ECLI:NL:RBAMS:2020:1896.
Rb. Amsterdam, 31-07-2020, nr. 13/751021-20
ECLI:NL:RBAMS:2020:3776
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
31-07-2020
- Zaaknummer
13/751021-20
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2020:3776, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 31‑07‑2020; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2020:2938, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 12‑06‑2020; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2020:1896, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 24‑03‑2020; (Eerste en enige aanleg)
- Vindplaatsen
NJFS 2020/300
SEW 2020, afl. 10, p. 569
Uitspraak 31‑07‑2020
Inhoudsindicatie
Pools vervolgings-EAB, de rechtbank stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake de onafhankelijkheid van Poolse rechters in relatie tot de uitvaardiging van een EAB en het recht op een eerlijk proces in Polen.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751021-20
RK nummer: 20/771
Datum uitspraak: 31 juli 2020
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door the Circuit Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
Zitting 10 maart 2020
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaten mr. H.A.F.C. Tack en
mr. M.A.C. de Bruijn, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 24 maart 2020
Bij tussenuitspraak van 24 maart 20201.heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst om de officier van justitie en de verdediging in de gelegenheid te stellen om hun schriftelijke zienswijze te geven op de meest recente ontwikkelingen betreffende de Poolse rechtsstaat, in het bijzonder op de vraag hoe deze ontwikkelingen concreet zouden doorwerken in de op de rechtbank rustende verplichting tot beantwoording van de vragen (‘stappen’) die voortvloeien uit het arrest in de zaak Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 25 juli 20182..
Aan de officier van justitie en de verdediging is de gelegenheid gegeven om hun schriftelijke zienswijzen uiterlijk op 21 april 2020 bij de rechtbank in te dienen, welke termijn door de rechtbank is verlengd tot 19 mei 2020, en daarna tot 25 mei 2020.
Tevens heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak meegedeeld dat de uitspraak na de heropening ná 21 april 2020 zou plaatsvinden.
Raadkamer 9 april 2020
In raadkamer van 9 april 2020 is met betrekking tot de overleveringsdetentie besloten dat, hoewel de beslistermijn van 90 dagen is verstreken, dit niet tot schorsing van de overleveringsdetentie leidt.
Zienswijzen
Op 18 mei 2020 heeft de verdediging haar zienswijze ingediend, waarna een aanvulling daarop is ingediend op 7 juni 2020.
De officier van justitie heeft (na verleend uitstel) haar zienswijze op 26 mei 2020 overgelegd.
Uitspraak 12 juni 2020
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 12 juni 2020 gesloten en direct een tussenuitspraak gedaan.3.
De officier van justitie is verzocht om, in het kader van de in het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) van het Hof van Justitie verplichte dialoog, nadere vragen te stellen aan uitvaardigende justitiële autoriteit in Polen.
Op respectievelijk 25 juni en 7 juli 2020 zijn deze vragen door de justitiële autoriteit beantwoord, met uitzondering van de vragen betreffende de Supreme Court. Hieromtrent is geantwoord dat de rechtbank zich tot de Supreme Court moet wenden.
Onder verwijzing naar de zinsnede “De rechtbank verzoekt de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit deze vragen ten spoedigste te beantwoorden, zo nodig na om de bijstand van de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in de zin van artikel 7 van het kaderbesluit te hebben verzocht (zie ook het arrest van het HvJ van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru , C 404/15 en C 659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 97).”, is de officier van justitie op 10 juli 2020 verzocht vraag A nogmaals te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De officier van justitie heeft vervolgens door tussenkomst van Eurojust vraag A ook direct aan de Supreme Court gesteld. Hierop is geen antwoord gekomen.
Zitting 17 juli 2020
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 17 juli 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern.
Vanwege de maatregelen die door de rechtbank zijn genomen in verband met de uitbraak van
het coronavirus is de opgeëiste persoon door middel van telehoren gehoord vanuit de Penitentiaire Inrichting waar hij is gedetineerd.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaten mr. H.A.F.C. Tack en mr. M.A.C. de Bruijn, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
2. Ontvankelijkheid officier van justitie in de vordering ex 23 OLW
Door de raadslieden is primair aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. De reden hiervoor is dat van de tien inhoudelijke vragen die door de rechtbank in haar tussenuitspraak van 12 juni 2020 zijn gesteld, er slechts twee zijn beantwoord door de Poolse justitiële autoriteiten. Op 10 juli 2020 heeft de rechtbank nogmaals verzocht om (een deel van) de vragen te beantwoorden, maar dit heeft evenmin tot een volledig antwoord geleid.
Dit betekent dat bijna alle benodigde informatie ontbreekt. Op basis van het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) is de rechtbank verplicht om bij de Poolse justitiële autoriteiten alle noodzakelijke gegevens op te vragen en dat is ook gebeurd. De rechterlijke dialoog, onder meer genoemd in overwegingen 76-78 van dit arrest, is echter niet van de grond gekomen. Dat moet gevolgen hebben. Duidelijk is dat er een gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon in Polen geen eerlijk proces krijgt. Ook is duidelijk dat de rechtbank de ernst van dat gevaar niet deugdelijk kan beoordelen omdat haar vragen niet (voldoende) zijn beantwoord door de Poolse justitiële autoriteiten.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet slaagt. Uit het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) blijkt niet wat het gevolg moet zijn van het niet (volledig) aangaan van de dialoog door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Uit de Overleveringswet volgt dit evenmin. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van antwoorden op grond van de Overleveringswet niet reeds op voorhand tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leidt.
3. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Poolse rechtsstaat
3.1
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
I. Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).
Artikel 19, eerste lid, tweede alinea, VEU luidt als volgt:
De lidstaten voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.
II. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Artikel 47, tweede alinea, Handvest luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. (…)
III. Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, PbEG 2002, L 190/1, zoals gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ, PbEU 2009, L 81/24.
Artikel 1 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Artikel 1
Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel
1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
(…)
3. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.
Artikel 6 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Artikel 6
Bevoegde rechterlijke autoriteiten
1. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.
(…)
3. Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.
Nationaal recht
IV. De Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (Overleveringswet), Stb. 2004, 195, zoals laatstelijk gewijzigd bij wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82.
De Overleveringswet zet de bepalingen van Kaderbesluit 2002/584/JBZ om. In plaats van het begrip “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” gebruikt de Overleveringswet het begrip “uitvaardigende justitiële autoriteit”. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor het begrip “uitvoerende rechterlijke autoriteit”.
3.2
Inleiding
1. De rechtbank Amsterdam moet beslissen over de tenuitvoerlegging van een EAB dat betrekking heeft op een onderdaan van de Republiek Polen. Het EAB is op 31 augustus 2015 uitgevaardigd door the Circuit Court in Poznań (Polen) en strekt tot overlevering ter fine van strafvervolging van de opgeëiste persoon. Hij wordt verdacht van:
- -
medeplegen van het kopen van 191,8 kilogram marihuana, 4 kilogram amfetamine,4 kilogram hasjiesj en 1,6 kilogram cocaïne en de invoer daarvan in de Republiek Polen en
- -
het voorhanden hebben van een vals of vervalst identiteitsbewijs.
2. Aan het EAB ligt een nationaal aanhoudingsbevel ten grondslag dat is uitgevaardigd op 18 juni 2015 door the District Court in Poznań – Stare Miasto.
3. De Republiek Polen heeft overeenkomstig artikel 6, derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie meegedeeld dat “the circuit court having territorial jurisdiction” de bevoegde uitvaardigende rechterlijke autoriteit is als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ.4.
4. Er is geen aanleiding om de overlevering te weigeren op de in de artikelen 3-5 Kaderbesluit 2002/584/JHA bedoelde gronden. Niettemin ziet de rechtbank zich geconfronteerd met de vraag of zij het EAB ten uitvoer moet leggen, gelet op ontwikkelingen in de wetgeving van de Republiek Polen met betrekking tot de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht.
5. Na het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat),5.neemt de rechtbank in elke zaak met betrekking tot een vervolgings-EAB dat is uitgevaardigd door een rechter in de Republiek Polen aan dat er in die lidstaat in het algemeen “een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), wordt geschonden wegens structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft” (Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punt 61).6.
6. Vanwege het vastgestelde algemene reële gevaar heeft de rechtbank vervolgens steeds onderzocht:
- of die structurele of fundamentele gebreken negatieve “gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen” (Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punt 74) en, zo ja,
- of “er, in het licht van de specifieke zorgen die de betrokkene tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen” (Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punt 75).
Daartoe is de rechtbank een dialoog aangegaan met de autoriteit die het EAB heeft uitgevaardigd. De rechtbank heeft nagevraagd welke rechterlijke instanties bevoegd zijn om kennis te nemen van de strafvervolging van de opgeëiste persoon en heeft met betrekking tot die rechterlijke instanties vragen gesteld over wijzigingen in de personele bezetting (II A), over toewijzing en behandeling van zaken (II B), over tuchtzaken of andere (disciplinaire maatregelen (II C), over procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht (II D) en over de procedure van “buitengewoon beroep” (II E).7.
7. In een uitspraak van 27 september 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat zij, gelet op de antwoorden die zij sinds haar uitspraak van 4 oktober 2018 in vele zaken had ontvangen, op dat moment voldoende was voorgelicht over de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen. Die impact was namelijk zodanig, dat de genoemde structurele gebreken naar het oordeel van de rechtbank in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties konden hebben. Daarom hoefden de vragen II A, B, D en E niet meer te worden gesteld, tenzij zich nieuwe, relevante, ontwikkelingen zouden voordoen. De vragen over tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen (II C) moesten nog wel worden gesteld en beantwoord.8.
8. In haar uitspraak van 16 januari 2020 heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat:
- zij op grond van de informatie die in andere Poolse (vervolgings-) overleveringszaken was verstrekt op dat moment voldoende voorgelicht was over het algemene beeld van tuchtzaken en andere al dan niet disciplinaire maatregelen jegens Poolse rechters;
- hoewel de beschikbare informatie zeer zorgwekkend was en de meest recente ontwikkelingen ongunstig waren, dit algemene beeld in beginsel nog onvoldoende was om in concrete situaties aan te nemen dat het recht op een eerlijk proces van een opgeëiste persoon in het gedrang zou komen;
- -
informatie over tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen van belang bleef bij de beantwoording van de vraag of “er, in het licht van de specifieke zorgen die de betrokkene tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen”, maar dat naar de toenmalige stand van zaken deze informatie “niet zonder nadere gegevens over de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon die verder bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding is”, ertoe konden leiden dat de overlevering niet wordt toegestaan;
- -
nu de opgeëiste persoon dergelijke gegevens niet naar voren had gebracht, er geen reden was om de beantwoording van de reeds gestelde vragen inzake tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen langer af te wachten, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat zij, indien zij dit noodzakelijk zou achten in het licht van nieuwe relevante ontwikkelingen nadere vragen zou stellen.9.
