Brief van 25 juli 2013, pag. 602-604 van het dossier en de afwijzende beslissing van GS d.d. 21 november 2013, p. 605-609 van het dossier.
Rb. Oost-Brabant, 01-05-2019, nr. 01/997003-14
ECLI:NL:RBOBR:2019:2492, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
- Datum
01-05-2019
- Zaaknummer
01/997003-14
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOBR:2019:2492, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 01‑05‑2019; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBOBR:2017:420, Uitspraak, Rechtbank Oost-Brabant, 31‑01‑2017; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:4180, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
M en R 2019/77 met annotatie van M. Velthuis
Uitspraak 01‑05‑2019
Inhoudsindicatie
De rechtbank schat het door veroordeelde door middel van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld en andere strafbare feiten verkregen voordeel op euro 374.072,-. Er zijn geen omstandigheden die nopen tot matiging van het te ontnemen bedrag. De rechtbank legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van euro 374.072,-.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer ontneming: 01/997003-14
Parketnummer: 01/997003-14 [verdachte]
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01/997003-14 Datum uitspraak: 1 mei 2019
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] .
Het procesverloop.
De rechtbank Oost-Brabant heeft in de strafzaak met bovenvermeld parketnummer op 31 januari 2017 vonnis gewezen.
De rechtbank heeft in de strafzaak als strafbare feiten bewezen verklaard:
- -
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
- -
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring naar het vonnis van 31 januari 2017.
De officier van justitie heeft op 21 oktober 2016 een vordering doen uitgaan ter ontneming van door de veroordeelde onrechtmatig verkregen voordeel.
De vordering is op tegenspraak behandeld ter terechtzitting van 17 januari 2017, 8 januari 2019 en 8 april 2019.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 17 januari 2017 beslist tot een schriftelijke voorbereiding ingevolge het bepaalde in artikel 511d van het Wetboek van Strafvordering.
De officier van justitie heeft bij (nadere) conclusie van eis van 22 december 2017 de vordering gewijzigd.
Bij begeleidingsbrief van 15 juni 2018 heeft de raadsman een conclusie van antwoord ingediend.
De officier van justitie heeft op 30 januari 2019 een conclusie van repliek ingediend.
De raadsman heeft vervolgens een (ongedateerde) conclusie van dupliek ingediend.
Ter terechtzitting van 8 april 2019 zijn de officier van justitie en de raadsman in de gelegenheid gesteld om nader op elkaars standpunten te reageren.
De vordering.
De (gewijzigde) vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een bedrag van
€ 12.469.070,84.
De officier van justitie heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict, van de politie-eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Milieu, van 15 december 2015, opgemaakt en ondertekend door rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] , in totaal 37 doorgenummerde bladzijden (pagina’s 15-51), met een veertigtal bijlagen (pagina’s 52-981). Dit financieel rapport ziet op de door de rechtbank bewezen geachte strafbare feiten, alsmede op wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit. Hij heeft hiertoe (kort gezegd) aangevoerd dat:
er geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel;
de tot op heden becijferde afschrijvingskosten opgeteld bij de tot op heden gemaakte reinigingskosten het bedrag van de ontnemingsvordering overschrijden;
niet voldaan is aan de criteria voor toerekening aan de veroordeelde.
De bewijsmiddelen.
Een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van de politie-eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Team Milieu, van 15 december 2015, opgemaakt en ondertekend door rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] , in totaal 37 doorgenummerde bladzijden, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven.
Er is een onderzoek ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] .
De onderzoeksperiode is 1 januari 2007 tot 1 januari 2015. In de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de bepaling dat TAG maximaal drie jaar binnen de inrichting is toegestaan, zijnde de langst toegestane termijn. Het voordeel is dan gelegen in de hoeveelheid ingenomen TAG in de periode tot 1 januari 2012.
Organisatie rechtspersonen.
[verdachte] staat aan het hoofd van [bedrijf 1] , die op haar beurt boven een aantal werkmaatschappijen staat, waaronder [bedrijf 2]
Gebleken is dat de natuurlijke persoon [verdachte] enig bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . was. [bedrijf 1] was enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf 2] en andere werkmaatschappijen binnen de [bedrijfsgroep] .
Onderzoek administratie m.b.t. TAG
In [naam meldsysteem] (het elektronisch meldsysteem van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen) stond geregistreerd dat [bedrijf 1] de navolgende hoeveelheden TAG heeft ingenomen.
