Het hof heeft bepaald dat bij de uitvoering van de taakstraf 86 uren in mindering worden gebracht wegens de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten in totaal 43 dagen.
HR, 29-01-2013, nr. 12/00766
ECLI:NL:HR:2013:BY9005
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-01-2013
- Zaaknummer
12/00766
- Conclusie
Mr. Aben
- LJN
BY9005
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2013:BY9005, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 29‑01‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BY9005
ECLI:NL:HR:2013:BY9005, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 29‑01‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BY9005
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑02‑2012
- Wetingang
art. 189 Wetboek van Strafrecht
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0032
NbSr 2013/113 met annotatie van mr. W.J. Morra
Conclusie 29‑01‑2013
Mr. Aben
Partij(en)
Nr. 12/00766
Mr. Aben
Zitting: 27 november 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 28 maart 2011 de verdachte wegens 3 primair "opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergen en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.1. Voorts heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
2.
Namens de verdachte heeft mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 27 december 2009 is de verdachte, die eigenaar is van discotheek "[A]" in Hengelo, in die discotheek aanwezig geweest. De in de discotheek werkzame portiers hebben twee bezoekers ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) uit de discotheek gezet, waarbij deze personen ten val zijn gekomen en letsel hebben opgelopen. Van deze confrontatie zijn camerabeelden gemaakt, die de verdachte direct na het incident heeft gewist. Tijdens haar onderzoek heeft de politie de beelden alsnog achterhaald. Aan de verdachte is - kort gezegd - tenlastegelegd dat hij samen met anderen heeft geprobeerd [betrokkene 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 1), dat hij samen met anderen heeft geprobeerd [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 2), en dat hij samen met anderen beelden van een videobewakingssysteem, waarop de misdrijven waren vastgelegd, heeft gewist waardoor hij die beelden aan het onderzoek van politie en justitie heeft onttrokken (feit 3). De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van feit 2 en hem veroordeeld ter zake van feit 1 (medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot zware mishandeling) en feit 3 (begunstiging). Vervolgens heeft het hof de verdachte enkel voor feit 3 veroordeeld.
4.
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte opzettelijk "een of meer voorwerpen" in de zin van art. 189, eerste lid onder 3, Sr heeft verborgen en aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie en politie heeft onttrokken, nu filmbeelden niet kunnen worden beschouwd als voorwerpen in de zin van die bepaling, althans dat de bewezenverklaring op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
5.
Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaard dat
"hij op 27 december 2009, in de gemeente Hengelo (O), opzettelijk een of meer voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, heeft verborgen en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken, immers heeft verdachte toen aldaar, nadat met een videobewakingssysteem een of meer opnames waren gemaakt van het misdrijf poging tot zware mishandeling, althans openlijke geweldpleging, een of meer filmbeelden van dat misdrijf van dat videobewakingssysteem gewist."
6.
De tenlastelegging is wat betreft feit 3 toegesneden op art. 189, eerste lid onder, Sr. Daarom moeten de in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende woorden "een of meer voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikelonderdeel.
7.
Art. 189 Sr luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"1.
Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie;
2°. hij die nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt;
3°. hij die opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e aan te tonen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergt, vernietigt, wegmaakt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, dan wel door het opzettelijk verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden die inbeslagneming belet, belemmert of verijdelt.
(...)
3.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een van zijn bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in de tweede of derde graad van de zijlinie of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot."
8.
Blijkens de toelichting klaagt het middel over de ontoereikende motivering van 's hofs oordeel dat onder "voorwerpen" in de zin van art. 189, eerste lid onder 3, Sr mede "met een videobewakingssysteem gemaakte filmbeelden" kunnen worden begrepen. Het middel keert zich dus tegen een extensieve interpretatie van een begrip uit het Wetboek van Strafrecht.
9.
De strekking van artikel 189 is het bevestigen van de norm dat de loop van het recht niet mag worden belemmerd. Dit artikel beschermt de ongestoorde nasporingen door justitie en politie naar gepleegde strafbare feiten. De oorspronkelijke wetsgeschiedenis2. bij art. 189, eerste lid onder 1 en 2, Sr houdt in dit verband het volgende in. Degene die de strafvordering tegenwerkt door hetzij een verdacht persoon hetzij "iets wat als aanwijzing van schuld of van een gepleegd misdrijf kan strekken" buiten het bereik van justitie te stellen, pleegt een misdrijf tegen het openbaar gezag. Er bestaat geen plicht om iemand anders te verraden maar er bestaat wel een plicht om zich te onthouden van tegenwerking van justitie. Het grootste kwaad waartegen dit artikel waakt, is de tegenwerking van justitie bij de aanvang van het onderzoek. Juist wanneer justitie de hulp en op zijn minst de neutraliteit van het publiek het meeste nodig heeft, wordt zij soms tegengewerkt in de waarheidsvinding of het achterhalen van de verblijfplaats van een verdachte.
Hoewel in de wetsgeschiedenis het begrip "voorwerpen" nader wordt omschreven als "iets wat als aanwijzing van schuld of van een gepleegd misdrijf kan strekken", worden daarvan geen voorbeelden genoemd.
10.
