ‘(3)
Voor de goede werking van de interne markt en de verwezenlijking van de doelstellingen van het communautaire beleid in andere sectoren is het nodig dat op communautair niveau minimumbelastingniveaus worden vastgesteld voor de meeste energieproducten, met inbegrip van elektriciteit, aardgas en kolen.
- (4)
Aanmerkelijke verschillen tussen de door de lidstaten toegepaste nationale belastingniveaus kunnen nadelig blijken voor de goede werking van de interne markt.
- (5)
Door vaststelling van passende communautaire minimumbelastingniveaus kunnen bestaande verschillen in de nationale belastingniveaus kleiner worden gemaakt.’
5
Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:
‘De lidstaten heffen belasting op energieproducten en elektriciteit overeenkomstig deze richtlijn.’
6
Voor de toepassing van richtlijn 2003/96 somt artikel 2, lid 1, ervan de producten op die als ‘energieproducten’ worden beschouwd.
7
Volgens artikel 2, lid 4, onder b), eerste streepje, van richtlijn 2003/96 is deze richtlijn niet van toepassing op energieproducten gebruikt voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof.
8
Artikel 21, lid 3, van voornoemde richtlijn luidt als volgt:
‘Het verbruik van energieproducten binnen een bedrijf dat energieproducten produceert, wordt niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt, indien dat verbruik bestaat uit binnen het bedrijf geproduceerde energieproducten. De lidstaten kunnen ook het verbruik van elektriciteit en andere energieproducten die niet binnen een dergelijk bedrijf worden geproduceerd en het verbruik van energieproducten en elektriciteit binnen een bedrijf dat voor het opwekken van elektriciteit te gebruiken brandstoffen produceert, niet als een belastbaar feit behandelen. Verbruik voor doeleinden die geen verband houden met die productie en met name voor de voortbeweging van motorvoertuigen, wordt beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt.’
Spaans recht
9
Artikel 47 van Ley 38/1992 de Impuestos Especiales (wet 38/1992 op de accijns) van 28 december 1992 (BOE nr. 312 van 29 december 1992, blz. 44305), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: ‘LIE’), heeft als opschrift ‘Vrijstelling’ en bepaalt in lid 1, onder b):
‘Het eigen verbruik is niet aan belasting onderworpen voor zover dit betrekking heeft op:
[…]
- b)
het gebruik van minerale oliën als brandstof bij de vervaardiging van minerale oliën in het kader van de accijnsschorsingsregeling.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Repsol, een vennootschap naar Spaans recht, houdt zich onder meer bezig met de vervaardiging van uit ruwe aardolieraffinage verkregen energieproducten. Naast energieproducten levert het raffinageproces andere producten op die binnen de chemische industrie worden verkocht en gebruikt, en die deels worden hergebruikt in het productieproces.
11
Op 2 april 2012 heeft de Spaanse belastingdienst, naar aanleiding van een controle in 2011, een belastingaanslag opgelegd waarbij Repsol werd gelast om voor de belastingjaren 2007 en 2008 de accijns op minerale oliën te betalen voor de minerale oliën die deze onderneming zelf had geproduceerd en vervolgens voor productiedoeleinden in haar eigen installaties had gebruikt, voor zover deze productie andere restproducten dan energieproducten had opgeleverd, zoals onder meer zwavel en kooldioxide.
12
Volgens de Spaanse belastingdienst geldt voor dit eigen verbruik geen vrijstelling van de accijns op minerale oliën als bedoeld in artikel 47, lid 1, onder b), LIE, voor het deel van dat eigen verbruik dat producten oplevert die geen minerale oliën zijn.
13
Op 25 april 2012 heeft Repsol bij de Tribunal Económico-Administrativo Central (centrale rechter in economische en bestuurszaken, Spanje) bezwaar ingediend tegen deze aanslag, waarbij zij met name heeft aangevoerd dat dit eigen verbruik is vrijgesteld van de accijns op minerale oliën, ook voor het deel van dit eigen verbruik dat producten oplevert die geen minerale oliën zijn.
14
Op 6 november 2015 heeft Repsol, na de afwijzing van dit bezwaar, administratief beroep ingesteld bij de Audiencia Nacional (nationaal hof, Spanje), waarbij zij aanvoerde dat bij de productie van minerale oliën onvermijdelijk restproducten worden verkregen die niet als energieproducten kunnen worden aangemerkt, zoals zwavel. De productie van zwavel is het resultaat van het extraheren van deze stof uit minerale oliën en dit gebeurt om te voldoen aan de technische specificaties voor minerale oliën, die maximumgehalten aan zwavel vastleggen.
15
Bij beslissing van 12 december 2016 heeft de Audiencia Nacional het beroep van Repsol afgewezen voor zover het was gericht tegen de belasting op het eigen verbruik van minerale oliën dat niet-energiegerelateerde producten had opgeleverd.
16
Op 10 juli 2017 heeft Repsol tegen die beslissing cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje). Repsol voert voor deze rechter aan dat artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 alleen voor verbruik vrijgegeven energieproducten aan belasting beoogt te onderwerpen, met uitsluiting van energieproducten die bestemd zijn voor eigen gebruik, dat wil zeggen energieproducten die worden gebruikt voor de productie van andere energieproducten, ook al worden tijdens dit productieproces onvermijdelijk niet-energiegerelateerde restproducten verkregen. De praktijk van de Spaanse belastingdienst om belasting te heffen over het deel van het eigen verbruik dat deze restproducten heeft voortgebracht, is dus in strijd met het doel van richtlijn 2003/96.
17
Volgens Repsol kon deze praktijk worden gerechtvaardigd onder de vigeur van artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81, dat het verbruik van minerale oliën ten behoeve van de productie van minerale oliën heeft uitgesloten van belastingheffing. Daarentegen bepaalt richtlijn 2003/96, waarbij richtlijn 92/81 is ingetrokken, in artikel 21, lid 3, alleen maar dat op het verbruik van energieproducten geen belasting wordt geheven wanneer dit verbruik plaatsvindt binnen een bedrijf dat energieproducten produceert.
18
Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag of de schrapping van de in artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81 opgenomen woorden ‘ten behoeve van de productie’ uit de bewoordingen van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 moet worden beschouwd als een wetswijziging op grond waarvan het verbruik van energieproducten binnen het bedrijf waar zij zijn geproduceerd voor de vervaardiging van eindenergieproducten waarbij onvermijdelijk niet-energiegerelateerde producten worden verkregen, eveneens van accijns is vrijgesteld.
19
In die omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 aldus worden uitgelegd dat over het eigen verbruik van energieproducten in de bedrijfsinstallaties van de producent accijns op minerale oliën kan worden geheven naar rato van het aandeel van de door dat eigen verbruik verkregen niet-energiegerelateerde producten?
