HR, 20-02-2026, nr. 23/00082
ECLI:NL:HR:2026:279
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-02-2026
- Zaaknummer
23/00082
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:279, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑02‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2022:10306
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑02‑2026
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2026/274
Viditax (FutD) 2026022001
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/200
FutD 2026-0306
V-N 2026/10.22 met annotatie van Redactie
NLF 2026/0367 met annotatie van mr. B.J.G.L. Jaeger
NTFR 2026/403 met annotatie van mr. S.A.M. Verweij
FED 2026/40 met annotatie van F.J.G. Nellen
BNB 2026/96 met annotatie van G.J.M.E. de Bont
Uitspraak 20‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting; bestuurlijke boete; art. 67f AWR; nultarief voor intracommunautaire leveringen geweigerd vanwege deelname aan btw-fraude in andere lidstaat; beboetbaar feit; opzet gericht op en/of grove schuld aan niet-betalen van omzetbelasting in Nederland?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00082
Datum 20 februari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 oktober 2022, nrs. BK-ARN 20/00677 tot en met BK-ARN 20/006791., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 18/2156, AWB 18/2157 en AWB 18/2159) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016, de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.H.W.N. Lammers, advocaat, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , heeft een verweerschrift ingediend.De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door M.H.W.N. Lammers.Na het verstrijken van de voor het indienen van de schriftelijke toelichting gestelde termijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.
1.2
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 23 februari 2023 verzocht om, indien de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep wordt overschreden, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van die termijn.De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende verhandelt vanuit haar bedrijfsruimte in Nederland onder meer tweedehands personenauto’s aan voornamelijk bedrijven. Onder uitreiking van facturen op naam van in Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië gevestigde afnemers heeft zij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016 diverse tweedehands personenauto’s verkocht (hierna: de personenauto’s). De personenauto’s zijn ofwel door (een werknemer van) de afnemer ofwel in opdracht van de afnemer door een transportbedrijf bij de bedrijfsvestiging van belanghebbende opgehaald en meegenomen. De kopieën van de afhaalverklaringen dan wel van de CMR-vrachtbrieven die zich in de administratie van belanghebbende bevinden, vermelden als plaats van bestemming het vestigingsadres van de afnemer in Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië.
2.2
Belanghebbende heeft de afnemers ter zake van de leveringen van de personenauto’s geen omzetbelasting in rekening gebracht en ook heeft zij ter zake van die leveringen geen omzetbelasting op aangifte voldaan. Zij heeft de leveringen van de personenauto’s in haar aangiften voor de omzetbelasting verantwoord als zogenoemde intracommunautaire leveringen waarop het nultarief van toepassing is als bedoeld in artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in samenhang gelezen met letter a, post 6, van de bij de Wet behorende Tabel II (hierna: het nultarief). Belanghebbende heeft deze leveringen tevens vermeld in de in artikel 37a van de Wet bedoelde lijst van afnemers aan wie in een tijdvak goederen zijn geleverd met toepassing van de bij de Wet behorende Tabel II, letter a, post 6.
2.3
De Inspecteur heeft in de jaren 2015 en 2016 een boekenonderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangiften voor de omzetbelasting over tijdvakken in de periode 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2016. Naar aanleiding daarvan heeft hij zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende ter zake van de leveringen van de personenauto’s niet het nultarief heeft mogen toepassen, omdat belanghebbende btw-fraude heeft gepleegd dan wel betrokken is geweest bij btw-fraude. Volgens hem zijn de personenauto’s niet overgebracht naar Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië zoals vermeld op de hiervoor in 2.1 bedoelde en door belanghebbende, ten bewijze dat zij het nultarief terecht heeft toegepast, aan de Belastingdienst overgelegde documenten. De personenauto’s zijn volgens de Inspecteur naar Duitsland (Berlijn) overgebracht. Niet is gebleken dat ter zake van deze leveringen in het land van vestiging van de afnemer dan wel in Duitsland aangifte van intracommunautaire verwervingen is gedaan.Belanghebbende droeg in de meeste gevallen zorg voor het invullen van de plaats van bestemming van de personenauto’s in een zogenoemde afhaalverklaring respectievelijk CMR-vrachtbrief. Volgens de Inspecteur wist belanghebbende, toen zij de personenauto’s vanuit haar bedrijfsruimte in Nederland leverde, dat de personenauto’s naar Berlijn in Duitsland zouden worden overgebracht, terwijl zij in deze documenten als bestemming het vestigingsadres van een afnemer in Roemenië, Hongarije, Slowakije respectievelijk Kroatië invulde dan wel – indien die bestemming wel al was ingevuld – die bestemming niet deed wijzigen. Zodoende heeft belanghebbende volgens de Inspecteur de werkelijke bestemming van de personenauto’s, Berlijn dus, in de hiervoor bedoelde documenten verhuld.Aan belanghebbende zijn daarom drie naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd, te weten over tijdvakken in de perioden 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015 en 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.
2.3
Gelijktijdig met het opleggen van elke naheffingsaanslag heeft de Inspecteur op de voet van artikel 67f, lid 1, AWR een boete aan belanghebbende opgelegd. De Inspecteur heeft zich daarbij primair op het standpunt gesteld dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat de omzetbelasting die op aangifte had moeten worden voldaan, niet is betaald.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Voor het Hof was in de eerste plaats in geschil of de Inspecteur ter zake van de hiervoor in 2.1 bedoelde leveringen het door belanghebbende toegepaste nultarief terecht heeft geweigerd. Verder was in geschil of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
3.2.1
Met betrekking tot de toepassing van het nultarief heeft het Hof het volgende overwogen.
3.2.2
Het Hof heeft het aannemelijk geacht dat de personenauto’s naar Berlijn zijn vervoerd en dat belanghebbende weet daarvan had. Belanghebbende heeft opzettelijk bewijs gemanipuleerd en valse verklaringen opgemaakt om die bestemming te verhullen en bewust in haar administratie vermeld dat de personenauto’s zijn vervoerd naar vestigingsadressen van afnemers in Roemenië, Slowakije, Hongarije respectievelijk Kroatië. Hiermee heeft belanghebbende zich naar het oordeel van het Hof schuldig gemaakt aan fraude.
3.2.3
Onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name het arrest van het Hof van Justitie van 7 december 2010, R., C-285/09, ECLI:EU:C:2010:742, heeft het Hof geoordeeld dat het overleggen van valse verklaringen en andere manipulaties van bewijs kunnen beletten dat de belasting juist wordt geheven. De intracommunautaire verwervingen die volgen op de door belanghebbende verrichte leveringen van de personenauto’s die zij heeft gefactureerd aan de hiervoor in 2.1 bedoelde afnemers, ontsnappen op deze wijze mogelijkerwijs aan de betaling van omzetbelasting in de lidstaat van bestemming, ondanks de wederzijdse bijstand en de administratieve samenwerking tussen de belastingautoriteiten van de betrokken lidstaten. Voor deze leveringen staat vast dat er door deze afnemers geen (op de levering volgende) intracommunautaire verwervingen zijn aangegeven in hun land van vestiging. Omdat de personenauto’s, anders dan de boeken en bescheiden (opzettelijk) doen geloven, naar Berlijn gaan, achtte het Hof aannemelijk dat in Duitsland deze verwervingen niet worden aangegeven. Een ander doel wordt volgens het Hof namelijk niet gediend met het opzettelijk verhullen van de bestemming van de personenauto’s.
3.2.4
Een en ander brengt mee dat de Inspecteur voor de heffing van omzetbelasting het verhullen van de bestemming van de personenauto’s in de gegeven omstandigheden – in overeenstemming met vaste rechtspraak van het Hof van Justitie – mag beschouwen als belastingfraude en dat hij in zulke gevallen van fraude het nultarief weigert, aldus het Hof.
3.3
Over de opgelegde boetes heeft het Hof geoordeeld dat de door de Inspecteur aangedragen feiten en omstandigheden overtuigend aantonen dat de onjuiste aangiften te wijten zijn aan opzet van belanghebbende. Het Hof heeft daartoe overwogen dat belanghebbende de vervoersdocumenten die zich in haar administratie bevinden, willens en wetens frauduleus heeft opgemaakt door daarop opzettelijk onjuiste bestemmingsgegevens te vermelden. Door haar handelen heeft belanghebbende volgens het Hof actief meegewerkt aan een structuur waarin afnemers in de gelegenheid zijn gesteld geen btw aan te geven ter zake van de intracommunautaire verwerving in de lidstaat van bestemming die volgt op de intracommunautaire levering. Daarmee heeft belanghebbende het functioneren van het gemeenschappelijk btw-stelsel in gevaar gebracht, aldus het Hof.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
De Hoge Raad heeft de klachten van middelen 1 tot en met 6 over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.2
Middel 7 is gericht tegen de hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat voor het opleggen van een boete opzet bij belanghebbende om in Nederland te weinig omzetbelasting te betalen, overtuigend moet worden aangetoond. Het voert aan dat het Hof heeft miskend dat de Inspecteur blijkens het proces-verbaal van de zitting van 12 april 2022 van het Hof desgevraagd heeft verklaard dat hij niet denkt dat belanghebbende bewust ervoor heeft gekozen om in Nederland te weinig omzetbelasting te betalen en dat het aan belanghebbende verweten opzet was gericht op het ontgaan van btw in een andere lidstaat. Het Hof heeft dit een en ander volgens het middel miskend met zijn oordeel dat de boetes terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.
4.3
Voorafgaand aan de behandeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Anders dan waarvan het Hof volgens zijn hiervoor in 3.3 weergegeven oordelen is uitgegaan, heeft de Inspecteur de boetebeschikkingen niet erop gegrond dat belanghebbende onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan, maar heeft hij het opleggen van de boetes gegrond op het niet betalen van omzetbelasting.
4.4
Op grond van artikel 67f, lid 1, AWR kan de inspecteur een boete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald.
4.5.1
Op grond van artikel 1, lid 1, AWR gelden de bepalingen van de AWR in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen, de heffing van belastingrente, revisierente en bestuurlijke boetes welke ingevolge de belastingwet – waartoe blijkens artikel 2, lid 1, letter a, AWR, ook de AWR behoort – kunnen worden vastgesteld of opgelegd. Artikel 1, lid 2, AWR omschrijft rijksbelastingen als belastingen die van rijkswege door de rijksbelastingdienst worden geheven. De omzetbelasting is een rijksbelasting.
4.5.2
Gelet op artikel 1 AWR heeft artikel 67f, lid 1, AWR betrekking op rijksbelastingen die in Nederland op aangifte moeten worden voldaan, zoals verschuldigde omzetbelasting die op grond van artikel 14 van de Wet op aangifte moet worden voldaan. Artikel 67f AWR strekt zich dus niet uit tot beboeting ter zake van belastingen die in een andere lidstaat moeten worden betaald.
4.6.1
Aan het vereiste van opzet in de zin van artikel 67f AWR wordt voldaan indien het handelen of nalaten van de belastingplichtige is gericht op het niet (volledig) betalen van de hiervoor in 4.4 bedoelde belasting. Voor de beboeting bij omzetbelasting betekent dit, gelet op hetgeen hiervoor in 4.5.2 is overwogen, dat het handelen van de belastingplichtige moet zijn gericht geweest op het niet (volledig) betalen van het door hem in een tijdvak verschuldigde bedrag aan omzetbelasting dat hij – onder aftrek van de in artikel 15 van de Wet bedoelde omzetbelasting – op de voet van artikel 14 van de Wet op aangifte had moeten voldoen.2.
4.6.2
De omstandigheid dat het opzet van de belastingplichtige was gericht op het niet-betalen van btw in een andere lidstaat met als gevolg het in gevaar brengen van het functioneren van het gemeenschappelijk btw-stelsel, hoeft – anders dan het Hof kennelijk heeft aangenomen – niet te betekenen dat diens opzet ook was gericht op het niet-betalen van omzetbelasting in Nederland. In gevallen als het onderhavige waarin is vastgesteld dat de desbetreffende belastingplichtige heeft voldaan aan alle materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief, is de verschuldigdheid van omzetbelasting uitsluitend gegrond op betrokkenheid bij frauduleus niet-betalen van btw in een andere lidstaat. De door het Hof aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie ziet op de aan die betrokkenheid te verbinden gevolgen voor de heffing van btw, maar werpt daarmee geen licht op de uitleg en toepassing van nationale boetebepalingen zoals artikel 67f, lid 1, AWR in de gevallen waarin aan de beboeting ten grondslag wordt gelegd dat de belastingplichtige het functioneren van het gemeenschappelijk btw-stelsel in gevaar heeft gebracht. Ook in die gevallen geldt, gelet op hetgeen hiervoor in 4.6.1 is overwogen, dat voor (voorwaardelijk) opzet als bestanddeel van het in artikel 67f, lid 1, AWR beboetbaar gestelde feit moet komen vast te staan dat de belastingplichtige ofwel wetenschap had dat in Nederland te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden betaald, ofwel wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat in Nederland te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden betaald, en hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).3.