Onderdeel 3 van het eerste lid van art. 189 Sr is ingevoegd bij de Wet van 10 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties (Stb.1993, 11). De memorie van toelichting3. houdt dienaangaande enkel in dat deze aanvulling van art. 189 Sr beoogt te voorkomen dat anderen dan degenen die onder de werking van het derde lid vallen, de naspeuringen naar de omvang van voor ontneming in aanmerking komend wederrechtelijk verkregen voordeel frustreren, en dit doen hetzij door het verijdelen van de inbeslagneming van daarop betrekking hebbend bewijsmateriaal (met inbegrip van vermogensbestanddelen die dit voordeel vertegenwoordigen), hetzij door derden daartoe in staat te stellen, zulks door het opzettelijk doorgeven van inlichtingen of gegevens. Een dergelijke strafbepaling werd wenselijk geacht in het belang van de geloofwaardigheid van het ten behoeve van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in te stellen financiële onderzoek en van de bevoegdheden tot het leggen van conservatoir beslag.
Ten aanzien van de invulling van het begrip "voorwerpen" wordt in deze wetsgeschiedenis binnen het bestek van artikel 189 Sr niet stilgestaan.4.
11.
Anders dan de hiervoor weergegeven memorie van toelichting doet vermoeden, dient te worden aangenomen dat de strekking van art. 189, eerste lid onder 3, Sr meer omvattend is dan enkel het vergroten van het belang van de geloofwaardigheid van een in te stellen strafrechtelijk financieel onderzoek. Alle voorwerpen die gebruikt zouden kunnen worden bij de bewijsvoering dan wel het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel, vallen thans onder art. 189 Sr.5. Het object van art. 189, eerste lid onder 2, Sr is het voorwerp waarop of waarmee een ander misdrijf is gepleegd, zoals het lijk van een vermoorde persoon of het wapen dat de dader heeft gebruikt. Het object van art. 189, eerste lid onder 3, Sr is iets anders dat een spoor van het misdrijf aanwijst, zoals de bebloede kleren of de bloedvlekken op de grond. Datgene wat is vernietigd of weggemaakt moet daadwerkelijk op voornoemde wijze op het misdrijf betrekking hebben.6.
12.
Het middel steunt op de opvatting dat onder "voorwerpen" in de zin van art. 189, eerste lid onder 3, Sr alleen stoffelijke zaken kunnen worden begrepen. Die opvatting vindt geen steun in het recht en met name niet in de tekst van en in de - hiervoor onder 9 en 10 weergegeven - wetsgeschiedenis bij art. 189 Sr. Uit die wetsgeschiedenis volgt dat met dit artikel is beoogd om de tegenwerking van politie en justitie bij de aanvang van het onderzoek te bestrijden. Daarin is weliswaar geen definitie opgenomen van het begrip "voorwerpen", noch is daarin een nadere invulling gegeven van de wijze waarop deze tegenwerking kan plaatsvinden. In de oorspronkelijke wetsgeschiedenis wordt - in het kader van het begrip "voorwerpen" in de zin van art. 189, eerste lid onder 2, Sr - echter wel verwezen naar "iets wat als aanwijzing van schuld of van een gepleegd misdrijf kan strekken". Deze verwijzing duidt er in ieder geval op dat de wetgever een ruime interpretatie van dit begrip voor ogen heeft gehad. Generaliserend durf ik de stelling wel aan dat de negentiende-eeuwse wetgever met de bescherming van de ongestoorde gang van de strafvordering meer specifiek de ongehinderde veiligstelling van "bewijsmateriaal" voor ogen stond. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de wetgever van 1881 nog geen weet kon hebben van de mogelijkheden van de moderne techniek, zoals het gebruik van camerabeelden voor de opsporing van strafbare feiten en de vastlegging ervan als elektronisch bestand op (zoals in casu) een harde schijf. Dergelijk beeldmateriaal kan bewijsmateriaal opleveren, bij het conserveren waarvan de waarheidsvinding zonder meer gebaat is.
13.
In de bewezenverklaring ligt als het oordeel van het hof besloten dat onder "voorwerpen" in de zin van art. 189, eerste lid onder 3, Sr mede filmbeelden van een videobewakingssysteem kunnen worden begrepen. Dit oordeel geeft gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. In aanmerking genomen dat de verdediging in hoger beroep dienaangaande geen verweer heeft gevoerd, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering.7.
14.
Anders dan in de toelichting op het middel wordt aangevoerd, doet aan de juistheid en de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat in de artikelen 240, 240a en 240b Sr wel expliciet een onderscheid is gemaakt tussen "voorwerpen", "afbeeldingen" en "gegevensdragers". Deze artikelen zijn immers opgenomen in titel XIV van boek 2 van het Wetboek van Strafrecht betreffende "misdrijven tegen de zeden", terwijl art. 189 Sr is geplaatst in titel VIII van datzelfde boek, welke titel betrekking heeft op "misdrijven tegen het openbaar gezag". Ik acht een teleologische interpretatie van het begrip "voorwerpen" in de zin van artikel 189 Sr om die reden acceptabel.
15.
Het middel faalt.
16.
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het door de verdediging gedane beroep op de exceptie van art. 189, derde lid, Sr heeft verworpen, nu het hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van de verdediging dat onder "imago-schade" ook moet worden begrepen het voorkomen van een (voor het imago van zijn zaak schadelijke) strafrechtelijke procedure tegen de verdachte, althans een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de hier aan de orde zijnde exceptie en het desbetreffende onderdeel van de verklaring van de verdachte.