Of staat het doel van die bepaling, dat erin is gelegen het verbruik van energieproducten dat noodzakelijk wordt geacht voor de verkrijging van eindenergieproducten niet te belasten, er daarentegen aan in de weg dat accijns wordt geheven over dat deel van het eigen verbruik dat leidt tot de verkrijging van andere, niet-energiegerelateerde producten, zelfs indien het restproducten betreft die onvermijdelijk worden verkregen ten gevolge van het productieproces zelf?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
20
Met de twee onderdelen van zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 21, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2003/96 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een bedrijf dat energieproducten produceert die bestemd zijn om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen, energieproducten verbruikt die het zelf heeft geproduceerd en daarbij ook onvermijdelijk niet-energiegerelateerde producten verkrijgt, het deel van het verbruik dat leidt tot de verkrijging van dergelijke niet-energiegerelateerde producten, valt onder de in die bepaling bedoelde uitzondering op het belastbaar feit waardoor belasting op energieproducten verschuldigd wordt.
21
Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 2003/96, zoals blijkt uit de overwegingen 3 tot en met 5 en artikel 1 ervan, tot doel heeft een geharmoniseerde belastingregeling voor energieproducten en elektriciteit vast te stellen, in het kader waarvan de belastingheffing de regel is, overeenkomstig de in deze richtlijn vastgestelde nadere regels.
22
Overeenkomstig artikel 21, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2003/96 wordt het verbruik van energieproducten binnen een bedrijf dat energieproducten produceert, niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting over energieproducten verschuldigd wordt, indien dat verbruik bestaat uit binnen het bedrijf geproduceerde energieproducten. De derde volzin van dit lid preciseert dat verbruik van energieproducten voor doeleinden die geen verband houden met de productie van energieproducten, wordt beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt.
23
Artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 geeft niet uitdrukkelijk aan in hoeverre het verbruik van energieproducten voor een productieproces waarbij tegelijkertijd energieproducten en niet-energiegerelateerde producten worden verkregen, al dan niet moet worden beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting over energieproducten verschuldigd wordt.
24
Door te bepalen dat het verbruik van energieproducten binnen het bedrijf waar zij zijn vervaardigd, onder bepaalde voorwaarden niet wordt beschouwd als een belastbaar feit waardoor die belasting verschuldigd wordt, vormt artikel 21, lid 3, eerste volzin, van die richtlijn een afwijkende bepaling binnen deze belastingregeling, die strikt moet worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933, punt 37).
25
In dit verband moet worden opgemerkt dat het verbruik van energieproducten binnen het bedrijf waar zij zijn vervaardigd, overeenkomstig artikel 21, lid 3, eerste volzin, van deze richtlijn enkel valt onder de uitzondering op het belastbaar feit indien dit verbruik plaatsvindt ter vervaardiging van energieproducten die zelf onder de bij richtlijn 2003/96 ingevoerde geharmoniseerde belastingregeling vallen vanwege hun gebruik als motor- of verwarmingsbrandstof (zie in die zin arrest van 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395, punten 32 en 37).
26
In casu lijkt niet te worden betwist dat de in het hoofdgeding verkregen energieproducten bestemd zijn om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen, hetgeen evenwel aan de verwijzende rechter staat om na te gaan. Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Repsol de in het hoofdgeding verkregen niet-energiegerelateerde producten nuttig toepast door ze te vermarkten of te hergebruiken in het productieproces. Op basis van deze overwegingen moet de gestelde vraag worden beantwoord.
27
Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat wanneer meerdere producten worden vervaardigd binnen een bedrijf, bij de beoordeling of het verbruik van energieproducten onder de uitzondering van artikel 21, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2003/96 kan vallen, naar de verschillende doelen van dit verbruik moet worden gezien (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933, punt 25).
28
Binnen dit verbruik moet met het oog op de accijnsbehandeling immers onderscheid worden gemaakt tussen de aandelen van de verbruikte energieproducten op basis van het gebruik ervan. Alleen het verbruik van het gedeelte van energieproducten waarmee de vervaardiging van energieproducten wordt beoogd die zijn bestemd om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen, valt onder de in artikel 21, lid 3, eerste volzin, van die richtlijn bedoelde uitzondering op het belastbaar feit (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933, punten 26 en 27).
29
Daarentegen komt het verbruik van het gedeelte van deze energieproducten voor de productie van niet-energiegerelateerde producten of van energieproducten die niet zijn bestemd om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen, niet in aanmerking voor een dergelijke uitzondering. Zo heeft het Hof geoordeeld dat het gedeelte van de energieproducten die worden verbruikt voor de opwekking van warmte die wordt gebruikt voor de verwarming van de gebouwen van een bedrijf of het gedeelte dat nodig is voor de opwekking van elektriciteit, niet onder die uitzondering valt (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933, punten 26 en 33).
30
Hieruit volgt dat wanneer tijdens een productieproces zowel energieproducten worden verkregen die bestemd zijn om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen, als niet-energiegerelateerde producten, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat het gedeelte van de energieproducten die in het kader van dit proces worden verbruikt voor de productie van andere energieproducten die bestemd zijn om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen, onder de uitzondering van artikel 21, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2003/96 valt, terwijl het verbruik van het andere gedeelte voor de productie van niet-energiegerelateerde producten, moet worden beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting op energieproducten verschuldigd wordt.
31
Daarbij zij aangetekend dat moet worden onderzocht of dit ook het geval is wanneer, zoals in casu, het verkrijgen van niet-energiegerelateerde producten niet het doel van het productieproces is maar een residueel en onvermijdelijk gevolg van dit proces of dwingend volgt uit een regeling ter bescherming van het milieu, en deze niet-energiegerelateerde producten economisch nuttig worden toegepast.
32
Het is juist dat het Hof in punt 30 van het arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil (C-68/18, EU:C:2019:933), heeft geoordeeld dat uit de negatieve formulering van de derde volzin van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 kan worden afgeleid dat die zin alleen beoogt om het verbruik van energieproducten die geen verband houden met de productie van energieproducten, uit te sluiten van het voordeel van deze uitzondering op het belastbaar feit waardoor belasting op energieproducten verschuldigd wordt.
33
De zaak Petrotel-Lukoil had evenwel betrekking op de toepassing van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 op energieproducten die worden gebruikt voor de productie van stoom, die daarna zelf onder meer werd gebruikt bij de vervaardiging van energieproducten. Met het eigen verbruik werd dus beoogd energieproducten te produceren door de voor het technologische proces voor de vervaardiging van deze producten noodzakelijke thermische energie te genereren.