Tabel 2:
Jaar | Ingenomen | Ontdaan | Totaal (kilo) | Totaal (ton) |
2008 | 100.093.450 | 0 | 100.093.450 | 100.093 |
2009 | 99.648.150 | 0 | 99.648.150 | 99.648 |
2010 | 113.198.970 | 0 | 113.198.970 | 113.199 |
2011 | 128.516.500 | 0 | 128.516.500 | 128.517 |
Op het grootboekoverzicht ( [grootboekrekeningen] ) waren er in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 de volgende producten, APT (teerhoudend asfaltpuin) en APTG (teerhoudend freesasfalt), ingenomen:
Tabel 5:
Jaar | APT/APTG (ton) |
2007 | 24.632 |
Om het gemiddelde innametarief vast te stellen en de afwijkingen van [naam meldsysteem] ten opzichte van de weegbrugstaten en de voorraadadministratie weer te geven, is het volgende overzicht opgemaakt:
Tabel 4:
Jaar | Stortgelden | Voorraadadministratie | [naam meldsysteem] | |
TAG grootboek | (weegbrugstaten) | (ton) | ||
8.357 | TAG (ton) | |||
2007 | € 819.333 | 7.939 | 7.939 | |
2008 | € 2.294.351 | 101.926 | 100.093 | |
2009 | € 3.121.349 | 105.636 | 99.648 | |
2010 | € 3.438.035 | 120.265 | 113.199 | |
2011 | € 3.603.463 | 129.895 | 128.517 |
Kostenposten in verband met de ingenomen TAG.
Over de periode van 2007 tot en met 2011, is een vergelijking gemaakt tussen [grootboekrekening] en de debiteur overzichten van [transportbedrijf] . De transportkosten van het TAG, in de periode van 2007 tot en met 2011, die door [bedrijf 2] voor een groot deel waren uitbesteed aan [transportbedrijf] ., bestonden uit de volgende bedragen:
Jaar | Transportkosten TAG |
2007 | € - |
2008 | € 58.698,42 |
2009 | € 152.342,14 |
2010 | € 327.772,60 |
2011 | € 268.647,00 |
Besteding geïnde stortgelden.
In het proces-verbaal van het verhoor van de [getuige] (hoofd administratie van [bedrijf 1] ) staat het volgende:
V: vraag verbalisant.
A: antwoord getuige.
V: Wat is er gebeurd met de ontvangen liquide middelen inzake het teerhoudend asfalt?
A: Binnen [bedrijf 1] gaat eigenlijk alles op een grote hoop. Het geld is wel binnen de groep gebleven. De gelden zijn wel van [bedrijf 2] gegaan naar [bedrijf 1]
Op het einde van het jaar worden de resultaten besproken met de accountant en dan wordt bepaald wat er van de werk-B.V.’s wordt afgehaald naar [bedrijf 1] of omgekeerd.
Wij hebben onderzoek verricht in de administraties van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] om de werkwijze zoals uit de hiervoor vermelde verklaring naar voren komt te verifiëren.
Uit dit onderzoek komen de volgende bevindingen naar voren:
- -
[bedrijf 2] heeft in de periode 2005 tot en met 2013 aanzienlijke bedragen doorgestort van haar bankrekening naar de bankrekening van [bedrijf 1] Deze doorbetalingen worden als vordering van [bedrijf 2] . op [bedrijf 1] in hun onderlinge rekening courant verwerkt. In de betreffende jaren neemt de vordering toe van € 5.097.404 ultimo 2007 tot € 10.924.153 op 31-12-2013;
- -
[bedrijf 2] heeft in de periode 2005 tot en met 2012 aanzienlijke bedragen doorgestort van haar bankrekening naar de bankrekeningen van andere groepsmaatschappijen van de [bedrijfsgroep] . Het saldo vorderingen op groepsmaatschappijen was in 2011 € 16.619.547 en eind 2012 € 8.004.554 bij [bedrijf 2] had dus behalve een vordering op [bedrijf 1] ook diverse vorderingen op groepsmaatschappijen binnen de [bedrijfsgroep] .
- -
[bedrijf 1] heeft op haar beurt in de periode 2005 tot en met 2012 uit de van [bedrijf 2] ontvangen gelden, bedragen doorbetaald aan een aantal andere groepsmaatschappijen van de [bedrijfsgroep] . Deze doorbetalingen worden als vordering van [bedrijf 1] op deze groepsmaatschappijen in hun onderlinge rekening courant B.V. verwerkt. De vordering van [bedrijf 1] op diverse groepsmaatschappijen is in die periode ook aanzienlijk toegenomen;
- -
In 2012 zijn er diverse administratieve memoriaal-boekingen verricht waarbij er voor een totaal bedrag van € 11.677.876 aan bedragen overgeboekt worden van de rekening courant van [bedrijf 2] naar de rekeningen courant van diverse andere deelnemingen;
- -
Aan het eind van het jaar worden de onderlinge rekening courant verhoudingen gecentraliseerd bij [bedrijf 1] Dat wil zeggen dat de schulden of vorderingen die de werkmaatschappijen onderling hebben worden overgenomen door [bedrijf 1] Heeft werkmaatschappij A een schuld aan werkmaatschappij B dan wordt dat “omgeboekt”. Dat wil zeggen dat werkmaatschappij A een schuld krijgt aan [bedrijf 1] Werkmaatschappij B krijgt in plaats van de vordering op werkmaatschappij A een vordering op [bedrijf 1] Indien [bedrijf 1] een schuld aan de werkmaatschappij heeft dan kan deze schuld worden afgelost door middel van een dividenduitkering. De werkmaatschappij keert dan, op papier, dividend uit aan [bedrijf 1] Daardoor heeft [bedrijf 1] een vordering op die werkmaatschappij uit hoofde van die dividenduitkering, die vervolgens wordt verrekend met de schuld van de werkmaatschappij aan [bedrijf 1]
Indien [bedrijf 1] een vordering heeft op een werkmaatschappij kan deze worden verrekend door middel van een kapitaalstorting door [bedrijf 1] , in de vorm van agio, op het aandelenkapitaal van de werkmaatschappij, wat geheel in bezit is van [bedrijf 1] Het storten van agio betekent dat [bedrijf 1] administratief een schuld krijgt aan de betreffende werkmaatschappij. De schuld die ontstaat uit de agiostorting wordt verrekend met de vordering die [bedrijf 1] heeft op de betreffende werkmaatschappij.