17.
Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte ter zake van feit 3 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem de beschermende werking van art. 189, derde lid8., Sr toekomt, terwijl de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dit artikellid niet voor de verdachte geldt omdat hij enkel heeft gehandeld ter beperking van imagoschade. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Imagoschade kan ook omvatten de schade die in de beeldvorming ontstaat doordat je als eigenaar van een onderneming wordt vervolgd. Het is vrij waarschijnlijk dat de verdachte met imagoschade het geheel heeft bedoeld van de gevolgen van het vrijkomen van beelden van een vechtpartij voor zijn zaak, de inmenging door de politie, het onderzoek door de politie, het verstrekken door de politie van een persbericht, de publicatie van berichten in de kranten en op de lokale televisie, en strafrechtelijke en/of civielrechtelijke procedures tegen hem zelf en zijn werknemers. Bovendien is het in hoge mate onredelijk om iemand, die voor het overige volledig in aanmerking komt voor de werking van het derde lid, de beschermende werking daarvan te ontzeggen, omdat hij andere minder vergaande bedoelingen had.9.
18.
Het hof heeft in reactie op dit verweer onder het hoofd "strafbaarheid van het bewezenverklaarde" geoordeeld dat het niet aannemelijk acht dat de verdachte de beelden heeft gewist teneinde gevaar voor vervolging van hem zelf te ontgaan. Het hof heeft daartoe overwogen dat het de verdachte houdt aan zijn bij zijn politieverhoren gegeven lezing dat hij de opnamen heeft gewist teneinde te voorkomen dat die opnamen op internet zouden belanden waardoor het imago van zijn discotheek zou kunnen worden geschaad.
19.
Uit de wetsgeschiedenis bij art. 189 Sr volgt dat de wetgever heeft beoogd de strafbaarheid van de in het eerste lid vermelde handelingen uit te sluiten, indien deze worden verricht om zichzelf of "naaste betrekkingen tegen wie men geen getuigenis behoeft af te leggen" aan gevaar van vervolging te onttrekken.10. Aldus moet worden aangenomen dat de wetgever de strafuitsluitingsgrond van art. 189, derde lid, Sr onder meer van toepassing heeft willen doen zijn op degene die de in het eerste lid vermelde handelingen heeft verricht, mede teneinde gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan. Gelet op de strekking van art. 189 Sr betekent dit dat, wanneer de verdachte de bewezenverklaarde handeling(en) tevens heeft verricht teneinde gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan, art. 189, derde lid, Sr meebrengt dat het eerste lid van die bepaling niet van toepassing is.11.
20.
Het hof heeft geoordeeld dat de strafuitsluitingsgrond van art. 189, derde lid, Sr in het onderhavige geval niet van toepassing is, nu gelet op zijn eigen (bij zijn politieverhoren gegeven) lezing niet aannemelijk is dat de verdachte de camerabeelden heeft gewist teneinde gevaar voor vervolging van hem zelf te ontgaan. Dit oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor onder 19 is vooropgesteld geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op het navolgende niet onbegrijpelijk. De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie op 29 december 2009 immers verklaard dat hij de beelden heeft gewist omdat hij bang was voor nog meer negatieve publiciteit en omdat hij bang was dat er weer beelden op de internetsite "YouTube" zouden komen, dat hij in paniek raakte omdat nog meer negatieve publiciteit wel eens de nekslag zou kunnen zijn voor (zijn discotheek) "[A]", dat het niet zijn bedoeling was om de beelden te verwijderen om zijn portiers in te dekken, dat het echt niet zijn intentie was om de portiers te beschermen, dat hij het puur deed omdat hij bang was voor negatieve publiciteit, en dat hij weet dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het wegmaken c.q. verwijderen van bewijsmateriaal.12. Voorts heeft de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg eveneens verklaard dat hij de beelden van de camera heeft gewist om imagoschade te voorkomen, dat hij dat niet heeft gedaan om iemand te beschermen en dat hij in het verleden vaker beelden aan de politie heeft gegeven om behulpzaam te zijn maar dat hij daarna zijn zaak met naam en toenaam op "TV Oost" zag en dat de beelden vervolgens op "YouTube" stonden, hetgeen hem veel negatieve reclame heeft opgeleverd. Ten slotte heeft de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het wegmaken van de beelden ook verklaard dat hij bang was voor imagoschade en dat hij een paniekaanval kreeg, hetgeen waarschijnlijk kwam door een eerdere ervaring die hij heeft gehad waarbij er beelden op "YouTube" terecht waren gekomen.
21.
Aldus heeft het hof het in het middel bedoelde verweer terecht en voldoende gemotiveerd verworpen. De aan het middel en aan het verweer ten grondslag gelegde stelling dat onder de gestelde "imagoschade" ook moet worden begrepen dat de verdachte de camerabeelden zou hebben gewist om gevaar voor vervolging van hem zelf te ontgaan, vindt geen enkele steun in de verklaringen die de verdachte zelf bij de politie en op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt aangevoerd betreffende de bepleite ruime uitleg van de door de verdachte genoemde imagoschade doet hieraan niet af.13. In aanmerking genomen hetgeen door de raadsman van de verdachte dienaangaande naar voren is gebracht, was het hof niet gehouden tot een nadere motivering. Anders dan de steller van het middel betoogt, behoefde het hof niet expliciet in te gaan op het in de toelichting op het middel aangevoerde onderdeel van de onderbouwing van het verweer van de raadsman inhoudende dat imagoschade ook kan omvatten de schade die in de beeldvorming ontstaat doordat je als eigenaar van een onderneming (strafrechtelijk) wordt vervolgd. De motiveringsplicht van art. 358, derde lid, Sv ten aanzien van een beroep op een (bijzondere) strafuitsluitingsgrond gaat immers niet zo ver dat bij de verwerping daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.14.