Na deze uitspraak werden de vragen over tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen niet meer zonder meer gesteld. Een uitzondering werd gemaakt voor gevallen waarin de opgeëiste persoon gegevens over zijn persoonlijke situatie naar voren zou brengen die verder zouden bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding zou zijn. Tot op heden heeft geen enkele opgeëiste persoon zulke gegevens aangedragen en tot op heden heeft de rechtbank in geen enkel geval geconcludeerd dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt van schending van zijn recht op een onafhankelijk gerecht.
9. In de periode voorafgaand aan en na het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die aanleiding geven tot ernstige zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen. Deze bestaan er onder meer in dat10.:
- in de periode 2017-2018 met gebruikmaking van deze bevoegdheid meer dan honderd voorzitters en ondervoorzitters van rechtbanken door de minister van Justitie zijn vervangen, terwijl deze nieuw benoemde (onder)voorzitters op hun beurt personen hebben vervangen die cruciale posities innamen binnen de rechtbanken11.;
- meerdere Poolse rechters aan tuchtrechtelijke zaken zijn onderworpen op grond van de inhoud van hun werk dan wel omdat zij gebruik maakten van het recht op vrije meningsuiting12..
- er sprake is van een gebrek aan onafhankelijke en effectieve constitutionele toetsing in Polen;
Uit de verdere ontwikkelingen kort voor en na de uitspraak van 16 januari 2020 blijkt nu van een dusdanig toegenomen druk op de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die lidstaat, dat dit naar het oordeel van de rechtbank gevolgen kan hebben voor de door haar te nemen beslissing over de overlevering en voor de in de uitspraak van 16 januari 2020 uiteengezette lijn. In dit verband is het volgende van belang:
a.het arrest van het HvJ van 19 november 2019 (A.K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy)13.;
b.de uitspraak van 5 december 2019 waarin de verwijzende Poolse rechter, de Sąd Najwyższy – Izba Pracy i Ubezpieczeń Społecznych (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken – kamer voor arbeid en sociale zekerheid, Polen), op grond van voornoemd arrest heeft geoordeeld dat de KRS (rechtbank: de Poolse National Council of the Judiciary) in zijn huidige samenstelling geen orgaan is dat onpartijdig en onafhankelijk is van de wetgevende en uitvoerende macht. Tevens is geoordeeld dat de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy niet kan worden beschouwd als een gerecht als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 45, lid 1, van de grondwet van de Republiek Polen.
De Poolse autoriteiten hebben verklaard dat de uitspraak van 5 december 2019 van de Sąd Najwyższy – Izba Pracy i Ubezpieczeń Społecznych geen betekenis heeft voor wat betreft de voortzetting van de werking van de tuchtkamer en de KRS.14.
c.een aantal “Amendments to the laws on the judiciary”, waaronder the Act on the organization of the common courts, the Act on the supreme court en the Act on the National Council of the Judiciary, samengebracht in de zogenoemde ‘law on the judiciary of 20 December 2019’ die met ingang van 14 februari 2020 in werking is getreden;
d.de OSCE/ODIHR, Urgent Interim Opinion on the Bill Amending the Act on the Organization of Common Courts, the Act on the Supreme Court and Certain Other Acts of Poland (as of 20 December 2019)15.;
e.de Joint urgent opinion van de Venice Commission van 16 januari 202016.waarin de onder c. genoemde Amendments worden besproken;
f.het arrest van het Hof van 26 maart 202017.;
g.de inbreukprocedure die door de Europese Commissie op 25 oktober 2019 is gestart18.- een “beroep wegens niet-nakoming” -, dat tot doel heeft vast te stellen dat Polen de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 19, eerste lid, tweede alinea, VEU;
h.de beschikking van het Hof van 8 april 202019.in deze inbreukprocedure, waarin bij wijze van interim measure is geoordeeld en waaruit blijkt dat de inbreukprocedure die op 25 oktober 2019 door de Europese Commissie is gestart niet al op voorhand geen kans van slagen heeft.
Het is de rechtbank niet bekend of de Poolse autoriteiten inmiddels de in de beschikking genoemde maatregelen hebben genomen en, zo ja of zij de Europese Commissie hiervan in kennis hebben gesteld;
i.de omstandigheid dat de rechtbank ambtshalve bekend is dat op 9 juni 2020 voor de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy een zitting heeft plaatsgevonden betreffende het (al dan niet) opheffen van de strafrechtelijke immuniteit van een Poolse rechter en op dezelfde datum uitspraak is gedaan;
j.de omstandigheid dat de Europese Commissie inmiddels op 29 april 2020 een vierde inbreukprocedure tegen Polen20.is gestart met betrekking tot voornoemde law on the judiciary of 20 December 2019;
k.de “Draft interim report on the proposal for a Council decision on the determination of a clear risk of a serious breach by the Republic of Poland of the rule of law”21.;
l.de “Position Paper of the board of the ENCJ on the membership of the KRS
(expulsion)”, waarvan de conclusie luidt:“In the circumstances, the Board proposes to the General Assembly, (…), that the KRS be expelled as a member of the network.”22..
10. Op grond van deze en de eerdere ontwikkelingen tezamen, in onderling verband bezien, concludeert de rechtbank dat:
- zoals de Sąd Najwyższy heeft geoordeeld, de KRS – die de leden van de tuchtkamer benoemt – niet een orgaan is dat onpartijdig en onafhankelijk is van de wetgevende en uitvoerende macht en dat de tuchtkamer – die uitspraak doet in tuchtzaken tegen de rechters van de Sąd Najwyższy en de gewone rechterlijke instanties – niet een gerecht is in de zin van het Unierecht;
- de onafhankelijkheid van die tuchtkamer niet is gewaarborgd;
- de onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy en de gewone rechterlijke instanties – waarvan de autoriteit die het onderhavige EAB heeft uitgevaardigd deel uitmaakt – evenmin gewaarborgd is. De rechters van de Sąd Najwyższy en de gewone rechterlijke instanties lopen thans immers het risico op een tuchtprocedure die ertoe kan leiden dat een zaak aanhangig wordt gemaakt bij een instantie waarvan de onafhankelijkheid niet is gewaarborgd, bijvoorbeeld wanneer die rechters nagaan of een rechter of een gerecht de door het Unierecht vereiste waarborgen voor zijn onafhankelijkheid biedt.
3.3
Eerste prejudiciële vraag
11. In het licht van deze ontwikkelingen rijst allereerst de vraag of een uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer moet leggen dat is uitgevaardigd door een gerecht waarvan de onafhankelijkheid ten gevolge van ontwikkelingen na die uitvaardiging niet meer is gewaarborgd.
12. Het Hof van Justitie heeft in het arrest OG en PI (Openbare ministeries van Lübeck en van Zwickau),23.geoordeeld dat:
- het begrip “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” niet alleen de rechters en rechterlijke instanties van een lidstaat aanduidt, maar breder is en ook autoriteiten kan omvatten die in de betrokken lidstaat deelnemen aan de strafrechtsbedeling, in tegenstelling tot met name ministeries of politiediensten, die deel uitmaken van de uitvoerende macht (OG en PI (Openbare ministeries van Lübeck en van Zwickau), punt 50);
- -
de regeling van het EAB op twee niveaus bescherming van de procedurele rechten en grondrechten omvat die de opgeëiste persoon moet genieten (OG en PI (Openbare ministeries van Lübeck en van Zwickau), punt 67);
- -
de bescherming op het tweede niveau – het niveau van de uitvaardiging van een EAB – inhoudt dat de “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in het bijzonder controleert of aan de voorwaarden voor uitvaardiging is voldaan en onderzoekt of – gelet op de specifieke omstandigheden van het geval – de uitvaardiging evenredig is. Daarom moet de uitvaardigende rechterlijke autoriteit “haar met de uitvaardiging van een [EAB] inherent verbonden taken” objectief en onafhankelijk kunnen uitvoeren. De onafhankelijkheid vereist de aanwezigheid van ‘statutaire en organisatorische voorschriften (…) die waarborgen dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij de vaststelling van een beslissing tot uitvaardiging van een [EAB] geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie vanwege de uitvoerende macht” (OG en PI (Openbare ministeries van Lübeck en van Zwickau), punten 71-74).13. Hoewel de in overweging 12 samengevatte rechtspraak tot stand is gekomen in de context van de vraag of een autoriteit die zonder rechter of rechterlijke instantie te zijn deelneemt aan de strafrechtsbedeling – specifiek een Openbaar Ministerie – een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ kan zijn, begrijpt de rechtbank deze rechtspraak zo, dat de eisen van objectiviteit en onafhankelijkheid en met name de eis van statutaire en organisatorische waarborgen voor die onafhankelijkheid ook gelden voor een uitvaardigende autoriteit die een rechter of rechterlijke instantie is.
14. Aan Kaderbesluit 2002/584/JBZ ligt volgens het Hof van Justitie immers het beginsel ten grondslag dat voor beslissingen betreffende EAB’s alle waarborgen gelden die eigen zijn aan rechterlijke beslissingen, waaronder de waarborgen die voortvloeien uit de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen. Dit beginsel betekent daarom dat ook de beslissing over de uitvaardiging van een EAB wordt genomen door een rechterlijke autoriteit die voldoet aan de eisen die aan effectieve rechterlijke bescherming inherent zijn, waaronder de waarborg van onafhankelijkheid (Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punt 56).
15. De in overweging 13 getrokken conclusie volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit artikel 19, eerste lid, tweede alinea, VEU. Uit de rechtspraak over deze bepaling volgt dat:
- elke lidstaat moet garanderen dat de instanties die als “rechterlijke instantie” – in de zin van het Unierecht – deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden, voldoen aan de vereisten van een daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden (Associação Sindical dos Juízes Portugueses,24.punt 34);
- -
om die bescherming te waarborgen de instandhouding van de onafhankelijkheid van dergelijke instanties “primordiaal” is, zoals wordt bevestigd door artikel 47, tweede lid, van het Handvest, dat de toegang tot een “onafhankelijk” gerecht vermeldt als één van de vereisten voor het fundamentele recht op een daadwerkelijke voorziening in rechte (Associação Sindical dos Juízes Portugueses, punt 41);
- -
het begrip “onafhankelijkheid” vereist dat een rechterlijke instantie haar rechtsprekende taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zouden kunnen brengen (Associação Sindical dos Juízes Portugueses, punt 44);
- voor het waarborgen van de onafhankelijkheid (en onpartijdigheid) regels nodig zijn, die geschikt moeten zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen dat deze instantie zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen (Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy),25.punt 74);
- het vereiste van onafhankelijkheid gebiedt dat het stelsel van tuchtregels voor de personen met een rechterlijke taak de noodzakelijke waarborgen biedt om elk risico uit te sluiten dat dergelijke regels worden gebruikt als middel om politieke controle uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen (Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy),26.punt 77).