4.7.1
De hiervoor in 4.2 weergegeven klacht van middel 7 slaagt. In het verweerschrift voor de Rechtbank stelde de Inspecteur zich op het standpunt dat belanghebbende niet bewust ervoor heeft gekozen om in Nederland te weinig omzetbelasting op aangifte te voldoen en dat het opzet van belanghebbende niet was gericht op het ontgaan van omzetbelasting in Nederland, maar op het ontgaan van btw in een andere lidstaat. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van het Hof van 12 april 2022 heeft de Inspecteur dit standpunt desgevraagd voor het Hof herhaald. Dit standpunt is niet anders op te vatten dan dat het verwijt dat de Inspecteur belanghebbende maakt, bestaat in het met (voorwaardelijk) opzet niet of niet tijdig in een andere lidstaat betalen van belasting die aldaar is verschuldigd. Hetgeen hiervoor in 4.5.1 en 4.5.2 is overwogen, brengt dan mee dat deze gedraging niet het in artikel 67f, lid 1, AWR beboetbaar gestelde feit kan opleveren. Het Hof heeft dit een en ander miskend.
4.7.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.7.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Middel 7 voor het overige behoeft geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.8.1
Wat betreft de boetebeschikkingen heeft de Inspecteur subsidiair het standpunt ingenomen dat aan het vereiste van grove schuld in de zin van artikel 67f, lid 1, AWR wordt voldaan.
4.8.2
Bezien in het licht van hetgeen de Inspecteur heeft verklaard, zoals hiervoor in 4.7.1 is weergegeven, kan diens subsidiaire standpunt betrekking hebben op het ontgaan van btw in een andere lidstaat. Uit hetgeen hiervoor in 4.5.2 is overwogen, volgt dan dat ook deze aan belanghebbende verweten gedraging niet het beboetbare feit van artikel 67f, lid 1, AWR kan opleveren.
4.8.3
Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van het Hof van 12 april 2022 heeft de Inspecteur, naast hetgeen hiervoor in 4.7.1 is weergegeven, desgevraagd ook verklaard dat hij belanghebbende in het kader van de boete verwijt in Nederland te weinig omzetbelasting te hebben betaald. Dat is volgens hem de consequentie van de jurisprudentie van het Hof van Justitie en daarom is de naheffingsaanslag ook opgelegd. Hij heeft onder aanvoering van een voorbeeld betoogd dat, naar de Hoge Raad verstaat, weliswaar niet kan worden gezegd dat de wil van belanghebbende was gericht op het niet-betalen van omzetbelasting, maar wel dat het verschuldigd worden van omzetbelasting in Nederland het noodzakelijke gevolg is van de omstandigheid dat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie het nultarief moet worden geweigerd in een geval als dit, waarin de belanghebbende heeft deelgenomen aan een frauduleuze structuur met als gevolg dat ten onrechte geen btw is geheven in een andere lidstaat. Aldus bezien, kan het subsidiaire standpunt van de Inspecteur (grove schuld) ook betrekking hebben op het niet-betalen van omzetbelasting in Nederland. Daarmee is dan de vraag aan de orde of de gedraging die de Inspecteur belanghebbende verwijt wél het beboetbare feit van artikel 67f, lid 1, AWR kan opleveren.
4.8.4
In een geval als het onderhavige, waarin met betrekking tot een intracommunautaire levering van goederen is voldaan aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief (zie hiervoor in 4.6.2), wordt volgens de Wet ter zake van een dergelijke levering geen omzetbelasting verschuldigd en hoeft dus geen omzetbelasting op aangifte te worden betaald; ter zake van de op deze intracommunautaire levering volgende intracommunautaire verwerving is btw verschuldigd in de lidstaat van bestemming. De Wet voorziet niet in een bepaling op grond waarvan in zo’n geval, achteraf, bij de leverancier van de goederen omzetbelasting wordt nageheven, ook niet als in de lidstaat van bestemming verschuldigde btw niet wordt geheven, ongeacht of een zodanige niet-heffing in die andere lidstaat het gevolg is geweest van fraude of misbruik.Indien echter de inspecteur achteraf vaststelt dat die leverancier met zo’n intracommunautaire levering heeft deelgenomen aan een frauduleuze structuur met als gevolg dat ten onrechte geen btw is geheven in de lidstaat van bestemming, staat het op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie en van de Hoge Raad4.aan die inspecteur om de belanghebbende het recht op toepassing van het nultarief te weigeren en ter zake van de intracommunautaire levering omzetbelasting van de leverancier na te heffen. Een zodanige naheffingsaanslag heeft met een ruime, richtlijnconforme uitleg van artikel 20, lid 1, AWR wettelijke grondslag. Die ruime uitleg kan echter niet opgaan voor een sanctiebepaling als artikel 67f, AWR, aangezien voor sanctiebepalingen geldt dat deze voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar moet zijn. Een zodanige ruime uitleg van het beboetbare feit van artikel 67f AWR zou meebrengen dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen5.wordt geschonden.6.Een zodanige naheffingsaanslag is dus niet de in artikel 67f, lid 3, AWR bedoelde naheffingsaanslag ter zake van het niet of gedeeltelijk niet op aangifte betalen van – in dit geval – omzetbelasting. De aldus door de inspecteur met inachtneming van de hiervoor bedoelde rechtspraak nageheven omzetbelasting was immers niet op grond van de Wet eerder verschuldigd geworden7.en hoeft volgens de Wet niet op aangifte te worden betaald, ook niet als noodzakelijk gevolg van de deelname aan de hiervoor bedoelde frauduleuze structuur.
4.8.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.8.4 is overwogen, ziet artikel 67f, lid 1, AWR niet op het niet-betalen van omzetbelasting in gevallen waarin de naheffingsaanslag louter berust op het door de inspecteur wegens misbruik of fraude de leverancier ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief. In zoverre komt de Hoge Raad dan ook terug van zijn rechtspraak8.waaruit volgt dat in gevallen waarin de naheffingsaanslag in de omzetbelasting louter berust op het wegens misbruik of fraude ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief, het beboetbare feit van artikel 67f, lid 1, van de Wet zich kan voordoen.
4.8.6
Hetgeen hiervoor in 4.8.5 is geoordeeld, brengt mee dat ook indien het subsidiaire standpunt van de Inspecteur betrekking heeft op het niet-betalen van omzetbelasting in Nederland, deze aan belanghebbende verweten gedraging niet het beboetbare feit van artikel 67f, lid 1, AWR oplevert.
4.8.7
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.8.2 en 4.8.6 is overwogen, treft het subsidiaire standpunt van de Inspecteur geen doel. De slotsom is dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd.
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
5.2.1
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 5 januari 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden.
5.2.2
Wat betreft de naheffingsaanslagen en de beschikkingen inzake belastingrente komt belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.500.
5.2.3
Omdat de boetebeschikkingen worden vernietigd, kan compensatie voor de schending van artikel 6 EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet worden verleend door vermindering van die boetes. Aangezien elke boete meer dan € 1.000 bedraagt, kan voor deze verdragsschending met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb compensatie worden verleend in de vorm van een immateriële schadevergoeding. In een geval als dit, waarin meerdere boetes zijn opgelegd, vindt de vergoeding van immateriële schade van € 500 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn plaats voor elke vernietigde boete afzonderlijk. In dit geval zijn drie boetes opgelegd en is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden maar minder dan 18 maanden overschreden. De schadevergoeding bedraagt dus drie maal € 1.500.9.
6. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, die van de Rechtbank en die van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze uitspraken betrekking hebben op de boetebeschikkingen,
- vernietigt de boetebeschikkingen,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 6.000,
- draagt de Staatsecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 548 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 5.604 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en A.J. van Doesum, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑02‑2026
Vgl. HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:973, rechtsoverweging 2.3.3.
Vgl. HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526, rechtsoverweging 3.4.5 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Vgl. Gerecht (Prejudiciële kamer) 3 december 2025, MS Ključarovci, d.o.o., T-646/24, ECLI:EU:T:2025:1081, punten 57 tot en met 59, en HvJ 18 december 2014, Schoenimport Italmoda Mariano Previti v.o.f, C-131/13, C-163/13 en C-164/13, ECLI:EU:C:2014:2455, alsmede het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:442.
Vgl. HvJ (Grote kamer) 5 december 2017, M.A.S. en M.B., C-42/17, ECLI:EU:C:2017:936, punt 62
Vgl. HvJ 1 december 2022, Aquila Part Prod Com SA, C-512/21, ECLI:EU:C:2022:950, punt 32.
Vgl. HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135, rechtsoverweging 4.6.3.
Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.3.1, en HR 9 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:216, rechtsoverweging 6.4.
Beroepschrift 20‑02‑2026
Datum : 23 februari 2023
MIDDELEN & CONCLUSIE
van:
[X] B.V. te [Z], belanghebbende
te dezen vertegenwoordigd door:
mr. M.H.W.N. Lammers, advocaat en bepaaldelijk tot indiening van dit processtuk gevolmachtigd
terzake van het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden gedateerd 29 november 2022 en aan partijen verzonden op 30 november 2022, met kenmerk BK-ARN 20/00677 tot en met BK-ARN 20/00679
Edelhoogachtbaar College,
Op 5 januari 2023 is namens belanghebbende, [X] B.V., beroep in cassatie ingesteld. Bij bericht van 20 januari 2023 heeft de griffier van uw Raad belanghebbende uitgenodigd middelen van cassatie in te dienen tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). Hierbij heb ik de eer namens belanghebbende thans navolgende middelen voor te dragen.
Vooraf
Belanghebbende is actief in de autohandel. Zij verkoopt auto's aan particulieren in Nederland, alsmede aan ondernemers in Nederland en in het buitenland. Ten aanzien van de verkoop van auto's aan ondernemers in het buitenland is belanghebbende al sinds jaar en dag in gesprek met de Belastingdienst om handvatten te krijgen voor een werkwijze die voldoet aan alle eisen voor het recht op toepassing van het btw-nultarief. De Belastingdienst heeft daar echter niet aan willen meewerken, met het argument dat kwaadwillende ondernemers daaruit voordeel zouden kunnen trekken. Echter, op die manier laat de Belastingdienst goedwillende burgers in de kou staan. Zij hebben immers jarenlang in het duister moeten tasten welke controlehandelingen nodig waren en zijn jaren later hier wel op afgerekend. Zo ook belanghebbende.
De inspecteur maakt daarbij belanghebbende de nodige verwijten. Die verwijten zijn door het Hof in feite volledig overgenomen. De verwijten zijn allemaal terug te voeren naar de conclusie dat aan het einde van de keten in de export-autohandel jarenlang sprake is geweest van een grootscheepse, georganiseerde fraude. Die conclusie wordt vervolgens (ten onrechte voor belanghebbende) geprojecteerd op het begin van de keten in Nederland. Op basis daarvan oordeelt het Hof dat belanghebbende btw-fraude heeft gepleegd dan wel van de btw-fraude had moeten weten. In de cassatiemiddelen ga ik hierop nader in.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van btw-fraude en of belanghebbende daarvan had moeten weten, is het belangrijk om de achteraf bekend geworden kennis en wetenschap van de fiscale autoriteiten over fraudehandelingen in het buitenland in de periode van 2014 tot en met de eerste helft van 2016 voor ogen te houden. Kennis en wetenschap die zich na de verweten gedragingen heeft geopenbaard en die niet is gedeeld met belanghebbende, mag niet ten nadele van haar met terugwerkende kracht worden gebruikt.
Verder steekt het belanghebbende dat zij jarenlang heeft geprobeerd om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te krijgen. Meerdere keren heeft belanghebbende kenbaar gemaakt aan de Belastingdienst dat er op basis van haar ‘onderbuikgevoel’ meer op de zaak betrekking hebbende gegevens en stukken voorhanden zouden moeten zijn. Op grond van artikel 8:42 Awb is de Belastingdienst immers verplicht (ook zonder verzoek daartoe) om al deze op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen. De verzoeken van belanghebbende zijn echter door de Belastingdienst steeds weggevaagd en ook heeft de Belastingdienst op dit punt verder gezwegen. Met andere woorden: de Belastingdienst heeft gezwegen waar spreken had gemoeten. Van het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken mag de inspecteur geen ‘guessing game’ of een raadspel maken. Als gevolg daarvan is belanghebbende pas na de uitspraak van het Hof op de hoogte geraakt (en dan nog maar ten dele) van het feit dat er al vanaf 2014 een multilateraal onderzoek buiten het zicht van de rechtbank, het Hof en belanghebbende is gehouden.