Bovenstaande handelingen hebben eind 2012 plaatsgevonden, waarbij [bedrijf 1] de schulden (rekening couranten) van de overige werkmaatschappijen aan [bedrijf 2] heeft overgenomen. De daardoor ontstane omvangrijke schuld van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] is verminderd door middel van een uitkering van dividend van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] van € 14.500.000. Daarnaast heeft [bedrijf 1] bij diverse andere werkmaatschappijen binnen de [bedrijfsgroep] hun schulden omgezet in agio.
De beoordeling.
De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
Wederrechtelijk verkregen voordeel.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank, mede met inachtneming van de door de raadsman ingebrachte stukken, waaronder het conformiteitscertificaat, alsmede het daaraan ten grondslag liggende onderzoeksrapport, op dit moment voldoende aannemelijk geworden dat de in 2018 gerealiseerde thermische reinigingsinstallatie (hierna: TRI) operationeel is en inmiddels naar behoren functioneert, dat zowel nieuw ingekomen als oud teerhoudend asfaltgranulaat (hierna: TAG) wordt verwerkt en dat er aldus thans kan worden gesproken van nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Bijgevolg geldt voor de TAG een opslagtermijn van maximaal drie jaar.
Met verwijzing naar het vonnis van 31 januari 2017 overweegt de rechtbank dat vast is komen te staan dat [bedrijf 2] en [bedrijf 1] in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 in strijd met de voorschriften behorend bij de aan [bedrijf 1] verleende omgevingsvergunning van 21 september 2007 (kort gezegd) partijen TAG langer dan drie jaar hebben opgeslagen, terwijl deze opslag tot de datum van het onderzoek ter terechtzitting van 17 januari 2017 nog niet werd gevolgd door nuttige toepassing.
Omdat inmiddels nuttige toepassing gerealiseerd is geworden, betekent naar het oordeel van de rechtbank de omstandigheid dat de opslagtermijn is overschreden niet zonder meer dat de met betrekking tot de inname en opslag van TAG ontvangen innametarieven in de periode van 2007-2011 wederrechtelijk zijn verkregen.
De rechtbank overweegt voorts dat als gevolg van het verplaatsen van de voorraad TAG naar een andere locatie in [gemeente] , gevolgd door het later weer terugbrengen daarvan teneinde te kunnen voldoen aan regels ter voorkoming van de bestuursrechtelijke verbeurtenis van dwangsommen, er vermenging heeft plaatsgevonden van de voorraad TAG die er langer dan drie jaren lag met de voorraad TAG die er nog geen drie jaren lag.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 31 januari 2017 geoordeeld dat de opslag van TAG op zich zelf beschouwd geen nuttige toepassing vormt en evenmin een onderdeel is daarvan. Gelet hierop zijn vraagtekens te stellen bij de relevantie van het heen- en weer terugplaatsen van de voorraad TAG, anders dan om te voldoen aan de bestuursrechtelijke drie-jaarstermijn. Als gevolg van de verplaatsingen is evenwel niet meer vast te stellen welk deel van de thans nog aanwezige voorraad TAG werd opgeslagen in de periode 2007-2011, welk deel van daarna tot januari 2014 (zijnde drie jaren voor datum onderzoek ter terechtzitting van 17 januari 2017), en welk deel van na januari 2017. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat met het aldus louter heen- en weerschuiven van de voorraad niet wordt voldaan aan de door de gemeente gestelde voorwaarden ter voorkoming van de verbeurtenis van dwangsommen.