22.
De in de toelichting op het middel gemaakte opmerking dat het ontgaan of afwenden van het gevaar van vervolging voor de verdachte niet het primaire doel hoeft te zijn geweest om toch een beroep te kunnen doen op de hier aan de orde zijnde exceptie, stuit af op de omstandigheid dat het in art. 189, derde lid, Sr bedoelde oogmerk het ontgaan of afwenden van het gevaar van vervolging moet zijn. Voor een succesvol beroep op deze strafuitsluitingsgrond is derhalve onvoldoende, indien het ontgaan of afwenden van dit gevaar slechts een bijkomend of ondergeschikt doel zou zijn.15.
23.
Het middel faalt.
24.
Het derde middel behelst de klacht de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
25.
De verdachte heeft op 29 maart 2011 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 27 januari 2012 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van acht maanden is overschreden. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.
26.
Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 vermeld en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.16.
27.
Het derde middel is weliswaar terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het eerste en het tweede middel falen. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
28.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 29‑01‑2013
Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1881, p. 187-191. Artikel 208, sub 2 ORO luidt: 'hij die nadat eenig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren der justitie of politie onttrekt.'
Zie Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, p. 68.
Ik wijs er voorts nog op dat artikel 33a, vierde lid, Sr het begrip 'voorwerpen' definieert als alle zaken en alle vermogensrechten. Ook hier is het bereik van het begrip 'voorwerp' niet beperkt tot tastbare zaken. Dit artikellid is eveneens ingevoegd bij de Wet van 10 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties (Stb.1993, 11).
Vgl. A.M. Machielse in Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (losbladig), Deventer: Kluwer, suppl. 127, aant. 8 bij art. 189 Sr.
Blijkens zijn op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota (p. 14-16) heeft de raadsman van de verdachte ten aanzien van feit 3 - kort gezegd - enkel aangevoerd dat art. 189, derde lid, Sr op de verdachte van toepassing is (zie de bespreking van het tweede middel), dat de verdachte niet het oogmerk had om de waarheidsvinding te belemmeren, dat de verdachte zelf aan de politie heeft laten weten hoe zij de camerabeelden kon herstellen, dat er sprake is van een ondeugdelijke poging en dat de verdachte een beroep toekomt op art. 46b Sr. Het hof heeft onder het hoofd 'bewijsoverweging' en onder het hoofd 'strafbaarheid van het bewezenverklaarde' overigens (toereikend) gemotiveerd op deze verweren beslist.
In de pleitnota wordt bij kennelijke vergissing steeds verwezen naar 'lid 2'.
Pleitnota in hoger beroep van 14 maart 2011, p. 14-15.
Zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede deel, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1881, p. 187.
Vgl. HR 17 oktober 1995, NJ 1996/337, m.nt. Schalken, rov. 7.6 en 7.7.
Het hof heeft een deel van deze verklaring als bewijsmiddel 5 voor het bewijs gebruikt.
In de toelichting op het middel wordt betoogd dat een ruime uitleg van de exceptie van art. 189, derde lid, Sr in de rede ligt, nu het stellen van hoge eisen aan het beroep op die exceptie op gespannen voet zou staan met het 'nemo tenetur-beginsel'.
Vgl. ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma, rov. 3.8.4 onder d.
Vgl. A.M. Machielse in Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (losbladig), Deventer: Kluwer, suppl. 127, aant. 10 bij art. 189 Sr.
Vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, m.nt. Mevis, rov. 3.6.2 onder C.
Uitspraak 29‑01‑2013
Inhoudsindicatie
Begunstiging. Art. 189.1.3 Sr. Eigenaar discotheek wist filmbeelden geweldsdelict waarbij zijn portiers betrokken zijn. 1. Voorwerpen i.d.z.v. art. 189.1.3 Sr. 2. Exceptie art. 189.3 Sr. Ad 1. De opvatting dat onder “voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen” a.b.i. art. 189.1.3 Sr geen opnames met een videobewakingssysteem en filmbeelden kunnen worden verstaan is onjuist. De enkele omstandigheid dat in andere strafbepalingen, zoals in art. 240a Sr, wordt gesproken over “een afbeelding, een voorwerp of een gegevensdrager”, doet daaraan niet af. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat verdachte niet met vrucht een beroep kan doen op art. 189.3 Sr getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu het Hof blijkens zijn overwegingen niet aannemelijk heeft geacht dat verdachte de beelden heeft gewist teneinde gevaar voor vervolging van hemzelf te ontgaan, omdat het Hof wel aannemelijk achtte dat verdachte heeft gehandeld “teneinde te voorkomen dat die opnamen op internet zouden belanden waardoor het imago van zijn discotheek zou kunnen worden geschaad”.