Hoewel Uw Raad zou kunnen zeggen dat in cassatie moet worden beoordeeld of het Hof op basis van het beschikbare dossier ‘zijn werk goed heeft gedaan’ raakt deze kwestie het fundamenteel beginsel van goed procesrecht en is sprake van schending van het recht op een eerlijk proces (fair trail). Zeker in het kader van de rechtsbescherming, vraagt dit onderwerp een oordeel van Uw Raad.
Middel 1. (Recht op een eerlijk proces/volledigheid dossier)
Schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, meer in het bijzonder van de artikelen 8:42 Awb, 6 EVRM, 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en 8:77 Awb, alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dan specifiek het fair playbeginsel en het procedurele rechtvaardigheidsbeginsel, doordat de inspecteur zowel het Hof als belanghebbende onvolledig heeft geïnformeerd, een onvolledig dossier heeft verstrekt en daardoor belangrijk (ontlastend) bewijsmateriaal buiten het dossier heeft gelaten. Als gevolg daarvan is sprake van schending van het recht op een eerlijk proces en heeft het Hof zijn oordeel gebaseerd op een onvolledig dossier en dus op een onvolledig feitenkader. De beslissing van het Hof dat belanghebbende btw-fraude heeft gepleegd dan wel geen bedachtzame marktdeelnemer is geweest, is daardoor onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
1.0. Toelichting op middel 1
1.1.
Op grond van artikel 8:42 Awb rust op de inspecteur de verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen en om daarop in zijn verweerschrift een toelichting te geven. Door de inspecteur is bij de rechtbank en het Hof een enorme hoeveelheid stukken ingebracht. Zoals het Hof tijdens de zitting op 26 oktober 2021 de inspecteur ook heeft medegedeeld, was het voor het Hof niet duidelijk wat de inspecteur met al deze stukken wilde bereiken. Het Hof heeft de inspecteur dan ook gevraagd om hierop een toelichting te geven. Dat heeft de inspecteur slechts voor een gedeelte van de stukken gedaan. Voor een groot deel van de stukken dus niet.
1.2.
Bij de niet toegelichte stukken zit ook een document genaamd [0001] (in een submap, van een submap, etc.). Uit dit document kan worden afgeleid dat Nederland, in ieder geval in samenwerking met Duitsland, Polen en Roemenië eind 2014, begin 2015 een multilateraal onderzoek is gestart naar de btw-fraude waarin ook belanghebbende verzeild is geraakt. Het bestaan van dit multilateraal onderzoek, alsmede alle documenten die daaruit zijn voortgevloeid, is door de Belastingdienst verzwegen. In het controlerapport, noch in de aankondiging van de controle of in de aankondiging van de onderhavige naheffingsaanslagen, noch in het verweerschrift in eerste aanleg of in het verweerschrift in hoger beroep gaat de inspecteur in op dit grootschalige onderzoek. Deze stukken zijn door de inspecteur evenmin op grond van artikel 8:42 Awb volledig aan het dossier toegevoegd.
1.3.
In het nadere stuk in hoger beroep van 20 december 2021 is door belanghebbende expliciet aandacht gevraagd voor het feit dat het erop lijkt dat de Belastingdienst al geruime tijd onderzoek deed naar de btw-fraude in de keten. In dat kader is door belanghebbende ook een aantal documenten overgelegd om dit te staven. Ook op dat moment heeft de Belastingdienst zijn mond gehouden en heeft geen melding gemaakt van het uitvoerige multilaterale onderzoek, noch van de resultaten en de bevindingen van dat onderzoek, terwijl dit ongetwijfeld zal zijn vastgelegd in een rapportage.
1.4.
Als gevolg van deze werkwijze is dit multilaterale onderzoek buiten beeld van het Hof en van belanghebbende gebleven. Het enige document dat daarvan melding maakt, is na lang graven in het onderhavige dossier ontdekt. De Belastingdienst blijkt te hebben geprobeerd om in strijd met het bestuursfatsoen van iets heel groots en relevants, iets heel kleins te maken en heeft in feite het gehele onderzoek [0001] verstopt. Daarnaast heeft de inspecteur artikel 8:42 Awb geschonden door deze stukken niet aan het dossier toe te voegen, terwijl onmiskenbaar duidelijk is dat het op de zaak betrekking hebbende stukken betreft. Met deze gang van zaken maakt de inspecteur van de toepassing van artikel 8:42 Awb een ‘guessing game’.
Dat kan en mag niet het geval zijn. Deze werkwijze leidt er ook toe dat de waarheidsvinding in het gedrang is gekomen. Artikel 8:42 Awb beoogt te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die de inspecteur ter beschikking staan, zodat de belastingplichtige zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee in zijn beoordeling rekening kan houden. Dat belanghebbende en de rechter kunnen beschikken over alle relevante feitelijke gegevens is een fundamenteel beginsel van bestuursprocesrecht.
1.5.
Doordat de inspecteur de stukken van [0001] niet volledig heeft overgelegd en in feite het enige en beperkte bewijs daarvan heeft ‘verstopt’ in de grote hoeveelheid processtukken zonder enige vorm van verwijzing of toelichting, heeft hij belanghebbende bewust belemmerd in het effectief voeren van verweer. Door deze gang van zaken heeft de inspecteur bijvoorbeeld belanghebbende de kans ontnomen om op dit punt al zijn procedurele kansen te benutten, zoals bijvoorbeeld het voeren van een verweer op basis van het arrest De Haan. In dat arrest heeft het HvJ namelijk op 7 september 1999 al geoordeeld, ik citeer r.o. 53:
‘Want ofschoon het gerechtvaardigd kan zijn, dat de nationale autoriteiten weloverwogen toelaten dat er overtredingen of onregelmatigheden worden begaan, teneinde een netwerk beter te kunnen oprollen, de fraudeurs te kunnen identificeren en bewijzen te kunnen verzamelen of versterken, is het feit dat men de belastingplichtige de douaneschuld laat dragen die als gevolg van de in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gedane keuzes is ontstaan, niet in overeenstemming te brengen met de billijkheid die door artikel 9 05, lid 1, van verordening nr. 2454/93 wordt beoogd, wanneer daardoor de belastingplichtige in een uitzonderlijke situatie wordt gebracht ten opzichte van andere marktdeelnemers die dezelfde werkzaamheid verrichten.’
1.6.
Gelet op de informatie die thans mondjesmaat boven tafel komt van het multilaterale onderzoek, past genoemd oordeel één op één op de gang van zaken in de situatie van belanghebbende.1. Dit wordt concreter aan de hand van de informatie die, na de uitspraak van het Hof, over dit onderwerp met moeite kon worden verzameld.
1.7.
Op 25 juni 2014 heeft belanghebbende een informatiebijeenkomst bijgewoond van [A]. Deze bijeenkomst werd georganiseerd bij auto(groot)handel [B]. Door [C] van de Belastingdienst is tijdens deze bijeenkomst een presentatie gehouden. Bij deze bijeenkomst is een toelichting gegeven op btw- fraude en is aan de aanwezigen gevraagd om nieuwe afnemers te melden bij een speciaal daartoe opgerichte postbus (e-mailadres). Vervolgens heeft belanghebbende op 23 oktober 2014 een algemene brief over btw-fraude ontvangen. Daarin wordt ook dit e-mailadres genoemd als meldpunt.
1.8.
Op 25 november 2014 heeft een startbijeenkomst van de Nederlandse delegatie aan de multilaterale controle [0001] in Utrecht plaatsgevonden. Vervolgens heeft op 12 tot en met 14 januari 2015 de startbijeenkomst van [0001] in Berlijn plaatsgevonden. Kennelijk is tijdens deze startbijeenkomst afgesproken dat bij verschillende autohandelaren derdenonderzoeken zouden worden uitgevoerd om informatie over de materie te vergaren. Vervolgens hebben bij belanghebbende in de maanden maart en april 2015 diverse derdenonderzoeken plaatsgevonden. Daarmee is aannemelijk dat belanghebbende onderdeel was van [0001] onderzoek.
1.9.
Thans is gebleken dat in een van de verslagen van die derdenonderzoeken is opgemerkt:
‘Hoewel je onderzoek goed voorzien is van documentatie, komt het cruciale punt er niet uit. Het enige wat [X] kan laten zien is een verklaring (die wordt afgegeven als de auto's worden opgehaald en dus Nederland nog NIET hebben verlaten), dat de auto's zullen worden vervoerd naar het aangegeven adres. Strikt juridisch is er géén bewijs van de ICL. De daadwerkelijke afnemer van de auto's blijft in rook gehuld en tekent nergens voor ontvangst van de goederen. Volgens de vragen van de buitenlandse fiscus komt het er kennelijk niets of weinig aan bij de afnemer (want die heeft geen activiteiten volgens de fiscus). Ik heb het gevoel dat hier toch wel iets gaan de is. [X] is al meer de revue gepasseerd. Ik denk dat het tijd wordt om hierin een keer door te pakken. Aandachtspunten:
- —
Aantonen nultarief? (contante betalingen, afhaaltransacties!)
- —
Italmoda? Auto's lijken niet aan te komen op de plaats van bestemming (remote Trader?);
- —
Brief uitreiken dat hij mogelijk betrokken is bij een BTW-carrousselfraude.
Wellicht is het verstandig om [X] nu al de wacht aan te zeggen, en ondanks alle mogelijke uitvluchten waar hij mee komt, vasthouden aan het bovenstaande bij een volgend bezoek. ’'
1.10.
Die waarschuwingsbrief noch het de ‘wacht aanzeggen’ heeft bij belanghebbende plaatsgevonden.
1.11.
Vervolgens heeft op 14 en 15 juli 2015 de tweede bijeenkomst van [0001] (het multilaterale onderzoek) in Berlijn plaatsgevonden. Tijdens die bijeenkomst is afgesproken dat bij autohandelaren boekenonderzoeken worden gehouden. Belanghebbende is op 14 juli 2015 telefonisch benaderd door de controleambtenaren en hij heeft op 16 juli 2015 de schriftelijke bevestiging ontvangen van het boekenonderzoek. Ook deze gang van zaken markeert dat belanghebbende onderwerp was van het [0001] onderzoek. Bij dat boekenonderzoek, dat dus de basis had in het multilaterale onderzoek, is belanghebbende steeds verzocht medewerking te verlenen door het verstrekken van stukken, maar ook door het afgeven van verklaringen.
Bij belanghebbende heeft altijd de indruk bestaan dat bij het onderzoek geen blijk werd gegeven van een open en objectieve houding, maar dat alles erop was gericht om iets te toetsen. Belanghebbende heeft hier echter nimmer de ‘vinger’ achter gekregen ondanks dat veelvuldig om opheldering is gevraagd. Zoals zojuist ook al is toegelicht, is dit nog expliciet in de processtukken in hoger beroep naar voren gebracht.
Voorts is gebleken dat begin 2016 de FIOD al betrokken was bij deze zaak. Ook daarover is belanghebbende niet geïnformeerd noch is belanghebbende op dat moment de cautie gegeven. Als gevolg daarvan is belanghebbende gedwongen geweest om mee te blijven werken aan een controle van de Belastingdienst, terwijl die in feite al vanaf het begin (mede) een strafrechtelijk karakter had.
1.12.
Uit de bevindingen vanuit het [0001] onderzoek volgt in feite dat de Belastingdienst de btw-fraude niet alleen al op het spoor was, maar ook al in kaart had gebracht. De personen die als ‘katvanger’ optraden waren in beeld, evenals de bedrijven die daarbij hoorden en de personen die de auto's ophaalden en door de Belastingdienst als feitelijke koper van de auto's zijn gekwalificeerd. De Belastingdienst heeft deze fraude en/of onregelmatigheden niet gestopt, maar heeft deze laten doorgaan, mogelijk om het netwerk van de fraudeurs nog beter in kaart te brengen. Echter, zoals uit het De Haan-arrest volgt, mag dan de ‘rekening’ van die operatie niet worden neergelegd bij de belastingplichtige, in dit geval belanghebbende.
1.13.