16. De rechtbank leidt uit deze rechtspraak over de eis van onafhankelijkheid in het kader van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, artikel 19, eerste lid, tweede alinea, VEU en artikel 47, tweede alinea, Handvest af, dat een gerecht dat een EAB uitvaardigt moet voldoen aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/een daadwerkelijke rechtsbescherming, hetgeen het bestaan van regels eist die bescherming bieden tegen druk of beïnvloeding van buitenaf die de onafhankelijkheid van zijn oordeelsvorming in de aan hem voorgelegde zaken in gevaar zouden kunnen brengen.
17. Een gerecht dat een EAB heeft uitgevaardigd, moet in de opvatting van de rechtbank ook na die uitvaardiging blijven voldoen aan die eisen. De taken die een dergelijk gerecht in die fase verricht – zoals het op verzoek van de uitvoerende rechterlijke autoriteit of eigener beweging verstrekken van aanvullende gegevens (artikel 15, tweede en derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ), het verstrekken van een garantie over de detentieomstandigheden of het in ontvangst nemen van de overgeleverde persoon – zijn in de opvatting van de rechtbank aan de uitvaardiging van dat EAB “inherent verbonden taken” bij de uitvoering waarvan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onafhankelijk moet op treden (zie overweging 12). Zulke taken “vallen” bovendien “op het gebied van het Unierecht” (zie overweging 15), zodat bij de uitoefening van die taken voldaan moet zijn aan de eisen van daadwerkelijke rechtsbescherming en dus aan de eis van onafhankelijkheid.
18. Gelet op de in overweging 10 getrokken conclusies, is de rechtbank van oordeel dat het gerecht dat het EAB heeft uitgevaardigd en dat behoort tot het Poolse stelsel van rechtsmiddelen als gevolg van de na de uitvaardiging van het EAB gewijzigde nationale wetgeving niet meer voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/een daadwerkelijke rechtsbescherming, omdat die wetgeving zijn onafhankelijkheid ten opzichte van de wetgevende en/of uitvoerende macht niet meer waarborgt.
19. De vraag of de uitvoerende rechterlijke autoriteit onder dergelijke omstandigheden een door een dergelijk gerecht uitgevaardigd EAB toch ten uitvoer moet leggen, is niet eerder aan het Hof van Justitie voorgelegd. De rechtbank laat in het midden of het hier om een zogenoemde “acte clair” gaat. Vanuit het oogpunt van uniformiteit en vanwege de verstrekkende gevolgen die een bevestigende beantwoording van deze vraag zou hebben – een dergelijk antwoord zou de facto neerkomen op het opschorten van het overleveringsverkeer met Polen, totdat de Poolse wetgeving de onafhankelijkheid van uitvaardigende gerechten weer waarborgt – is het noodzakelijk dat de rechtbank niet eerder over de tenuitvoerlegging van het EAB beslist dan nadat het Hof van Justitie deze vraag heeft beantwoord.
20. De rechtbank legt daarom de volgende vraag aan het Hof van Justitie voor:
Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ, artikel 19, eerste lid, tweede alinea, VEU en/of artikel 47, tweede alinea, Handvest zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt dat is uitgevaardigd door een gerecht, terwijl de nationale wet van de uitvaardigende lidstaat na de uitvaardiging van dat EAB zodanig is gewijzigd, dat het gerecht niet meer voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/daadwerkelijke rechtsbescherming omdat die wetgeving de onafhankelijkheid van dat gerecht niet meer waarborgt?
3.4
Tweede prejudiciële vraag
21. Voor het geval dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, overweegt de rechtbank het volgende.
22. Zoals hiervoor onder 5. tot en met 8. is weergegeven, moet de uitvoerende rechterlijke justitiële autoriteit op grond van het toetsingskader dat voortvloeit uit Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) beoordelen of er in Polen in het algemeen een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces wordt geschonden wegens structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aldaar betreft, alsmede of de genoemde structurele gebreken in alle gevallen negatieve gevolgen voor de rechterlijke instanties kunnen hebben die (na overlevering aan Polen) over de strafzaak van de opgeëiste persoon moeten oordelen (Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punt 74).
23. Vervolgens moet de uitvoerende justitiële autoriteit beoordelen of er, in het licht van de specifieke zorgen die een opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen (Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punt 75).
24. Uit de hiervoor in overweging 10 getrokken conclusie – dat als gevolg van de in overweging 9 geschetste ontwikkelingen de onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy en de gewone rechterlijke instanties (waaronder de autoriteit die het EAB heeft uitgevaardigd) niet meer is gewaarborgd – volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van zodanige structurele en fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht, dat voor geen enkele verdachte die in de Republiek Polen terecht moet staan voor de Sąd Najwyższy en/of voor de gewone rechterlijke instanties het recht op een onafhankelijk gerecht, dat de kern van het recht op een eerlijk proces vormt, nog is gewaarborgd, ongeacht zijn persoonlijke omstandigheden, de aard van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht en de context die aan het EAB ten grondslag ligt. Met andere worden: uit die conclusie volgt nu dat in de Republiek Polen een reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor elke verdachte – en dus ook voor de opgeëiste persoon –, welk reëel gevaar verband houdt met het feit dat al die rechterlijke instanties niet meer onafhankelijk zijn wegens structurele of fundamentele gebreken (vgl. Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), punt 61).
25. Een en ander roept de vraag op of deze vaststelling al volstaat om, zonder (verdere) dialoog met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en zonder nog specifiek na te (hoeven) gaan (of):
- de structurele en fundamentele gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen en
- in geval van de mogelijkheid van zulke negatieve gevolgen, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon eventueel naar voren heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, “zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie alsook de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen”,
ervan af te zien om gevolg te geven aan het EAB.
26. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) kan naar het oordeel van de rechtbank, zo worden gelezen, dat het geen betrekking heeft op gevallen waarin de structurele of fundamentele gebreken wat betreft de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van dien aard zijn, dat de wetgeving in de uitvoerende lidstaat de onafhankelijkheid van rechterlijke instanties ten gronde niet meer waarborgt, waardoor de negatieve gevolgen van de gebreken in individuele gevallen ook zonder nadere beoordeling als een gegeven moeten worden beschouwd, oftewel waarin de vaststelling van een reëel gevaar dat verband houdt met structurele en fundamentele gebreken logischerwijs de vaststelling van een individueel reëel gevaar insluit. Voor deze vraag geldt ook wat de rechtbank hiervoor in overweging 19 heeft overwogen.
27. De rechtbank legt daarom de volgende vraag voor aan het Hof van Justitie:
Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 47, tweede alinea, Handvest zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt, wanneer zij heeft vastgesteld dat in de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een onafhankelijk gerecht voor elke verdachte – en dus ook voor de opgeëiste persoon –, ongeacht welke rechterlijke instanties van die lidstaat bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen en ongeacht de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt, welk reëel gevaar verband houdt met het feit dat de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat niet meer onafhankelijk zijn wegens structurele en fundamentele gebreken?
3.5
Derde prejudiciële vraag
28. Voor het geval dat het antwoord op de tweede vraag ontkennend luidt, overweegt de rechtbank het volgende.
29. Uit de in overweging 10 getrokken conclusie volgt – in elk geval – dat in de Republiek Polen een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken met betrekking tot de rechterlijke macht van die lidstaat, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen (Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijke apparaat)), punt 68). In de onderhavige zaak heeft de rechtbank vragen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit gesteld in het kader van de dialoog zoals voorgeschreven in het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (punt 75 tot en met 77). Deze autoriteit heeft, ook na een daartoe strekkend rappel, de vragen niet volledig beantwoord. Evenmin heeft zij bij de beantwoording van de vragen om bijstand van de centrale autoriteit(en) verzocht (punt 78). Wat de gevolgen zijn van het niet (volledig) aangaan van de dialoog, kan echter onbesproken blijven gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.
30. Zo is de vraag onbeantwoord gebleven of de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy na de beschikking van het Hof van Justitie van 8 april 2020 (zie overweging 9 onder h) nog tuchtzaken tegen rechters heeft behandeld. Uit andere bron weet de rechtbank al dat dit inderdaad het geval is (zie overweging 9 onder i). De wel gegeven antwoorden bevestigen alleen maar de in overweging 10 getrokken conclusie dat de onafhankelijkheid van de Sąd Najwyższy en de gewone rechterlijke instanties – waarvan de autoriteit die het EAB heeft uitgevaardigd deel uitmaakt – niet meer gewaarborgd is vanwege structurele en fundamentele gebreken.
31. Dit roept de vraag op of deze vaststelling al volstaat om te concluderen dat:
- die structurele en fundamentele gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen en
- zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast,
ook al geven de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt op zichzelf – dat wil zeggen los van de structurele en fundamentele gebreken – geen aanleiding om te veronderstellen dat de uitvoerende of wetgevende macht druk zou uitoefenen op de rechterlijke instanties om het strafproces tegen de opgeëiste persoon te beïnvloeden.
32. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Uit de in overweging 10 getrokken conclusie – die wordt bevestigd door de antwoorden die de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in het kader van de dialoog heeft gegeven – volgt immers dat de structurele en fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht negatieve gevolgen hebben niet alleen voor de Sąd Najwyższy, maar ook voor de gewone rechterlijke instanties waartoe de uitvaardigende rechterlijke autoriteit behoort. Bovendien volgt uit die conclusie dat voor elke verdachte – en dus ook voor de opgeëiste persoon – een reëel gevaar bestaat van een schending van het recht op een onafhankelijk gerecht en dus van een aantasting van de kern van het recht op een eerlijk proces. Dat reële gevaar vloeit voort uit de omstandigheid dat de Poolse wetgeving de onafhankelijkheid van die rechterlijke instanties niet meer waarborgt.
33. Ook voor de derde vraag geldt hetgeen hiervoor onder 19 is overwogen.
34. Het vorenstaande noopt de rechtbank tot het voorleggen van de volgende vraag aan het Hof van Justitie:
Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 47, tweede alinea, Handvest zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt, wanneer zij heeft vastgesteld dat:
o in de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor elke verdachte, welk gevaar verband houdt met structurele en fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van die lidstaat,
o die structurele en fundamentele gebreken daarom niet alleen negatieve gevolgen kunnen hebben, maar ook daadwerkelijk hebben voor de rechterlijke instanties van die lidstaat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen en
o daarom zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dus dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast,
ook al heeft de opgeëiste persoon, los van die structurele en fundamentele gebreken, geen specifieke zorgen geuit en ook al geven de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de context die aan het EAB ten grondslag ligt, los van die structurele en fundamentele gebreken, geen aanleiding voor vrees voor concrete druk op of beïnvloeding van zijn strafproces door de uitvoerende en/of wetgevende macht.
4. Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure
4.1
De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen
volgens de spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.
4.2
De prejudiciële vraag heeft betrekking op een gebied als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU.