De rechtbank ziet aldus aanleiding voor een alternatieve berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij de rechtbank overweegt dat [bedrijf 1] ter hoogte van de hierna te berekenen door [bedrijf 2] ontvangen innametarieven (stortgelden) geen (aanvullende) financiering behoefde te sluiten bij banken ten behoeve van het realiseren van de TRI of ten behoeve van andere investeringen of bedrijfsactiviteiten. De rechtbank overweegt in dit kader dat de realisatie van de TRI werd gefinancierd met de stortgelden in de periode waarin geen nuttige toepassing was gerealiseerd (2011 tot 2015) terwijl de driejaarstermijn wel was overschreden. De rentebesparing als gevolg hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als besparing van kosten en aldus als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Met inachtneming van het financieel rapport berekent de rechtbank de innametarieven in de periode 2007-2011 als volgt (stortgelden minus transportkosten) (telkens afgerond):
2007: € 819.333,-;
2008: € 2.294.351 - € 58.698,42 = € 2.235.653,-;
2009: € 3.121.349 - € 152.342,14 = € 2.969.007,-;
2010: € 3.438.035 - € 327.772,60 = € 3.110.262,-;
2011: € 3.603.463 - € 268.647,00 = € 3.334.816,-.
Met de officier van justitie zal de rechtbank in het voordeel van de verdachte uitgaan van een rentebesparing van (ten minste) 3%. Uitgaande van de berekening besparing rente-uitgaven, gehecht aan de conclusie van repliek van de officier van justitie van 30 januari 2019, stelt de rechtbank de rentebesparing in de periode 2007-2011 als volgt vast (telkens afgerond):
2007: 0,03 x € 819.333,- = € 24.580,-;
2008: 0,03 x € 2.235.653,- = € 67.070,-;
2009: 0,03 x € 2.969.007,- = € 89.070,-;
2010: 0,03 x € 3.110.262.- = € 93.308,-;
2011: 0,03 x € 3.334.816,- = € 100.044,-;
+
totaal € 374.072,-.
De rechtbank stelt aldus de totale rentebesparing, berekend over de periode 2007-2011, en daarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel, vast op in totaal € 374.072,-.
Investeringskosten.
De uitgaven voor de ontwikkeling en aanschaf van de TRI zijn aan te merken als kosten die bedrijfseconomisch kunnen worden geactiveerd. In ontnemingsberekeningen worden met betrekking tot investeringsuitgaven normaliter alleen de daaraan te relateren afschrijvingskosten meegenomen.
Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de afschrijvingskosten van de investering in de TRI in het onderhavige geval niet in mindering op het wederrechtelijk verkregen voordeel gebracht kunnen worden. De rechtbank overweegt dat de TRI eerst vanaf week 10 in 2018 is gerealiseerd en in werking is genomen. Afschrijving kan daarom slechts plaatsvinden met ingang van dat jaar en niet met betrekking tot de periode waarin de TRI niet was gerealiseerd.
Toerekening.
Voor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon volstaat, ingevolge het door de raadsman naar voren gebrachte [rapporteur 2] -arrest (HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4672), vast te stellen:
dat die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon;
dat hij over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken;
dat het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon, welk voordeel de natuurlijke persoon kan worden toegerekend.
Met de raadsman stelt de rechtbank vast dat er geen directe doorbetaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde heeft plaatsgevonden.
Uit het financieel rapport volgt echter wel dat de ontvangen liquide middelen die door [bedrijf 2] zijn gegenereerd met de inname en opslag van TAG zijn overgegaan naar andere groepsmaatschappijen binnen de [bedrijfsgroep] . Het wederrechtelijk verkregen voordeel is als het ware omgezet in vorderingen van [bedrijf 2] op andere groepsmaatschappijen van de [bedrijfsgroep] en is bovendien ter beschikking gekomen van deze groepsmaatschappijen die met de ontvangen gelden onder meer hun negatieve saldi hebben aangevuld waardoor hun voortbestaan kon blijven gewaarborgd, alsook management fees hebben voldaan die door de vennootschap [bedrijf 1] in rekening werden gebracht bij de diverse groepsmaatschappijen. Deze management fees werden vervolgens voornamelijk aangewend voor de betaling van het salaris, vakantietoeslag, pensioenopbouw en onkostenvergoeding van de veroordeelde.
De veroordeelde kon als enig bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] , die op haar beurt boven een aantal groepsmaatschappijen binnen de [bedrijfsgroep] staat, waaronder [bedrijf 2] , over het vermogen van deze rechtspersonen beschikken. Dat ervoor gekozen is de ontvangen innamegelden naar andere groepsmaatschappijen door te betalen, neemt niet weg dat die gelden tot zijn voordeel strekten dan wel konden strekken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het wederrechtelijk ten voordele van de veroordeelde heeft gestrekt.
Conclusie.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank het door de veroordeelde door middel van de strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld en andere strafbare feiten verkregen voordeel schat op € 374.072,-.
De verplichting tot betaling.
Er zijn geen omstandigheden gebleken die nopen tot matiging van het te ontnemen bedrag, zodat de rechtbank het te ontnemen bedrag zal bepalen op het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak.
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
€ 374.072,-.