In de powerpoint presentatie die van de tweede bijeenkomst is aangetroffen, volgt dat op 14 en 15 juli 2015 de adressen voor de aflevering van de auto's in Berlijn ([a-straat 1], [b-straat 1], en [c-straat 1], alsmede meerdere afnemers en bemiddelaars (werknemers/vertegenwoordigers van de afnemers) al bij de Belastingdienst in het vizier waren. Zonder uitputtend te zijn, gaat het om de volgende personen of bedrijven:
- —
[D]
- —
[E]
- —
[F]
- —
[G]
- —
[H]
- —
[I]
- —
[J]
- —
[K]
- —
[L]
- —
[M]
- —
[N] S.R.L.
1.14.
Deze afnemers of tussenpersonen komen ook naar voren in de controle bij belanghebbende. Uit de informatie van de multilaterale controle is gebleken dat in juli 2015 de Belastingdienst al op de hoogte was van het feit dat deze bedrijven en personen niet zuiver op de graat waren. Deze informatie is nimmer gedeeld met belanghebbende, waardoor de Belastingdienst in feite de btw-fraude van de afnemende partijen in stand heeft gelaten en in feite zelfs heeft gefaciliteerd.
1.15.
Dat is wrang omdat belanghebbende, naast veel andere Nederlandse autohandelaren, vanaf eind 2014 alle nieuwe afnemers is gaan melden bij de door de Belastingdienst als meldpunt opgezette mailbox voor een risicoanalyse. Ondanks deze medewerking aan de risicoanalyse door de Belastingdienst, heeft belanghebbende nimmer enig resultaat van die risicoanalyse of waarschuwing mogen ontvangen voor (mogelijk) verkeerde afnemers. Daarbij moet bedacht worden dat belanghebbende als autoverkoper, zeker bij export, nauwelijks mogelijkheden heeft om te controleren op welke wijze zijn afnemers de auto's doorverkopen en of de verwervingen daarbij op juiste wijze worden aangegeven. Bovendien is het gebruikelijk in het normale handelsverkeer dat kopende relaties uit concurrentieoverweging geen informatie willen geven over de identiteit van hun afnemer en de prijs bij de doorverkoop. De onderzoeksmogelijkheden van de overheid zijn daarom onmisbaar bij een goede uitvoering van de intracommunautaire handel in de autobranche.
1.16.
Door deze werkwijze heeft de Belastingdienst belanghebbende bewust geschaad in zijn (proces)belangen. Door het gebrek aan transparantie heeft de overheid belanghebbende bewust tegengewerkt, waardoor zij zich niet adequaat heeft kunnen verdedigen, maar ook het Hof blijkt op het verkeerde been te zijn gezet. De overheid heeft niet op een integere wijze gehandeld door het bestaan van [0001] onderzoek en daaruit al in een vroegtijdig stadium verkregen resultaten te verzwijgen voor belanghebbende, de rechtbank en het Hof. Daarmee is het recht op een eerlijk proces geschonden.2.
1.17.
Omdat de inspecteur deze kwestie voor zowel de rechtbank, het Hof als belanghebbende verborgen heeft gehouden, heeft het Hof hiermee bij zijn beslissing geen rekening kunnen houden. Daar komt nog bij dat de inspecteur als gevolg van deze werkwijze ook niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, waardoor het oordeel van het Hof slechts is gestoeld op een gedeelte van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Ontlastend bewijsmateriaal en materiaal waarop belanghebbende haar standpunten nader had kunnen onderbouwen lijken door de inspecteur stelselmatig uit het dossier te zijn gelaten.
1.18.
Voor de waarheidsvinding in deze zaak is het noodzakelijk dat de onderste steen boven komt. Om dat mogelijk te maken dient de uitspraak van het Hof te worden vernietigd en dient de zaak voor een integrale, nieuwe, beoordeling te worden verwezen met als opdracht dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken dient te overleggen, alsmede inzicht dient te geven in alle voor deze zaak relevante onderzoeken en daaruit voortvloeiende resultaten.
Middel 2. (btw-fraude)
Schending van het recht en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, met name van artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) in verbinding met post a.6 van Tabel II bij de Wet OB juncto artikel 12, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting in samenhang met artikel 214 van de richtlijn 2006/112/EG, PB 2006, L 347 (hierna; btw-richtlijn) doordat het Hof in rechtsoverweging 4.8 en 4.9 heeft geoordeeld dat belanghebbende btw-fraude heeft gepleegd omdat zij op de CMR de bestemming van de auto's heeft verhuld waardoor zij het btw-nultarief niet zou mogen toepassen, zulks echter ten onrechte zoals hierna uiteengezet, dan wel op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
2.0. Toelichting op middel 2
2.1.
In r.o. 4.8 en 4.9 oordeelt het Hof over de vraag of sprake is van btw-fraude en of belanghebbende die zou hebben gepleegd. Kern van de overwegingen van het Hof, onder verwijzing naar de zaak R., is dat belanghebbende valse CMR's zou hebben opgesteld omdat op deze CMR's de werkelijke plaats van bestemming van de auto's niet zou zijn vermeld als gevolg waarvan de bestemming van de auto's is verhuld.3.
Onderdeel a: Hof oordeelt ten onrechte dat CMR een voorwaarde is voor toepassing van het nultarief
2.2.
In de zaak R. speelde de vraag of R. (Duitse) btw had ontdoken. Feitelijk was sprake geweest van intracommunautaire leveringen die waren vrijgesteld op grond van de Richtlijn. De Duitse wet verbond echter nadere voorwaarden aan deze vrijstelling. Aan die nadere voorwaarden werd door R. niet voldaan omdat hij had gefactureerd aan fictieve afnemers. Het Hof van Justitie overwoog vervolgens dat de vrijstelling mocht worden geweigerd omdat niet aan de aanvullende, nationale voorwaarden werd voldaan.
2.3.
Uit het oordeel van het Hof in r.o. 4.8 en 4.9 volgt niet dat belanghebbende wordt verweten zaken te hebben gedaan met fictieve afnemers. Het Hof verwijt belanghebbende ‘slechts’ dat de bestemming van de auto's zou zijn verhuld.
2.4.
In Nederland is in het Uitvoeringsbesluit OB 1968 bepaald dat de toepassing van het nultarief moet blijken uit boeken en bescheiden. Belangrijk daarbij is dat door de belastingplichtige aannemelijk wordt gemaakt dat de goederen naar een andere lidstaat zijn vervoerd en zijn geleverd aan een ondernemer. Daarbij geldt de vrije bewijsleer. In lid 2 van artikel 12 Uitvoeringsbesluit is dit verduidelijkt, in die zin dat sinds 1 januari 2006 de toepassing van het nultarief bij intracommunautaire transacties is gekoppeld aan het hebben van het btw-identificatienummer van de afnemer (artikel 12, lid 2, Uitvoeringsbesluit OB 1968) en het voldoen aan de listingsverplichting.
2.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de auto's naar een andere lidstaat zijn vervoerd. Door het Hof is, impliciet, geoordeeld dat de afnemers van belanghebbende ook de daadwerkelijke afnemers zijn. Immers, het Hof oordeelt ten aanzien van de fraude niet dat de afnemende partij niet correct is geweest. Dat betekent dat belanghebbende heeft voldaan aan de materiële voorwaarden voor toepassing van het nultarief.
2.6.
Noch in de nationale, Nederlandse, voorwaarden noch in de Europese voorwaarden is de CMR betrokken als voorwaarde voor toepassing van het nultarief. Het vervoer naar een andere lidstaat kan namelijk ook uit andere gegevens dan de CMR volgen. Aangezien dit vervoer in de onderhavige zaak op andere bewijsmiddelen is gestoeld, had het Hof niet tot het oordeel kunnen komen dat de, al dan niet onjuiste CMR, de toepassing van het nultarief kan verhinderen.
2.7.
Het Hof heeft derhalve een onjuiste rechtsopvatting aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. Als het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan, is het oordeel zonder nadere motivering, onbegrijpelijk.
Onderdeel b: Het hof eist ten onrechte dat belanghebbende controleert dat auto's zijn aangekomen op de plaats van bestemming
2.8.
Uit r.o. 4.8 volgt dat het Hof in het oordeel meeneemt dat belanghebbende niet heeft gecontroleerd of de (verkochte) auto's daadwerkelijk in de op de CMR of afhaalverklaring genoemde landen zijn aangekomen.
2.9.
In meerdere gevallen is door het Hof van Justitie geoordeeld dat ‘de importeur met het oog op de vrijstelling van btw dient te bewijzen dat de betreffende goederen op het tijdstip van uitvoer bestemd waren voor verzending of vervoer naar een andere lidstaat en dat de goederen in het kader van een daaropvolgende intracommunautaire levering voorwerp van een dergelijke verzending of een dergelijk vervoer waren, zonder dat hij de verzending naar het specifieke adres van de koper hoeft aan te tonen’ (onderstreping ML).4. Op belanghebbende ruste derhalve niet de verplichting om de verzending naar het specifieke adres van de koper aan te tonen noch dat hij moet controleren of de auto's daar ook daadwerkelijk zijn aangekomen. Die lijn volgt ook uit het arrest PPUH Stehcamp van het Hof van Justitie. Immers in dat arrest oordeelde het Hof dat de economische activiteiten van een belastingplichtige ook op een andere plaats dan de maatschappelijke zetel kunnen worden uitgeoefend (r.o. 35).
2.10.
Daarnaast is van belang, zoals Uw Raad op 26 maart 2021 heeft geoordeeld, dat op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de ondernemer mag worden verlangd dat hij alert is op aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude.5. Deze rechtspraak houdt, aldus Uw Raad, niet in dat wanneer de ondernemer in het concrete geval geen aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude heeft, de inspecteur kan eisen dat de ondernemer nagaat of zijn afnemer wel diens verplichtingen ter zake van de btw-aangifte en -betaling nakomt of dat hij zich ervan vergewist dat hij niet deel gaat nemen aan een keten van transacties waarin btw-fraude wordt gepleegd. Dat is niet anders, aldus Uw Raad, als de ondernemer goederen verhandelt van een categorie die regelmatig onderwerp is van transactieketens waarin btw-fraude wordt gepleegd. Uit dit oordeel van Uw Raad kan ook worden afgeleid dat het dus niet noodzakelijk is dat een ondernemer moet controleren of de goederen worden afgeleverd in een andere lidstaat dan de lidstaat van vestiging van de afnemer. Daar komt nog bij dat door het Hof niet is vastgesteld dat in de zaak van belanghebbende sprake was aanwijzingen van onregelmatigheden of fraude.
2.11.
Het Hof legt hier derhalve een controletaak op belanghebbende die thuishoort bij de Belastingdienst. Zoals uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt, kan dat niet. Immers mag een Belastingdienst haar controletaken niet doorschuiven naar een belastingplichtige. Dat betekent dat het Hof ook op dit punt een onjuiste rechtsopvatting aan het oordeel ten grondslag heeft gelegd. Als het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan, is het oordeel zonder nadere motivering, onbegrijpelijk.
Onderdeel c: Het hof oordeelt op onbegrijpelijke gronden dat belanghebbende wist dat de bestemming Berlijn was.
2.12.
Mocht Uw Raad van oordeel zijn dat het Hof wel de juiste rechtsopvatting heeft gehanteerd, dan is het oordeel van het Hof op dit punt, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk.
2.13.
In r.o. 4.8 oordeelt het Hof dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan btw-fraude door bewust de bestemming van de auto's te verhullen. Het Hof licht dit oordeel toe met de overweging dat belanghebbendes verklaring over het ontbreken van wetenschap dat de auto's naar Berlijn werden vervoerd ongeloofwaardig is. Dat oordeel onderbouwt het Hof met een vijftal suboordelen.
2.14.
In meerdere gevallen is door het Hof van Justitie geoordeeld dat ‘de importeur met het oog op de vrijstelling van btw dient te bewijzen dat de betreffende goederen op het tijdstip van uitvoer bestemd waren voor verzending of vervoer naar een andere lidstaat en dat de goederen in het kader van een daaropvolgende intracommunautaire levering voorwerp van een dergelijke verzending of een dergelijk vervoer waren, zonder dat hij de verzending naar het specifieke adres van de koper hoeft aan te tonen’ (onderstreping ML).6. Die lijn volgt ook uit het arrest PPUH Stehcamp van het Hof van Justitie.7. Ook in dat arrest oordeelde het Hof dat de economische activiteiten van een belastingplichtige ook op een andere plaats dan de maatschappelijke zetel kunnen worden uitgeoefend (r.o. 35). Dat zorgt ervoor dat het adres op de CMR of de CMR zelf niet leidend zijn.
2.15.
