Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/9.2.4
9.2.4 Het definiëren van juridische posities in relaties tot anderen
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS304004:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie naast het volgende citaat bijvoorbeeld ook Heyman 1992, p. 346; Snijders 1999, p. 561; Fesevur 2005, p. 14; Nieuwenhuis 2007, p. 48; Struycken 2007, p. 483-484; Asser/Maeijer & Kroeze 2015, para. 10.
Asser/Mijnssen, de Haan & van Dam 2006, para. 1.
Zie bijvoorbeeld Meijers 1948, p. 85–86, die op deze pagina’s de term ‘bevoegdheid’ niet alleen als een onderdeel van een subjectief recht lijkt te beschouwen, maar ook als een (volledig) subjectief recht zelf.
Dit zijn de twee juridische posities die door de gerechtigde actief kunnen worden ingeroepen. Zie randnummer 83.
Zie, naast het voorbeeld hierna, bijvoorbeeld ook Verdaas 2015, p. 53.
is dus onjuist dat een goederenrechtelijk recht enkel uit ‘bevoegdheden’, oftewel voordelen bestaat; zie in gelijke zin Mollema 2013a, p. 243.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 942.
Zie bijvoorbeeld Nieuwenhuis 1980, p. 19–20.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/33.
Dit bezwaar kan zich ook voordoen wanneer men uitgaat van de opvatting dat een goederenrechtelijk recht een recht ‘op’ een rechtsobject is. Zo stelt Struycken 2007, p. 229: “Het eigendomsrecht is tenminste de optelsom van alle bevoegdheden die in de vorm van goederenrechtelijke rechten kunnen worden gegoten.” Een dergelijke definitie zorgt ervoor dat bij het definiëren van een eigendomsrecht de juridische posities die geen onderdeel van een beperkt recht zijn, minder snel zullen worden genoemd.
Eggens 1960, p. 192.
Het is enigszins opmerkelijk dat Eggens in deze bevoegdheid niet een wilsrecht herkent, nu hij zelf een lans gebroken had voor de verdere ontwikkeling van deze figuur. Zie Eggens 1939, p. 327.
Schoordijk 1992, p. 1205.
De Jong 2005, p. 40.
Zie bijvoorbeeld van Acht 1990, p. 134, 137.
383. Hieronder bekijk ik uit welke elementen goederenrechtelijke rechten bestaan. In het verleden is in de Nederlandse rechtsliteratuur meermaals de opvatting verkondigd dat goederenrechtelijke rechten bestaan uit een ‘bundel’ waarin meerdere elementen worden samengebracht. Dit geldt ongeacht of men een goederenrechtelijk recht ziet als een recht ‘op’ een rechtsobject of als een samenstel van juridische posities die de gerechtigde ten aanzien van het rechtsobject inneemt in relatie tot anderen. Ik bespreek daarom opvattingen uit beide kampen.
384. De meest voorkomende variant van de opvatting dat goederenrechtelijke rechten bestaan uit een ‘bundel’ waarin meerdere elementen worden samengebracht, is die van de ‘bundel met bevoegdheden’.1 Zie bijvoorbeeld het volgende citaat:
“De ordening van de rechtsverschijnselen pleegt te geschieden door groepen van bevoegdheden samen te bundelen (bijvoorbeeld eigendom, hypotheek, vorderingsrecht) en verder als eenheid te behandelen.”2
385. De term ‘bevoegdheden’ wordt hier gebruikt om te verhullen dat er in de Nederlandse rechtsliteratuur eigenlijk geen goed begrippenkader is ontwikkeld om aan te geven wat de elementen zijn waaruit een subjectief recht bestaat.3 De juridische posities die ik in hoofdstuk 3 op basis van de (Anglo-) Amerikaanse literatuur heb uiteengezet zijn hier onbekend. De term ‘bevoegdheden’ lijkt hoogstens twee van de acht juridische posities te kunnen dekken: ‘liberties’ en ‘powers’.4
386. Iets omvattender al is de opvatting dat er naast bevoegdheden ook verplichtingen in een goederenrechtelijk recht zijn samengebundeld.5 Hiermee worden ook ‘duties’ een plek gegeven.6 Zo wordt in de Memorie van Antwoord bij de totstandkoming van het huidige art. 6:252 BW (kwalitatieve verplichting) over de aard van een zakelijk recht opgemerkt:
“Bij een zakelijk recht gaat het veelal om een meer omvattende bundel van verplichtingen en bevoegdheden, in de regel door partijen bij de vestiging ervan nader uitgewerkt.”7
387. Een andere manier om meer juridische posities in de omschrijving van een goederenrechtelijk recht te betrekken, is de eerdergenoemde onderver deling in een interne en externe zijde van dat recht. De externe zijde van een goederenrechtelijk recht ziet op het uitsluiten van anderen; dat gebeurt (onder meer) door middel van een ‘claim’.