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 374.072,-.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.T. van Vliet, voorzitter,
mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. E.M. Vermeulen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,
en is uitgesproken op 1 mei 2019.
Uitspraak 31‑01‑2017
Inhoudsindicatie
Veroordeling tot een taakstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis voor het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk in strijd met de voorschriften van de aan het bedrijf verleende vergunning opslaan van teerhoudend asfaltgranulaat.
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 01/997003-14
Datum uitspraak: 31 januari 2017
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1949] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van17 januari 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 oktober 2016. Voorafgaande aan het uitroepen van de zaak op de terechtzitting van 17 januari 2017 heeft de officier van justitie het onder feit 1 en feit 2 aan verdachte ten laste gelegde ingetrokken en het onder feit 3 en feit 4 ten laste gelegde feiten hernummerd naar respectievelijk feit 1 en feit 2. Aldus is aan verdachte ten laste gelegd dat hij:
1. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de aan [bedrijf 1] verleende omgevingsvergunning van de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant van 21 september 2007, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting, gelegen aan of nabij [adres 2] , bestemd voor (onder meer) het op- en overslaan en bewerken van diverse afvalstoffen, gelegen aan/nabij de [adres 2] , aangezien door haar en/of haar medeverdachte(n) toen aldaar
- (een of meer) partij(en) teerhoudend asfalt(granulaat), zijnde (een) afvalstof(fen) (na inname binnen de inrichting) (telkens) langer dan één jaar binnen de inrichting werd/werden opgeslagen (voorschrift 5.4.1.) en/of
- (een of meer) partij(en) teerhoudend asfalt(granulaat), althans (een) teerhoudende afvalstof(fen) (na – eerdere – inname binnen de inrichting) langer dan drie jaar werd/werden opgeslagen (voorschrift 5.4.2);
terwijl deze/die opslag(en) (telkens) niet werd(en) gevolgd door nuttige toepassing;
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een of meer voorschrift(en) van de aan
[bedrijf 1] verleende omgevingsvergunning van de Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant van 21 september 2007, welk(e) voorschrift(en) betrekking had(den) op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting, gelegen aan of nabij [adres 2] , bestemd voor (onder meer) het op- en overslaan en bewerken van diverse afvalstoffen, gelegen aan/nabij de [adres 2] , aangezien door haar en/of haar medeverdachte(n) toen aldaar
- (een of meer) partij(en) teerhoudend asfalt(granulaat), zijnde (een) afvalstof(fen) (na inname binnen de inrichting) (telkens) langer dan één jaar binnen de inrichting werd/werden opgeslagen (voorschrift 5.4.1.) en/of
- (een of meer) partij(en) teerhoudend asfalt(granulaat), althans (een) teerhoudende afvalstof(fen) (na - eerdere - inname binnen de inrichting) langer dan drie jaar werd/werden opgeslagen (voorschrift 5.4.2);
terwijl deze/die opslag(en) (telkens) niet werd(en) gevolgd door nuttige toepassing, terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven;
2. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting en/of het na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zijnde genoemde inrichting een inrichting, als bedoeld in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres 2] , bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit het toen aldaar telkens opslaan van afvalstoffen (teerhoudend asfaltgranulaat) tot een hoogte van (telkens) meer dan 15 meter;
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft/hebben uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting en/of het na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zijnde genoemde inrichting een inrichting, als bedoeld in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres 2] , bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit het toen aldaar telkens opslaan van afvalstoffen (teerhoudend asfaltgranulaat) tot een hoogte van (telkens) meer dan 15 meter, terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan deze verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten.
De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 17 januari 2017 niet volgt dat verdachte enige (actieve) uitvoeringshandeling heeft verricht bij de inname van teerhoudend asfaltgranulaat [hierna: TAG] en de wijze waarop TAG in de inrichting werd opgeslagen. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte derhalve niet als pleger of medepleger, als bedoeld in artikel 47 eerste lid aanhef en onder 1o van het Wetboek van Strafrecht, worden aangemerkt. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair en onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Het standpunt van de officier van justitie.
Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden en de daarop gegeven toelichting en aanvullingen ter terechtzitting van 17 januari 2017 acht de officier van justitie de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Volgens de officier van justitie heeft verdachte gehandeld in strijd met de voorschriften aangaande de vergunde opslagduur (1 dan wel 3 jaar, indien gevolgd door nuttige toepassing) en heeft men zich ook niet gehouden aan de vergunde hoogte van de opslag (maximaal 15 meter).
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota omschreven gronden en de daarop gegeven toelichting en aanvullingen ter terechtzitting van 17 januari 2017 is de verdediging van oordeel dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Volgens de verdediging ziet het voorschrift met betrekking tot de duur van de opslag, welk voorschrift is geënt op het Bssa, bij correcte en richtlijnconforme uitleg van de begrippen niet op de opslag van TAG; de opslag van TAG op zich betreft een nuttige toepassing. Ook het voorschrift met betrekking tot de hoogte is volgens de verdediging niet van toepassing op de opslag van TAG, nu dit voorschrift voor niet brandbare stoffen geldt, terwijl TAG een brandbare stof betreft. Voorts is geen sprake van daderschap en opzet.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het oordeel van de rechtbank.
