Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/10.8.3.2
10.8.3.2 Verplichtingen uit hoofde van het schuldeiserschap of de nevenrechten
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585949:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
De algemene formulering van art. 3:243 lid 1 BW ('hij die uit hoofde van een pandrecht een zaak onder zich heeft ... ') laat een dergelijke brede interpretatie toe. Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 535; Van Achterberg 1999, nr. 45; Wibier 2009a, nr. 22; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 263. Het betreft een verplichting jegens de pandgever, die in veel gevallen ook de schuldenaar zal zijn.
Zie M.v.A. II, Pari. Gesch. Boek 3, p. 788-789.
Vgl. Biemans 2009e, par. 4.
Laten de pandhouder, of meer algemeen de inningsbevoegde derde dit na, dan is de schuldenaar op grond van art. 6:48 lid 3 BW bevoegd om de nakoming van zijn verplichting op te schorten. Zie hiervoor.
Zie de uitspraken van de Rechtbank en het Hof Amsterdam in de zaak die leidde tot HR 27 juni 1975, NJ 1976, 128; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-11* 2009, nr. 265-266.
Vgl. T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 535.
Zie ook de vergelijkbare bepalingen, art. 3:176 BW (aandeel in gemeenschap), art. 5:92 lid 2 BW (recht van erfpacht) en art. 5:122 lid 3 BW (appartementsrecht). Vgl. voorts de reeds genoemde art. 6:251 lid 2 BW (kwalitatieve recht), art. 7:506 lid 2 BW (reisovereenkomst) en art. 7:420-7:421 BW (lastgeving). V gl. Losbladige Verbintenissenrecht 2011 G.W.A. Biemans), art. 6:6, aant. 8.2.
Dit hangt samen met de verplichtingen van de stille cedent ex art. 6:143 BW jegens de stille cessionaris. Zie hierna nr. 681 (en vgl. nr. 674).
Vgl. T.M., Pari. Gesch. Boek 6, p. 535.
648. Na de overgang van de vordering komen de verplichtingen uit hoofde van het schuldeiserschap en de nevenrechten in beginsel op de nieuwe schuldeiser te rusten en staat de oude schuldeiser jegens de schuldenaar in voor nakoming. Blijft bij een stille cessie de stille cedent evenwel exclusief inningsbevoegd, dan is het de vraag of art. 6:144 lid 1 BW onverkort cliënt te gelden.
Op de derde die andermans vordering in eigen naam int en de daaraan verbonden nevenrechten in eigen naam uitoefent, komen naar mijn mening wei de verplichtingen te rusten die voortvloeien uit het schuldeiserschap en de nevenrechten, voorzover deze verplichtingen rechtstreeks samenhangen met de uitoefening van aan hem toegekende bevoegdheden. Bijvoorbeeld, is de derde inningsbevoegd, dan rust op hem de verplichting om zich jegens de schuldenaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW), de verplichting om een kwitantie en de bij de vordering behorende bewijsstukken af te geven (art. 6:48 lid 1 en lid 2 BW) en een zorgverplichting ten aanzien van te weigeren zaak die hij heeft ontvangen en onder zich houdt (art. 7:29 lid 1 BW). Is hij bevoegd om de aan de vordering verbonden rechten van pand en hypotheek uit te oefenen, dan rust op hem de zorgverplichting ten aanzien van het verpande goed dat hij onder zich heeft (art. 3:243 lid 1 BW),1 de verplichting om bij het tenietgaan van het pandrecht de pandgever de feitelijk macht over het verpande goed te Iaten herkrijgen en desverlangd aan de pandgever een schriftelijk bewijs te verstrekken dat het pandrecht geëindigd is (art. 3:256 BW), de verplichting van de hypotheekhouder om bij beëindiging van het hypotheekrecht aan de hypotheekgever een verklaring af te geven dat het hypotheekrecht vervallen is (art. 3:27 4 BW) en verplichting om bij de ingebrekestelling van de hoofdschuldenaar overeenkomstig art. 6:82 BW de borg hiervan tegelijkertijd mededeling te doen (art. 7:855 lid 2 BW).
Dat deze verplichtingen op de vruchtgebruiker en de openbaar pandhouder rusten, volgt bij de verplichtingen ex art. 3:256 BW en art. 3:27 4 BW reeds uit de tweede zin van art. 3:256 BW en art. 3:274 lid 1 BW.Vgl. ook hiervoor nr. 245. Dat de verplichting om de schuldbekentenis of een ander bewijsstuk aan de schuldenaar af te geven op de openbaar pandhouder rust, wordt bevestigd door de parlementaire geschiedenis bij art. 3:256 BW, waar wordt opgemerkt dat de pandhouder 'mede gelet op art. 6:48 lid 2 en 6:141 BW' verplicht is om de schuldbekentenis of een ander bewijsstuk aan de pandgever terug te geven.2 Hieruit volgt niet alleen dat de pandgever gehouden is tot afgifte van de bewijsstukken aan de openbaar pandhouder,3 maar ook dat de openbaar pandhouder jegens de schuldenaar verplicht is tot afgifte van de bewijsstukken en tot afgifte van een kwitantie.4 Dat dezelfde verplichting op de gevolmachtigde rust, wordt bevestigd door het gegeven dat het afgeven van een bewijsstuk aan een tussenpersoon een volmacht tot inning kan inhouden. 5 Dat deze verplichtingen op de inningsbevoegde derde rusten, is ook redelijk omdat hij veelal ook de enige zal zijn die in staat is om deze verplichtingen na te komen. Bijvoorbeeld, de inningsbevoegde derde die een te weigeren zaak of een vuistpand onder zich houdt, is als enige staat om voor deze zaak te zorgen en daarmee aan de zorgverplichting ex art. 7:29lid 1 BW respectievelijk art. 3:243 lid 1 BW te voldoen.