388. Afhankelijk van het gekozen perspectief worden dus steeds verschillende juridische posities uitgelicht waaruit een goederenrechtelijk recht bestaat, maar tot een compleet begrippenkader komt men niet. Dit vormt een struikelblok voor Nederlandse auteurs die een meer relationele benadering van het goederenrecht aanhangen. Zij lopen tegen twee met elkaar samenhangende problemen aan. Het eerste probleem is dat het moeilijk blijkt te zijn om goederenrechtelijke rechten op te bouwen uit relaties tussen personen, omdat er geen begrippen zijn die dat mogelijk maken. Daarom valt men terug op de ‘verbintenis’ als het kleinste bouwblokje om relaties weer te geven.8 De moeilijkheid daarbij is dat de (enkele) verbintenis in het Nederlandse vermogensrecht doorgaans niet als zelfstandig bouwblokje wordt gebruikt. Dat blijkt als men kijkt naar de wijze waarop de verbintenis doorgaans wordt gekarakteriseerd – als vermogensrechtelijke betrekking tussen twee personen waarvan de actiefzijde een vorderingsrecht impliceert.9 Deze vordering wordt naar Nederlands recht welhaast automatisch voorzien van bescherming en manieren om de prestatie waartoe de vordering recht geeft af te dwingen, waardoor de vordering zelf al een samenstel van juridische posities is (zie randnummer 87). Er wordt dan geprobeerd het ene samenstel van juridische posities (een goederenrechtelijk recht) te beschrijven aan de hand van een ander samenstel van juridische posities (een vordering). Dit betekent dat juridische posities die niet samen een verbintenis (oftewel een vordering als actiefzijde daarvan) vormen, geen plek kunnen krijgen. Zij worden over het hoofd gezien.10 Hetzelfde geldt indien men onder ‘verbintenis’ niet de passiefzijde van een (van een ‘perimeter of protection’ voorziene) vordering verstaat, maar een enkele ‘duty’; andere juridische posities blijven dan buiten beschouwing.
389. Ten tweede, en in aansluiting daarop, is het karakteriseren van goederenrechtelijke rechten als een verzameling kleinere elementen weinig zinvol zolang men niet kan aangeven welke elementen dat dan zijn. Zegt men bijvoorbeeld dat een goederenrechtelijk recht is opgebouwd uit verbintenissen, dan is de vervolgvraag – die steevast niet wordt beantwoord – waaruit deze verbintenissen dan bestaan. Wordt bijvoorbeeld betoogd dat een goederenrechtelijk recht een ‘bundel’ is van ‘rechten’, ‘verplichtingen’ en/of ‘bevoegdheden’, dan zegt dat nog steeds weinig. Afgezien van het feit dat deze termen niet altijd consequent gebruikt worden, dienen ze eerder als containerbegrip om aan te geven dat iemand ergens recht op heeft, dan dat er een specifiek type relatie mee wordt aangeduid. Een omschrijving van een goederenrechtelijk recht in relaties tussen personen blijft dan hangen in algemeenheden.