29 januari 2013
Strafkamer
nr. S 12/00766
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 maart 2011, nummer 21/001753-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte een of meer voorwerpen in de zin van art. 189, eerste lid sub 3, Sr heeft verborgen en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie en politie heeft onttrokken, aangezien filmbeelden niet kunnen worden beschouwd als voorwerpen in de zin van die bepaling.
2.2. Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 3 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 27 december 2009, in de gemeente Hengelo (O), opzettelijk een of meer voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, heeft verborgen en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken, immers heeft verdachte toen aldaar, nadat met een videobewakingssysteem een of meer opnames waren gemaakt van het misdrijf poging tot zware mishandeling, althans openlijke geweldpleging, een of meer filmbeelden van dat misdrijf van dat videobewakingssysteem gewist."
"1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
1° hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of verdachte is van enig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren van de justitie of politie;
2° hij die nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt;
3° hij die opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e aan te tonen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergt, vernietigt, wegmaakt of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, dan wel door het opzettelijk verstrekken van gegevens of inlichtingen aan derden die inbeslagneming belet, belemmert of verijdelt.
(...)
3. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een van zijn bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in de tweede of derde graad van de zijlinie of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot.
(...)"
2.4. Het middel berust op de opvatting dat onder "voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen" als bedoeld in art. 189, eerste lid sub 3, Sr geen opnames met een videobewakingssysteem en filmbeelden kunnen worden verstaan. Die beperkte en niet rechtstreeks uit de bewoordingen of uit de strekking van genoemde bepaling voortvloeiende opvatting is echter onjuist. De enkele omstandigheid dat in andere strafbepalingen, zoals in art. 240a Sr, wordt gesproken over "een afbeelding, een voorwerp of een gegevensdrager", doet daaraan niet af.
2.5. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof het beroep op de exceptie als omschreven in art. 189, derde lid, Sr ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
3.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:
"De vraag is of de bepaling (art. 189 lid 1 onder 3 Sr.) op cliënt van toepassing is vanwege het bepaalde in lid 3 van dat artikel.
De Rechtbank heeft, conform mijn standpunt in mijn pleitnota in eerste aanleg (gebaseerd op o.a. HR 17-10-1995, NJ 1996, 337 en het nemo tenetur beginsel) wel aangenomen dat het in lid 3 bepaalde ook van toepassing is ingeval van dreiging van vervolging voor de verdachte zelf (en niet - enkel - bepaalde familieleden).
De Rechtbank heeft echter tevens bepaald dat bedoeld lid niet voor cliënt geldt omdat hij slechts het oogmerk had imagoschade te voorkomen "...hetgeen wordt onderstreept doordat verdachte de politie in een later stadium eigener beweging heeft gewezen op het door hem wissen van de beelden".
Dat laatste (geciteerde) argument van de Rechtbank begrijp ik niet helemaal. Immers, iemand kan aanvankelijk pogen zijn eigen vervolging te belemmeren en daar later vervolgens toch aan meewerken.
Het gaat dus wat mij betreft om het argument dat cliënt enkel heeft gehandeld ter beperking van imagoschade. Imagoschade kan uiteraard zeker ook omvatten de schade in de beeldvorming welke ontstaat doordat je als eigenaar van een onderneming wordt vervolgd. Die schade kan cliënt dus mede op het oog hebben gehad.
In dat geval heeft cliënt wel mede gehandeld met de bedoeling als vervat in lid 3 van genoemd artikel.
Het is in objectieve zin vrij waarschijnlijk dat cliënt met imagoschade het geheel heeft bedoeld van het vrijkomen van beelden van een vechtpartij voor zijn zaak, de inmenging door de politie, het onderzoek door de politie, het verstrekken door de politie van een persbericht, het komen van berichten in de kranten en op de lokale televisie (teksttelevisie etc.) en procedures, strafrechtelijk en/of civielrechtelijk tegen hem en zijn werknemers. Dat geheel heeft hij in zijn verklaringen niet expliciet benoemd maar heeft/zal hij hebben bedoeld.
Daarmee komt cliënt wel de beschermende werking van lid 3 toe.
Overigens acht ik het ook in hoge mate onredelijk om iemand, die overigens volledig voor de werking van lid 3 in aanmerking komt, de beschermende werking daarvan te ontzeggen omdat hij andere, minder ernstige, minder
vergaande bedoelingen heeft. Indien iemand de waarheidsvinding wil frustreren wordt hij beschermd, iemand die dat niet wil maar bijvoorbeeld enkel zijn goede naam wil behouden, wordt niet beschermd door de werking van dit lid. Dat kan m.i. niet de bedoeling of een gewenst gevolg van dit lid zijn.
Ik meen dan ook dat om deze reden cliënt wel een beroep op dit lid kan doen en derhalve, zowel terzake feit 3 primair als feit 3 subsidiair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging."
3.2.2. Het Hof heeft in het bestreden arrest dienaangaande het volgende overwogen en beslist:
"Verdachte beroept zich op het bepaalde in artikel 189 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht en voert aan, zo begrijpt het hof hetgeen de raadsman dienaangaande heeft betoogd, dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert.
Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte de beelden heeft gewist ten einde gevaar voor vervolging van hemzelf te ontgaan. Het hof houdt verdachte aan zijn bij zijn politieverhoren gegeven lezing dat hij de opnamen heeft gewist teneinde te voorkomen dat die opnamen op internet zouden belanden waardoor het imago van zijn discotheek zou kunnen worden geschaad.