Is de derde exclusief inningsbevoegd, dan rusten dergelijke verplichtingen in beginsel niet op de inningsonbevoegde schuldeiser. Dat is redelijk, aangezien hij meestal ook niet in staat zal zijn deze verplichtingen te vervullen.6 Bij pand, vruchtgebruik, lastgeving, volmacht en gemeenschap ligt in dit geval de overeenkomstige toepassing van art. 6:144lid 1 BW voor de hand: de pandgever, de hoofdgerechtigde, de lastgever, de volmachtgever respectievelijk de gezamenlijke deelgenoten staan in voor de nakoming van de genoemde verplichtingen door de inningsbevoegde derde. De schuldenaar mag niet in een slechtere positie komen doordat een ander dan de schuldeiser de vordering en de daaraan verbonden nevenrechten uitoefent. Draagt de vruchtgebruiker zijn recht van vruchtgebruik aan een ander over, dan is hij naast de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk voor aile uit het vruchtgebruik voortspruitende verplichtingen jegens de hoofdgerechtigde (art. 3:223 tweede zin BW).7 De regel is van overeenkomstige toepassing op de verplichtingen jegens de schuldenaar van een in vruchtgebruik gegeven vordering.
650. Uit het voorgaande volgt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het schuldeiserschap en de nevenrechten niet op de stille cessionaris overgaan zolang de stille cedent krachtens lastgeving de vordering en de daaraan verbonden nevenrechten uitoefent. Deze verplichtingen blijven op de stille cedent blijven rusten tot het moment van mededeling.8 De stille cedent, en niet de stille cessionaris is derhalve verplicht om zich jegens de schuldenaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2lid 1 BW), bij voldoening een kwitantie en de bij de vordering behorende bewijsstukken af te geven (art. 6:48lid 1 en lid 2 BW) en te zorgen voor een gekochte, ontvangen zaak die wordt geweigerd (art. 7:29lid 1 BW). Op de stille cedent, en niet de stille cessionaris rust de zorgverplichting ten aanzien van het verpande goed dat de stille cedent onder zich heeft (art. 3:243 lid 1 BW), de verplichting om de pandgever kennis te geven van de verkoop van het pand (art. 3:249 BW), de verplichting om na executie het overschot aan de pandgever uit te keren (art. 3:253 lid 1 BW), de verplichting van de pandhouder om bij het tenietgaan van het pandrecht de pandgever de feitelijk macht over het verpande goed te laten herkrijgen en desverlangd aan de pandgever een schriftelijk bewijs te verstrekken dat het pandrecht geëindigd is (art. 3:256 BW) en de verplichting van de hypotheekhouder om bij beëindiging van het hypotheekrecht aan de hypotheekgever een verklaring af te geven dat het hypotheekrecht vervallen is (art. 3:274 BW).
Ten aanzien van de verplichtingen jegens de schuldenaar die voortvloeien uit het schuldeiserschap en uit de nevenrechten volgt de aansprakelijkheid van de stille cedent 66k de uit de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW, die bepaalt dat de levering van de vordering niet aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen tot het moment van mededeling. Ook zonder deze bepaling blijven de verplichtingen in het algemeen op de oude schuldeiser rusten, als hij krachtens een (privatieve) last tot inning, inningsbevoegd is gebleven en uit dien hoofde de bevoegdheden van de nieuwe schuldeiser als schuldeiser, pandhouder en hypotheekhouder uitoefent. De tweede zin van art. 3:94lid 3 BW biedt de schuldenaar in dit opzicht geen bijzondere bescherming als de stille cedent krachtens lastgeving inningsbevoegdheid blijft. De verplichtingen zijn meer verbonden aan de inningsbevoegdheid en bevoegdheid om de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten uit te oefenen, dan aan het schuldeiserschap zelf.
Omdat de verplichtingen die voortvloeien uit het schuldeiserschap en de nevenrechten op de stille cedent blijven rusten tot het moment van mededeling, blijft ook art. 6:144lid 1 BW tot dat moment buiten toepassing. De stille cedent is zelf aansprakelijk voor deze verbintenissen. Hij kan pas instaan voor de nakoming van deze verbintenissen als na mededeling de cessionaris hier jegens de schuldenaar aansprakelijk voor is.
Omgekeerd is de stille cessionaris tot het moment van mededeling niet aansprakelijk voor de nakoming van de bedoelde verplichtingen. De stille cessionaris zou niet in staat zijn deze verplichtingen te vervullen.9 Dat geldt met name indien de stille cessionaris aan de stille cedent een privatieve last tot inning heeft verleend en de stille cedent uit dien hoofde het beheer over de rechten van pand en hypotheek en de rechten uit borgtocht voert. De stille cessionaris dient als lastgever wei in te staan voor de nakoming van de bedoelde verplichtingen door de stille cedent. Indien de stille cedent tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van het schuldeiserschap en/of de nevenrechten, is de stille cessionaris naast de stille cedent hoofdelijk aansprakelijk voor de daardoor ontstane schade.