In haar processtukken heeft belanghebbende bovendien meerdere keren toegelicht dat de inspecteur in complotten denkt en ervan uitgaat dat belanghebbende onderdeel van het complot (plegen van btw-fraude) is. Belanghebbende heeft betwist dat zij daar onderdeel van is. Belanghebbende heeft ook toegelicht dat haar alles aan was gelegen om te voorkomen dat ze onderdeel zou zijn of worden van een fraude in haar handelsketen. Om die reden was en is belanghebbende er scherp op dat de gegevens op de CMR correct zijn. Belanghebbende wist van haar afnemers dat de auto's naar bijvoorbeeld Hongarije of Kroatië gingen. Als hij dan zag dat op de CMR Berlijn was ingevuld, heeft hij dat doorgestreept. Waarom? Omdat hij dacht dat deze informatie niet juist was en vulde hij de afgesproken plaats van aflevering in. Daarmee heeft belanghebbende alleen maar voor ogen gehad om het juiste te doen. Het Hof is dan ook op onbegrijpelijke gronden ervan uitgegaan dat ‘all is evil in the mind of the evil’. Derhalve is het ook onbegrijpelijk om te oordelen dat dit handelen redengevend is geweest voor het oordeel dat belanghebbende btw-fraude heeft gepleegd.
2.16.
Daarnaast is het oordeel van het Hof dat belanghebbende zou weten van het vervoer naar Berlijn vanwege het telefoonverkeer van belanghebbende, onbegrijpelijk. Het Hof oordeelt dat vele gesprekken met Duitsland worden gevoerd, dat nauwelijks telefoonverkeer met andere landen plaatsvindt, terwijl, volgens de financiële administratie, in die periode geen auto's werden geleverd aan Duitse afnemers. Dat oordeel van het Hof is strijdig met de feiten die hij zelf heeft vastgesteld. In r.o. 2.12 stelt het Hof immers zelf vast dat in de periode 1 februari 2016 tot en met 30 juni 2016 één auto is verkocht aan een Duitse afnemer. Daarnaast is slechts over 5 maanden van 2016 telefoonverkeer, althans zijn telefoonnummers, beschikbaar. Over de andere tijdvakken is dit telefoonverkeer niet beschikbaar. Echter, uit het controlerapport volgt dat ook in 2014 door belanghebbende auto's zijn verkocht aan Duitse afnemers, zoals [O]. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat voor 2014 en 2015 door de inspecteur slechts een steekproef is gehouden en over deze tijdvakken dus niet alle afnemers in het controlerapport zijn verwerkt.
2.17.
Verder heeft belanghebbende uitvoerig toegelicht waarom haar (niet Duitse) afnemers en de vertegenwoordigers/werknemers/bemiddelaars van die bedrijven gebruik hebben gemaakt van een Duits telefoonnummer. Ik verwijs Uw Raad naar paragraaf 2.67 van de nadere motivering van het hoger beroepschrift van 5 november 2020.
2.18.
Op het punt van het transport naar Berlijn haalt het Hof alleen de verklaring van transporteur UAB [AA] aan. Ook dit neemt het Hof vervolgens als redengevend aan voor het oordeel dat belanghebbende btw-fraude heeft gepleegd. Dit is echter onbegrijpelijk omdat uit de verklaringen van andere, grotere, transporteurs contra-indicaties volgen. UAB [BB], een van de grootste transporteurs, verklaart (r.o. 2.10.7) namelijk dat tijdens het transport de locatie kan wijzigen en dat zij hierover belanghebbende niet hebben geïnformeerd. In gelijke zin verklaart UAB [CC].
2.19.
Het Hof verwijst in dit kader ook naar app-verkeer dat heeft plaatsgevonden. Uit dat app-verkeer zou in de ogen van het Hof afgeleid moeten worden dat belanghebbende wist dat de auto's naar Berlijn gingen. Echter, uit het app-verkeer dat door het Hof in r.o. 2.12.1 tot en met 2.12.3 aanhaalt, volgt nergens dat auto's naar Berlijn gaan maar wordt enkel gesproken over personen die uit Berlijn komen. Dat een persoon uit Berlijn komt, zegt niets over de bestemming van een auto of de plaats van vestiging van een afnemer. Ook op dit punt is het oordeel van het Hof, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk.
2.20.
Tot slot oordeelt het Hof dat belanghebbende geen enkele vorm van communicatie met haar afnemers heeft kunnen overleggen. Ook dat oordeel van het Hof is, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk. Immers op 14 februari 2022 heeft belanghebbende, naar aanleiding van het verzoek van het Hof, haar volledige klantdossiers overgelegd. Bij die informatie zijn onder andere e-mails en foto's met eigenaren gevoegd tussen de afnemers en belanghebbende. Dat dit de afnemers van belanghebbende zijn, wordt door het Hof in r.o. 4.8. ook bevestigd. Immers oordeelt het Hof niet dat belanghebbende haar afnemers heeft verhuld, maar enkel dat de eindbestemming van de auto's zou zijn verhuld.
2.21.
Tenslotte heeft het Hof bij dit alles miskend dat in het normale handelsverkeer belanghebbende als verkopende exporteur door haar afnemers niet in kennis wordt gesteld van de feitelijke doorverkoop, de identiteit van diens afnemer, de (door)verkoopprijs en de eindbestemming. Dat gegeven wijst niet zonder meer op fraude en verhullen, maar is in het normale, internationale handelsverkeer uit concurrentieoverwegingen begrijpelijk en op zich legaal. De autoriteiten in de EU kunnen daarentegen de keten met alle transacties wel volgen, zoals ook in deze zaak is gebleken.
2.22.
Mocht Uw Raad van oordeel zijn dat het Hof wel de juiste toetsingsmaatstaf heeft toegepast, dan volgt uit het vorenstaande dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende wist van het vervoer naar Berlijn, zonder nadere toelichting, onbegrijpelijk is.
Middel 3. (bedachtzame marktdeelnemer)
Schending van het recht en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, met name van artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet OB in verbinding met post a.6 van Tabel II bij de Wet OB en artikel 8:77 Awb, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.14. en 4.15. heeft geoordeeld dat belanghebbende had moeten weten van de btw-fraude in haar handelsketen omdat zij zich niet als een bedachtzame marktdeelnemer heeft gedragen, zulks echter zoals hierna uiteen wordt gezet ten onrechte, dan wel op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
3.0. Toelichting op middel 3
3.1.
In r.o. 4.10 oordeelt het Hof dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan btw-fraude door bewust de bestemming van de auto's te verhullen. Dat sluit, in de ogen van het Hof, uit dat belanghebbende kan worden aangemerkt als een bedachtzame marktdeelnemer. In feite ten overvloede oordeelt het Hof dat als belanghebbende zich niet schuldig heeft gemaakt aan btw-fraude, hij ook geen aanspraak zou kunnen maken op de titel bedachtzame marktdeelnemer.
In het vorenstaande heb ik reeds toegelicht dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan btw-fraude niet in stand kan blijven nu dat oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Daarnaast ben ik van mening dat het Hof eveneens ten onrechte, dan wel op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld om als bedachtzame marktdeelnemer te kwalificeren (r.o. 4.14 en 4.15).
Onderdeel a: Hof eist ten onrechte meer controlehandelinaen en bewijs van belanghebbende dan het Hof van justitie verlangt
3.2.
Uit het arrest van Uw Raad van 19 januari 2018 volgt dat voor de vraag of sprake is van wist of had moeten weten van btw-fraude in de keten een stappenplan moet worden afgelopen.8. Op basis van dat stappenplan moet in kaart worden gebracht (i) hoe de handelsketen in elkaar zit, (ii) welke plaats belanghebbende in die keten inneemt en (iii) of belanghebbende wist of had moeten weten van de fraude in de handelsketen. Door het Hof wordt dit stappenplan ten onrechte niet als uitgangspunt genomen bij de beoordeling of sprake is van een bedachtzame marktdeelnemer.
3.3.
Daarnaast gebruikt het Hof in r.o. 4.14 en 4.15 met de conclusie dat belanghebbende geen bedachtzame marktdeelnemer is, de woorden ‘entiteiten’, ‘afnemer’, ‘klanten’ en ‘koper’ door elkaar. Daarbij definieert het Hof niet wie of wat onder deze begrippen moet worden vervat en waarom. Slechts bij ‘entiteiten’ verwijst het Hof naar de afnemers van belanghebbende. Wie het Hof bedoelt met ‘klanten’, ‘koper’ of ‘afnemer’ en waarom wordt niet duidelijk. Zonder toelichting, die ontbreekt, is het oordeel van het Hof op dit punt onbegrijpelijk. Want van welke partij moet belanghebbende gegevens vastleggen in haar administratie en waarom? Duidelijk is dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat de controle moet plaatsvinden op het niveau van de afnemer. Als het Hof heeft bedoeld te oordelen dat deze controle ook moet plaatsvinden op de klanten of kopers van de afnemer van belanghebbende of de chauffeur die namens de afnemer de auto komt ophalen (en eventueel betaalt), dan eist het Hof op dat punt van belanghebbende meer controlehandelingen en bewijs dan redelijk is en volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie.
3.4
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie over btw-fraude volgt bovendien dat aan de hand van objectieve elementen moet worden vastgesteld dat sprake is van btw-fraude. Daarbij moet de Belastingdienst ook aan de hand van objectieve elementen bewijzen dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat sprake is van btw-fraude in zijn handelsketen.9. De Belastingdienst moet, aldus de Europese jurisprudentie, ook in elk individueel geval bewijs leveren dat de belastingplichtige wist of had moeten weten van de fraude.10.
3.5.
Ten aanzien van ‘wist of had moeten weten’ volgt uit het arrest Kittel en Recolta dat een ondernemer alles moet doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om ervoor te zorgen dat zijn transactie geen onderdeel vormt van een fraudeketen. De ondernemer dient zich dus in te spannen in het kader van een zorgplicht. Pas als naar aanleiding van een verrichte inspanning ‘zorgwekkende’ feiten en omstandigheden naar voren komen kan aanleiding bestaan voor een verhoogde zorgplicht. Deze zorgplicht is ook naar voren gekomen in het recente arrest van het Hof van Justitie van 1 december 2022.11.
3.6.
Wat de oplettendheid van de zorgvuldige marktdeelnemer precies inhoudt, is niet bekend. Uit de jurisprudentie en literatuur kan worden afgeleid dat een bedachtzame marktdeelnemer ervoor zorgt dat hij voldoende ‘checks and balances’ uitvoert om te voorkomen dat hij in een handelsketen met btw-fraude terechtkomt. De belastingplichtige moet derhalve gedegen onderzoek doen naar de (nieuwe) handelsrelatie. Verder hangt de mate van onderzoek af van de vraag of een belastingplichtige beschikt over aanwijzingen op basis waarvan onregelmatigheden of fraude kan worden vermoed. Indien dat het geval is, kan de belastingplichtige verplicht zijn inlichtingen in te winnen over een andere marktdeelnemer teneinde zich te vergewissen van diens betrouwbaarheid. Die ‘checks and balances’ gaan, aldus de jurisprudentie van het Hof van Justitie, niet zo ver dat van de belastingplichtige kan worden geëist dat hij complexe en grondige controles van leveranciers en/of afnemers uitvoert om zo de controletaken van de Belastingdienst bij de belastingplichtige te leggen.12. In de zaak Vikingo overwoog het Hof van Justitie ook dat niet van de belastingplichtige mag worden vereist dat hij bewijs moet leveren van alle handelingen die door deelnemers in de keten zijn verricht en van de economische activiteit van die deelnemers. Evenmin mag de belastingplichtige, aldus het Hof van Justitie, worden aangerekend dat het bewijs niet verifieerbaar is.13. Uit de arresten van het Hof van Justitie in de zaken SC C.F. Sari en Mahagében en David volgt ten slotte dat niet op algemene wijze kan worden vereist dat de belastingplichtige nagaat of zijn contractspartij zijn verplichtingen ter zake van btw-aangiften en btw-betalingen is nagekomen.14. De belastingplichtige hoeft dienaangaande ook niet te beschikken over documenten, aldus het Hof van Justitie. Bovendien mag belanghebbende op grond van de AVG een aantal van de door het Hof geëiste documentatie niet in haar administratie bewaren, zoals een kopie van een identiteitsbewijs.
3.7.
Uit r.o. 4.14 en 4.15 volgt dat het Hof, ter invulling van de oplettendheid van de zorgvuldige marktdeelnemer, eist dat belanghebbende objectieve gegevens moet overleggen van/over diverse kwesties. Daarmee eist het Hof meer controlehandelingen en bewijs van belanghebbende dan het Hof van Justitie van een belastingplichtige verlangt.