Nu ook overigens niet is gebleken van enigerlei omstandigheid die aan de strafbaarheid in de weg staat is het bewezenverklaarde strafbaar."
3.3. Het Hof heeft blijkens zijn overwegingen niet aannemelijk geacht dat de verdachte de beelden heeft gewist teneinde gevaar voor vervolging van hemzelf te ontgaan omdat het Hof wel aannemelijk achtte dat de verdachte heeft gehandeld "teneinde te voorkomen dat die opnamen op internet zouden belanden waardoor het imago van zijn discotheek zou kunnen worden geschaad". Het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat de verdachte niet met vrucht een beroep kan doen op art. 189, derde lid, Sr, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het verweer is voorts, gelet op hetgeen daaromtrent is aangevoerd, voldoende gemotiveerd verworpen.
3.4. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2. Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 29 januari 2013.
Beroepschrift 15‑02‑2012
De Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
SCHRIFTUUR IN CASSATIE
Datum betekening: 15 februari 2012
Geacht College,
Ondergetekende,
mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, kantoorhoudende op het adres Nieuwe Gracht 37 (2011 NC) te Haarlem (Cleerdin & Hamer Advocaten), die in deze zaak bepaaldelijk gevolmachtigd is door rekwirant in cassatie:
de heer [rekwirant],
geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ([provincie]),
wonende op het adres [adres] te [woonplaats],
heeft hierbij de eer aan uw College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het tijdig ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest, alsmede de tussenbeslissingen van het Gerechtshof te Arnhem, gewezen tegen rekwirant in de zaak met parketnummer 21/001753-10.
In deze zaak heeft het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 28 maart 2011 rekwirant ter zake van overtreding van art. 189 Sr veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren (met aftrek). Daarnaast heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep in cassatie tegen bovenvermeld arrest is op 29 maart 2011 namens rekwirant ingesteld door mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.
Rekwirant voert de navolgende middelen van cassatie aan:
I. Schending van art. 189 lid 1 Sr en/of de artt. 350, 358, 359 en 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof ten onrechte bewezen verklaard dat rekwirant opzettelijk een of meer voorwerpen (in de zin van art. 189 lid 1 onder 3o Sr) heeft verborgen en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie en politie heeft onttrokken, aangezien filmbeelden niet kunnen worden beschouwd als voorwerpen in de zin van die bepaling, althans is de bewezenverklaring op dit punt onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
Het Hof heeft als feit 3 primair ten laste van rekwirant bewezen verklaard dat:
‘hij op 27 december 2009, in de gemeente Hengelo (O), opzettelijk een of meer voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, heeft verborgen en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken, immers heeft verdachte toen aldaar, nadat met een videobewakingssysteem een of meer opnames waren gemaakt van het misdrijf poging tot zware mishandeling, openlijke geweldpleging, een of meer filmbeelden van dat misdrijf van dat videobewakingssysteem gewist.’
Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als:
‘Opzettelijk voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, met het oogmerk om de inbeslagneming daarvan te beletten, te belemmeren of te verijdelen, verbergen en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of de politie onttrekken.’
Bij de toepasselijke wettelijke voorschriften heeft het Hof (onder meer) artikel 189 Sr als toepasselijke wetsbepaling genoemd.
Gelet op hetgeen het Hof bewezen heeft verklaard en hetgeen uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt, heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat onder ‘voorwerpen’ in de zin van art. 189 lid 1 onder 3 Sr mede begrepen kunnen worden ‘met een videobewakingssysteem gemaakte filmbeelden’. Dat oordeel is naar de mening van rekwirant rechtens onjuist, althans in ieder geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Naar het oordeel van rekwirant zijn ‘filmbeelden’ geen voorwerpen in de zin van het Wetboek van Strafrecht, meer in het bijzonder art. 189 Sr. De wettekst geeft geen enkele aanleiding om te concluderen dat onder voorwerpen in de zin van art. 189 Sr — en anders dan volgens algemeen spraakgebruik het geval is — ook niet-stoffelijke zaken zoals filmbeelden kunnen worden begrepen. Filmbeelden zijn, anders dan bijvoorbeeld de harde schijf of videoband waarop deze zijn vastgelegd/opgeslagen, geen voorwerpen en zijn/worden door de wetgever ook niet als zodanig beschouwd. Een aanwijzing daarvoor is te vinden in de in art. 240a Sr opgenomen strafbepaling. Daarin wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen afbeeldingen, voorwerpen en gegevensdragers. Ook in art. 240 Sr wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen een afbeelding en een voorwerp, terwijl art. 240b Sr spreekt van afbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen.
In de onderhavige zaak kan de harde schijf waarop de beelden zijn vastgelegd zonder meer gelden als een voorwerp in de zin van art. 189 Sr, maar dat geldt niet voor de filmbeelden zelf.1.
Wellicht ten overvloede merkt rekwirant nog op dat hij de computer waar onder andere filmbeelden op stonden in ieder geval niet verborgen en/of aan het onderzoek van politie en justitie heeft onttrokken, althans dat daarvan in ieder geval niet blijkt uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.