34
In die context strekte deze vaststelling ertoe een uitlegging uit te sluiten volgens welke de vervaardiging van energieproducten via de productie van een tussenproduct zoals stoom, louter wegens deze tussenstap de toepassing uitsluit van de in deze bepaling bedoelde uitzondering op het belastbaar feit. Het Hof heeft dienaangaande gepreciseerd dat het verbruik van energieproducten niet louter op basis van de manier waarop zij worden verbruikt, van deze uitzondering kan worden uitgesloten, mits dit verbruik bijdraagt tot het technologische proces van de vervaardiging van energieproducten (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933, punten 28 en 30).
35
Anders dan in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, betreft het hoofdgeding echter geen eigen verbruik dat, via de productie van een tussenproduct, wordt gebruikt voor de vervaardiging van energieproducten. Het betreft een eigen verbruik dat tegelijkertijd leidt tot de productie van energieproducten en de productie van niet-energiegerelateerde producten die economisch nuttig worden toegepast.
36
Gelet op die economische waarde heeft Repsol ervoor gekozen om deze niet-energiegerelateerde producten vervolgens te vermarkten of in het productieproces te gebruiken. Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het in dit verband irrelevant dat de vervaardiging van niet-energiegerelateerde producten — zoals in het hoofdgeding — residueel en onvermijdelijk is, dat wil zeggen dat zij een onvermijdelijk gevolg is van het productieproces of dwingend volgt uit een regeling ter bescherming van het milieu.
37
Een uitlegging op grond waarvan het volledige verbruik van energieproducten in het productieproces in strijd met de in punt 30 van dit arrest in herinnering gebrachte beginselen zou vallen onder de uitzondering op het belastbaar feit, terwijl de aldus voortgebrachte niet-energiegerelateerde producten een economische waarde hebben, zou afbreuk doen aan de verwezenlijking van het doel van richtlijn 2003/96. In dat verband zij in herinnering gebracht dat, zoals uit de overwegingen 3 tot en met 5 van deze richtlijn blijkt, deze richtlijn ertoe strekt om — door te voorzien in een geharmoniseerde regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit — de goede werking van de interne markt in de energiesector te bevorderen en in het bijzonder concurrentieverstoringen te voorkomen (zie in die zin arrest van 30 januari 2020, Autoservizi Giordano, C-513/18, EU:C:2020:59, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Zoals de advocaat-generaal in de punten 26 tot en met 28 van zijn conclusie heeft opgemerkt zou het niet-belasten van energieproducten die in het productieproces zijn gebruikt, terwijl de verkregen producten geen energieproducten zijn, zorgen voor het ontstaan van een lacune in de belastingregeling van richtlijn 2003/96, aangezien in dat geval energieproducten die in beginsel onderhevig zijn aan belasting, daaraan zouden worden onttrokken. Het verbruik van dit gedeelte van de energieproducten zou dan immers vallen onder de in artikel 21, lid 3, eerste volzin, van die richtlijn bedoelde uitzondering op het belastbaar feit, terwijl er belasting op zou moeten worden geheven. Bovendien zou het feit dat het verbruik van dat gedeelte van energieproducten niet wordt belast, niet worden gecompenseerd door de daaropvolgende belasting van de eindproducten die uit deze producten worden verkregen, aangezien de eindproducten uit dit verbruik hetzij geen energieproducten zijn in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/96, hetzij niet bestemd zijn om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen in de zin van artikel 2, lid 4, onder b), eerste streepje, van deze richtlijn (zie in die zin arresten van 12 februari 2015, Oil Trading Poland, C-349/13, EU:C:2015:84, punt 30, en 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
Wanneer zou worden aangenomen dat de in artikel 21, lid 3, eerste volzin, van voornoemde richtlijn bedoelde uitzondering in een situatie als in het hoofdgeding van toepassing is op het verbruik van alle energieproducten, zou dit derhalve afbreuk kunnen doen aan de goede werking van de interne energiemarkt die, zoals in herinnering gebracht in punt 37 van het onderhavige arrest, een van de doelstellingen is van de invoering van een dergelijke regeling (zie in die zin arrest van 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395, punt 31).
40
De integriteit van de bij richtlijn 2003/96 ingevoerde geharmoniseerde belastingregeling voor energieproducten vereist dus dat wanneer een verbruik van energieproducten binnen het bedrijf waar zij zijn vervaardigd, leidt tot de gelijktijdige productie van energieproducten die zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te dienen en van niet-energiegerelateerde producten die nuttig worden toegepast, de toepassing van de in artikel 21, lid 3, eerste volzin, van deze richtlijn bedoelde uitzondering op het belastbaar feit beperkt wordt tot het aandeel van die verbruikte energieproducten dat overeenstemt met het gedeelte van de in het kader van dat productieproces verkregen energieproducten die zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te dienen. Bij ontstentenis van enige precisering daaromtrent in richtlijn 2003/96, staat het aan de lidstaten om de methode te bepalen voor de vaststelling van de hoeveelheid energieproducten die vereist is voor de productie van een bepaalde hoeveelheid van een ander energieproduct dat bestemd is om als verwarmings- of motorbrandstof te dienen (zie naar analogie arrest van 7 maart 2018, Cristal Union, C-31/17, EU:C:2018:168, punt 45).
41
Ten slotte kan het argument van Repsol dat de niet-toepassing van de in artikel 21, lid 3, eerste volzin, van deze richtlijn bedoelde uitzondering op het belastbaar feit leidt tot een situatie van dubbele belasting, niet worden aanvaard. Voor zover het verbruik van energieproducten binnen het bedrijf waar zij zijn vervaardigd, plaatsvindt met het oog op de productie van energieproducten die zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te dienen, geldt deze uitzondering immers ten volle voor het gedeelte van de energieproducten dat voor dat doel wordt verbruikt.
42
Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 21, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2003/96 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een bedrijf dat energieproducten produceert die bestemd zijn om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen, energieproducten verbruikt die het zelf heeft geproduceerd en daarbij ook onvermijdelijk niet-energiegerelateerde producten verkrijgt die een economische waarde hebben, het deel van het verbruik dat leidt tot de verkrijging van dergelijke niet-energiegerelateerde producten niet valt onder de in die bepaling bedoelde uitzondering op het belastbaar feit waardoor belasting op energieproducten verschuldigd wordt.
