Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging
Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.5.3:I.5.3 De positie van de beginselen van behoorlijke rechtspleging in het Unierecht
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.5.3
I.5.3 De positie van de beginselen van behoorlijke rechtspleging in het Unierecht
Documentgegevens:
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover nader par. 4.3.9 van Deel I en par. 5.7 van Deel II.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beginselen of eisen van behoorlijke rechtspleging in het Unierecht en de jurisprudentie van het Hof van Justitie een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Toch blijft bij de interpretatie van deze eisen artikel 6 EVRM en de benadering van het EHRM een grote rol spelen. Regelmatig wordt nog, zowel in de Europese procedures als in de nationale procedures met een Unierechtelijke dimensie, een beroep gedaan op die bepaling en de daaruit voortvloeiende rechten in plaats van op daaraan Unierechtelijke equivalente algemene rechtsbeginselen. Daarnaast kan geconstateerd worden dat de betekenis van de beginselen van behoorlijke rechtspleging lijkt te verschillen per beginsel. Van bepaalde beginselen van behoorlijke rechtspleging, zoals het verdedigingsbeginsel, lijkt de betekenis aanzienlijker te zijn dan van andere beginselen, zoals het openbaarheidsbeginsel. Van die laatste soort beginselen lijkt daarmee ook de invloed via de band van het Unierecht op de nationale procedures gering. Wat betreft die eisen lijkt de betekenis van artikel 6 EVRM op de nationale procedures directer en omvangrijker te zijn.. Daarnaast is het zo dat het Hof van Justitie enkele van de eisen van behoorlijke rechtspleging afleidt uit of schaart onder het beginsel van effectieve rechtsbescherming en de verweermogelijkheden van de belanghebbende.
Van belang is verder dat het Hof van Justitie zich niet sterk lijkt te bekommeren om de scheiding tussen bestuurlijke besluitvormingsprocedures en procedures bij rechterlijke instanties wat betreft de toepasselijkheid van de eisen, zoals in het Nederlandse bestuursrecht traditioneel wel het geval is. Wellicht speelt daarbij een rol dat het Hof van Justitie niet gehinderd wordt door de problematiek of spanning inzake verhouding tussen bestuur en rechter die kan bestaan in het staatsbestel van een lidstaat. Voor het Hof van Justitie is bepalend dat in geschillen waarin het Unierecht ten uitvoer wordt gelegd of die anderszins binnen het bereik van het Unierecht vallen de algemene rechtsbeginselen in acht worden genomen. Vanuit Unierechtelijk perspectief is het evenwicht in de verhouding tussen bestuur en rechter op nationaal niveau wellicht minder van belang. Die verhouding lijkt niet op voorhand een obstakel te vormen voor het toepasselijk achten van dezelfde procedurele waarborgen in beide fasen van een geschil. Dat is in elk geval bij de toepassing van het verdedigingsbeginsel te zien in de jurisprudentie. Van belang is dat de verdedigingsrechten gewaarborgd worden in geschillen met een Unierechtelijke dimensie, hetgeen kan betekenen dat deze zich ook kunnen uitstrekken naar de fases bij het bestuur die voorafgaan aan een geschil bij een rechterlijke instantie. Ook de motiveringsplicht die het Hof van Justitie afleidt uit het beginsel van effectieve rechtsbescherming strekt zich, hoewel dit laatste beginsel zich primair richt tot de nationale rechterlijke instanties, echter uit tot de nationale bestuursorganen. Reden daarvoor is de samenhang tussen de motivering van beslissingen, de verweermogelijkheden van belanghebbenden en hun recht op effectieve rechtsbescherming. Het beginselen van de redelijke termijn strekt zich in de jurisprudentie van het Hof van Justitie eveneens niet uitsluitend uit tot de duur bij de rechterlijke instanties van de EU, maar ook tot fases in de procedure die daaraan voorafgaan. Aangenomen kan worden dat hetzelfde zal gelden voor de fases in een procedure op nationaal niveau waarin het Unierecht ten uitvoer wordt gelegd. Het onpartijdigheidsbeginsel, zoals mede neergelegd in artikel 6 EVRM, lijkt het enige beginsel te zijn waarvan het Hof van Justitie expliciet heeft bepaald dat het in geldingskracht beperkt is tot rechterlijke instanties (op Europees niveau).
Van sommige beginselen bestaan er derhalve voor de Europese instellingen equivalente beginselen, die wij op nationaal niveau als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zouden bestempelen, zoals het verdedigingsbeginsel, de redelijke termijn en het motiveringsbeginsel. Van enkele beginselen bestaan echter op gemeenschapsniveau als zodanig geen equivalenten voor de Europese instellingen. Het gaat dan om het onpartijdigheidsbeginsel en het openbaarheidsbeginsel. Denkbaar is echter dat het beginsel van effectieve rechtsbescherming ook als kapstok kan dienen voor deze of andere procedurele waarborgen, aangezien al deze waarborgen ook daarmee in verband kunnen worden gebracht.
Het verdedigingsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van de redelijke termijn worden dezelfde ratio toegedicht in Unierechtelijke context als in nationale of EVRM-context. Aan deze beginselen komen de functies bescherming van de belangen van belanghebbenden in de procedure en bescherming van het algemene belang `administration of justice' toe. Ook in dit verband lijkt het Hof van Justitie geen scheiding aan te brengen tussen de bestuurlijke fase(n) en de rechterlijke fase. Dat zou kunnen betekenen dat voor de nationale bestuurlijke (voor)procedures soms ten dele een ander perspectief gehanteerd zal moeten worden, aangezien deze vooral in teken lijken te staan van zorgvuldige besluitvorming en niet zozeer rechtsbescherming.
Wat betreft de rechtsgevolgen die volgens het Hof van Justitie verbonden moeten worden aan schendingen van de communaire beginselen van behoorlijke rechtspleging lijkt het erop dat het uitgangspunt is dat deze uitsluitend tot nietigheid of vernietiging van de litigieuze beschikking van de Commissie of de uitspraak van het Gerecht kunnen leiden, indien zonder de procedurele onregelmatigheid een andere inhoud van het besluit of uitkomst van het geschil mogelijk was geweest. Als dat niet geval is, is, in elk geval bij schendingen van het beginsel van de redelijke termijn, schadevergoeding mogelijk. In dat opzicht lijkt de mogelijke betekenis van de jurisprudentie voor het nationale bestuursrecht — voor zover deze benadering door het Hof van Justitie ook gehanteerd zou worden bij schendingen van het beginsel van de redelijke termijn in nationale procedures met een Unierechtelijke dimensie — beperkt te zijn. De mogelijkheid tot schadevergoeding in het nationale bestuursrecht wordt door de bestuursrechter in zijn jurisprudentie zonder meer erkend.1