Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/V.8.1
V.8.1 Bewijsrisico en bewijsvoeringslast
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS600902:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § III.3.1.
Zie § III.3.3.
Vgl. in dezelfde zin Tophinke 2000, p. 190 e.v.
EHRM 6 december 1988, nr. 10590/83, par. 77(Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje); ECieRM 18 januari 1996, nr. 26269/95, dec. (Thompson/Verenigd Koninkrijk); EHRM 23 juli 2002, nr. 34619/97, par. 97 (Janosevic/Zweden); EHRM 4 maart 2014, nr. 18640/10 (Grande Stevens e.a./Italië). Vgl. ook ECieRM 16 oktober 1986, nr. 10590/83, rep., par. 104 (Barberà, Messegué en Jabardo/Spanje).
CRM 24 juli 2006, nr. 1421/2005 (Larrañaga/Filipijnen); CRM 27 juli 2010, nr. 1870/2009 (Sobhraj/Nepal);
Dat ook de bewijsvoeringslast op de overheid dient te rusten, vindt tevens bevestiging erin dat zowel het EHRM als het Comité klachten over gevolgtrekkingen uit het zwijgrecht onderzoeken onder het tweede lid van art. 6 EVRM resp. art. 14 IVBPR. Zie daarover hierna § V.8.4.
Zie aldus hiervoor § III.3.5.
Dan gaat het om situaties waarin de rechter in een situatie waarin de nationale wetgeving bij twijfel ruimte biedt te veroordelen, toch zelfstandig heeft geconstateerd dat het standpunt van de verdediging onjuist is, zie EHRM 7 oktober 1988, nr. 10519/83, NJ 1991, 351, par. 30, m.nt. Alkema (Salabiaku/Frankrijk); EHRM 25 september 1992, 13191/ 87, NJ 1995, 593, par. 35-36, m.nt. Alkema (Pham Hoang/Frankrijk).
In haar oudste en in een groot deel van de wereld best bewaard gebleven betekenis, schrijft de onschuldpresumptie eerst en vooral een verdeling van de bewijslast voor. De overheid moet het bewijs van schuld leveren. De met uitleg van de onschuldpresumptie belaste organen incorporeren dat voorschrift eensgezind in hun rechtspraak.1
Naar het bewijslastbegrip kan op twee manieren worden gekeken. Ten eerste beschrijft de bewijslastverdeling wie de procedure verliest in geval van twijfel omtrent hetgeen bewezen moest worden. Dit is het bewijsrisico. Daarnaast kan de bewijslast beschrijven wie aan zet is om over een feitelijk geschilpunt stellingen en/of bewijsmateriaal aan te dragen. Dit laatste noemt men de bewijsvoeringslast.2 Het verdragsrecht op het onschuldvermoeden legt zowel de bewijsvoeringslast als het bewijsrisico in beginsel bij de overheid.3 Dat blijkt met zoveel woorden uit één van de standaardoverwegingen van het EHRM:
“[T]he presumption of innocence [...] requires, inter alia, that [...] the burden of proof is on the prosecution, and any doubt should benefit the accused. It also follows that it is for the prosecution to [...] adduce evidence sufficient to convict him.”4
Vergelijkbaar is hetgeen het VN Mensenrechtencomité met betrekking tot de bewijslast uit de onschuldpresumptie afleidt:
“[A] criminal court may convict a person only when there is no reasonable doubt of his or her guilt, and it is for the prosecution to dispel any such doubt.”5
Dat de bewijslast op de overheid rust, betekent dus dat bij twijfel ten gunste van de verdachte moet worden beslist en dat de overheid, meer in het bijzonder de vervolgende instantie, dat bewijs dient aan te dragen.6
Ook de richtlijn lijkt de bewijslast in beide betekenissen bij de overheid te leggen. Op de eerste volzin van artikel 6 lid 1, die de burden of proof bij de prosecution legt, volgt een tweede volzin die verzekert dat die bewijslast geen afbreuk doet aan “any obligation on the judge or the competent court to seek both inculpatory and exculpatory evidence” en aan het recht van de verdediging om ontlastend bewijsmateriaal aan te dragen. Die disclaimer heeft alleen betekenis voor zover met de burden of proof wordt gedoeld op de bewijsvoeringslast. Noch de bevoegdheid van de rechter tot eigen feitenonderzoek, noch het recht van de verdediging ontlastend materiaal aan te dragen, raakt immers het bewijsrisico.7
Anders dan in de richtlijn, blijft in de rechtspraak over het EVRM en het IVBPR onbenoemd of de bewijsdimensie kan functioneren in zowel een strafprocedure met een lijdelijke rechter als een proces met een zittingsrechter die actief aan het waarheidsonderzoek deelneemt en daarvoor zelfs eindverantwoordelijke is. Een actieve zittingsrechter kan de bewijslast op twee manieren beïnvloeden. Dat kan hij ten nadele van de verdachte door een door de vervolgende instantie gelaten ‘gat’ in de bewijsvoering te dichten. Het nadeel dat de verdachte daarvan lijdt is echter niet met de idee van de onschuldpresumptie in strijd. Het is in dat geval immers nog steeds de overheid die de schuld van de verdachte bewijst en het bewijsrisico verschuift niet. Zolang het rechterlijk onderzoek geen vooringenomenheid verraadt of de verdedigingsrechten van de verdachte beknot, verandert een en ander niets aan de strafprocessuele verhouding tussen overheid en burger. Rechterlijke waarheidsvinding kan ook ten gunste van de verdediging werken en daarmee de bewijslast van de verdachte verlichten. Dat daartegen niet op grond van een procedureel verdedigingsrecht kan worden geopponeerd, behoeft geen betoog. In de rechtspraak van het EHRM kan de actieve rol van de zittingsrechter op deze manier wel een zwaarwegend argument zijn om de onschuldpresumptie niet geschonden te achten.8 Al met al werpt het onschuldvermoeden dus geen principieel bezwaar op tegen actief rechterlijk waarheidsonderzoek en vice versa.