Kosten
43
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 21, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2003/96 van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een bedrijf dat energieproducten produceert die bestemd zijn om als motor- of verwarmingsbrandstof te dienen, energieproducten verbruikt die het zelf heeft geproduceerd en daarbij ook onvermijdelijk niet-energiegerelateerde producten verkrijgt die een economische waarde hebben, het deel van het verbruik dat leidt tot de verkrijging van dergelijke niet-energiegerelateerde producten niet valt onder de in die bepaling bedoelde uitzondering op het belastbaar feit waardoor belasting op energieproducten verschuldigd wordt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑12‑2020
Conclusie 23‑04‑2020
Inhoudsindicatie
‘Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 2003/96/EG — Heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit — Artikel 21, lid 3 — Vrijstelling van energieproducten die worden gebruikt in een bedrijf dat energieproducten produceert — Gelijktijdige productie van energieproducten en andere producten’
M. Szpunar
Partij(en)
Zaak C-44/191.
Repsol Petróleo, S.A.
tegen
Administración General del Estado
[verzoek van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
Het Unierecht harmoniseert de basisregels voor de heffing van belasting over energieproducten en stelt tevens een minimumniveau voor deze belasting vast. Het gebruik van energieproducten voor de vervaardiging van andere energieproducten is evenwel niet aan deze belasting onderworpen. Over de relevante bepalingen heeft het Hof reeds verschillende keren uitspraak gedaan.(2) Noch deze bepalingen, noch de genoemde rechtspraak van het Hof geven evenwel een antwoord op de vraag naar de behandeling van energieproducten die worden gebruikt voor de vervaardiging van andere energieproducten wanneer deze productie tevens niet-energiegerelateerde producten oplevert. De onderhavige zaak heeft betrekking op dit probleem.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
2.
Artikel 21, leden 1 en 3, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit(3) bepaalt:
- ‘1.
Naast de algemene bepalingen tot omschrijving van het belastbare feit en de bepalingen van richtlijn 92/12/EEG [van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB 1992, L 76, blz. 1)] die betrekking hebben op de betaling, wordt op energieproducten eveneens belasting verschuldigd wanneer één van de in artikel 2, lid 3, van deze richtlijn genoemde belastbare feiten zich voordoet.
[…]
- 3.
Het verbruik van energieproducten binnen een bedrijf dat energieproducten produceert, wordt niet beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt, indien dat verbruik bestaat uit binnen het bedrijf geproduceerde energieproducten. De lidstaten kunnen ook het verbruik van elektriciteit en andere energieproducten die niet binnen een dergelijk bedrijf worden geproduceerd en het verbruik van energieproducten en elektriciteit binnen een bedrijf dat voor het opwekken van elektriciteit te gebruiken brandstoffen produceert, niet als een belastbaar feit behandelen. Verbruik voor doeleinden die geen verband houden met die productie en met name voor de voortbeweging van motorvoertuigen, wordt beschouwd als een belastbaar feit waardoor belasting verschuldigd wordt.’
Spaans recht
3.
Artikel 47, lid 1, onder b), van Ley 38/1992 de Impuestos Especiales (wet 38/1992 op de accijns) van 28 december 1992(4) bepaalt:
‘Het eigen verbruik is niet aan belasting onderworpen voor zover dit betrekking heeft op:
[…]
- b)
het gebruik van minerale oliën als brandstof bij de vervaardiging van minerale oliën in het kader van de accijnsschorsingsregeling’.
Feiten, procedure en prejudiciële vraag
4.
Repsol Petróleo S.A., een vennootschap naar Spaans recht (hierna: ‘Repsol’), is onder meer actief op het gebied van de vervaardiging van energieproducten in het kader van een olieraffinageproces. Daarbij worden naast energieproducten verschillende andere producten verkregen, zoals zwavel, zware oliefracties en aromatische koolwaterstoffen alsmede waterdamp. Deze producten worden vervolgens verkocht en gebruikt in de chemische industrie, maar worden deels ook opnieuw gebruikt in het productieproces.
5.
Bij besluit van 2 april 2012 hebben de Spaanse belastingautoriteiten Repsol verplicht om voor de belastingjaren 2007 en 2008 accijns op minerale oliën te betalen in verband met het gebruik dat de vennootschap ervan heeft gemaakt als verwarmingsbrandstof in haar productieproces. Het betrof het gebruik van de door de vennootschap geproduceerde minerale oliën voor zover in dat productieproces ook niet-energiegerelateerde producten werden vervaardigd. Volgens de belastingautoriteiten dienen de in het productieproces gebruikte minerale oliën namelijk te worden belast naar verhouding van de hoeveelheid niet-energiegerelateerde producten die in dat proces worden verkregen.
6.
Het bezwaar van Repsol tegen dit besluit en haar beroep in rechte in eerste aanleg ertegen werden afgewezen. Deze beslissingen waren met name gebaseerd op de vaste rechtspraak van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje), volgens welke het eigen verbruik van energieproducten uitsluitend van belastingheffing is vrijgesteld voor zover dit verbruik bedoeld is voor de vervaardiging van andere energieproducten. Deze rechtspraak is ontwikkeld in het kader van de bepalingen ter omzetting van richtlijn 92/81/EEG(5).
7.
Repsol heeft bij de verwijzende rechter cassatieberoep tegen de beslissing van de rechter in eerste aanleg ingesteld.
8.
Onder die omstandigheden heeft de Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 […] aldus worden uitgelegd dat over het eigen verbruik van energieproducten in de bedrijfsinstallaties van de producent accijns op minerale oliën kan worden geheven naar rato van het aandeel van de door dat eigen verbruik verkregen niet-energiegerelateerde producten?
Of staat het doel van die bepaling, dat erin is gelegen het verbruik van energieproducten dat noodzakelijk wordt geacht voor de verkrijging van eindenergieproducten niet te belasten, er daarentegen aan in de weg dat accijns wordt geheven over dat deel van het eigen verbruik dat leidt tot de verkrijging van andere, niet-energiegerelateerde producten, zelfs indien het restproducten betreft die onvermijdelijk worden verkregen ten gevolge van het productieproces zelf?’
9.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is bij het Hof ingekomen op 24 januari 2019. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Repsol, de Spaanse en de Tsjechische regering en de Europese Commissie. Ter terechtzitting van 4 maart 2020 waren Repsol, de Spaanse regering en de Commissie vertegenwoordigd.
Beoordeling
10.
Met zijn prejudiciële vraag in de onderhavige zaak wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 21, lid 3, van verordening 2003/96 aldus moet worden uitgelegd dat het verbruik van energieproducten voor de productie van energieproducten, indien het onvermijdelijk is dat bij het productieproces ook niet-energiegerelateerde producten worden verkregen, helemaal niet als belastbaar feit moet worden beschouwd dan wel of dit verbruik in dat geval slechts niet als een belastbaar feit moet worden beschouwd naar rato van het gedeelte van die productie dat energieproducten oplevert, met uitsluiting van het gedeelte dat overeenkomt met de overige producten.
11.
Om te beginnen wijs ik erop dat artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 een complexe structuur heeft.
12.