3.8.
In dit kader oordeelt het Hof ook dat belanghebbende de identiteit van degene die de gekochte auto's kwam ophalen en betalen, had moeten vastleggen. Ook hier legt het Hof ten onrechte een zwaardere controleplicht op belanghebbende dan uit de wet voortvloeit. Uit de toelichtingen bij de formulieren voor de Wwft volgde in die tijd namelijk dat de persoon die de feitelijke betalingen verricht of de persoon die dat namens een bedrijf doet, niet kwalificeert als de persoon als bedoeld in artikel 16, lid 2, Wwft. Dat betekent dat op grond van de wet niet op belanghebbende de verplichting ruste om de identiteit van de betaler vast te leggen.
3.9.
Gelet op al het vorenstaande heeft het Hof een onjuiste rechtsopvatting aan het oordeel ten grondslag gelegd.
Onderdeel b: Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende niet aan haar zorgplicht heeft voldaan
3.10.
De controlehandelingen die door het Hof van Justitie worden geëist, zijn in de brief van de Belastingdienst van 23 oktober 2014 aan belanghebbende, vastgelegd. In deze brief met als onderwerp ‘voorlichtingsbijeenkomst intracommunautaire btw-fraude’ heeft de Belastingdienst opgemerkt dat als de handelsketen van belanghebbende aan een aantal voorwaarden voldoet, belanghebbende over een uitgebreide(re) know your customer procedure moet beschikken. Wat die KYC-controle dan moet behelzen, wordt door de Belastingdienst ook toegelicht (citaat):
‘Naast de controle van het btw-nummer op de EU site om te beoordelen of de afnemer of leverancier over een geldig btw-identificatienummer beschikt, kan zo'n KYC kan onder andere bestaan uit het opvragen van een uittreksel KvK waarin u kunt zien met wat voor bedrijf u te maken heeft, of het bedrijf al langer in de betreffende branche werkzaam is, hoe lang het bedrijf al bestaat, of er recent een directeurs- of aandelenwisseling heeft plaatsgevonden, of het bedrijf werknemers in dienst heeft, de adresgegevens van het bedrijf etc. Vervolgens kunt u nagaan of en hoe u met het bedrijf in aanraking kunt komen, of het een normaal bedrijfsadres betreft voor een autohandelaar (google streetview), of de persoon met wie u contact heeft bevoegd is om het bedrijf te vertegenwoordigen. Daarnaast behoren ook credit checks tot de mogelijkheden. Bovenstaande is niet volledig, u zult als deskundige in de branche als geen ander weten en aanvoelen of u te maken heeft met een betrouwbare handelspartner en of een aangeboden deal te mooi is om waar te zijn.’
3.11.
Vervolgens gaat in deze brief de Belastingdienst nog in op het melden van specifieke gegevens van nieuwe handelspartners (citaat):
‘Eerder in deze brief hebben wij u gevraagd de specifieke gegevens van uw nieuwe handelspartners in te sturen. Dit kan naar het hierna genoemde adres; analyse.risicosiqnalen.bd@belastinqdienst.nl
Ook dit is naast alle hiervoor genoemde maatregelen een manier om uw zorgvuldigheid te tonen en te laten zien dat u alles doet om te voorkomen dat u in een fraudeketen betrokken raakt.’
3.12.
Uit deze gang van zaken kan c.q. moet worden afgeleid dat de ‘verhoogde’ zorgplicht die op belanghebbende rust, bestaat uit:
- —
Het controleren van het btw-nummer op de VIES site;
- —
Het opvragen van het uittreksel van de Kamer van Koophandel om te controleren wat voor bedrijf het is, of de werkzaamheden passen in de branche, hoe lang het bedrijf bestaat en wie de eigenaar van het bedrijf is en of daar recent een wijziging in is opgetreden;
- —
Het controleren hoe met het bedrijf in contact kan worden getreden;
- —
Het controleren of het adres deugdelijk is voor de activiteiten en zo niet daar navraag naar doen;
- —
Het controleren van de identiteit van de contactpersoon van het bedrijf;
- —
Het controleren van de ‘onderbuik’.
3.13.
In r.o. 2.7 heeft het Hof het exportproces van belanghebbende opgenomen. Daarbij heeft het Hof geciteerd uit het controlerapport van de Belastingdienst. Belanghebbende heeft echter in haar verschillende processtukken veel aanvullingen op de vastlegging in het controlerapport aangebracht, omdat de inspecteur in de vastlegging te kort door de bocht is.15. Aan die aanvullingen is het Hof volledig voorbij gegaan. Maar zelfs als het controlerapport van de Belastingdienst wordt gevolgd, blijkt volgens rechtsoverweging 2.7 dat belanghebbende de door de Belastingdienst geadviseerde controles heeft uitgevoerd en de documentatie daarvan in haar administratie heeft vastgelegd. Deze klantdossiers zijn ook op 14 februari 2022 integraal aan het Hof verstrekt en daarbij is een uitgebreide toelichting gegeven aan het Hof. Deze informatie heeft, onder andere, betrekking op de afnemers en haar eigenaar/aandeelhouder/bestuurder. Bij deze informatie zijn van een groot aantal afnemers bescheiden gevoegd, zoals e-mailverkeer. Daaruit blijkt dat de eigenaar van de afnemer de aankoop van de auto's bevestigt, dat er foto's zijn van de eigenaar van de afnemer, alsmede van de bemiddelaar van deze afnemer, met de volmachten, etc. Derhalve zijn door belanghebbende wel degelijk de objectieve gegevens overgelegd van haar ‘werkelijke‘ afnemers waar het Hof naar ‘op zoek’ was, en kwalificeert het hof in overweging 4.15 de ophalers van de auto's ten onrechte als ‘de klanten’ van belanghebbende. Uit deze gegevens volgt dat belanghebbende alle controles die door de Belastingdienst zijn opgesomd in de brief van 23 oktober 2014 heeft nageleefd. Daarnaast heeft belanghebbende ook gebruik gemaakt van het e-mailadres, als meldpunt, van de Belastingdienst om alle gegevens van de nieuwe afnemers te melden. Daarvan heeft belanghebbende richting het Hof ook melding gemaakt in het processtuk van 12 april 2022.
3.14.
Daarnaast gebruikt het Hof in r.o. 4.14 en 4.15 met de conclusie dat belanghebbende geen bedachtzame marktdeelnemer is, de woorden ‘entiteiten’, ‘afnemer’, ‘klanten’ en ‘koper’ door elkaar. Daarbij definieert het Hof niet wie of wat onder deze begrippen moet worden vervat en waarom. Slechts bij ‘entiteiten’ verwijst het Hof naar de afnemers van belanghebbende. Wie het Hof bedoelt met ‘klanten’, ‘koper’ of ‘afnemer’ en waarom wordt niet duidelijk. Zonder toelichting, die ontbreekt, is het oordeel van het Hof op dit punt onbegrijpelijk. Want van welke partij moet belanghebbende gegevens vastleggen in haar administratie en waarom? Duidelijk is dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat de controle moet plaatsvinden op het niveau van de afnemer.
3.15.
Daar komt nog bij dat een wettelijke verplichting ontbreekt om de identiteit vast t leggen van degene die de gekochte auto's kwam ophalen en betalen. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende een dergelijke verplichting had, is onbegrijpelijk. Uit de toelichtingen bij de formulieren voor de Wwft volgde in die tijd namelijk dat de persoon die de feitelijke betalingen verricht of de persoon die dat namens een bedrijf doet, niet kwalificeert als de persoon als bedoeld in artikel 16, lid 2, Wwft.
3.16.
Tot slot overweegt het Hof in dit kader dat btw-nummers slechts voor beperkte duur geldig zouden zijn geweest, hetgeen kenmerkend kan zijn voor katvangers en ploffers in een leveringsketen. Ook dit oordeel van het Hof sluit niet aan bij de feiten. In r.o. 2.6.1 heeft het Hof een opsomming gegeven van de geldigheidsduur van het btw-identificatienummer van de verschillende afnemers. Daaruit volgt bijvoorbeeld dat het btw-nummer van [DD] 2,5 jaar geldig is geweest, van [EE] is het btw-nummer 3,5 jaar geldig geweest en van [FF] zelfs 18 jaar (!). Daarnaast is er ook een aantal afnemers geweest met een kortere levensduur, maar alle bedrijven hebben minimaal één jaar bestaan. Daarbij moet nog worden opgemerkt dat in een aantal gevallen, als belanghebbende de relatie met niet meer vertrouwde afnemers had beëindigd, het btw-nummer van die afnemer soms nog jaren geldig bleek te zijn. In ieder geval is het stoppen van de geldigheid van het btw-nummer van afnemers van belanghebbende altijd een omstandigheid geweest die intrad nadat de transacties zijn gedaan en nadat de btw-aangiften zijn ingediend. Als gevolg daarvan kan deze informatie niet als wetenschap worden geprojecteerd ten tijde van de intracommunautaire transacties.
3.17.
Gelet op het vorenstaande is het Hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden tot het oordeel gekomen dat belanghebbende zich niet als bedachtzame marktdeelnemer heeft gedragen.
Middel 4. (betaling omzetbelasting)
Schending van het recht en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, met name van artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) in verbinding met post a.6 van Tabel II bij de Wet OB juncto artikel 12, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting in samenhang met artikel 214 van de richtlijn 2006/112/EG, PB 2006, L 347 (hierna; btw-richtlijn), doordat het Hof in rechtsoverweging 4.16 heeft geoordeeld dat de transacties van belanghebbende mogelijkerwijs zijn ontsnapt aan de betaling van omzetbelasting ondanks de wederzijdse bijstand en de administratieve samenwerking tussen de belastingautoriteiten van de betrokken lidstaten. Met dit oordeel miskent het Hof, mogelijk omdat de inspecteur dit bewust verborgen heeft gehouden, dat de Nederlandse Belastingdienst sinds (eind) 2014/begin 2015 bezig was met een multilateraal onderzoek met verschillende lidstaten (waaronder Duitsland), dat al deze landen op de hoogte waren van belangrijke feiten (fraude) in Duitsland, maar dat zij deze gang van zaken bewust heeft gefaciliteerd en daardoor ervoor heeft gezorgd dat de transacties doorgang vonden en aan de betaling van omzetbelasting konden ontsnappen. De uitspraak van het Hof is derhalve onjuist op dit punt, althans is het beroep afgewezen op gronden die dit oordeel niet kunnen rechtvaardigen.
4.0. Toelichting op middel 4
4.1.
Bij middel 1 (recht op een eerlijk proces) heeft belanghebbende uitvoerig toegelicht dat na afloop van de uitspraak van het Hof naar voren is gekomen dat door de Nederlandse Belastingdienst al sinds (eind) 2014/begin 2015 werd geparticipeerd in een multilateraal onderzoek. Uit de thans over dit onderzoek bekend geworden gegevens volgt dat de Nederlandse Belastingdienst en de belastingautoriteiten van verschillende lidstaten al op de hoogte waren van de fraude die onder andere door afnemers van belanghebbende werd gepleegd en het vervoer van auto's naar Berlijn. Daarbij zijn zelfs de specifieke adressen waar ook auto's van belanghebbende kennelijk naar toe gingen expliciet benoemd in een powerpoint presentatie.
4.2.
Dat belanghebbende mede object was van dat onderzoek volgt uit de gegevens die hiervan nu voorhanden zijn. Op 25 juni 2014 heeft belanghebbende een informatiebijeenkomst bijgewoond van [A]. Deze bijeenkomst werd georganiseerd bij auto(groot)handel [B]. Door [C] van de Belastingdienst is tijdens deze bijeenkomst een presentatie gehouden. Bij deze bijeenkomst is een toelichting gegeven op btw-fraude en is aan de aanwezigen gevraagd om nieuwe afnemers te melden bij een speciaal daartoe opgerichte postbus (een e-mailadres). Vervolgens heeft belanghebbende op 23 oktober 2014 een algemene brief over btw-fraude ontvangen. Daarin wordt ook melding gemaakt van dit e-mailadres.
4.3.
Op 25 november 2014 heeft een startbijeenkomst van de Nederlandse delegatie aan het multilateraal onderzoek [0001] in Utrecht plaatsgevonden. Vervolgens heeft op 12 tot en met 14 januari 2015 de startbijeenkomst van [0001] in Berlijn plaatsgevonden. Kennelijk is tijdens deze startbijeenkomst afgesproken dat bij verschillende autohandelaren derdenonderzoeken zouden worden uitgevoerd om informatie over de materie te vergaren. Vervolgens hebben bij belanghebbende in de maanden maart en april 2015 diverse derdenonderzoeken plaatsgevonden. Daarmee is aannemelijk dat belanghebbende onderdeel was van [0001] onderzoek.
