Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.9. Zie voorts onder meer HR 30 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2850; HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094, en HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:47.
HR, 09-09-2025, nr. 23/00137 P
ECLI:NL:HR:2025:1232
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-09-2025
- Zaaknummer
23/00137 P
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1232, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:56
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:928
ECLI:NL:PHR:2025:928, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 20‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1232
- Vindplaatsen
Uitspraak 09‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof volstaan met constatering van overschrijding van redelijke termijn in appelfase? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/00138.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00137 P
Datum 9 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 januari 2023, nummer 20-003609-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat B.Th. Nooitgedagt bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die bij de Hoge Raad aanhangig is onder nr. 23/00138, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. (Vgl. HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3575.)
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2025.
Conclusie 20‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Redelijke termijn in hoger beroep. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 23/00138.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00137 P
Zitting 20 mei 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 12 januari 2023 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2018 bevestigd waarin het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 114.657,04 en aan de betrokkene de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de Staat is opgelegd. Het hof heeft daarbij de duur van de gijzeling die maximaal kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaak 23/00138. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. B.Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat sprake is van slechts een geringe overschrijding van de redelijke termijn waarop kan worden gereageerd met de enkele constatering dat die overschrijding heeft plaatsgevonden en/of dat een deel van de overschrijding in hoger beroep is toe te schrijven aan de verdediging.
Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep:
‘Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van de op te leggen betalingsverplichting aan de Staat
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de betrokkene is op 13 november 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 12 januari 2023 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest zal wijzen. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor overschreden.
Gelet op de geringe mate van overschrijding volstaat het hof met de enkele constatering ervan. Het hof overweegt daarbij dat een deel van de overschrijding in hoger beroep is toe te schrijven aan de verdediging.’
6. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. Dat geldt ook indien het hof ambtshalve heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden.1.
7. Ik heb bij de stukken van het geding niet een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de ontnemingszaak aangetroffen. Op grond van de stukken van het geding die wel beschikbaar zijn in de ontnemingszaak en in de samenhangende strafzaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer, kan het volgende worden vastgesteld. Het hof overweegt in het bestreden arrest: ‘Namens betrokkene is, gelet op de bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak, geen verweer gevoerd tegen de vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel’. De overweging inzake de redelijke termijn in het bestreden arrest refereert niet aan een verweer dat gevoerd zou zijn. De aanhef van de pleitnota, die zich in het dossier van de strafzaak bevindt, vermeldt het parketnummer van de hoofdzaak en van de ontnemingszaak en heeft daarmee kennelijk op beide zaken betrekking. Deze pleitnota bevat geen verweer inzake de redelijke termijn en vermeldt inzake de ontnemingszaak slechts: ‘Om die reden zal ik niet toekomen aan een bespreking van de eveneens nog aanhangig zijnde vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.’ Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de strafzaak vermeldt niet dat in aanvulling op de pleitnota nog iets naar voren zou zijn gebracht. In de cassatieschriftuur wordt geen melding gemaakt van een gevoerd verweer. En de steller van het middel heeft niet om aanvulling van de processtukken verzocht (art. 4.3.6.3 procesreglement Hoge Raad).
8. In het licht van een en ander meen ik dat ervan kan worden uitgegaan dat in hoger beroep in de ontnemingszaak niet een verweer inzake schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn is gevoerd.2.
9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad meer dan twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld uitspraak zal doen. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden. Ook in de strafzaak met nummer 23/00138 die met deze ontnemingszaak samenhangt en waarin ik vandaag eveneens concludeer, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In die zaak kan worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Ook overigens heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑05‑2025
Vgl. in dit verband A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 244-245, waar wordt aangegeven dat het proces-verbaal van de terechtzitting niet meer de enige kenbron is van alles wat op de terechtzitting van de feitenrechter is voorgevallen. De bijzondere omstandigheden van dit geval brengen naar het mij voorkomt mee dat op basis van de genoemde stukken een vaststelling kan worden gedaan inzake wat daar (niet) is voorgevallen zonder dat sprake is van een situatie waarin deze stukken als correctiemiddel dienen.