Het Hof heeft gelet op het bovenstaande dan ook ten onrechte bewezen verklaard dat rekwirant een of meer voorwerpen heeft verborgen en aan het onderzoek heeft onttrokken, nu immers het wissen van filmbeelden niet als zodanig kan gelden, althans is het kennelijke oordeel van het Hof dat filmbeelden wél beschouwd kunnen worden als voorwerpen in de zin van art. 189 Sr ontoereikend gemotiveerd.
II. Schending van art. 189 lid 3 Sr en/of de artt. 350, 358, 359 en 415 Sv, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
Meer in het bijzonder heeft het Hof het gedane beroep op de exceptie uit art. 189 lid 3 Sr ten onrechte, althans op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden, althans onvoldoende gemotiveerd verworpen. Het Hof is ten onrechte niet ingegaan op de stelling van de verdediging dat onder ‘imagoschade’ ook moet worden begrepen onder meer het voorkomen van een (voor het imago van zijn zaak schadelijke) strafrechtelijke procedure tegen rekwirant, waarmee aan hem wel een beroep op de exceptie van art. 189 lid 3 Sr zou toekomen, althans heeft het Hof een te beperkte uitleg gegeven aan de hier aan de orde zijnde exceptie en/of aan het aan orde zijnde deel van de verklaring van rekwirant.
Toelichting
Blijkens de in hoger beroep overgelegde pleitnotities van de raadsman van rekwirant in feitelijke aanleg, mr. R.F. Speijdel, is namens rekwirant ook in hoger beroep een beroep gedaan op de exceptie zoals die is opgenomen in art. 189 lid 3 Sr. Dat artikellid luidt:
‘Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht teneinde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een van zijn bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of in de tweede of derde graad van de zijlinie of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot’.
In HR 17 oktober 1995, NJ 1996, 337 heeft uw College uitgemaakt dat ook degene die een in art. 189 lid 1 Sr strafbaar gestelde handeling verricht (mede) om gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan op grond van (inmiddels) het derde lid van art. 189 Sr straffeloos is.
Het Hof heeft het hier aan de orde zijnde verweer als volgt besproken en verworpen:
‘Verdachte beroept zich op het bepaalde in art. 189 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering2. en voert aan, zo begrijpt het hof hetgeen de raadsman dienaangaande heeft betoogd, dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert.
Het hof acht niet aannemelijk dat verdachte de beelden heeft gewist teneinde gevaar voor vervolging van hemzelf te ondergaan. Het hof houdt verdachte aan zijn bij zijn politieverhoren gegeven lezing dat hij de opnamen heeft gewist teneinde te voorkomen dat die opnamen op internet zouden belanden waardoor het imago van zijn discotheek zou kunnen worden geschaad.
Nu ook overigens niet is gebleken van enigerlei omstandigheid die aan het strafbare feit in de weg staat, is het bewezenverklaarde strafbaar.’
Blijkens de eerder genoemde pleitnotities heeft de verdediging erkend dat rekwirant heeft gepoogd de camerabeelden te wissen om imagoschade te voorkomen. In dat kader is aangegeven dat imagoschade zeker ook kan omvatten de schade in de beeldvorming welke ontstaat doordat je als eigenaar van een onderneming wordt vervolgd. Die schade kan rekwirant dus mede op het oog hebben gehad, zo is in hoger beroep aangevoerd. De pleitnotities behelzen wat dat betreft voorts nog:3.
‘Het is in objectieve zin vrij waarschijnlijk dat cliënt met imagoschade het geheel heeft bedoeld van het vrijkomen van beelden van een vechtpartij voor zijn zaak, de inmenging door de politie, het onderzoek door de politie, het vertrekken door de politie van een persbericht, het komen van berichten in de kranten en op de lokale televisie (teksttelevisie etc.) en procedures, strafrechtelijk en/of civielrechtelijk tegen hem en zijn werknemers. Dat geheel heeft hij in zijn verklaringen niet expliciet benoemd maar heeft/zal hij hebben bedoeld.
Daarmee komt cliënt wel de beschermende werking van lid 2 toe.4.
Overigens acht ik het ook in hoge mate onredelijk om iemand, die overigens volledig voor de werking van lid 2 in aanmerking komt, de beschermende werking daarvan te ontzeggen omdat hij andere, minder ernstige, minder vergaande bedoelingen heeft.
Indien iemand de waarheidsvinding wil frustreren wordt hij beschermd, iemand die dat niet wil, maar bijvoorbeeld enkel zijn goede naam wil behouden wordt niet beschermd door de werking van dit lid. Dat kan m.i. niet de bedoeling of een gewenst gevolg van dit lid zijn.
Ik meen dan ook dat om deze reden cliënt wel een beroep op dit lid kan doen en derhalve, zowel terzake van feit 3 primair als feit 3 subsidiair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.’
Naar het oordeel van rekwirant is de motivering van de verwerping van het hier aan de orde zijnde verweer niet zonder meer begrijpelijk en/of is het Hof ten onrechte niet ingegaan op de stelling van de verdediging dat onder ‘imagoschade’ ook moet worden begrepen onder meer het voorkomen van een (voor het imago van zijn zaak schadelijke) strafrechtelijke procedure tegen rekwirant, waarmee aan hem wel een beroep op de exceptie van art. 189 lid 3 Sr zou toekomen.