4.4.
In een van de verslagen van die derdenonderzoeken is opgemerkt:
‘Hoewel je onderzoek goed voorzien is van documentatie, komt het cruciale punt er niet uit. Het enige wat [X] kan laten zien is een verklaring (die wordt afgegeven als de auto's worden opgehaald en dus Nederland nog NIET hebben verlaten), dat de auto's zullen worden vervoerd naar het aangegeven adres. Strikt juridisch is er géén bewijs van de ICL. De daadwerkelijke afnemer van de auto's blijft in rook gehuld en tekent nergens voor ontvangst van de goederen. Volgens de vragen van de buitenlandse fiscus komt het er kennelijk niets of weinig aan bij de afnemer (want die heeft geen activiteiten volgens de fiscus). Ik heb het gevoel dat hier toch wel iets gaan de is. [X] is al meer de revue gepasseerd. Ik denk dat het tijd wordt om hierin een keer door te pakken. Aandachtspunten:
- —
Aantonen nultarief? (contante betalingen, afhaaltransacties!)
- —
Italmoda? Auto's lijken niet aan te komen op de plaats van bestemming (remote Trader?);
- —
Brief uitreiken dat hij mogelijk betrokken is bij een BTW-carrousselfraude. Wellicht is het verstandig om [X] nu al de wacht aan te zeggen, en ondanks alle mogelijke uitvluchten waar hij mee komt, vasthouden aan het bovenstaande bij een volgend bezoek. ’’
4.5.
Die waarschuwingsbrief noch het de ‘wacht aanzeggen’ heeft bij belanghebbende plaatsgevonden. Desalniettemin volgt uit deze passages dat de Belastingdienst al het standpunt innam dat ‘de daadwerkelijke afnemer van de auto's in rook gehuld blijft’.
4.6.
Vervolgens heeft op 14 en 15 juli 2015 de tweede bijeenkomst van het [0001] onderzoek in Berlijn plaatsgevonden. Tijdens die bijeenkomst is afgesproken dat bij autohandelaren boekenonderzoeken worden gehouden. Belanghebbende is op 14 juli 2015 telefonisch benaderd door de controleambtenaren en hij heeft op 16 juli 2015 de schriftelijke bevestiging ontvangen van het boekenonderzoek. Ook deze gang van zaken markeert dat belanghebbende onderwerp was van [0001] onderzoek.
4.7.
Dat de transacties van belanghebbende mogelijkerwijs aan de heffing van omzetbelasting zijn ontsnapt, is gelet op deze gang van zaken niet mogelijk. Immers de Nederlandse Belastingdienst en die van onder andere Duitsland waren exact op de hoogte van de gang van zaken. Dat betekent ook dat de autoriteiten alle transacties in het vizier hadden en van ontsnappen aan de aandacht geen sprake kan zijn.
4.8.
Daarbij had de Nederlandse Belastingdienst alle middelen in de hand om deze gang van zaken te stoppen. Echter, in plaats van de afnemers van belanghebbende aan banden te leggen en de fraude te stoppen (of belanghebbende te waarschuwen) hebben Nederland en de andere lidstaten er kennelijk voor gekozen om deze gang van zaken (oogluikend) toe te staan. Als er al sprake is van het ontsnappen aan de betaling van omzetbelasting (zoals het Hof in r.o. 4.16 oordeelt) dan is dat een verwijt dat jegens de Nederlandse en (onder andere) de Duitse autoriteiten moet worden geuit richting de fraudeplegers en niet richting belanghebbende.
4.9.
Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat belanghebbende een beperkt aantal mogelijkheden heeft om haar afnemers aan een controle te onderwerpen. Die beperkte mogelijkheden heeft zij benut en in haar administratie vastgelegd. Daarnaast heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nieuwe afnemers te laten verifiëren bij de Belastingdienst door deze toe te sturen aan het meldpunt. Belanghebbende heeft er daarom alles aan gedaan om te voldoen aan de op haar rustende verplichtingen, maar is daarbij bewust tegengewerkt door de Nederlandse en buitenlandse autoriteiten. Op basis van de De Haan-jurisprudentie van Uw Raad had het Hof niet tot het oordeel kunnen komen dat de rekening hiervan bij belanghebbende kan worden neergelegd. Nu het Hof desondanks heeft geoordeeld dat het mogelijk ontsnappen van betaling van omzetbelasting is te wijten aan belanghebbende, is dit oordeel onjuist en of onvoldoende gemotiveerd.
Middel 5. (Beoordeling per transactie)
Schending van het recht en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, met name van artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) in verbinding met post a.6 van Tabel II bij de Wet OB juncto artikel 12, lid 2, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting in samenhang met artikel 214 van de richtlijn 2006/112/EG, PB 2006, L 347 (hierna; btw-richtlijn), doordat het Hof in rechtsoverweging 4.17 heeft geoordeeld dat per transactie is aangetoond dat sprake is van fraude. Daarbij miskent het Hof dat niet in algemene bewoordingen mag worden overwogen dat de toepassing van het nultarief kan worden geweigerd. De uitspraak van het Hof is derhalve onjuist op dit punt, althans is het beroep afgewezen op gronden die dit oordeel niet kunnen rechtvaardigen.
5.0. Toelichting op middel 5
5.1.
Artikel 167 Btw-richtlijn bepaalt dat het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. In artikel 2 Wet OB is de bepaling voor de aftrek van voorbelasting voor de Nederlandse situatie bepaald. Dit wordt uitgewerkt in artikel 15 Wet OB waarin is bepaald dat de aftrek ontstaat in het tijdvak waarop de belasting verschuldigd is geworden. Bij toepassing van dit kader op de onderhavige situatie (toepassing van het nultarief) gaat het om het tijdvak waarin de transactie heeft plaatsgevonden en waarin dus een beroep op deze regeling wordt gedaan. Dat betekent dat voorafgaand aan iedere aangifte omzetbelasting (en belanghebbende deed maandelijks aangifte) moet worden beoordeeld of daarin transacties zijn opgenomen waarbij ten onrechte een beroep op de toepassing van het nultarief is gedaan.
5.2.
Uit het arrest Optigen van het Hof van Justitie volgt dat elke transactie op zichzelf moet worden beschouwd en dat de aard van een bepaalde handeling uit de keten van leveringen niet wordt gewijzigd door een vroegere of latere gebeurtenis.16. Daarbij wijst het Hof van Justitie ook expliciet op de conclusie van de Advocaat-generaal:
‘bij carrouselfraude [is sprake van, toevoeging ML] een reeks opeenvolgende handelingen van een aantal ondernemers in een leveringsketen. Een wezenlijk kenmerk van het gemeenschappelijke BTW-stelsel is, dat op elke handeling in de leveringsketen BTW verschuldigd is. Iedere handeling moet dus op zichzelf worden beschouwd en vroegere of latere gebeurtenissen laten de aard van een bepaalde handeling in de leveringsketen onverlet.17.
5.3.
Het Hof is derhalve ten onrechte van oordeel (r.o. 4.17) dat, onder verwijzing naar r.o. 4.6, voor alle leveringen van auto's die door belanghebbende aan haar afnemers zijn gefactureerd vaststaat dat deze auto's, in tegenspraak met de boeken en bescheiden, zijn vervoerd naar Duitsland en dat er door deze entiteiten geen (op de levering) volgende verwervingen zijn aangegeven in hun vestigingsland, en dient op basis daarvan te worden aangenomen dat de verwervingen die volgen op de leveringen door belanghebbende mogelijkerwijs aan betaling van btw zijn ontsnapt. Dit oordeel van het Hof is om meerdere redenen onjuist dan wel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
5.4.
In de eerste plaats verwijst het Hof naar r.o. 4.6. In die overweging somt het Hof slechts de uitleg op die het Hof van Justitie heeft gegeven over de oplettendheid van een belastingplichtige. Deze overweging zegt derhalve niets over de afnemers van belanghebbende en het bewijs dat moet worden geleverd voor de toepassing van het nultarief.
5.5.
In de tweede plaats verwijst het Hof alleen naar algemene, niet gespecificeerde overwegingen, terwijl uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat per transactie moet worden beoordeeld of sprake is van btw-fraude en of de belastingplichtige daarvan wist of had moeten weten. Bij dit oordeel is ook relevant, hetgeen bij middel 2, paragraaf 2.1 tot en met 2.22 naar voren is gebracht. Zoals uit die paragrafen naar voren komt, heeft het Hof slechts in algemene zin een vijftal argumenten opgeworpen om te onderbouwen dat sprake is van wetenschap van vervoer naar Duitsland.
5.6.
Bij het fileren van deze 5 argumenten, zoals in de genoemde paragrafen gedaan, blijkt dat de door het Hof aangehaalde transporteurs slechts over een paar transporten van een paar afnemers iets hebben verklaard. Voor het merendeel van de transporten en het merendeel van de afnemers is een dergelijke verklaring niet voorhanden. Daarnaast volgen uit het app- en telefoonverkeer weliswaar contacten met Duitse nummers, maar dat beslaat slechts 2 tot 3 pagina's in vergelijking met het totaal aantal berichten (66.000 pagina's). Daarbij moet nog worden opgemerkt dat door het Hof slechts een aantal personen zijn aangehaald in het app- en telefoonverkeer en die vertegenwoordigen zeker niet alle afnemers en/of bemiddelaars/vertegenwoordigers.
5.7.
Dat maakt dat de benadering van het Hof te marginaal is, dat deze informatie niet één op één op alle transacties kan worden geplakt en dat het Hof in ieder geval per afnemer tot een beoordeling had moeten komen. Nu het Hof dit niet heeft gedaan, is het oordeel van het Hof onjuist, althans gebaseerd op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
Middel 6. (Strafsanctie)
Schending van het recht en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, meer in het bijzonder van artikel 7 EVRM en artikel 5:4 Awb, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.18 ten onrechte heeft geoordeeld dat het weigeren van de toepassing van het nultarief geen straf is in de zin van artikel 7 EVRM. De uitspraak van het Hof is derhalve onjuist op dit punt, althans is het beroep op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, afgewezen.
6.0. Toelichting op middel 6
6.1.
Het Hof oordeelt in r.o. 4.18 dat de weigering van de toepassing van het nultarief in geval van betrokkenheid bij fraude geen straf in de zin van artikel 7 EVRM vormt. Daartoe oordeelt het Hof dat, in zijn ogen, op basis van objectieve gegevens is komen vast te staan dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan fraude en dat op basis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie in dat geval het nultarief moet worden geweigerd. Dit geldt, aldus het Hof, ook als de nationale wet niet in een dergelijke weigering voorziet, omdat er een (Unierechtelijke) grondslag voor de weigering is.
6.2.
In het vorenstaande is reeds toegelicht waarom ik het oordeel van het Hof omtrent de fraude door belanghebbende niet in stand kan blijven. Daarnaast bepaalt artikel 7 EVRM dat geen straf kan worden gegeven zonder dat daaraan een wettelijke basis ten grondslag ligt. Eenzelfde bepaling is opgenomen in artikel 49 van het Handvest van de Europese Unie (hierna: het Handvest).
6.3.
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft in het standaardarrest van 8 juni 1976 drie criteria geformuleerd aan de hand waarvan het Hof beoordeeld of sprake is van een strafrechtelijke sanctie.18. Deze drie criteria zijn:
- 1.
de kwalificatie naar nationaal recht;
- 2.
de aard van de overtreding, en
- 3.
de aard en zwaarte van de sanctie.
6.4.
Uit het arrest van het EHRM van 23 november 2006 volgt dat deze drie criteria ook van toepassing zijn in fiscale zaken.19. Ten aanzien van het eerste criterium overwoog het EHRM op 21 februari 1984 dat aan het feit dat de overtreding naar Duits recht een administratiefrechtelijke overtreding vormde (en geen strafrechtelijke), geen bijzondere betekenis toekomt.20. Het tweede criterium komt, in samenhang met de aard van de straf, volgens het EHRM meer betekenis toe.
6.5.
Toepassing van deze criteria en uitgangspunten op de onderhavige zaak, leidt tot de conclusie dat de weigering om het nultarief toe te mogen passen een strafrechtelijke sanctie is in de zin van artikel 7 EVRM en artikel 49 van het Handvest. Steun voor deze opvatting kan worden gevonden in de conclusie van A-G Wattel van 26 november 2019.21. In deze conclusie betoogt de A-G dat het weigeren van btw-rechten een punitief karakter heeft en daarmee kwalificeert als een straf in de zin van artikel 7 EVRM.