De vergunning.
Op 15 december 2006 heeft [bedrijf 1] een vergunning krachtens de Wet milieubeheer aangevraagd voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting gelegen te [gemeente] aan [adres 2] . Op 21 september 2007 is deze vergunning door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (hierna: GS) verleend. De vergunning is op 18 december 2009 in werking getreden. Ingevolge artikel 1.2 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd deze vergunning vanaf 1 oktober 2010 gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
De duur van de opslag van TAG (feit 1).
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, met name uit de bevindingen van [verbalisant 1][pag. 828] blijkt dat [bedrijf 1] in de jaren 2007 tot en met 2014 TAG heeft ingenomen, maar zich daarvan niet heeft ontdaan. Daardoor zijn – aldus de officier van justitie – de voorschriften 5.4.1 en 5.4.2 verbonden aan de aan [bedrijf 1] verleende vergunning van21 september 2007 overtreden, kort gezegd inhoudende dat afvalstoffen niet langer dan 1 jaar mogen worden opgeslagen dan wel, indien de opslag gevolgd wordt door nuttige toepassing, niet langer dan 3 jaar. Door de verdediging wordt op zich erkend dat (een deel van) het TAG langer dan 3 jaar lag opgeslagen. De verdediging heeft echter aangevoerd dat deze voorschriften, bij correcte en richtlijnconforme uitleg van de begrippen, niet zien op de opslag van TAG; de opslag van TAG betreft een nuttige toepassing, aldus de verdediging.
De rechtbank overweegt hierover het navolgende. In artikel 1.1 eerste lid van de Wet milieubeheer wordt het begrip “nuttige toepassing” als volgt omschreven: “elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen”.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen en uit hetgeen verder tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 17 januari 2017 is gebleken, blijkt dat het ingenomen TAG niet werd verwerkt omdat de thermische reinigingsinstallatie [hierna: TRI] niet was gerealiseerd en (een deel van) het TAG in afwachting daarvan langer dan 3 jaar lag opgeslagen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt de opslag van TAG, in tegenstelling tot de verwerking daarvan, geen nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, en vormt op zich zelf beschouwd evenmin een onderdeel daarvan. Met het enkele opslaan van TAG wordt geen handeling uitgevoerd zoals hiervoor bedoeld. Het opslaan heeft op zichzelf ook geen te verwachten resultaat. Met het opgeslagen TAG gebeurt immers niets als het niet wordt verwerkt. Hieruit concludeert de rechtbank dat het TAG werd opgeslagen in strijd met de vergunningvoorschriften 5.4.1 en 5.4.2.
De hoogte van de opslag van TAG (feit 2).
In het besluit van GS om de door [bedrijf 1] aangevraagde vergunning te verlenen, staat vermeld dat de bij dit besluit behorende gewaarmerkte aanvraag, met uitzondering van bijlage 3, deel uitmaakt van dit besluit voor zover de voorschriften en beperkingen niet anders bepalen [pag. 1494]. In de vergunningaanvraag is onder hoofdstuk 2.8 “Inname en opslagcapaciteit” onder meer de volgende bepaling opgenomen: “De opslaghoogte van niet brandbare stoffen valt binnen de maximale bebouwingshoogte van 15 meter dat geldt conform het ter plaatse geldende bestemmingsplan”.
De verdediging heeft niet betwist dat de onder 2.8 genoemde bepaling deel uitmaakt van de aan [bedrijf 1] verleende vergunning. De verdediging heeft echter aangevoerd dat de opslaghoogte van 15 meter alleen voor niet brandbare stoffen geldt, dat TAG een brandbare stof is en dat de bepalingen over de opslaghoogte dus niet op het ingenomen TAG ziet.
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De beperking van de in voormeld voorschrift genoemde maximaal toelaatbare opslaghoogte is gekoppeld aan de maximale bebouwingshoogte conform het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Deze norm is kennelijk bedoeld om de visuele overlast c.q. beperkingen die door bebouwingen wordt veroorzaakt, te beperken en op een aanvaardbaar niveau te houden.
Dit gegeven, in combinatie bezien met de vergunde activiteiten en de omstandigheid dat als een feit van algemene bekendheid heeft te gelden dat brandbare stoffen een grotere gevaarzetting met zich brengen voor het milieu en de volksgezondheid dan niet brandbare stoffen, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het niet anders kan zijn dan dat de betreffende norm (ook) op de opslag van TAG ziet. Niet valt immers in te zien dat voor brandbare stoffen minder zware regels voor opslag zouden gelden dan voor niet brandbare stoffen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de maximumhoogte voor de opslag van 15 meter ook gold voor de opslag van het ingenomen TAG. Blijkens de bewijsmiddelen is deze hoogte overschreden.