390. Beide problemen zorgen ervoor dat een goederenrechtelijk recht niet volledig en in detail kan worden omschreven. De meerwaarde boven een versimpelde omschrijving van een goederenrechtelijk recht als een recht ‘op’ een rechtsobject, is dan verwaarloosbaar. Ik geef drie voorbeelden uit de Nederlandse rechtsliteratuur die de worsteling laten zien die ontstaat wanneer, ondanks het ontbreken van een begrippenkader, toch geprobeerd wordt om goederenrechtelijke rechten in relationele termen te bespreken. Het eerste daarvan is te vinden bij Eggens, die in de voordracht ‘Over de verhouding van eigendom en verbintenis’ betoogt dat eigendomsrechten soms ‘verbintenisrechtelijke’ trekken hebben. Om dat te laten zien, bespreekt hij de bevoegdheid van de eigenaar van een ingesloten perceel om een noodweg te vorderen:
“Men kan hier twijfelen of deze ‘bevoegdheid’ reeds (de actieve zijde van een) verbintenis mag heten vóórdat de ‘bevoegde’ aan zijn wederpartij of wederpartijen heeft doen blijken zijn bevoegdheid te willen uitoefenen.”11
391. Eggens is erop gebrand om deze ‘bevoegdheid’ als ‘verbintenisrechtelijk’ aan te merken. Hij heeft daar enige moeite mee, omdat – hoewel er duidelijk een aanspraak tussen twee personen bestaat – er geen sprake is van een ‘volledige’ verbintenis. In het kader van de titel van zijn voordracht minder sterk, maar wel juister, was het geweest om deze ‘bevoegdheid’ op te vatten als wilsrecht (‘power’ plus de ‘liberty’ om deze power te gebruiken).12
392. Schoordijk worstelt op vergelijkbare wijze met het omschrijven van goederenrechtelijke rechten in verbintenisrechtelijke termen:
“Op te merken valt dat niet alle beperkte zakelijke rechten zich in obligatoire termen laten beschrijven. Zakelijke zekerheidsrechten moeten wij anders duiden. Wie een hypotheek vestigt, verschaft aan de hypotheeknemer het recht om namens hem het hypothekeerde goed te vervreemden.”13
393. Het is niet helemaal duidelijk waarom Schoordijk meent dat zakelijke zekerheidsrechten – anders dan de door hem voorafgaand aan het fragment besproken genotsrechten – zich niet in obligatoire termen laten beschrijven. Ik meen dat het verschil te verklaren is uit het feit dat hij de genotsrechten omschrijft als combinaties van verplichtingen van de moedergerechtigde jegens de goederenrechtelijk gerechtigde. Van een dergelijke verplichting kan moeilijk gesproken worden bij het ‘recht’ om een rechtsobject te vervreemden. Dit ‘recht’ van de zekerheidsgerechtigde is geen ‘claim’, maar een ‘liberty’. Het verschil is goed te zien als we naar de correlatieve positie van de moedergerechtigde kijken; deze heeft geen ‘duty’ om een bepaalde prestatie te verrichten, maar een ‘no-right’ om zich te verzetten tegen executie door de zekerheidsgerechtigde. Een ‘liberty’ is dus niet goed in te passen in een ‘obligatoire’ opvatting waarin slechts verplichtingen op de moedergerechtigde rusten.
394. De Jong wijst, anders dan Eggens en Schoordijk, juist de opvatting af dat een goederenrechtelijk recht bestaat uit juridische posities die de gerechtigde inneemt in relatie tot anderen. Eén van zijn argumenten is dat de verbintenissen die uit het eigendomsrecht voortvloeien te onbepaald zijn om te kunnen worden afgedwongen. Zo merkt hij het volgende op over de casus van de grensoverschrijdende garage, waarin een buurman zonder toestemming heeft gebouwd op de grond van zijn buurvrouw:
“Uit de vage verplichting van de buurman om geen inbreuk te maken op de allerminst vage relatie tussen de buurvrouw en haar grond in de vorm van het eigendomsrecht, vloeide voor de buurvrouw pas een rechtsvordering voort op het moment dat er inbreuk werd gemaakt. Het bestaan van de vordering uit onrechtmatige daad is hier de voorwaarde voor het bestaan van een rechtsvordering. Het eigendomsrecht als zodanig, dus los gezien van een verhouding tot een ander, geeft geen rechtsvorderingen, omdat er op grond van de relatie van de buurvrouw tot haar grond niet een schuldenaar kan worden geïdentificeerd in de gebruikelijke betekenis van het woord.”14
395. Het draait hier om de zinsnede “in de gebruikelijke betekenis van het woord”. Het klopt dat er geen schuldenaar “in de gebruikelijke betekenis van het woord” kan worden aangewezen voor de juridische posities die de buurvrouw voorafgaand aan het overbouwen door de buurman inneemt, omdat de buurvrouw op dat moment geen (volledige) vordering heeft. Door gebruik te maken van juridische posities kan worden verduidelijkt dat de buurman een ‘no-right’ heeft jegens de buurvrouw om op haar grond te bouwen. De buurvrouw heeft dus een ‘claim’ jegens de buurman dat deze niet op haar grond bouwt (art. 3:296 BW). Door te vereisen dat een goederenrechtelijk recht uit volledige vorderingen bestaat, wordt een stroman opgezet die vervolgens gemakkelijk kan worden aangevallen. Op vergelijkbare wijze worstelen ook andere auteurs met juridische posities die (nog) geen bestaande vorderingen zijn, maar daar uiteindelijk wel tot kunnen uitgroeien.15
396. De bovenstaande drie voorbeelden laten zien dat het zonder een uitgewerkt begrippenkader moeilijk is om te betogen dat een goederenrechtelijk recht kan worden weergegeven aan de hand van relaties tussen partijen. Deze opvatting heeft daardoor niet echt vaste voet aan de grond gekregen. In de voorgaande hoofdstukken heb ik uiteengezet hoe deze moeilijkheden kunnen worden overkomen.