Volgens de eerste volzin van dit lid wordt het zogenoemde eigen verbruik van energieproducten, dat wil zeggen het verbruik van dergelijke producten binnen het bedrijf dat deze heeft geproduceerd, niet als een belastbaar feit beschouwd.
13.
De tweede volzin van deze bepaling biedt de lidstaten de mogelijkheid om het verbruik van energieproducten (en elektriciteit) binnen een bedrijf dat energieproducten vervaardigt ook dan niet als een belastbaar feit te behandelen wanneer de verbruikte producten niet binnen dat bedrijf zijn vervaardigd.
14.
Ten slotte bepaalt de derde volzin dat deze regelingen niet van toepassing zijn wanneer het verbruik van de energieproducten bestemd is voor andere doeleinden dan de vervaardiging van dergelijke producten, bijvoorbeeld voor de voortbeweging van motorvoertuigen.
15.
A contrario kan uit de derde volzin van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 worden geconcludeerd dat alleen het verbruik van energieproducten ten behoeve van de vervaardiging van dergelijke producten niet als een belastbaar feit wordt beschouwd (of kan worden beschouwd). Deze conclusie vindt ook steun in de bewoordingen van de voorganger van de genoemde bepaling, namelijk artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81, waarin was bepaald dat het verbruik van minerale oliën binnen een bedrijf dat minerale oliën produceert niet wordt beschouwd als een belastbaar feit ‘voor zover het om verbruik ten behoeve van die productie gaat’. Deze bepaling bevatte tevens het equivalent van de huidige derde volzin van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96.(6)
16.
Zoals ik reeds in de inleiding van deze conclusie heb aangegeven, bepaalt artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 evenwel niet of en in hoeverre het verbruik van energieproducten voor de doeleinden van een productieproces waarin zowel energieproducten als andere producten worden verkregen als een belastbaar feit moet worden beschouwd.
17.
Wat dat betreft lijken er twee redeneringen denkbaar.
18.
Enerzijds kan, zoals de Tsjechische regering terecht aangeeft in haar opmerkingen, de letterlijke uitlegging van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 tot de conclusie leiden dat dit artikel, in een situatie als die van het hoofdgeding, van toepassing behoort te zijn op alle energieproducten die in het door Repsol toegepaste productieproces worden gebruikt.
19.
Deze bepaling heeft namelijk enkel betrekking op het ‘verbruik van energieproducten binnen een bedrijf dat energieproducten produceert’, terwijl de derde volzin van deze bepaling het ‘verbruik voor doeleinden die geen verband houden met die productie’ uitsluit.
20.
Zoals volgt uit de gegevens in de verwijzingsbeslissing en in de opmerkingen van de partijen worden de energieproducten die bij de aardolieraffinage dienen voor de verwarming van deze olie tot de daarvoor vereiste temperatuur volledig verbruikt voor de vervaardiging van energieproducten. De gelijktijdige verkrijging van niet-energiegerelateerde producten is slechts een residueel en onvermijdelijk gevolg van dit proces. Aangezien de verkrijging van deze producten inherent is aan de vervaardiging van energieproducten, dient te worden aangenomen dat alle energieproducten die in dit technische procedé worden verbruikt, bedoeld zijn voor de vervaardiging van energieproducten. De letterlijke formulering van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 zou er derhalve op wijzen dat deze energieproducten eveneens volledig onder deze regeling dienen te vallen, aangezien zij in hun geheel worden verbruikt voor de vervaardiging van energieproducten.
21.
Zoals Repsol terecht opmerkt, is de bevestiging van deze uitlegging van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 overigens terug te vinden in de rechtspraak van het Hof. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat ‘[u]it de negatieve formulering van de derde zin van deze bepaling kan […] worden afgeleid dat deze bepaling alleen beoogt om het verbruik van energieproducten die geen verband houden met de productie van energieproducten uit te sluiten van het voordeel van deze uitzondering’ en dat ‘[h]ieruit volgt dat het verbruik van energieproducten niet louter op basis van de manier waarop zij worden verbruikt, van deze uitzondering kan worden uitgesloten, mits dit verbruik bijdraagt aan het technologische proces van de vervaardiging van energieproducten’.(7) Het valt moeilijk te betwisten dat de in het technische procedé verbruikte energieproducten in een situatie als die van het hoofdgeding niet behoren tot de groep producten ‘die geen verband houden met de productie van energieproducten’ en dat zij in hun geheel ‘[bijdragen] aan het technologische proces van de vervaardiging van energieproducten’.
22.
Anderzijds houdt een dergelijke uitlegging, ook al kan zij worden aanvaard in het licht van de letterlijke bewoordingen van de genoemde bepaling, onvoldoende rekening met de systematische aspecten van de uitlegging ervan(8) en leidt zij tot een ongerechtvaardigde niet-belasting van energieproducten die worden gebruikt voor de vervaardiging van niet-energiegerelateerde producten.
23.
Wanneer een productieproces zowel energieproducten als niet-energiegerelateerde producten oplevert, moet dit proces namelijk worden aangemerkt als een proces waarin beide categorieën producten tegelijkertijd worden vervaardigd.
24.
In dit verband is het irrelevant dat de vervaardiging van niet-energiegerelateerde producten in een situatie als die van het hoofdgeding residueel en onvermijdelijk is, dat wil zeggen dat zij op zich niet het doel van het productieproces maar een onvermijdelijk gevolg daarvan is. In zoverre de in het productieproces verkregen producten een handelswaarde hebben en door de producent ervan kunnen worden verkocht, zijn zij voor hem namelijk een goed, dat wil zeggen een potentiële bron van inkomsten. Het is derhalve niet meer relevant of de productie ervan intentioneel is dan wel uitsluitend een onvermijdelijk gevolg van de vervaardiging van andere producten. Vanuit fiscaal oogpunt moeten beide situaties op dezelfde wijze worden behandeld. Dat wordt vereist door het gelijkheidsbeginsel alsmede door de noodzaak om een onvervalste mededinging te waarborgen. Dit zou slechts anders zijn indien de andere producten die worden verkregen in het proces van vervaardiging van de energieproducten slechts een te verwaarlozen of onbestaande handelswaarde zouden hebben en voor de producent slechts kosten zouden opleveren. Ik ben het dus niet eens met het standpunt van Repsol dat het ‘voornaamste doel’ van de verrichte activiteit doorslaggevend is. Een economische activiteit is onderworpen aan de wetgeving, met inbegrip van de belastingwetgeving, niet vanwege het doel dat met deze activiteit wordt nagestreefd maar vanwege de werkelijke toedracht en de gevolgen ervan.
25.
