Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/9.3.4
9.3.4 De aard van beperkte rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300449:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze discussie in algemene zin Koops 2014. Ik geef deze discussie hier beknopt weer; genuanceerdere standpunten, zoals die van Rongen 2012, p. 714, bespreek ik niet.
Zie in deze zin bijvoorbeeld Struycken 2007, p. 363.
Zie in deze zin bijvoorbeeld Mollema 2013a, p. 248.
Zie Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 11 met verwijzingen.
Volgens Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 47 moet men het afsplitsingsmodel vooral als hulpmiddel zien; het zou niet met zich brengen dat de inhoud van een beperkt recht slechts kan bestaan uit bevoegdheden die in het moederrecht besloten lagen. Wat dan nog het verschil is met het bezwaringsmodel is mij niet duidelijk.
Zoals wel is aangenomen in oudere rechtspraak van de Hoge Raad; berucht is in dit verband HR 16 maart 1977, NJ 1977/399, dat gaat over de verplichting van een erfverpachter om een aan de gepachte grond aangrenzende haven op diepte te houden. Dit arrest wordt onder meer besproken door Vegter 1993, p. 802; Struycken 2007, p. 415; Vonck 2013, p. 131; Mollema 2013a, p. 258.
Zie in dezelfde zin Schoordijk 1992, p. 1205, die stelt dat bij een obligatoire benadering van het goederenrecht men niet toekomt “aan een denken in afsplitsings-, heerschappij-constructies etc.” Dat is in zoverre juist dat deze modellen geen invloed hebben op de vraag of een goederenrechtelijk recht in verbintenisrechtelijke termen kan worden weergegeven. Zij spelen echter wel een rol bij het antwoord op de vraag uit welke verbintenisrechtelijke verhoudingen een goedererenrechtelijk recht dan zou bestaan; zie hierna.
412. Een derde discussiepunt in de Nederlandse rechtsliteratuur betreft de aard van beperkte rechten, meer specifiek hoe deze zich verhouden tot hun moederrecht.1 Symbool voor deze discussie staat de definitie van het beperkte recht in art. 3:8 BW: “Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, hetwelk met het beperkte recht is bezwaard”. In deze definitie zijn twee met elkaar strijdige opvattingen te lezen over de verhouding tussen een beperkt recht en het moederrecht van dat beperkte recht. In de eerste opvatting – “een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht” – worden beperkte rechten gezien als afsplitsingen van het moederrecht. Dit houdt in dat een beperkt recht niet tot méér recht kan geven dan hetgeen de moedergerechtigde door het vestigen van het beperkte recht (tijdelijk) kwijtraakt.2 In de tweede opvatting – “hetwelk met het beperkte recht is bezwaard” – worden beperkte rechten gezien als beperkingen voor de moedergerechtigde die voorheen niet bestonden. In deze opvatting is de inhoud van het moederrecht niet leidend voor de mogelijke inhoud van een daarop drukkend beperkt recht.3 Het zou binnen deze opvatting dus mogelijk zijn om geheel nieuwe verplichtingen aan de moedergerechtigde op te leggen.
413. In de Nederlandse rechtsliteratuur lijkt het ‘afsplitsingsmodel’ de overhand te hebben.4 Het afsplitsingsmodel verhoudt zich echter lastig tot het feit dat beperkte rechten naar huidig recht ook bevoegdheden en verplichtingen kunnen bevatten die geen onderdeel van het moederrecht vormden.5 Ook is met het afsplitsingsmodel niet goed te verklaren hoe het zou kunnen dat een beperkt recht bevoegdheden en verplichtingen met zich brengt die zien op een ander rechtsobject dan het moederrecht.6
414. De vraag die ik hier behandel is of uit de voorgaande hoofdstukken nieuwe argumenten volgen om in te brengen in de discussie tussen voorstanders van het afsplitsingmodel en voorstanders van het bezwaringsmodel. Daarop past een genuanceerd antwoord. Het begrippenkader uit hoofdstuk 3 is neutraal en kan gebruikt worden om beide modellen mee weer te geven.7 Uit hoofdstuk 5 blijkt dat meerdere juridische posities worden gecombineerd om subjectieve rechten te vormen. Het is de wetgever die sommige combinaties van een ‘perimeter of protection’ voorziet, waardoor ze goederenrechtelijke rechten vormen (het beginsel van de numerus clausus)(zie randnummer 187 e.v.). De wetgever kan er zowel voor kiezen om slechts juridische posities tot onderdeel van een beperkt recht toe te laten die toekwamen aan de moedergerechtigde (afsplitsingsmodel), als juridische posities die voorheen nog niet bestonden (bezwaringsmodel). Uit paragraaf 5.4.3 volgt dat de overheid verschillende redenen kan hebben om juridische posities toe te wijzen aan een subjectief gerechtigde, vooral waar het gaat om ‘claims’ om anderen uit te sluiten die samen een ‘perimeter of protection’ vormen. Uit paragraaf 7.2 volgt dat juridische posities gebundeld zouden moeten worden die bij elkaar voor de meeste maatschappelijke welvaart zorgen. Ik werk in deze hoofdstukken de samenstelling van beperkte rechten niet uit, maar het is goed voorstelbaar dat het algemeen nut er (meer) bij gebaat zou zijn dat de gerechtigde tot een beperkt recht óók juridische posities (voorzien van een ‘perimeter of protection’) kan verkrijgen die niet in het moederrecht begrepen waren en/of die zien op andere rechtsobjecten dan het moederrecht. Of dit gebeurt door deze juridische posities onderdeel van het beperkte recht te maken, of door ze als kwalitatieve verbintenissen aan het beperkte recht te verbinden, is niet van belang.