4.3
De opgeëiste persoon bevindt zich in overleveringsdetentie in afwachting van de beslissing van de rechtbank op het overleveringsverzoek. Die beslissing kan de rechtbank niet nemen, zolang het Hof van Justitie de prejudiciële vraag niet heeft beantwoord. Omdat de rechtbank niet vooruit kan lopen op dat antwoord, er sprake is van een zeer groot vluchtgevaar dat niet door het stellen van voorwaarden tot aanvaardbare proporties kan worden teruggebracht en de opgeëiste persoon wordt verdacht van ernstige strafbare feiten, heeft de rechtbank besloten de overleveringsdetentie te handhaven in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vraag is dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon
5. Slotsom
Het onderzoek ter zitting moet worden heropend om de prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
6. Beslissing
VERZOEKT het Hof van Justitie van de Europese Unie een antwoord te geven op de volgende vragen:
1.
Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ, artikel 19, eerste lid, tweede alinea, VEU en/of artikel 47, tweede alinea, Handvest zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt dat is uitgevaardigd door een gerecht, terwijl de nationale wet van de uitvaardigende lidstaat na de uitvaardiging van dat EAB zodanig is gewijzigd, dat het gerecht niet meer voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/daadwerkelijke rechtsbescherming omdat die wetgeving de onafhankelijkheid van dat gerecht niet meer waarborgt?
2.
Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 47, tweede alinea, Handvest zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt, wanneer zij heeft vastgesteld dat in de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een onafhankelijk gerecht voor elke verdachte – en dus ook voor de opgeëiste persoon –, ongeacht welke rechterlijke instanties van die lidstaat bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen en ongeacht de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het EAB ten grondslag ligt, welk reëel gevaar verband houdt met het feit dat de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat niet meer onafhankelijk zijn wegens structurele en fundamentele gebreken?
3.
Verzetten Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 47, tweede alinea, Handvest zich inderdaad ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB ten uitvoer legt, wanneer zij heeft vastgesteld dat:
o in de uitvaardigende lidstaat een reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor elke verdachte, welk gevaar verband houdt met structurele en fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van die lidstaat,
o die structurele en fundamentele gebreken daarom niet alleen negatieve gevolgen kunnen hebben, maar ook daadwerkelijk hebben voor de rechterlijke instanties van die lidstaat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen en
o daarom zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dus dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast,
ook al heeft de opgeëiste persoon, los van die structurele en fundamentele gebreken, geen specifieke zorgen geuit en ook al geven de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd en de context die aan het EAB ten grondslag ligt, los van die structurele en fundamentele gebreken, geen aanleiding voor vrees voor concrete druk op of beïnvloeding van zijn strafproces door de uitvoerende en/of wetgevende macht.
SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn advocaten.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en C. Klomp, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. Y.M.E. Jurgens en V.H. Glerum, griffiers,
en uitgesproken ter openbare zitting van 31 juli 2020.
De voorzitter is buiten staat deze
uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑07‑2020
Zaak Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586.
ECLI:NL:RBAMS:2020:2938
Council document 5471/3/20 REV 3, 30 April 2020, p. 20.
Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018, C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586 (Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat)).
Rb. Amsterdam 4 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7032.
Zie bijv. Rb. Amsterdam 4 oktober 2018, ECLI:NL:2018:7032.
Rb. Amsterdam 27 september 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:7161.
Rb. Amsterdam 16 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:181.
Draft interim report on the proposal for a Council decision on the determination of a clear risk of a serious breach by the Republic of Poland of the rule of law, https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/LIBE-PR-650665_EN.html, 13 mei 2020 (COM(2017)0835 - C9-0000/2020 - 2017/0360R(NLE)), Committee on Civil Liberties, Justice and Home Affairs, rapporteur: Juan Fernando López Aguilar.
Informatie waarover de rechtbank ambtshalve beschikt in het kader van de dialoog met Poolse justitiële autoriteiten in vele overleveringszaken. Deze bevestigt in grote lijnen wat de rechtbank uit objectieve rapportages (genoemd in Rb Amsterdam 4 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) weet.
Iustitia reports. Judges under pressure - report on the methods of harassment of independent judges by the authorities, juli 2019 (https://www.iustitia.pl/en/activity/opinions/3167-judges-under-pressure-report-on-the-methods-of-harassment-of-independent-judges-by-the-authorities)
C-585/19, C-624/18 en C-625/18, ECLI:EU:C:2019:982.
Draft interim report on the proposal for a Council decision on the determination of a clear risk of a serious breach by the Republic of Poland of the rule of law, https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/LIBE-PR-650665_EN.html, 13 mei 2020 (COM(2017)0835 - C9-0000/2020 - 2017/0360R(NLE)), Committee on Civil Liberties, Justice and Home Affairs, rapporteur: Juan Fernando López Aguilar.
https://www.osce.org/files/f/documents/c/c/443731_2.pdf, 14 januari 2020.
Joint urgent opinion of the Venice Commission and the Directorate General of Human Rights and Rule of Law (DGI) of the Council of Europe on amendments to the Law on the Common Courts, the Law on the Supreme Court and some other laws, Opinion No. 977 / 2019.
C-558/18 en C-563/18, ECLI:EU:C:2020:234 (Miasto Łowicz en Prokurator Generalny zastępowany przez Prokuraturę Krajową (Tuchtregeling voor rechters)).
C-791/19 R (Commissie/Polen).
C-791/19 R, ECLI:EU:C:2020:277 (Commissie/Polen).
Procedurenummer: 20202182, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/EN/IP_20_772.
https://www.europarl.europa.eu/doceo/document/LIBE-PR-650665_EN.html, 13 mei 2020 (COM(2017)0835 - C9-0000/2020 - 2017/0360R(NLE)), Committee on Civil Liberties, Justice and Home Affairs, rapporteur: Juan Fernando López Aguilar.
European Network of Councils for the Judiciary, 27 mei 2020
HvJ EU 27 mei 2019, C-508/18 en C-82/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:456.
HvJ EU 27 februari 2018, C-64/16, ECLI:EU:C:2018:117.
HvJ EU 24 juni 2019, C-619/18, ECLI:EU:C:2019:531.
HvJ EU 24 juni 2019, C-619/18, ECLI:EU:C:2019:531.
Uitspraak 12‑06‑2020
Inhoudsindicatie
EAB uit Polen dat ziet op strafvervolging. Vanwege de meest recente ontwikkelingen ten aanzien van de Poolse rechtsstaat (waaronder de inwerkingtreding van wetswijzigingen – law on the judiciary – op 14 februari 2020 en de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 april 2020, ECLI:EU:C2020:277) houdt de rechtbank de beslissing aan om een aantal vragen voor te leggen aan de Poolse uitvaardigende autoriteit.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751021-20
RK nummer: 20/771
Datum uitspraak: 12 juni 2020
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door the Circuit Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [naam] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
Zitting 10 maart 2020
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaten: mevrouw mr. H.A.F.C. Tack en de heer
mr. M.A.C. de Bruijn, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak 24 maart 2020
Bij tussenuitspraak van 24 maart 20201.heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en meteen geschorst om de officier van justitie en de verdediging in de gelegenheid te stellen om hun schriftelijke zienswijze te geven op de meest recente ontwikkelingen betreffende de Poolse rechtsstaat, in het bijzonder op de vraag hoe deze ontwikkelingen concreet zoudendoorwerken in de op de rechtbank rustende verplichting tot beantwoording van de vragen (‘stappen’) die voortvloeien uit het arrest LM van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 20182..
Aan de officier van justitie en de verdediging is de gelegenheid gegeven om hun schriftelijke zienswijzen uiterlijk op 21 april 2020 bij de rechtbank in te dienen, welke termijn door de rechtbank is verlengd tot 19 mei 2020, en daarna tot 25 mei 2020.
Tevens heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak meegedeeld dat de uitspraak na de heropening ná 21 april 2020 zou plaatsvinden.
Raadkamer 9 april 2020
In raadkamer van 9 april 2020 is besloten dat, hoewel de beslistermijn van 90 dagen is verstreken, dit niet tot schorsing van de overleveringsdetentie leidt.
Zienswijzen
Op 18 mei 2020 heeft de verdediging haar zienswijze ingediend, waarna een aanvulling daarop is ingediend op 7 juni 2020.
De officier van justitie heeft (na verleend uitstel) haar zienswijze op 26 mei 2020 overgelegd.
Sluiting onderzoek
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 12 juni 2020 gesloten en direct uitspraak gedaan.
2. Tussenuitspraak van 24 maart 2020
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 24 maart 2020 waarin zij de identiteit van de opgeëiste persoon heeft vastgesteld, de grondslag en inhoud van het EAB heeft beoordeeld, alsmede de strafbaarheid van de feiten. Verder heeft de rechtbank over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW geoordeeld.
Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
3. Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
3.1
Standpunt verdediging
De verdediging heeft in haar zienswijze het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven.
Primair is het standpunt dat overlevering aan Polen ten behoeve van strafvervolging een reëel gevaar voor de opgeëiste persoon oplevert dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast.
In dat verband wordt allereerst betwist dat de uitspraak van het HvJ in de zaak LM nog (onverkort) van toepassing is. Uit voornoemd arrest blijkt dat rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid essentieel zijn voor het vertrouwen tussen de EU-lidstaten waarop overleveringen zijn gebaseerd. In de zaak LM heeft het HvJ in het midden gelaten of er een reëel gevaar dreigde dat het grondrecht op een eerlijk proces zou worden geschonden. Inmiddels heeft het HvJ in andere zaken betreffende Polen uitspraak gedaan op 26 maart 20203.en 8 april 2020. Deze uitspraken nopen tot een minder terughoudende toets, al is het maar omdat er expliciete uitspraken zijn gedaan over én concrete stappen zijn genomen met betrekking tot de ontwikkelingen in Polen. Daarnaast heeft de Europese Commissie op 29 april 2020 een ingebrekestelling verzonden waar nader onderzoek naar wordt verricht. Volgens de verdediging blijkt uit de recente uitspraken dat het HvJ van oordeel is dat de onafhankelijkheid en
onpartijdigheid van rechters in Polen inmiddels niet meer kan worden gewaarborgd.
De uitspraken van het HvJ van 25 juli 2018, 26 maart 2020 en 8 april 2020 zijn dusdanig verschillend dat wel moet worden geconcludeerd dat de feitelijke omstandigheden drastisch zijn
gewijzigd, nog los van de ingebrekestelling. De gewijzigde omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat artikel 7, derde lid, VEU geen belemmering is voor het thans weigeren van de overlevering. Op 25 juli 2018 heeft het HvJ er expliciet op gewezen dat op grond van artikel 7, derde lid, VEU sprake is van een automatische weigeringsgrond indien het Kaderbesluit EAB is opgeschort. Inmiddels is gebleken dat een politieke oplossing, via de Europese Raad en artikel 7 VEU onmogelijk is, gelet op het feit dat de rechtsstaat in meerdere EU-landen kwetsbaar lijkt en deze landen elkaar (politiek) steunen, met als gevolg dat een politieke oplossing niet mogelijk lijkt te zijn. Reeds daarom moet de overlevering dan ook worden geweigerd.