Volgens artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 is het slechts geoorloofd het verbruik van energieproducten niet als een belastbaar feit te beschouwen indien dit verbruik plaatsvindt ter vervaardiging van eindproducten die vervolgens krachtens deze richtlijn aan belastingheffing worden onderworpen vanwege hun gebruik als motor- of verwarmingsbrandstof.(9)
26.
Het verbruik van energieproducten als verwarmingsbrandstof in een productieproces wordt daarentegen belast indien het eindproduct geen energieproduct is of niet bedoeld is om als motor- of verwarmingsbrandstof te worden gebruikt.
27.
Het niet-belasten van energieproducten zou in dit laatste geval zorgen voor het ontstaan van een lacune in de belastingregeling van richtlijn 2003/96, aangezien in dat geval energieproducten die in beginsel onderhevig zijn aan belasting daaraan zouden worden onttrokken.(10)
28.
Het niet-belasten van deze producten zou niet worden gecompenseerd door de belasting van de vervaardigde eindproducten, aangezien deze eindproducten niet aan belasting onderhevig zouden zijn.(11)
29.
De samenhang van de belastingregeling van richtlijn 2003/96 vereist derhalve het heffen van belasting over de in het productieproces verbruikte energieproducten voor zover in dit proces niet-energiegerelateerde producten worden verkregen.
30.
Zoals ik in punt 21 van deze conclusie heb aangegeven, heeft het Hof inderdaad in een van de zaken die betrekking hebben op de uitlegging van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 geoordeeld dat de toepassing van deze bepaling slechts uitgesloten is in gevallen waarin energieproducten worden gebruikt voor doeleinden die helemaal geen verband houden met de productie van energieproducten.(12) De situatie is anders wanneer er tegelijkertijd, in het kader van een enkel technisch procedé, zowel energieproducten als niet-energiegerelateerde producten worden vervaardigd.
31.
Evenwel moet rekening worden gehouden met de context waarin het Hof dit arrest heeft gewezen. De zaak Petrotel-Lukoil had betrekking op de toepassing van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 op energieproducten die worden gebruikt voor de productie van stoom, die daarna zelf onder meer werd gebruikt bij de vervaardiging van energieproducten. In deze context heeft het Hof geoordeeld dat de toepassing van deze bepaling alleen is uitgesloten in situaties waarin energieproducten worden gebruikt voor doeleinden die geen verband houden met de vervaardiging van dergelijke producten. Wanneer zij daarentegen worden gebruikt voor de vervaardiging van tussenproducten en deze tussenproducten vervolgens worden gebruikt voor de vervaardiging van energieproducten, is deze bepaling volledig van toepassing. Het stond vast dat de eindproducten in het productieproces dat in de zaak Petrotel-Lukoil aan de orde was, energieproducten waren.
32.
In de onderhavige zaak is er evenwel sprake van een andere situatie, namelijk van de gelijktijdige vervaardiging van energieproducten en niet-energiegerelateerde producten. De bevindingen van het Hof in de zaak Petrotel-Lukoil kunnen derhalve niet automatisch op de onderhavige zaak worden overgedragen.
33.
Wellicht ligt de zaak Cristal Union(13) dichter bij de onderhavige zaak. Deze zaak betrof namelijk de vraag of de fiscale vrijstelling van energieproducten die worden gebruikt voor de doeleinden van de opwekking van elektriciteit, zoals bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96, ook van toepassing is op energieproducten die worden gebruikt voor de gelijktijdige productie van elektriciteit en warmte in een proces van zogenaamde warmte-krachtkoppeling.
34.
Het is juist dat het Hof artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 in dit arrest niet heeft uitgelegd, maar deze zaak kan niettemin dienen als basis voor een nuttige analogie. Zij had namelijk betrekking op de fiscale vrijstelling van energieproducten die worden gebruikt voor de gelijktijdige opwekking van energie die recht geeft op een dergelijke vrijstelling (namelijk elektriciteit) en van energie waarvoor een dergelijk recht niet bestaat (warmte). Deze analogie is des te meer gerechtvaardigd omdat het mechanisme van warmte-krachtkoppeling berust op het idee om op een nuttige en rendabele wijze gebruik te maken van de energie die wordt gegenereerd in het productieproces van een andere soort energie en die in de klassieke productietechnologie niet werd gebruikt en dus verloren ging. Hetzelfde geldt in de onderhavige zaak, die betrekking heeft op niet-energiegerelateerde producten waarvan de productie het residuele en onvermijdelijke gevolg is van de vervaardiging van energieproducten, en die een economische toepassing en dus een marktwaarde hebben.
35.
In de zaak Cristal Union heeft het Hof er niet aan getwijfeld dat de verplichte vrijstelling van energieproducten die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit van toepassing is op warmte-krachtkoppeling.(14) Vast stond evenwel ook dat deze vrijstelling slechts van toepassing is op het deel van de in dit proces gebruikte energieproducten dat bedoeld is voor de opwekking van elektriciteit, dat wil zeggen volgens de verhouding tussen de hoeveelheid elektriciteit en de tegelijkertijd verkregen warmte. Het Hof heeft aldus geoordeeld hoewel alle energieproducten in het technische procedé van warmte-krachtkoppeling zowel voor de opwekking van elektriciteit als voor de opwekking van warmte worden gebruikt. Hier kunnen de specifieke hoeveelheden van deze producten die bedoeld zijn voor de productie van een van deze soorten energie niet van elkaar worden onderscheiden.(15)
36.
Het Hof heeft derhalve het beginsel aanvaard dat de vrijstelling in het geval van de gelijktijdige vervaardiging van producten waarvoor een recht op vrijstelling bestaat en producten waarvoor een dergelijk recht niet bestaat, moet worden toegepast in verhouding tot de hoeveelheid van de verschillende categorieën eindproducten die in dat productieproces worden verkregen.
37.
Een soortgelijke regel moet mijns inziens in de onderhavige zaak worden toegepast. In het geval van de gelijktijdige vervaardiging van energieproducten en niet-energiegerelateerde producten wordt het verbruik van energieproducten voor de doeleinden van deze productie krachtens artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 niet als een belastbaar feit beschouwd, maar slechts naar rato van het aandeel van de in dit proces vervaardigde energieproducten.
38.
In dit verband wordt een producent van energieproducten die zich in dezelfde situatie als Repsol bevindt, geenszins benadeeld door het feit dat de door hem verbruikte energieproducten worden belast naar rato van het percentage van de gelijktijdig vervaardigde niet-energiegerelateerde producten. Voor zover energieproducten worden gebruikt voor de vervaardiging van energieproducten, vallen deze namelijk volledig onder de regeling van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96. Wat betreft de vervaardiging van de niet-energiegerelateerde producten kan de belasting op de daarvoor gebruikte energieproducten, als indirecte belasting, volledig worden doorgerekend in de prijs van deze in de handel gebrachte niet-energiegerelateerde producten, zoals dit het geval is voor ieder ander product waarvan de productie het verbruik van energieproducten vereist.
