Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/176:176 Toepassing op art. 8 lid 1 EEX-Vo II
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/176
176 Toepassing op art. 8 lid 1 EEX-Vo II
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS510182:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 13 juli 2006, C-103/05, Jur. 2006, p. I-6827, NJ 2008/79 m.nt. P. Vlas onder NJ 2008/76 (Reisch Montage/Kiesel).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Hoofdstuk 6 zijn uitgebreid de vereisten voor toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II besproken. Daarin is naar voren gekomen dat het abstracte gevaar voor ‘onverenigbare beslissingen’ geen eenvoudig criterium voor toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II is. Immers, in elk geval waarin twee gerechten beslissen over twee vorderingen die gebaseerd zijn op vergelijkbare feiten, dreigt op zijn minst het gevaar dat de twee beslissingen verschillen vertonen die zijn terug te voeren op een verschillende beoordeling van de feiten. Toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II is dan ook met name afhankelijk van het bestaan van een ‘nauwe band’. Het HvJ heeft in verschillende arresten uitleg gegeven aan het vereiste van een nauwe band tussen de verschillende voor de rechter van de woonplaats van een van de verweerders aanhangig gemaakte vorderingen. Zoals reeds in hoofdstuk 6 is bezien, brengt deze uitleg mee dat in sommige gevallen de vraag kan rijzen of toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II neerkomt op misbruik. Zo heeft het HvJ de kwestie in het arrest Reisch gereduceerd tot de vraag of een nationaal voorschrift inzake niet-ontvankelijkheid aan de toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II in de weg kan staan.1 In dat arrest is de vraag gerezen of art. 8 sub 1 EEX-Vo II ook kan worden toegepast indien de vordering tegen een van beide verweerders van meet af aan naar nationaal recht niet-ontvankelijk is. Het HvJ heeft geoordeeld dat nationale bepalingen inzake ontvankelijkheid niet aan de toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II in de weg staan. Daarmee is toepassing van art. 8 sub 1 EEX-Vo II niet uitgesloten indien de vordering tegen de verweerder met woonplaats in de forumstaat niet-ontvankelijk is. Het HvJ heeft hier naar mijn mening weinig oog voor mogelijke misbruikgevallen, waarin een niet-ontvankelijke vordering wordt ingesteld teneinde bevoegdheid te creëren ten opzichte van medeverweerders. Kan het unierechtelijke misbruikbeginsel hier uitkomst bieden? En hoe dient in dergelijke gevallen het unierechtelijke détournement de pouvoir onder art. 8 sub 1 EEX-Vo II te worden toegepast?