Mocht de rechtbank hier anders over denken, dan moet worden gekeken naar het stappenplan dat voortvloeit uit het arrest van het HvJ in de zaak LM. Het HvJ biedt de rechtbank meer ruimte dan zij tot dusver heeft aangenomen, in het bijzonder omdat de derde stap naar het oordeel van de verdediging een minder grote belemmering is dan thans door de rechtbank wordt aangenomen. Het HvJ geeft weliswaar aan welke factoren van belang zijn in een onderzoek naar een reëel gevaar, maar zegt niets over hoe en wanneer dit precies moet leiden tot wel of geen weigering. Het lijkt er dus op dat de nationale rechter zelfstandig tot de conclusie kan komen om het EAB te weigeren, ongeacht het bewijs dat de opgeëiste persoon al dan niet levert.
Daarbij is van belang dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is om alle aanvullende gegevens op te vragen die zij voor de beoordeling van het bestaan van een dergelijk
gevaar noodzakelijk acht, en dat zij dus het verstrekken van informatie over het concrete risico voor de opgeëiste persoon niet geheel bij de opgeëiste persoon zelf kan leggen.
De vastgestelde schendingen zijn inmiddels van dien aard dat een overlevering ten behoeve van
vervolging een reëel gevaar meebrengt dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces zal krijgen.
De opgeëiste persoon betreffende concrete feiten en omstandigheden moeten ook minder zwaar wegen omdat zij in de kern een inschatting betreffen van de mogelijke risico’s die zich kunnen voordoen. Het is onwaarschijnlijk dat aangetoond kan worden dat de vrees voor een tuchtrechtelijke procedure bij een rechter, gevolgen zal hebben of heeft gehad voor het recht op een eerlijk proces. De vraag of de rechter onafhankelijk is, zal niet snel ontkennend worden beantwoord. Daarbij is van belang dat het HvJ in de zaak waarin op 8 april 2020 uitspraak is gedaan ook heeft overwogen dat het enkele risico van een tuchtprocedure de onafhankelijkheid van de rechter al in gevaar kan brengen. Er is aldus geen sprake van concrete normen die eenvoudig kunnen worden gecontroleerd en getoetst.
Subsidiair wordt verzocht om prejudiciële vragen te stellen, gelet op de nieuwe ontwikkelingen. In het bijzonder dient de vraag (of vragen) te zien op de weging van de verschillende stappen die uit het arrest LM voortvloeien en óf er concrete informatie nodig is gelet op hetgeen over Polen is vastgesteld bij de beoordeling van de eerste twee stappen en gelet op de recente ontwikkelingen in Polen en de EU.
3.2
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft het volgende aangevoerd, zakelijk weergegeven.
De recente ontwikkelingen, de beschikking van het HvJ van 8 april 2020 in zaak C-791/19, de tussenuitspraak van het Gerechtshof te Karlsruhe en het bestaan van een nieuwe Poolse wet, leiden niet tot de (algemene) conclusie dat overlevering van opgeëiste personen naar Polen niet kan worden toegestaan.
De beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen vormen het principiële uitgangspunt in de overleveringsprocedure binnen de Europese Unie. In het arrest LM heeft het HvJ een beperkte uitzondering aangenomen op dit uitgangspunt. De rechtbank heeft op grond van het uit LM voortvloeiende toetsingskader geoordeeld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en die negatieve gevolgen voor alle rechterlijke instanties kunnen hebben.
Weliswaar is sprake van nieuwe, relevante, ontwikkelingen ten aanzien van de rechterlijke macht in Polen, maar die ontwikkelingen zijn niet van invloed op het door de rechtbank tot zover gehanteerde toetsingskader. Evenmin zijn die recente ontwikkelingen van invloed op het door de rechtbank gegeven oordeel ten aanzien van stappen 1 en 2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de opgeëiste persoon risicofactoren in zijn persoonlijke situatie moet aanvoeren alvorens de rechtbank beslist over het aangaan van een dialoog met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en vragen stelt inzake tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen jegens Poolse rechters. Niet valt in te zien hoe (of waarom) dit oordeel zou moeten wijzigen door de vaststelling van het HvJ dat de (werking van de) tuchtkamer geschorst moet worden.
Gelet op het voorgaande is het nog altijd aan de opgeëiste persoon om aannemelijk te maken dat er in zijn zaak bijzondere reden is tot zorg. Als de opgeëiste persoon daarin slaagt kan om nadere informatie worden gevraagd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Hoewel de ontwikkelingen in Polen aangaande de rechterlijke macht vanzelfsprekend aandacht verdienen van zowel het Openbaar Ministerie als de rechtbank, is het de vraag in hoeverre die ontwikkelingen relevant zijn op het niveau van de individuele (straf- of) overleveringszaak (oftewel op het niveau van de beoordeling van ‘stap 3’).
Niet valt in te zien hoe het bestaan van de tuchtkamer, of de beschikking van het HvJ waarbij de tuchtkamer is geschorst, ertoe zou leiden dat het grondrecht op een eerlijk proces van elke door Polen opgeëiste persoon in de kern zal worden aangetast. De tuchtkamer is immers niet bevoegd om kennis te nemen van individuele strafzaken. Bovendien is de werking van de tuchtkamer voorlopig (tot aan de uitspraak in de bodemzaak) geschorst.
Uit de tussenuitspraak van het Gerechtshof te Karlsruhe van 17 februari 2020 blijkt verder dat het toetsingskader dat volgt uit het arrest LM is toegepast. De zaak is aangehouden om – naar aanleiding van de verklaringen van de opgeëiste persoon – te onderzoeken of hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. Niet valt in te zien hoe deze tussenuitspraak tot de conclusie zou kunnen leiden dat de aangevende of initiërende rol van de opgeëiste persoon zou moeten verschuiven naar het Openbaar Ministerie en/of de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Ten slotte kan de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 2020 evenmin leiden tot de conclusie dat het grondrecht op een eerlijk proces van elke door Polen opgeëiste persoon in de kern zal worden aangetast. Het bestaan van deze wet bevestigt slechts de conclusie van de rechtbank dat is voldaan aan stappen 1 en 2 uit het toetsingskader van LM.
Het vorenstaande houdt in dat de ontwikkelingen aangaande de rechterlijke macht in Polen niet tot de (algemene) conclusie leiden dat overlevering van opgeëiste personen naar Polen niet kan worden toegestaan. Evenmin leiden die tot de conclusie dat de aangevende of initiërende rol van de opgeëiste persoon (zoals die volgt uit het toetsingskader dat voortvloeit uit het arrest LM) zou moeten verschuiven naar het Openbaar Ministerie en/of de uitvaardigende justitiële autoriteit. Deze ontwikkelingen bevestigen slechts dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en die negatieve gevolgen voor alle rechterlijke instanties kunnen hebben.
Mocht de rechtbank desalniettemin overwegen om deze rolverdeling te wijzigen, dan wordt subsidiair verzocht om hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Dit zou immers een wijziging van een door het HvJ voorgeschreven werkwijze opleveren, waarover het HvJ dient te oordelen.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in haar tussenuitspraak van 24 maart 2020 onder 6.1 en 6.3 heeft overwogen. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd, voor zover relevant voor deze uitspraak.
3.3.2
Relevante ontwikkelingen met betrekking tot de Poolse rechtsstaat
Sinds haar uitspraak van 16 januari 20204.heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat aan stap 1 en 2 van het toetsingskader in het arrest LM is voldaan en dat pas nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit worden gesteld over eventuele tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen jegens Poolse rechters bij de gerechtelijke instantie die in eerste aanleg of in hoger beroep over de strafzaak van de opgeëiste persoon zullen oordelen, als de opgeëiste persoon nadere gegevens heeft aangevoerd over zijn persoonlijke situatie die verder bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding is. Vervolgens wordt beoordeeld of aan stap 3 van het toetsingskader uit LM wordt voldaan.
Sinds deze uitspraak hebben zich ten aanzien van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen de nodige ontwikkelingen voorgedaan. Hieronder volgt een overzicht van relevante ontwikkelingen waarop de rechtbank in het bijzonder acht heeft geslagen. Hierin is ten behoeve van de leesbaarheid ook informatie opgenomen die van voor de uitspraak van 16 januari 2020 dateert.
1. het arrest van het HvJ van 19 november 2019 (zaak A.K.)5.waarbij het HvJ heeft geoordeeld:
Artikel 47 van het Handvest en artikel 9, lid 1, van richtlijn 2000/78 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat geschillen betreffende de toepassing van het Unierecht onder de uitsluitende bevoegdheid kunnen vallen van een instantie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt in de zin van de eerste bepaling. Hiervan is sprake wanneer de objectieve voorwaarden waaronder de betrokken instantie is ingesteld, de kenmerkende eigenschappen ervan en de manier waarop de leden ervan zijn benoemd, van dien aard zijn dat bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en, derhalve, ertoe kunnen leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken. Het staat aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met alle relevante gegevens waarover hij beschikt, vast te stellen of dit het geval is bij een instantie als de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy.
In dat geval moet het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het de verwijzende rechter ertoe verplicht om de nationaalrechtelijke bepaling buiten toepassing te laten op grond waarvan de bevoegdheid om kennis te nemen van de hoofdgedingen is voorbehouden aan deze instantie, zodat deze kunnen worden behandeld door een rechterlijke instantie die voldoet aan de bovengenoemde vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en die op het betrokken gebied bevoegd zou zijn indien deze bepaling daar niet aan in de weg stond.
2. de uitspraak van 5 december 2019 waarin de verwijzende Poolse rechter, de Sąd Najwyższy – Izba Pracy i Ubezpieczeń Społecznych (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken – kamer voor arbeid en sociale zekerheid, Polen), heeft geoordeeld dat de KRS (rechtbank: de Poolse National Council of the Judiciary) in zijn huidige samenstelling geen orgaan is dat onpartijdig en onafhankelijk is van de wetgevende en uitvoerende macht. Tevens is geoordeeld dat de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy niet kan worden beschouwd als een gerecht als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 45, lid 1, van de grondwet van de Republiek Polen.
3. een aantal “Amendments to the laws on the judiciary”, waaronder the Act on the organization of the common courts, the Act on the supreme court en the Act on the National Council of the Judiciary, samengebracht in de zogenoemde ‘law on the judiciary of 20 December 2019’ die met ingang van 14 februari 2020 in werking is getreden.