39.
Een dergelijke oplossing is zelfs geboden in het licht van de noodzaak om een onvervalste mededinging te waarborgen. Het kan namelijk voorkomen dat niet-energiegerelateerde producten die in het kader van één enkel technisch procedé en gelijktijdig met energieproducten worden vervaardigd, concurreren met soortgelijke producten die niet in een dergelijk gecombineerd productieproces worden vervaardigd maar waarvan de vervaardiging wel het verbruik van energieproducten vereist. Dergelijke energieproducten worden volgens de algemene regels belast, en dus zouden energieproducten die worden gebruikt in een gecombineerd productieproces op identieke wijze moeten worden behandeld. Het betreft hier niet alleen producten die daadwerkelijk volgens het door Repsol toegepaste technische procedé worden vervaardigd, maar alle producten die momenteel of in de toekomst gelijktijdig met om het even welke energieproducten worden of kunnen worden vervaardigd.
40.
In dit verband is het irrelevant dat de vervaardiging van niet-energiegerelateerde producten een residueel en onvermijdelijk gevolg is van de vervaardiging van die andere soort producten, en evenmin dat de vervaardiging daarvan, zoals de winning van zwavel in een ontzwavelingsproces, wordt opgelegd door het regelgevingskader ter bescherming van het milieu. Iedere ondernemer dient bij de uitoefening van zijn commerciële activiteiten in een bepaalde sector rekening te houden met de kosten en de beperkingen van dergelijke activiteiten. Het feit dat in het productieproces van bepaalde energieproducten noodzakelijkerwijs ook bepaalde niet-energiegerelateerde producten worden verkregen, is een algemeen bekend kenmerk van deze activiteit, en het feit dat deze producten op de markt kunnen worden verkocht, maakt deel uit van de economische rekening voor deze activiteit. Evenzo dient in deze rekening de belasting te worden opgenomen over energieproducten die worden gebruikt voor de vervaardiging van energieproducten naar rato van het percentage van de daarbij verkregen niet-energiegerelateerde producten.
41.
Evenmin kan ik instemmen met het door Repsol verdedigde standpunt dat de wijziging van de bewoordingen van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 ten opzichte van artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81 een andere uitlegging van dit artikel vereist.
42.
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, van richtlijn 92/81 bepaalde dat het verbruik van minerale oliën binnen een bedrijf dat minerale oliën produceert niet wordt beschouwd als een belastbaar feit ‘voor zover het om verbruik ten behoeve van die productie gaat’. In de tweede alinea van dit lid werd vervolgens gepreciseerd dat verbruik voor doeleinden die geen verband houden met die productie als een belastbaar feit wordt beschouwd. In deze bepaling werd een onderscheid gemaakt tussen twee gevallen van verbruik van minerale oliën: verbruik voor doeleinden die verband houden met de productie van dergelijke oliën en verbruik voor doeleinden die geen verband met deze productie houden. Deze categorieën sloten elkaar wederzijds uit en waren uitputtend: er werd niet voorzien in situaties die tot beide categorieën behoorden en evenmin in situaties die tot geen van beide categorieën behoorden.
43.
Dat is niet anders bij de formulering van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96. In de eerste volzin van dit lid, die overeenkomt met de eerste alinea van artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81, wordt inderdaad voorbijgegaan aan het voorbehoud dat het verbruik moet plaatsvinden ter vervaardiging van energieproducten. Dit voorbehoud is evenwel opgenomen in de derde volzin van deze bepaling, die overeenkomt met de tweede alinea van artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81 en in wezen gelijkluidend is. De Uniewetgever lijkt overduidelijk en mijns inziens terecht van mening te zijn geweest dat het niet nodig was hetzelfde voorbehoud in beide volzinnen op te nemen. Aangezien de derde volzin gevallen van verbruik van energieproducten voor andere dan productiedoeleinden uitsluit, impliceert dit namelijk dat de eerste volzin alleen betrekking heeft op gevallen van verbruik die verband houden met die productie. De voorgeschreven maatregelen van artikel 21, lid 3, eerste en derde volzin, van richtlijn 2003/96 zijn derhalve identiek aan die van artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81.(16) Daaraan wordt ook geenszins afgedaan door de toevoeging van de tweede volzin van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96, die uitsluitend strekt tot uitbreiding van de lijst van gevallen van verbruik van energieproducten die niet als belastbaar feit worden beschouwd. Dit neemt niet weg dat er sprake moet zijn van verbruik ten behoeve van de vervaardiging van dergelijke producten.
44.
Anders dan Repsol in haar opmerkingen beweert, is er in dit geval dus geen sprake van een gewijzigde logica. Volgens deze opmerkingen was het uit hoofde van artikel 4, lid 3, van richtlijn 92/81 de regel dat er belasting wordt geheven over het eigen verbruik van minerale oliën en was het niet belasten daarvan de uitzondering. Uit hoofde van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 zou het niet-belasten van het eigen verbruik van energieproducten daarentegen de regel zijn en het belasten daarvan — in het geval dat het verbruik geen verband houdt met de vervaardiging van dergelijke producten — de uitzondering.
45.
Deze stelling kan niet worden aanvaard. Richtlijn 92/81 en richtlijn 2003/96 hanteren dezelfde logica, namelijk dat het belasten van respectievelijk minerale oliën en energieproducten de regel is en dat het niet-belasten van het eigen verbruik van dergelijke producten een uitzondering vormt die slechts van toepassing is wanneer is voldaan aan de voorwaarde dat het verbruik plaatsvindt ter vervaardiging van dergelijke producten.
46.
Deze overwegingen, en met name de samenhang van het door richtlijn 2003/96 ingevoerde stelsel van belasting op energieproducten enerzijds en de noodzaak om voor goederen waarvan de productie het verbruik van energieproducten vereist een onvervalste mededinging te waarborgen anderzijds, vereisen mijns inziens dat artikel 21, lid 3, van deze richtlijn wordt uitgelegd op een manier die verder gaat dan de conclusies die kunnen worden getrokken uit de louter letterlijke bewoordingen van deze bepaling. Deze bewoordingen geven geen ondubbelzinnig antwoord op de vraag naar de juiste wijze van belastingheffing op energieproducten die worden gebruikt voor de gelijktijdige vervaardiging van energieproducten en niet-energiegerelateerde producten. Er is derhalve geen sprake van een uitlegging contra legem, maar slechts van een aanvulling met elementen van de systematische uitlegging van de conclusies die uit de letterlijke uitlegging kunnen worden getrokken.
