Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.1
8.2.1 Historische ontwikkeling
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS393522:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 10 lid 5, leidraad bij het Besluit VPB 1942.
Voor een uitgebreide en historische uiteenzetting van het beleggingsbegrip in de deelnemingsvrijstelling verwijs ik naar H.A.P.J. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, FM 125, Kluwer, 2007, paragraaf 5.2 e.v.
Zie voor een overzicht van de wijzigingen vanaf de begin jaren negentig P.G.H. Albert, Deelnemingsvrijstelling, Fiscale Geschriften nr. 28, SDU, 2e druk, 2015, paragraaf 1.5.
Verburg merkte in het jaar 2000 reeds op dat niet minder dan negen wetsartikelen nodig zijn om de oogmerken met betrekking tot de deelnemingsvrijstelling te verwezenlijken. J. Verburg, Vennootschapsbelasting, Fiscale Handboeken nr. 4, 2e druk, Kluwer, 2000, paragraaf 13.1. Het zijn er inmiddels elf (stand 1 mei 2017) en het aantal leden per wetsartikel is in de loop der jaren ook flink toegenomen. Overigens ga ik in mijn onderzoek niet expliciet in op de gedetailleerde bepalingen van art. 13a, 13b, 13ba, 13c, 13d, 13e, 13f, 13h, 13i, 13k Wet VPB 1969.
J.A.G. van der Geld, De deelnemingsvrijstelling, FM 20, 3e druk, Kluwer, 2011, blz. 65.
In Nederland is de eerste vorm van een deelnemingsvrijstelling terug te vinden in de Wet op de bedrijfsbelasting van 1893. De vennootschapsbelasting was toentertijd een uitdelingsbelasting en de van toepassing zijnde deelnemingsvrijstelling zorgde er voor dat het door de moedermaatschappij verkregen dividend bij een dividenduitkering door de moedermaatschappij zelf in mindering mocht worden gebracht. De voorwaarden voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de grootte van de vrijstelling werden in de periode 1893 tot en met 1940 een aantal keren aangepast, maar de kern bleef hetzelfde. In het besluit Winstbelasting 1940 werden de winsten van lichamen voor het eerst belast door een winstbelasting. Tegelijkertijd werd een ruime deelnemingsvrijstelling geïntroduceerd, die zowel van toepassing was op binnenlandse als buitenlandse vennootschappen (ongeacht de grootte van het aandelenbezit) en op zowel dividenden als koerswinsten. Wel gold de vrijstelling in buitenlandse verhouding voor slechts 90% en was de deelnemingsvrijstelling vorm gegeven als een nettovrijstelling. Dit laatste hield in dat de vrijstelling van toepassing was op de voordelen van een deelneming verminderd met de - met de deelneming - samenhangende kosten en rente.
In het besluit VPB 1942 werd de deelnemingsvrijstelling sterk ingeperkt. Als voorwaarde voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling werd een 25% minimum bezitseis ingevoerd en de deelnemingsvrijstelling gold alleen voor dividenden voor zover deze niet in mindering waren gebracht op de fiscale boekwaarde van de deelneming. Reden hiervoor is dat het besluit VPB 1942 als gevolg van de bezetting sterk onder invloed stond van het Duitse recht en Duitsland het beginsel hanteerde dat een lichaam op dezelfde manier diende te worden behandeld als een natuurlijk persoon. Opbrengsten van aandelen werden toentertijd ten volle belast met inkomstenbelasting en in beginsel zou hetzelfde moeten gelden voor lichamen. Een vrijstelling voor deelnemingsvoordelen werd door de wetgever gezien als een inbreuk op de antropomorfe benadering. Aangezien deelnemen in andere ondernemingen typisch een activiteit is voor lichamen, werd voor lichamen in de ogen van de wetgever een gunstige uitzondering gemaakt.1
Vanaf 1970 (in de wet VPB 1969) werd grotendeels teruggekeerd naar het systeem dat tijdens het Besluit Winstbelasting 1940 bestond, dus een vrijstelling voor zowel genoten dividend als behaalde koerswinsten. Wel werd er in de Wet VPB 1969 een principieel onderscheid gemaakt tussen deelnemen en beleggen.2 De wetgever heeft historisch gezien de samenloop tussen de deelnemingsvrijstelling en het fiscale beleggingsinstellingregime uitdrukkelijk in de wet geregeld. Een beleggingsinstelling kan de deelnemingsvrijstelling niet toepassen en een belang in een fiscale beleggingsinstelling kwalificeert niet als deelneming. Om belastingvlucht te voorkomen naar het buitenland werd naar soortgelijke eisen gezocht voor buitenlandse beleggingsinstellingen. Het onderscheid tussen ondernemen en beleggen werd enerzijds vormgegeven door invoering van een kwantitatief criterium. De deelnemingsvrijstelling was van toepassing op voordelen uit een deelneming mits een belang gehouden werd van ten minste 5%. Een pakket van minder dan 5% werd onder voorwaarden soms ook als deelneming aangemerkt (ook wel oneigenlijke deelneming genoemd). Daarnaast werd voor buitenlandse deelnemingen een (aanvullende) niet-ter-beleggingseis ingevoerd. Ook werd de liquidatieverliesregeling (art. 13d Wet VPB 1969) geïntroduceerd.
Vanaf begin jaren negentig van de vorige eeuw is de deelnemingsvrijstelling een aantal keren aangepast.3 Reden voor deze aanpassingen waren, kort samengevat, Europeesrechtelijke ontwikkelingen (aanpassing aan Moeder-dochterrichtlijn en overig EU-recht) en het anticiperen van de wetgever op (potentieel) oneigenlijk of onbedoeld gebruik van de deelnemingsvrijstelling. De wijzigingen hebben ertoe geleid dat de regeling van de deelnemingsvrijstelling die ooit in één handzaam artikel was geformuleerd, verworden is tot een uitgebreide lappendeken aan bepalingen.4
Vanaf 1 januari 2007 past Nederland het verrekeningsstelsel toe ten aanzien van voordelen verkregen uit laagbelaste beleggingsdeelnemingen, een term die in 2010 werd omgedoopt in niet-kwalificerende deelnemingen. Ik ben het met Van der Geld eens dat dit niet betekent dat Nederland principieel de vrijstellingsmethode heeft verlaten, maar dat slechts een andere vormgeving is gekozen voor het bestrijden van belastingvlucht van mobiel kapitaal.5
Historisch gezien is de deelnemingsvrijstelling in internationaal verband zeer van belang. Nederland is door de combinatie van de deelnemingsvrijstelling en het uitgebreide Nederlandse netwerk van belastingverdragen met daarin geen of geringe bronbelastingen op uitgaande dividenden, renten en royalty’s aantrekkelijk als vestigingsland. De toepassing van de Nederlandse deelnemingsvrijstelling bewerkstelligt namelijk dat de belastingdruk op de winst van een buitenlandse dochtermaatschappij in beginsel slechts wordt bepaald door de belastingdruk van het land waar deze dochtermaatschappij gevestigd is. Buitenlandse dochtermaatschappijen van Nederlandse vennootschappen kunnen hierdoor op buitenlandse markten op grond van een gelijkwaardige fiscale positie concurreren.