4. de Joint urgent opinion van de Venice Commission van 16 januari 20206.waarin deze Amendments worden besproken. De Venice Commission overweegt:
19. The present Opinion will focus on five main proposals of the Amendments, which can be summarised as follows:
the Amendments prohibit any political activity of judges and oblige them to disclose publicly their membership in associations;
the Amendments declare that any person appointed by the President of the Republic is a lawful judge, and it is prohibited to question his/her legitimacy. Doing so is a disciplinary offence punishable, potentially, with dismissal. Only the Extraordinary Chamber can decide whether a judge is independent and impartial;
new disciplinary offences and sanctions in respect of judges and court presidents are introduced by the Amendments;
the Amendments transfer some competencies of the assemblies of judges to the colleges composed of the court presidents appointed by the Minister of Justice;
the Amendments change the process of the election of the First President of the Supreme Court, lowering the quorum to 32 judges (out of approximately 120) in the third round of voting.
Onder “C. Prohibition to question the lawfulness of the judge's appointment” is voorts overwogen:
31. Several provisions of the Amendments eliminate the competence of the Polish courts to examine whether another court decision was issued by a person appointed as a judge in compliance with the Constitution, European law and other international legal standards. These amendments are seemingly designed to have a nullifying effect on the CJEU ruling of 19 November 2019 and the Supreme Court judgment of 5 December 2019, and on other pending proceedings where the competence of the newly appointed judges has been challenged.
32. In particular, new Article 55 § 1 stipulates that a person who has been appointed as a judge by the President of the Republic and who has taken an oath should be regarded as a judge. New Article 42a prohibits courts (except the Extraordinary Chamber) from questioning (a) the powers of courts, constitutional state bodies and law enforcement and control bodies, and (b) the jurisdiction of a judge dealing with a case.
33. In order to guarantee that no judge in Poland questions the validity of an appointment made by the new NCJ (rechtbank: National Council of the Judiciary), amended Article 107 § 1 of the Acts on the Common Courts (on disciplinary offences) prohibits “actions questioning … the effectiveness of the appointment of a judge or the constitutional mandate of an organ of the Republic of Poland”. This provision seems to cover statements made by the judge extrajudicially (on this see above, Section B). It also prohibits procedural actions which challenge the validity of appointment of other judges.
34. Finally, new Article 45b introduced to the Act on the NCJ provides that once the President of the Republic appoints a person as a judge, on the basis of a proposal by the NCJ, any appeal proceedings which challenge the decision of the NCJ “shall be discontinued by operation of the law”. It appears that, by virtue of Article 12 of the Amendments, these new provisions will have a retroactive effect and invalidate any proceedings (and the resulting judgments) which might question the appointments which had already been made by the President.
35. All motions challenging the independence and impartiality of judges are henceforth to be decided by the Extraordinary Chamber (see new §§ 2 – 4 of Article 26 of the Act on the Supreme Court). That being said, motions based on the alleged illegality of appointment of a judge or his/her authority to perform judicial function should be “left unprocessed” (§ 3). The Extraordinary Chamber is given a special competence to quash decisions of other courts, including other chambers of the Supreme Court, if those decisions contest the legitimacy of other judges (§ 4).
36. These provisions, taken together, significantly curtail the possibility to examine the question of institutional independence of Polish courts by those courts themselves. This approach raises issues under Article 6 § 1 of the ECtHR, since judicial review should involve examination of all relevant aspects of the independence of the tribunal, including institutional ones. Thus, as demonstrated by the ECtHR’s case-law, the composition of the body which appoints judges is relevant from the stand-point of the requirement of “independence”. There are other institutional elements which should be assessed – for example, the risk of an arbitrary removal of a judge by the Minister of Justice, or the risk of undue pressure by the president of the court in which the judge works. In the opinion of the Venice Commission, national judge should not be prevented from examining these aspects of the case, along with other elements which may affect the “independence and impartiality” requirement under Article 6 § 1 of the ECHR. This is certainly true when the normal chain of appeals is concerned; however, the Strasbourg Court did not have an occasion to examine situations when one national court contests the legitimacy of another judicial body (with the reference to the lack of independence or otherwise) outside of the normal chain of appeals, and what should be a proper procedural framework for resolving such disputes.
37. Furthermore, the above provisions, taken together, aim at nullifying the effects of the CJEU ruling. This is a serious challenge to the principle of the primacy of EU law. In the preliminary ruling of 19 November 2019, the CJEU clearly held that it was a duty of the referring court to examine the question of independence of the Disciplinary Chamber, in particular by looking at the composition of the selecting body (the NCJ). Polish courts dealing with the consequences of the CJEU judgment of 19 November 2019 or confronted with an issue of judicial independence in a different context, will be put in an impossible position of choosing between following the requirements of the EU law as interpreted by the CJEU, or using legal avenues provided by the TFEU, and abiding by the new law.
41. In addition, new Article 55 § 4 is contrary to the principle of a lawful judge (enshrined in to Article 6 § 1 of the ECHR and Article 47 of the Charter): it will be henceforth impossible to challenge a judge on the ground that the case has been allocated to him/her unlawfully and/or arbitrarily, or that the rules on territorial and substantive jurisdiction were breached. This provision may lead to abusive redistribution of cases to “loyal” judges. Such arbitrary allocation of cases is further facilitated by new provisions on the distribution of work-load in the courts which would increase the discretion of the court presidents (see, for example, new Article 22a, and new Article 37e §2), and the new rule de facto permitting allocation of cases to a judge from another district court (see new Article 77 § 9a which permits to delegate a judge of the district court to another court “simultaneously with performing duties in his official place” of work, i.e. in the district where this judge normally works).
42. The Amendments in this part are supposed to counter a situation which was created by the 2017 reform of the NCJ and of the Supreme Court. In the opinion of the Venice Commission, it is necessary to return to the question of composition of the NCJ, in order to bring the method of appointment of its judicial members in accordance with the European standards and best practices. That would remove the risk of legal chaos, although the question of validity of judicial appointments made in the meantime would have to be addressed by the Polish authorities.
43. In the short-term perspective, the Venice Commission urges the Polish authorities to remove provisions (on disciplinary offences and other) which prevent the courts from examining the questions of independence and impartiality of other judges from the standpoint of the EU law and the ECHR.
Verder bevatten deze Amendments een verruiming van de gronden voor disciplinaire procedures tegen rechters. Hieromtrent overweegt de Venice Commission onder “D. New disciplinary offences and sanctions”:
44. As stressed above, new Article 107 affects the free speech of judges and may be problematic under the ECHR and EU law. However, it is very troubling in other respects too. New § 1 contains overbroad and open-ended definitions and thus threatens the principle of legality. For instance, it prohibits “acts or omissions which may prevent or significantly impede the functioning of an organ of the judiciary” and “an infringement of the dignity of the office”. Both of these invite very subjective interpretations and could easily be abused to interfere improperly in judicial roles.
5. het arrest van het HvJ van 26 maart 20207., waarin onder andere is geoordeeld:
58 Nationale bepalingen waaruit zou voortvloeien dat nationale rechters kunnen worden blootgesteld aan tuchtprocedures omwille van het feit dat zij het Hof om een prejudiciële beslissing hebben verzocht, zijn derhalve niet toelaatbaar (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 1 oktober 2018, [naam 1] en [naam 2] , C‑558/18 en C‑563/18, niet gepubliceerd, EU:C:2018:923, punt 21). Het enkele vooruitzicht dat de betrokken nationale rechters in voorkomend geval tuchtrechtelijk kunnen worden vervolgd omdat zij een verzoek om een prejudiciële beslissing hebben ingediend of hebben besloten dat verzoek na indiening te handhaven, kan immers afbreuk doen aan de daadwerkelijke uitoefening door de betrokken nationale rechters van de in het voorgaande punt genoemde mogelijkheid en taak.
59 Het feit dat deze rechters niet worden blootgesteld aan tuchtrechtelijke procedures of sancties wegens het feit dat zij hebben gebruikgemaakt van deze mogelijkheid om zich tot het Hof te wenden, die onder hun exclusieve bevoegdheid valt, vormt voorts een waarborg die inherent is aan hun onafhankelijkheid (zie in die zin beschikking van 12 februari 2019, RH, C‑8/19 PPU, EU:C:2019:110, punt 47), welke onafhankelijkheid in het bijzonder essentieel is voor de goede werking van het stelsel van rechterlijke samenwerking die gestalte krijgt in het in artikel 267 VWEU neergelegde mechanisme van de prejudiciële verwijzing [zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
6. de inbreukprocedure die door de Europese Commissie op 25 oktober 2019 is gestart8.- een “beroep wegens niet-nakoming” - die tot doel heeft vast te stellen dat Polen de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens:
- artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU,
- door toe te staan dat de inhoud van rechterlijke beslissingen kan worden aangemerkt als een tuchtrechtelijk vergrijp wat betreft de rechters van de gewone rechterlijke instanties [artikel 107, § 1, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. nr. 98, volgnr. 1070), zoals gewijzigd (Dz. U. van 2019, volgnr. 1495) (hierna: „wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties”), en artikel 97, §§ 1 en 3, van de wet inzake de Sąd Najwyższy];
- door niet de onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waarborgen van de tuchtkamer, die belast is met de toetsing van de beslissingen in tuchtprocedures tegen rechters [artikel 3, punt 5, artikel 27 en artikel 73, § 1, van de wet inzake de Sąd Najwyższy, gelezen in samenhang met artikel 9a van de ustawa o Krajowej Radzie Sądownictwa (wet inzake de nationale raad voor de rechterlijke macht) van 12 mei 2011 (Dz. U. nr. 126, volgnr. 714), zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy o Krajowej Radzie Sądownictwa oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet inzake de nationale raad voor de rechterlijke macht en van sommige andere wetten) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 3 (hierna: „wet inzake de KRS”)];
- door de president van de tuchtkamer de discretionaire bevoegdheid te verlenen om het tuchtgerecht aan te wijzen dat in eerste aanleg bevoegd is voor zaken betreffende de rechters van de gewone rechterlijke instanties (artikel 110, § 3, en artikel 114, § 7, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties), en derhalve niet te waarborgen dat tuchtzaken worden onderzocht door een „bij wet ingesteld” gerecht, en
- door aan de minister van Justitie de bevoegdheid te verlenen om een tuchtambtenaar van de minister van Justitie aan te stellen (artikel 112b van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties), en derhalve niet te waarborgen dat tuchtzaken tegen rechters van de gewone rechterlijke instanties binnen een redelijke termijn worden behandeld, alsmede door te bepalen dat de handelingen die betrekking hebben op de aanwijzing van een raadsman en het op zich nemen van de verdediging door deze laatste, geen schorsende werking hebben voor het verloop van de tuchtprocedure (artikel 113a van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) en dat het tuchtgerecht de procedure voortzet zelfs indien de in kennis gestelde betrokken rechter of zijn raadsman met reden afwezig is (artikel 115a, § 3, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties), waardoor de rechten van de verdediging van de betrokken rechters van de gewone rechterlijke instanties niet worden beschermd;
- artikel 267, tweede en derde alinea, VWEU, door toe te staan dat het recht van rechterlijke instanties om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing wordt beperkt door de mogelijkheid om een tuchtprocedure te starten.