47.
Daarom moet artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 aldus worden uitgelegd dat het verbruik van energieproducten voor de productie van energieproducten, indien het onvermijdelijk is dat bij het productieproces ook niet-energiegerelateerde producten worden verkregen, niet als een belastbaar feit wordt beschouwd naar rato van het aandeel van deze producten dat overeenkomt met het aandeel van de vervaardigde energieproducten.
48.
Voorts is artikel 21, lid 3, van de besproken richtlijn alleen van toepassing op energieproducten die worden gebruikt voor de vervaardiging van energieproducten die bedoeld zijn om als motor- of verwarmingsbrandstof te worden gebruikt. Energieproducten die niet alleen worden gebruikt voor de vervaardiging van producten die geen energieproducten in de zin van artikel 2, lid 1, van deze richtlijn zijn maar tevens voor de vervaardiging van producten die weliswaar overeenkomen met de daarin opgenomen definitie maar waarop richtlijn 2003/96 niet van toepassing is, vallen overeenkomstig artikel 2, lid 4, onder b), eerste streepje, dus niet onder de bepaling van artikel 21, lid 3, omdat zij niet bedoeld zijn om te worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof. Dit volgt ondubbelzinnig uit de rechtspraak van het Hof.(17) Derhalve moeten onder energieproducten uitsluitend producten worden verstaan die onder de door richtlijn 2003/96 ingevoerde belastingregeling vallen.
49.
Aangezien richtlijn 2003/96 niet voorziet in bepalingen betreffende de wijze van vaststelling van het aandeel energieproducten dat onder de regeling van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 valt, zijn de lidstaten daarvoor bevoegd.(18) Aangezien deze kwestie ter terechtzitting evenwel is besproken, wil ik daarover nog de hiernavolgende opmerkingen maken.
50.
In de eerste plaats vormen niet-energiegerelateerde producten die worden verkregen in het proces van vervaardiging van energieproducten en vervolgens opnieuw in dit productieproces worden gebruikt (zoals stoom), een tussenproduct waarvan de productie aanleiding geeft tot toepassing van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96.(19)
51.
In de tweede plaats deel ik de mening van de Commissie dat de geschiktste wijze om het aandeel van de energieproducten te berekenen dat onder de regeling van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 valt, erin bestaat te verwijzen naar de hoeveelheid vervaardigde eindproducten van de verschillende categorieën en niet naar bijvoorbeeld de marktwaarde daarvan.
52.
De reden daarvoor is mijns inziens evenwel niet — zoals de Commissie beweert — dat de belasting op energieproducten wordt berekend over de hoeveelheid producten. Deze belasting heeft namelijk betrekking op energieproducten die in het productieproces als verwarmingsbrandstof worden gebruikt, en niet op de eindproducten van deze productie.
53.
De methode die gebaseerd is op het kwantitatieve aandeel van de verschillende categorieën eindproducten maakt het daarentegen mogelijk om het aandeel van de energieproducten in het proces van vervaardiging van elk van de categorieën eindproducten zo goed mogelijk weer te gegeven. De hoeveelheid benodigde energieproducten houdt namelijk eerder verband met de hoeveelheid van de verschillende eindproducten dan met de waarde ervan.
54.
Terwijl het niet mogelijk is, zoals Repsol terecht opmerkt, om voor elke categorie eindproducten nauwkeurig de hoeveelheid verbruikte energieproducten te berekenen, aangezien bij de raffinage van aardolie de verschillende eindproducten bij verschillende temperaturen worden verkregen, kan het aandeel van de energieproducten dat nodig is om de verschillende categorieën eindproducten te verkrijgen naar mijn mening dus redelijkerwijs worden benaderd op basis van de kwantitatieve methode.
55.
Deze methode sluit niet uit dat in het nationale recht een vastgestelde de-minimisdrempel wordt toegepast waaronder de hoeveelheid in het productieproces verkregen niet-energiegerelateerde producten zo gering is dat deze hoeveelheid buiten beschouwing kan worden gelaten en alle in dit proces verbruikte energieproducten onder de regeling van artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 kunnen vallen. De de-minimisdrempel biedt evenwel geen oplossing voor het probleem van de berekening van het aandeel energieproducten dat onder deze regeling valt wanneer de hoeveelheid niet-energiegerelateerde producten deze drempel overschrijdt.
Conclusie
56.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Tribunal Supremo te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit moet aldus worden uitgelegd dat het verbruik van energieproducten voor de productie van energieproducten, indien het onvermijdelijk is dat bij het productieproces ook niet-energiegerelateerde producten worden verkregen, niet als een belastbaar feit wordt beschouwd naar rato van het aandeel van deze producten dat overeenkomt met het aandeel van de vervaardigde energieproducten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑04‑2020
Oorspronkelijke taal: Pools.
Zie met name arresten van 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395; 27 juni 2018, Turbogás, C-90/17, EU:C:2018:498, en 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933.
PB 2003, L 283, blz. 51.
BOE nr. 312 van 29 december 1992, blz. 44305.
Richtlijn van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (PB 1992, L 316, blz. 12). Deze richtlijn is ingetrokken bij en vervangen door richtlijn 2003/96.
Richtlijn 92/81 bevatte daarentegen geen machtiging voor de lidstaten zoals het huidige artikel 21, lid 3, tweede volzin, van richtlijn 2003/96.
Arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933, punt 30 (cursivering van mij).
De inaanmerkingneming van de systematische aspecten van de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen wordt vereist door de rechtspraak van het Hof (zie met betrekking tot artikel 21, lid 3, van richtlijn 2003/96 arrest van 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395, punt 22).
Arrest van 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395, punt 32.
Arrest van 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395, punt 29.
Arrest van 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395, punt 30.
Arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933, punt 30.
Arrest van 7 maart 2018, C-31/17, EU:C:2018:168.
Arrest van 7 maart 2018, C-31/17, EU:C:2018:168, dictum.
Zie met name arrest van 7 maart 2018, Cristal Union, C-31/17, EU:C:2018:168, punt 45, waarin het Hof ingaat op de eventuele moeilijkheden bij de berekening van het aandeel energieproducten dat per soort geproduceerde energie wordt verbruikt.
Uiteraard met uitzondering van de verruiming van de kring van producten die onder de regeling van richtlijn 2003/96 vallen.
Arrest van 6 juni 2018, Koppers Denmark, C-49/17, EU:C:2018:395, dictum.
Zie in die zin arrest van 7 maart 2018, Cristal Union, C-31/17, EU:C:2018:168, punt 45.
Zie arrest van 7 november 2019, Petrotel-Lukoil, C-68/18, EU:C:2019:933, punt 28 en punt 1 van het dictum.