6.6.
Daarnaast wordt deze opvatting ook ondersteund door de Europese jurisprudentie. In het arrest PPUH Stehcemp oordeelde het Hof van Justitie22.:
‘49. Wanneer is voldaan aan de in de Zesde richtlijn gestelde materiële en formele voorwaarden voor het ontstaan en de uitoefening van het recht op aftrek, is het daarentegen niet verenigbaar met de in deze richtlijn vastgestelde regeling van het recht op aftrek om door de weigering van dit recht een belastingplichtige te straffen die niet wist en niet had kunnen weten dat de betrokken handeling deel uitmaakte van fraude door de leverancier (onderstreping ML]
6.7.
Uit dit citaat volgt duidelijk dat het Hof van Justitie ook spreekt over het woord ‘straffen’ bij de weigering van de toepassing van het nultarief. Dit oordeel herhaalt het Hof van Justitie in de zaak Aquila Part Prod Com.23. Ik citeer:
- ‘29.
Het Hof heeft dienaangaande namelijk geoordeeld dat het niet verenigbaar is met de in richtlijn 2006/112 vastgestelde regeling van het recht op aftrek om door de weigering van dit recht een belastingplichtige te straffen die niet wist of niet kon weten dat de betrokken handeling onderdeel was van fraude door de leverancier of dat een andere handeling uit de toeleveringsketen die voorafging aan of volgde op de door deze belastingplichtige verrichte handeling, btw-fraude vormde, aangezien de invoering van een regeling van onvoorwaardelijke aansprakelijkheid immers verder gaat dan noodzakelijk is voor de bescherming van de rechten van de schatkist (arrest van 11 november 2021, Ferimet, C-281/20. EU:C:2021:910, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).’
6.8.
Aangezien het weigeren van het nultarief kwalificeert als een strafsanctie, heeft dit tot gevolg dat belanghebbende aanspraak kan maken op de verdedigingsrechten uit artikel 6 EVRM en het legaliteitsbeginsel uit artikel 7 EVRM. Het weigeren van de toepassing van het nultarief is in Nederland niet neergelegd in wet- of regelgeving. Noch is dit in Europa in wet- of regelgeving vastgelegd. De basis waar het Hof naar verwijst, namelijk de Europese jurisprudentie, voldoet niet aan de criteria om als wet- en regelgeving te kunnen kwalificeren, zodat ook de (Unierechtelijke) grondslag niet voldoet. Door toch de toepassing van het nultarief te weigeren gebeurt dat zonder grondslag in de (Nederlandse) wet- en regelgeving, hetgeen strijdig is met artikel 7 EVRM. Het Hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld, althans op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen, dat het weigeren van het nultarief niet kwalificeert als een strafsanctie in de zin van artikel 7 EVRM.
Middel 7. (vergrijpboeten)
Schending van het recht en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, met name artikel 67f AWR en/of artikel 8:77 Awb, doordat het Hof in rechtsoverweging 4.23 tot en met 4.26 heeft geoordeeld dat de door de inspecteur aangedragen feiten en omstandigheden overtuigend aantonen dat de onjuiste aangiften aan opzet van belanghebbende zijn te wijten. Het Hof heeft daarmee miskend dat de vervoersdocumenten geen voorwaarde zijn voor toepassing van het nultarief en dat de inspecteur het standpunt heeft ingenomen dat bij belanghebbende geen bewustheid aanwezig was om in Nederland te weinig omzetbelasting te betalen. De uitspraak van het Hof is derhalve onjuist op dit punt, althans is het beroep op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, afgewezen.
7.0. Toelichting op middel 7
7.1.
In r.o. 4.25 oordeelt het Hof dat de door de inspecteur aangedragen feiten en omstandigheden overtuigend aantonen dat de onjuiste aangiften te wijten zijn aan opzet van belanghebbende. Daartoe overweegt het Hof dat belanghebbende de vervoersdocumenten willens en wetens frauduleus heeft opgemaakt door daarop opzettelijk onjuiste bestemmingsgegevens te vermelden. Daardoor heeft belanghebbende, in de ogen van het Hof, actief meegewerkt aan een structuur waarin haar afnemers in de gelegenheid zijn gesteld geen btw te voldoen terzake van de intracommunautaire verwervingen.
Onderdeel a: Onjuist/onbegriipeliik oordeel dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld
7.2.
Het Hof heeft in r.o. 4.8 en 4.9 geoordeeld dat belanghebbende btw-fraude heeft gepleegd. Dat oordeel baseert het Hof op de overweging dat door belanghebbende valse vervoersdocumenten (CMR) zijn opgesteld. Bij middel 2 heeft belanghebbende toegelicht dat dit oordeel van het Hof onjuist is dan wel onbegrijpelijk. Als gevolg daarvan kunnen die documenten niet dienen als grondslag voor de onderhavige boeten.
7.3.
Het Hof heeft ook overwogen in r.o. 4.10 en verder dat belanghebbende niet als bedachtzame marktdeelnemer heeft gehandeld. Uitkomst van die overweging is dat belanghebbende, in de ogen van het Hof, had moeten weten van de btw-fraude in haar keten. Ter onderbouwing van dat oordeel gebruikt het Hof een aantal bewijsmiddelen, waaronder valse vervoersdocumenten. Het Hof oordeelt op dit punt dus expliciet niet dat belanghebbende wist van de fraude, maar daarvan had moeten weten.
Bij de onderbouwing van de onderhavige boeten neemt het Hof echter diezelfde valse vervoersdocumenten als grondslag voor de opzet van belanghebbende. Zonder nadere motivering op dit punt, is het onbegrijpelijk dat een bewijsmiddel dat samen met andere bewijsmiddelen niet leidt tot weten van fraude in de keten maar tot had moeten weten, voor de boeten wel opzet zou opleveren, terwijl gelet op het arrest van Uw Raad van 8 april 2022 hiervoor een zwaarder bewijscriterium (doen blijken) geldt.
7.4.
Het Hof heeft de inspecteur tijdens de zitting van 12 april 2022 over het oordeel van Uw Raad van 8 april 2022 ook bevraagd. Zoals uit het proces-verbaal van de zitting volgt, heeft de inspecteur hierover het volgende verklaard:
‘Desgevraagd verklaart de Inspecteur dat hij niet denkt dat belanghebbende er bewust voor heeft gekozen om in Nederland te weinig omzetbelasting te betalen. De opzet was niet zo zeer gericht op het ontgaan van omzetbelasting in Nederland, als wel op het ontgaan van omzetbelasting in een andere EU-lidstaat. Door bewust aan de fraude mee te werken heeft belanghebbende in Nederland echter geen recht op toepassing van het nultarief en is in Nederland per saldo te weinig omzetbelasting op aangifte voldaan. Hij ziet dat als het noodzakelijke gevolg van de fraude waaraan belanghebbende zijn medewerking heeft verleend. ’’
Later verklaart de inspecteur op dit punt ook nog dat het weigeren van het nultarief de consequentie is van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.
7.5.
Uit deze verklaring van de inspecteur volgt nadrukkelijk het standpunt dat belanghebbende niet met opzet heeft gehandeld, maar dat de onderhavige naheffingsaanslagen het gevolg zijn van de Europese jurisprudentie en dat daarbij ook een boete is opgelegd. De inspecteur verklaart expliciet dat hij ervan uitgaat dat belanghebbende er niet bewust voor heeft gekozen om in Nederland te weinig belasting te betalen. Hieruit had het Hof de conclusie moeten trekken dat de inspecteur niet heeft doen blijken dat belanghebbende met opzet heeft gehandeld. Nu het Hof dit niet heeft gedaan, heeft het hof de in het arrest van Uw Raad van 8 april 2022 geïntroduceerde zware bewijslast van ‘doen blijken’ miskend.
7.6.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is het oordeel van het Hof dat de inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende opzettelijk heeft gehandeld onjuist althans onbegrijpelijk.
onderdeel b: Oniuist/onbeqrijpelijk oordeel tijdstip wetenschap belanghebbende
7.7.
Daarnaast ben ik van mening dat het Hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het tijdstip waarop de wetenschap van belanghebbende op het punt van de btw-fraude zou zijn ontstaan. Bij middel 2 zijn 5 punten naar voren gekomen waarop het Hof heeft gebaseerd dat belanghebbende btw-fraude zou hebben gepleegd. Die 5 punten zijn door belanghebbende weerlegd, echter heeft het Hof daarmee in zijn beoordeling ten onrechte geen rekening gehouden. Verder moet ten aanzien van deze 5 punten worden opgemerkt dat niet in een tijdlijn is vervat wanneer belanghebbende deze mogelijke wetenschap zou hebben verkregen. Echter, voor het in stand laten van een vergrijpboete moet overtuigend worden aangetoond dat belanghebbende de wetenschap had van de btw-fraude ten tijde van het indienen van de afzonderlijke btw-aangiften. Daarover heeft het Hof niets vastgesteld, zodat ook om deze reden het oordeel van het Hof onjuist dan wel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is.
8.0. Conclusie
8.1.
Belanghebbende verzoekt Uw Raad op voormelde dan wel ambtshalve gronden de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te vernietigen.
8.2.
Tevens verzoekt belanghebbende Uw Raad te bepalen dat de griffierechten aan belanghebbende worden gerestitueerd en de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand en indien het geval zich voordoet dat de procedure dusdanig lang duurt dat daarmee spanning en frustratie wordt verondersteld de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot vergoeding van een immateriële schade. Daarnaast maakt belanghebbende aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente indien deze vergoedingen niet tijdig worden betaald.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑02‑2026
Pas nadat de termijn voor het indienen van deze motivering is verstreken, ontvang ik van de inspecteur een reactie op mijn verzoek om integrale inzage dat ik op 24 januari 2023 reeds heb ingediend.
EHRM 3 november 2022, nr. 49812/09 [Vegotex International S.A. vs. Belgium).
HvJ EU 7 december 2010, C-285/09 (R.).
HvJ EU 2 november 2022, C-676/22 (B2 Energy s.r.o.), r.o. 20.
HR 26 maart 2021, nr. 19/01458, ECLI:NL:HR:2021:456.
HvJ EU 2 november 2022, C-676/22 (B2 Energy s.r.o.), r.o. 20.
HvJ EU 22 oktober 2915, nr. C-277/14 (PPUH Stehcemp).
HR 19 januari 2018, nr. 16/06245, ECLI:NL:HR:2018:51.
HvJ EU 11 november 2021, C-281 /20 (Ferimet), r.o. 45 en onder andere HvJ EU 6 juli 2006, C-439/04 (Kittel en Recolta) en HvJ EU 21 juni 2012, C-80/11 en C-142/11 (Mahagében en David).
HvJ EU 3 september 2020, C-611/19 (Crewprint).
HvJ EU 1 december 2022, C-512/21 (Aquila Part Prod Com).
HR 26 maart 2021, nr. 19/01458, ECLI:NL:HR:2021:456.
HvJ EU 3 september 2020, C-610/09 (Vikingo).
HvJ EU 4 juni 2020, C-430/119 (SC C.F. Sarl/A.J.F.P.M., D.G.R.F.P.C.) en HvJ EU 21 juni 2012, C-80/11 en C-142/11 (Mahagében en David).
Nadere motivering beroepschrift 31 mei 2018, paragraaf 4.33 e.v. alsmede paragraaf 4.60 e.v., nader stuk van 27 februari 2020, paragraaf 2.25 e.v., nadere motivering van het hoger beroep van 5 november 2020, paragraaf 2.46 e.v. en het nadere stuk in hoger beroep van 20 december 2021.
HvJ 12 januari 2006, gevoegde zaken nr. C-354/03 (Optigen Ltd.), C-355/03 (Fulcrum Electronics Ltd.) en C-484/03 (Bond House Systems Ltd.).
Conclusie A-G Poiares Madure 16 februari 2005 (Optigen e.a.), paragraaf 27.
EHRM 8 juni 1976, nrs. 5100/71,5102/71,5354/72 en 5370/72, NJ 1978,223(Engel e.a. tegen Nederland).
EHRM 23 november 2006, nr. 73053/01 (Jussila tegen Finland).
EHRM 21 februari 1984, NJ 1988, 937(Öztürk tegen Duitsland).
Conclusie A-G Wattel 26 november 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1198, r.o. 6.24.
HvJ EU 22 oktober 2015, C-277/14 (PPUH Stehcemp).
HvJ EU 1 december 2022, C-512/21 (Aquila Part Prod Com).