7. de beschikking van het HvJ van 8 april 20209.in deze inbreukprocedure, waarin bij wijze van interim measure is geoordeeld
Het Hof (Grote kamer) beschikt:
De Republiek Polen moet, onmiddellijk en tot aan de uitspraak van het arrest waarmee zaak C-791/19 wordt beëindigd,
- de toepassing opschorten van artikel 3, punt 5, artikel 27 en artikel 73, § 1, van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet die ziet op de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 5), zoals gewijzigd, die de grondslag vormen voor de bevoegdheid van de Izba Dyscyplinarna (tuchtkamer) van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) om zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitspraak te doen in tuchtzaken betreffende rechters;
- zich onthouden van het toewijzen van de bij de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy aanhangige zaken aan een rechtsprekende formatie die niet voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid zoals met name uiteengezet in het arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982), en
- de Europese Commissie uiterlijk een maand na de kennisgeving van de beschikking van het Hof waarbij de gevraagde voorlopige maatregelen worden gelast, op de hoogte stellen van alle maatregelen die zij heeft genomen om volledig aan deze beschikking te voldoen.
en waaruit blijkt dat de inbreukprocedure die op 25 oktober 2019 door de Europese Commissie is gestart, niet al op voorhand geen kans van slagen heeft.
Het is de rechtbank niet bekend of de Poolse autoriteiten voornoemde maatregelen hebben genomen en of zij de Europese Commissie hiervan binnen de termijn van een maand in kennis hebben gesteld.
8. de omstandigheid dat de rechtbank ambtshalve uit berichten in de media heeft vernomen dat inmiddels op 9 juni 2020 voor de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy een zitting heeft plaatsgevonden betreffende het (al dan niet) opheffen van de strafrechtelijke immuniteit van een Poolse rechter.
9. de omstandigheid dat de Europese Commissie op 29 april 2020 een (vierde) inbreukprocedure tegen Polen10.is gestart met betrekking tot voornoemde law on the judiciary of 20 December 2019:
The new law on the judiciary undermines the judicial independence of Polish judges and is incompatible with the primacy of EU law. Moreover, the new law prevents Polish courts from directly applying certain provisions of EU law protecting judicial independence, and from putting references for preliminary rulings on such questions to the Court of Justice. After carrying out an analysis of the legislation concerned, the Commission concluded that several elements of the new law violate EU law:
First, the Commission notes that the new law broadens the notion of disciplinary offence and thereby increases the number of cases in which the content of judicial decisions can be qualified as a disciplinary offence. As a result, the disciplinary regime can be used as a system of political control of the content of judicial decisions. The new law violates Article 19(1) of the Treaty on European Union read in connection with Article 47 of the Charter of Fundamental Rights of the European Union, which establish a right to an effective remedy before an independent and impartial court. It is incompatible with the requirements of judicial independence as established by the EU Court of Justice.
Second, the Commission notes that the new law grants the new Chamber of Extraordinary Control and Public Affairs of the Supreme Court the sole competence to rule on issues regarding judicial independence. This prevents Polish courts from fulfilling their obligation to apply EU law or request preliminary rulings from the EU Court of Justice. The new law is incompatible with the principle of primacy of EU law, the functioning of the preliminary ruling mechanism as well as with requirements of judicial independence.
Third, the Commission notes that the law prevents Polish courts from assessing, in the context of cases pending before them, the power to adjudicate cases by other judges. This impairs the effective application of EU law and is incompatible with the principle of primacy of EU law, the functioning of the preliminary ruling mechanism and requirements of judicial independence.
Finally, the Commission notes that the new law introduces provisions requiring judges to disclose specific information about their non-professional activities. This is incompatible with the right to respect for private life and the right to the protection of personal data as guaranteed by the Charter of Fundamental Rights of the EU and the General Data Protection Regulation.
3.3.3
Nadere vragen
Voor de rechtbank vormen de voornoemde ontwikkelingen, in samenhang bezien, aanleiding om af te wijken van de sinds de eerdergenoemde uitspraak van 16 januari 2020 gehanteerde lijn.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze ontwikkelingen van een dusdanig toegenomen druk op de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen, dat dit gevolgen kan hebben voor de door de rechtbank te nemen beslissing over de overlevering.
Anders dan de verdediging respectievelijk de officier van justitie hebben verzocht, zal de rechtbank op dit moment nog niet een beslissing nemen tot het weigeren of toestaan van de overlevering, danwel tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ. De rechtbank heeft, alvorens zij één van de mogelijke beslissingen als bedoeld kan nemen, nog eenmaal behoefte aan aanvullende gegevens. De rechtbank zal deze bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit opvragen, in het kader van de aan haar opgedragen dialoog zoals bedoeld in het arrest LM in paragraaf 76 tot en met 78.
De rechtbank zal derhalve het onderzoek ter zitting heropenen en de officier van justitie verzoeken de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit:
A. Ten aanzien van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy
Zijn voor de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy sinds de interim measure van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 april 2020 nog tuchtzaken tegen rechters behandeld?
Zo ja, betekent dit dat de toepassing van artikel 3, punt 5, artikel 27 en artikel 73, § 1, van de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet die ziet op de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) van 8 december 2017 (Dz. U. van 2018, volgnr. 5), zoals gewijzigd, die de grondslag vormen voor de bevoegdheid van de Izba Dyscyplinarna (tuchtkamer) van de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) om zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitspraak te doen in tuchtzaken betreffende rechters, niet is opgeschort?
In hoeverre is overigens voldaan aan de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 april 2020?
Is de toepasselijke wetgeving nog (onverkort) van toepassing?
B. Welke rechterlijke instanties bevoegd?
Welke rechterlijke instanties (in eerste aanleg en in hoger beroep) zijn concreet bevoegd voor de procedures waaraan deze opgeëiste persoon zal worden onderworpen?
C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen bij de onder B bedoelde instanties
Voor ieder van de hiervoor bedoelde rechterlijke instanties:
1. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken in 2017 en in 2020 tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?
2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van voornoemde wijzigingen van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?
3. Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van ‘written remarks’ door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?
D. Ten aanzien van de “law on the judiciary of 20 December 2019” die op 14 februari 2020 in werking is getreden
Voor zover nog niet beantwoord naar aanleiding van de vraag onder A: is deze wetgeving nog (onverkort) van toepassing?
De rechtbank verzoekt de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit deze vragen ten spoedigste te beantwoorden, zo nodig na om de bijstand van de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in de zin van artikel 7 van het kaderbesluit te hebben verzocht (zie ook het arrest van het HvJ van 5 april 2016, [naam 3] en [naam 4] , C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 97).
Deze vragen dienen door tussenkomst van de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te worden voorgelegd en binnen 3 (drie) weken na de uitspraak te worden beantwoord.
De vervolgzitting zal binnen 2 (twee) weken na de ontvangst van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit plaatsvinden.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de antwoorden op de gestelde vragen af te wachten;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn advocaten.
BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen voornoemd nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. C. Klomp en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 juni 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑06‑2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:1896.
Zaak LM, C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586.
C-558/18 en C-563/18, ECLI:EU:C2020:234.
ECLI:NL:RBAMS:2020:181.
C-585/19, C-624/18 en C-625/18, ECLI:EU:C2019:982.
Joint urgent opinion of the Venice Commission and the Directorate General of Human Rights and Rule of Law (DGI) of the Council of Europe on amendments to the Law on the Common Courts, the Law on the Supreme Court and some other laws, Opinion No. 977 / 2019.
C-558/18 en C-563/18, ECLI:EU:C2020:234.
C-791/19.
C-791/19, ECLI:EU:C2020:277.
Procedurenummer: 20202182, https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/EN/IP_20_772.
Uitspraak 24‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Overleveringsverzoek uit Polen. Tussenuitspraak. De rechtbank stelt de officier van justitie en de verdediging in de gelegenheid hun schriftelijke zienswijze te geven op de meest recente ontwikkelingen ten aanzien van de rechtstaat in Polen en – meer specifiek – op de vraag hoe deze punten concreet (moeten) doorwerken in de op de rechtbank rustende verplichting tot beantwoording van de vragen die voortvloeien uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 25 juli 2018.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751021-20
RK nummer: 20/771
Datum uitspraak: 24 maart 2020
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 februari 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 augustus 2015 door the Circuit Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 maart 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn advocaten: mevrouw mr. H.A.F.C. Tack en de heer
mr. M.A.C. de Bruijn, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Decision of the District Court in Poznań – Stare Miasto, of the 18th day of June 2015, on executing a preventative measure against the suspect in the form of a temporary arrest for 14 days from the date of the apprehension, met kenmerk: III Kp 352/15.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Poolse recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
4. Strafbaarheid en genoegzaamheid
4.1.
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de in onderdeel E onder I van het EAB omschreven feiten, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Pools recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.2.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het in onderdeel E onder II van het EAB omschreven feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De verdediging heeft betoogd dat het feit II naar Nederlands recht niet strafbaar is en dat de overlevering voor dit feit daarom moet worden geweigerd. De in het EAB opgenomen verdenking is dat de opgeëiste persoon voorbereidingshandelingen zou hebben gepleegd om een vervalste ID-kaart te houden waar hij verbleef. Hij heeft dus niet daadwerkelijk een vervalste ID-kaart voorhanden gehad: “that would keep” is de gegeven omschrijving, aldus de verdediging. De verdediging heeft tevens betoogd dat de omschrijving ongenoegzaam is, omdat het Poolse strafbare feit – gelet op de Poolse kwalificatie – ziet op voorbereidingshandelingen voor het vervalsen van een ID-kaart. Het EAB omschrijft enkel voorbereidingshandelingen voor het voorhanden hebben van een vervalst document. De mate van betrokkenheid is dus onvoldoende omschreven.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren; het feit valt onder artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair – voor het geval de rechtbank van oordeel is dat van dubbele strafbaarheid of genoegzaamheid van de omschrijving geen sprake is – heeft de officier van justitie verzocht hierover aanvullende informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank leest de omschrijving van feit II aldus dat de opgeëiste persoon er van wordt verdacht dat hij (ter plaatse waar hij verbleef) een vervalste identiteitskaart voorhanden heeft gehad en (daarmee) voorbereidingshandelingen heeft verricht om die vervalste identiteitskaart als echt en onvervalst te gebruiken (“to use as authentic”). De omschrijving van het feit – de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon, inclusief de vermelde tijd en plaats van het feit – is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en genoegzaam. Het feit levert naar Nederlands recht op:
een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is
De rechtbank verwerpt de verweren.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW
Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Poolse autoriteiten plaats te vinden.