Opzet
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in casu vanaf 2007 TAG is ingenomen en opgeslagen. Het TAG kon niet worden verwerkt, omdat de daarvoor benodigde TRI nog niet beschikbaar was. Bij de inname van TAG is er op gespeculeerd dat de TRI korte tijd daarna in werking zou zijn en dat aldus de vergunningvoorschriften konden worden nageleefd. Naarmate de jaren verstreken en de TRI nog immer niet in werking was, is men desondanks doorgegaan met de inname en opslag van TAG. In dit verband wordt ook gewezen op het bij brief van 25 juli 2013 door [bedrijf 1] aan GS gedane - door GS bij besluit van 21 november 2013 afgewezen - verzoek om een gedoogbeschikking, waarin wordt gewezen op de lange voorgeschiedenis met betrekking tot het realiseren van de TRI (vanaf 2008) en de voortdurende overtreding van voorschrift 5.4.2.1.Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de TRI ook thans, 9,5 jaar na de eerste inname van het TAG, nog niet in werking is. Hieruit concludeert de rechtbank dat TAG is ingenomen met de wetenschap dat die niet, in elk geval niet binnen een overzienbare termijn, verwerkt kon worden.
De aansprakelijkheid van de rechtspersoon.
Om de hiervoor genoemde gedragingen aan [bedrijf 1] en [bedrijf 3] te kunnen toerekenen, moet vastgesteld worden dat die gedragingen in de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door de rechtspersoon uitgeoefende bedrijf of taakuitoefening,
e rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat [bedrijf 1] en [bedrijf 3] in strijd met de aan [bedrijf 1] verleende vergunning TAG hebben ingenomen en opgeslagen. [bedrijf 1] is eigenaar en vergunninghouder van het perceel aan [adres 2] en enig bestuurder van [bedrijf 3] [verdachte] op zijn beurt is de enige bestuurder van [bedrijf 1] De feitelijke uitvoering van de werkzaamheden heeft [bedrijf 1] ondergebracht bij haar dochteronderneming en werkmaatschappij [bedrijf 3]
Deze handelingen, het innemen en opslaan van TAG, pasten in de normale bedrijfsuitvoering van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] , bestaande uit het terugwinnen van bruikbare materialen uit afvalstoffen, de verwerking en behandeling van en de handel in deze materialen en voorts het verrichten van al hetgeen daarmee in de ruimste zin verband houdt. De opbrengst van deze activiteiten zou ten goede komen aan [bedrijf 1] en [bedrijf 3] Deze activiteiten waren daardoor dienstig aan het door deze rechtspersonen uitgeoefende bedrijf. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] , als directeur van [bedrijf 1] en ook in praktische zin gesproken van [bedrijf 3] , eindverantwoordelijke was voor het reilen en zeilen binnen deze ondernemingen. Immers werden alle beleidsmatige beslissingen bij de bedrijfsvoering van deze rechtspersonen genomen in overleg met en na goedvinden van [verdachte] .
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [bedrijf 1] en [bedrijf 3] de inzameling en de opslag van TAG door haar medewerkers hebben aanvaard en dat deze medewerkers die handelingen opzettelijk hebben verricht. Nu is gebleken dat de medewerkers van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] deze handelingen bewust hebben uitgevoerd en door of namens deze rechtspersonen geen enkele actie is ondernomen de opslag van TAG, die qua duur en hoogte van de opslag in strijd was met de aan [bedrijf 1] verleende vergunning, te beëindigen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten in de sfeer van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] hebben plaatsgevonden.
De aansprakelijkheid van verdachte als feitelijk leidinggever.
De rechtbank stelt voorop dat conform vaste jurisprudentie van feitelijk leiding geven ook sprake kan zijn als een verdachte – hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was – maatregelen achterwege heeft gelaten ter voorkoming van de verboden gedraging en hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij de gedraging opzettelijk heeft bevorderd (HR 16 december 1986, NJ 1987, 321/322; Slavenburg).
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, als onmiddellijk bestuurder van [bedrijf 1] en middellijk bestuurder van [bedrijf 3] , de persoon was die bepaalde welke activiteiten er door deze rechtspersonen zouden worden uitgevoerd. Elke beleidsmatige beslissing die namens deze rechtspersonen werd genomen, vond eerst plaats na overleg met en na goedvinden van verdachte. Op deze wijze stuurde verdachte de binnen deze rechtspersonen te verrichten werkzaamheden aan en was hij daarvoor eindverantwoordelijk. Uit het feit dat verdachte eerdergenoemd verzoek om een gedoogbeschikking namens [bedrijf 1] heeft ondertekend volgt ook dat hij op de hoogte was van de gang van zaken.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk, in strijd met de voorschriften van de aan [bedrijf 1] verleende vergunning opslaan van TAG op het perceel [adres 2] te [gemeente]
Conclusie.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de hierna onder “De bewezenverklaring” weergegeven handelingen wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
De rechtbank is van oordeel dat het navolgende wettig en overtuigend is bewezen.