Opmerking verdient in dat kader dat het ontgaan of afwenden van het gevaar van vervolging voor rekwirant niet het primaire doel hoeft te zijn geweest om toch een beroep te kunnen doen op de hier aan de orde zijnde exceptie. Ook indien dat (slechts) een bijkomend of ondergeschikt doel zou zijn en, naar het oordeel van rekwirant, zelfs indien het ontgaan of afwenden van een eigen vervolging zou moeten worden beschouwd als een soort ‘bijvangst’, althans een niet bewust nagestreefd doel, is er sprake van straffeloosheid op grond van art. 189 lid 3 Sr.5.
Een ruime uitleg van zowel de exceptie als van de verklaring van de verdachte waarin mogelijk een beroep op die exceptie wordt gedaan ligt in de rede. Dat een verdachte immers onomwonden zal toegeven dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan één van de in art. 189 lid 1 Sr strafbaar gestelde handelingen teneinde voor zichzelf het gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden, zal immers al snel zowel door de degene die die verklaring aflegt, als door politie en justitie, worden beschouwd als een (impliciete) erkenning dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. In zekere zin belast de verdachte zich daarmee, althans zal dat al snel zo worden gevoeld. Het stellen van hoge eisen aan het beroep op de exceptie van art. 189 lid 3 Sr, van welke hoge eisen de motivering van het Hof blijk geeft, staat op zijn minst op gespannen voet met het nemo tenetur-beginsel.
In dat kader kan bijvoorbeeld ook worden gedacht aan het verschoningsrecht zoals dat is geregeld in art. 217 Sv. Een verdachte heeft het recht zich te verschonen. Hij kan een beroep doen op het hem toekomende verschoningsrecht, ook al zou het hem in het geheel niet te doen zijn om het voorkomen van (verdere) eigen vervolging, maar louter om het voorkomen dat hij daarmee een goede vriend aan een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen. Op het recht van een verdachte om te zwijgen kan ook om die reden een beroep worden gedaan. De verdachte houdt zijn verschoningsrecht, ook als hij zich daarop beroept om een andere reden dan de reden die ten grondslag heeft gelegen aan het hem toekennen van dat recht. Van hem kan niet worden gevergd dat hij uitlegt waarom hij een beroep doet op dat recht.
Overigens is in de onderhavige zaak ook een vervolging ingesteld tegen rekwirant ten aanzien van het op de videobeelden vastgelegde gewelddadig treffen tussen medewerkers en bezoekers van de discotheek van rekwirant en zijn de videobeelden door justitie (en overigens ook door de rechtbank) als bewijs tegen rekwirant gebruikt om aan te tonen dat rekwirant zich zou hebben schuldig gemaakt aan medeplichtigheid ten aanzien van de zware mishandeling van de bezoekers [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Hoewel rekwirant uiteindelijk is vrijgesproken van deze feiten moet worden vastgesteld dat rekwirant (ook achteraf bezien) alle reden had om te veronderstellen dat hij door het wissen van de beelden kon voorkomen dat hem (mogelijk) belastend materiaal in handen van politie en justitie zou komen en hij daarmee dus het ‘gevaar van vervolging kon ontgaan’.
Gelet op al het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat het Hof het gedane beroep op de exceptie uit art. 189 lid 3 Sr ten onrechte, althans op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Ook daarom kan het arrest van het Hof niet in stand blijven.
III. Schending van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR, althans en in elk geval schending en/of onjuiste toepassing van het recht en/of verzuim van vormen
In het bijzonder zijn de artikelen 6 EVRM en 14 IVBPR geschonden, daar sinds het instellen van het beroep in cassatie op 29 maart 2011 en de behandeling in cassatie zoveel tijd is verstreken, dat de berechting niet meer heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn.
Toelichting
Op 29 maart 2011 is namens rekwirant beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van 28 maart 2011. Eerst op 27 januari 2012 zijn de stukken bij uw Raad binnengekomen.
Nu tussen het tijdstip waarop het beroep in cassatie is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen bijna tien maanden zijn verstreken, waarbij niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop in deze zaak zouden kunnen rechtvaardigen, moet naar de mening van rekwirant worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM (vgl. Hoge Raad 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358).
Het is op bovengenoemde gronden dat rekwirant uw College eerbiedig verzoekt om het arrest, zoals jegens hem op 28 maart 2011 gewezen door het Gerechtshof te Arnhem, te vernietigen en een zodanige uitspraak te doen als uw College juist en noodzakelijk voorkomt.
De bijzonderlijk gevolmachtigde,
mr. B.P. de Boer
Haarlem, 5 april 2012
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑02‑2012
Zie in dit kader ook de noot van Reijntjes onder HR 22 augustus 2006, LJN AX5766, NJ 2006, 563, waarin hij aangeeft dat een bloedspoor niet in beslag kan worden genomen en hij in dat kader wijst op het verschil in formulering tussen het tweede en het derde onderdeel van art. 189 lid 1 Sr en zijn noot onder HR 20 december 2011, NJ 2012, 147, waarin hij (onder punt 4) kritisch is over het aanmerken van een computer als een gegevensdrager.
Rekwirant begrijpt: het Wetboek van Strafrecht.
Zie p. 15.
In de pleitnotities wordt consequent gesproken van lid 2, daar waar onmiskenbaar het derde lid van art. 189 Sr. wordt bedoeld.
Zie NJ 1996, 337, r.o.7.7, met name het gebruik van het woord ‘tevens’.