De volgende argumenten zijn aangevoerd:
- -
het onderzoek heeft een aanvang in Polen genomen;
- -
het bewijs bevindt zich in Polen;
- -
medeverdachten worden in Polen vervolgd of zijn in Polen veroordeeld;
- -
de verdovende middelen waren bestemd voor de Poolse markt en dus is met name de rechtsorde in Polen geschaad.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Aangevoerd is onder meer dat alle beschreven handelingen van de opgeëiste persoon in Nederland zouden zijn begaan. Het aanschaffen van drugs in Nederland schokt bovendien juist de rechtsorde in Nederland en niet in Polen. Dat de opgeëiste persoon betrokken is bij de uitvoer van drugs uit Nederland, blijkt niet uit het EAB, aldus de verdediging. Ook van medeplegen van uitvoer van drugs kan geen sprake zijn, gelet op de informatie in het EAB.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier van justitie opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Dit betekent dat niet wordt onderzocht met welk land méér raakpunten bestaan, maar dat slechts getoetst kan worden of de officier van justitie in redelijkheid tot de vordering van artikel 13, tweede lid, OLW heeft kunnen komen. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, is dat het geval. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.
6. Artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
6.1
Inleiding; overzicht jurisprudentie Poolse rechtsstaat
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 20181.een uitleg gegeven van het toetsingskader, dat is opgenomen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU2.(hierna: het arrest). De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat uit het arrest volgt dat drie vragen (ook wel stap 1, 2 en 3 genoemd) moeten worden beantwoord.
In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 20183.vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast (stap 1).
Teneinde concreet en nauwkeurig te kunnen beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat een opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen (stap 2 en stap 3), heeft de rechtbank een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.
In de brief van 26 oktober 2018 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit antwoord gegeven op de vragen die geformuleerd zijn in bovengenoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018.
Bij uitspraak van 27 september 20194.heeft de rechtbank geoordeeld dat de impact van de geconstateerde structurele gebreken op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan opgeëiste personen zullen worden onderworpen, zodanig is dat de genoemde structurele gebreken naar het oordeel van de rechtbank in alle gevallen negatieve gevolgen voor die rechterlijke instanties kunnen hebben. Om die reden heeft de rechtbank geoordeeld dat in zaken waarin de Poolse rechtsstaat een rol speelt, kan worden aangenomen dat ook aan stap 2 is voldaan.
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat een deel van de eerder gestelde vragen niet meer hoeft te worden beantwoord, tenzij zich nieuwe relevante ontwikkelingen voordoen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vragen betreffende “Tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen” nog moeten worden gesteld in het kader van de beoordeling van stap 3, bij de beantwoording van welke vraag moet worden meegewogen wat bekend is geworden bij de beantwoording van de eerste en de tweede vraag.
Bij uitspraak van 16 januari 20205.heeft de rechtbank geoordeeld dat zij zich op dat moment – op grond van de informatie die in andere overleveringszaken was verstrekt – voldoende voorgelicht achtte over het algemene beeld van tuchtzaken en andere al dan niet disciplinaire maatregelen jegens Poolse rechters. De rechtbank overwoog toen onder meer:
Hoewel de beschikbare informatie zeer zorgwekkend is en de meest recente ontwikkelingen ongunstig zijn, is dit algemene beeld op zichzelf in beginsel nog onvoldoende om in concrete situaties aan te nemen dat het recht op een eerlijk proces van een opgeëiste persoon in het gedrang is geweest of zal komen. Informatie over tuchtzaken en andere (disciplinaire) maatregelen blijft van belang bij de beoordeling van vraag/stap 3, maar naar de huidige stand van zaken zal deze informatie niet zonder nadere gegevens over de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon die verder bijdragen aan de vrees dat zijn recht op een eerlijk proces in het geding is (geweest), ertoe kunnen leiden dat de overlevering niet wordt toegestaan.
(…)
Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank, indien zij dit noodzakelijk acht in het licht van nieuwe ontwikkelingen inzake de Poolse rechtsstaat, nadere vragen kan stellen.
6.2
Standpunt van partijen ter zitting
De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat het vertrouwensbeginsel waarop het overleveringsrecht is gebaseerd, niet meer kan gelden ten opzichte van Polen. Gelet op de vaststellingen van de rechtbank in het kader van de stappen 1 en 2, in combinatie met nieuwe ontwikkelingen in Polen, waaronder met name de inwerkingtreding op 4 februari 2020 van een nieuwe wet die vanwege de inhoud bekendstaat als ‘muzzle law’, is het vertrouwen geschonden.
De verdediging heeft gesteld dat het Poolse Hooggerechtshof heeft geoordeeld dat rechters aangewezen onder de gewijzigde omstandigheden, geen rechters zijn onder Pools of Europees recht. Dit vormt een wezenlijk risico voor de opgeëiste persoon, omdat hij daadwerkelijk het risico loopt dat zijn zaak zal worden beoordeeld door “rechters” die niet voldoen aan de Poolse en Europese eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Nu het vertrouwensbeginsel is geschonden, kan van overlevering geen sprake meer zijn. De verdediging heeft er in dit kader ook op gewezen dat het Oberlandesgericht Karlsruhe bij uitspraak van 17 februari 2020 in een Poolse overleveringszaak met zaaknummer Ausl 301 AR 156/19 in verband met de ontwikkelingen ten aanzien van de rechtsstaat vooralsnog heeft afgezien van overlevering (blijkens een persbericht van 9 maart 2020).
Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat prejudiciële vragen moeten worden gesteld. Die vragen dienen te zien op de kwestie of de opgeëiste persoon een eerlijk proces kan krijgen, gelet op de twijfel over de status van sommige “rechters”, de rechtsstaat en in het bijzonder of onder deze omstandigheden het vertrouwensbeginsel nog van toepassing is.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3
Oordeel van de rechtbank
6.3.1
De rechtbank ziet, gelet op de meest recente ontwikkelingen in Polen, aanleiding het onderzoek te heropenen om – alvorens te beslissen – de problematiek van de Poolse rechtsstaat nader te onderzoeken, mede aan de hand van geactualiseerde zienswijzen van de officier van justitie en de verdediging. Hierbij is onder meer van belang dat het Oberlandesgericht Karlsruhe (Duitsland) in de hiervoor vermelde uitspraak heeft beslist dat het in die zaak gegeven bevel tot overleveringsdetentie moet worden ingetrokken aangezien het op dit moment zeer waarschijnlijk is dat de overlevering van de verdachte aan Polen met het oog op strafrechtelijke vervolging ontoelaatbaar zal zijn wegens schending van het recht op een eerlijk proces. In die zaak zijn nadere vragen gesteld aan de uitvaardigende Poolse autoriteit en aan het Poolse Ministerie van Justitie. Deze uitspraak was ten tijde van de behandeling van 10 maart 2020 nog niet in Nederlandse vertaling beschikbaar voor partijen. De rechtbank heeft de uitspraak laten vertalen en een afschrift hiervan zal als bijlage aan deze tussenuitspraak worden gehecht.
6.3.2
De rechtbank wijst voorts op de recente zitting van 9 maart 2020 bij het Hof van Justitie van de EU (hierna: het Hof) ten behoeve van de door de Europese Commissie verzochte interim measure binnen de bij het Hof aanhangige inbreukprocedure (zaak C-791/19) van de Europese Commissie tegen Polen. Deze interim measure is verzocht om het functioneren van the disciplinary chamber van het Poolse Hooggerechtshof op te schorten. De rechtbank verwacht dat hierop binnen afzienbare tijd zal worden beslist, hoewel het Hof hiervoor geen datum heeft bepaald.
6.3.3
In het licht van het gevoerde verweer dat de opgeëiste persoon het risico loopt dat zijn zaak in Polen zal worden beoordeeld door rechters die mogelijk niet voldoen aan de vereisten van het EU-recht inzake justitiële onafhankelijkheid – en die daarom geen onafhankelijke rechters zouden zijn in de zin van het EU-recht en het Poolse recht – wijst de rechtbank op het volgende. In het arrest van het Hof van 19 november 2019 heeft het Hof – kort gezegd – geoordeeld dat het aan de verwijzende (in casu Poolse) rechter is om, rekening houdend met alle relevante gegevens waarover hij beschikt, vast te stellen of is voldaan aan de in dat arrest verwoorde vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.6.Gebleken is dat het Poolse Hooggerechtshof op 5 december 2019 heeft beslist dat de tuchtkamer (disciplinary chamber) van het Poolse Hooggerechtshof niet voldoet aan die vereisten. Tegen deze beslissing heeft de Poolse regering beroep ingesteld bij het Poolse Grondwettelijke Hof. De rechtbank acht het van belang in dit verband te wijzen op de Joint Urgent Opinion of the Venice Commission and the Directorate General of Human Rights and Rule of Law (DGI) of the European Council of Europe on amendments to the Law on the Common Courts, the Law on the Supreme Court and some other laws van 16 januari 2020. In dit rapport overweegt the Venice Commission in punt 60 het volgende:
The Venice Commission understands that Polish legal order faces a difficult situation: as a result of the controversial reform of 2017, “old” judicial institutions de facto refused to recognise the legitimacy of the “new” ones. This “legal schism” should be quickly resolved, which will certainly require further legislative amendments. The amendments of December 2019, however, are not suitable to achieve this goal. They diminish judicial independence and put Polish judges into the impossible situation of having to face disciplinary proceedings for decisions required by the ECHR, the law of the European Union, and other international instruments. Thus, the Venice Commission recommends not to adopt those amendments.
De voornoemde wetswijzigingen (de Wet op de inrichting van de gewone rechtbanken, de Wet op het Hooggerechtshof en enkele andere wetten) zijn evenwel op 4 februari 2020 in werking getreden.
6.3.4
De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie en de verdediging in de gelegenheid te stellen om – alvorens de rechtbank nader uitspraak zal doen – hun schriftelijke zienswijze te geven op voorgaande ontwikkelingen (punten 6.3.1 tot en met 6.3.3) en – meer specifiek – op de vraag hoe deze punten concreet (moeten) doorwerken in de op de rechtbank rustende verplichting tot beantwoording van de vragen die voortvloeien uit het arrest van het Hof van 25 juli 2018 (de onder 6.1 toegelichte 3 stappen).
7. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie en de verdediging in de gelegenheid te stellen hun schriftelijke zienswijzen te geven als bedoeld onder 6.3.4.
BEVEELT dat voornoemde zienswijzen uiterlijk op 21 april 2020 kunnen worden ingediend bij de rechtbank.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen uitspraakdatum en tijdstip ná 21 april 2020, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn advocaten.
BEVEELT de oproeping van een tolk Pools tegen voornoemd nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. C. Klomp en M.E.M. James-Pater, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 maart 2020.
De leden van de combinatie en de griffier zijn buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.
Gezien en namens dezen,
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.