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit.
[bedrijf 3] en [bedrijf 1] hebben op tijdstippen in de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel, opzettelijk gehandeld in strijd met voorschriften van de aan [bedrijf 1] verleende omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant van 21 september 2007, welke voorschriften betrekking hadden op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten het in werking hebben van een inrichting, gelegen aan of nabij [adres 2] , bestemd voor (onder meer) het op- en overslaan en bewerken van diverse afvalstoffen, gelegen aan/nabij de [adres 2] , aangezien door haar en haar medeverdachte toen aldaar
- partijen teerhoudend asfaltgranulaat, zijnde afvalstoffen, na inname binnen de inrichting telkens langer dan één jaar binnen de inrichting werden opgeslagen (voorschrift 5.4.1.) en
- partijen teerhoudend asfaltgranulaat, na - eerdere - inname binnen de inrichting, langer dan drie jaar werden opgeslagen (voorschrift 5.4.2)
terwijl deze opslag telkens niet werd gevolgd door nuttige toepassing, terwijl hij, verdachte, aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven;
Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit.
[bedrijf 3] en [bedrijf 1] hebben op tijdstippen in de periode 1 oktober 2010 tot en met 27 november 2014 te Son, gemeente Son en Breugel opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project uitgevoerd, dat bestond uit het veranderen van de werking van een inrichting en het, na de werking te hebben veranderd, in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, zijnde genoemde inrichting een inrichting, als bedoeld in Onderdeel C, categorie 28.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, die was gelegen aan de [adres 2] , bestaande die veranderde werking uit het toen aldaar telkens opslaan van afvalstoffen (teerhoudend asfaltgranulaat) tot een hoogte van meer dan 15 meter, terwijl hij, verdachte, aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij vordert dat verdachte daarvoor zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis waarvan 50 uur taakstraf subsidiair 25 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten bepleit. Voor het geval de rechtbank toch tot een veroordeling zou komen, heeft de raadsman gesteld dat te bewijzen feiten slechts een geringe strafwaardigheid hebben. Over de aard, de soort en de hoogte van een op te leggen straf heeft de raadsman zich niet uitgelaten.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Door de verdediging is in het kader van de strafwaardigheid van de gedraging erop gewezen dat het steeds de bedoeling is geweest om het TAG op milieuvriendelijke wijze te reinigen en dat voortzetting van de opslag van TAG, zoals dat nu gebeurt in afwachting van het operationeel worden van de TRI, een voor het milieu aanzienlijk mindere belasting vormt dan het afvoeren van het TAG.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat het TAG is ingenomen met de wetenschap dat die niet, in elk geval niet binnen een overzienbare termijn, verwerkt kon worden. TAG wordt beschouwd als een gevaarlijk afvalstof.2.Verdachte heeft er op gespeculeerd dat de TRI zodanig tijdig operatief zou zijn dat de voorschriften die aan de aan [bedrijf 1] verleende vergunning van 21 september 2007 waren verbonden, niet zouden worden overtreden. Deze foutieve inschatting heeft geleid tot een jarenlange overtreding van onder andere de vergunningvoor-schriften 5.4.1 en 5.4.2. De gestelde extra milieubelasting vanwege de afvoer van TAG is daarvan een direct gevolg, zodat de rechtbank in het ter zake aangevoerde geen reden tot matiging ziet.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de wijze waarop TAG in casu is opgeslagen, het milieu of de volksgezondheid heeft benadeeld, hetgeen wel in stafmatigende zin zal worden meegenomen.
De strafmodaliteit
Oplegging van een geldboete aan verdachte doet geen recht aan de aard, de ernst en de omvang van de hiervoor bewezen verklaarde feiten en de lange periode waarin die feiten zijn gepleegd. Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf passend en geboden is.
In bestuursrechtelijke procedures is aan [bedrijf 1] een last onder dwangsom opgelegd om het TAG te verwijderen en geen nieuw TAG meer in te nemen. Hierin ziet de rechtbank voldoende waarborg om recidive te voorkomen en de overtreding van de vergunningvoorschriften te beëindigen. Daarom zal de rechtbank overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf en niet tot oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf zoals de officier van justitie heeft gevorderd.
Conclusie
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat
oplegging van een taakstraf van 50 uur subsidiair 25 dagen hechtenis passend en geboden is.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
22c, 22d, 47, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht,
1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en
2.1
en 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten.
Verklaart de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit.
Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde feit.
Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf.
Ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten.
Een taakstraf voor de duur van 50 uren [vijftig uren] te vervangen door 25 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Senden, voorzitter,
mr. M.T. van Vliet en mr. M.E.L. Hendriks, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 31 januari 2017.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑01‑2017
Zie proces-verbaal van bevindingen milieuhygienische aspecten opslag, pag. 900-903