Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.13:1.13 Afscheiding van een bestanddeel in het Romeinse recht (conclusie)
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.13
1.13 Afscheiding van een bestanddeel in het Romeinse recht (conclusie)
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644796:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Romeinse recht kende het principe van “slapend” eigendomsrecht oftewel een dominium dormiens. Dit betekende dat een oorspronkelijk eigendomsrecht van vóór de vereniging niet teniet was gegaan. Juister gezegd kende het Romeinse recht een “slapende” eigendomsactie. Deze slapende of rustende eigendomsactie was niet te gebruiken zolang de zaken met elkaar verenigd waren. Met andere woorden: de oorspronkelijke eigenaar kon geen revindicatie instellen tegen de eigenaar van de hoofdzaak, zolang zijn zaak een bestanddeel was. Dit kon hij pas weer doen nadat de vereniging ongedaan was gemaakt. De afscheiding kuste zo de “slapende” actie wakker.
De prins(es) die de “slapende” actie kon wakker kussen heette de actio ad exhibendum. Met deze actie kon een eiser afscheiding van een bestanddeel vorderen waardoor de revindicatie vervolgens kon worden ingesteld. Deze herrees na de afscheiding in haar oude gedaante. Er was dus sprake van een formele continuïteit. De actio ad exhibendum was nodig, omdat de eigendomsactie niet geschikt was voor het vorderen van de afscheiding. Laatstgenoemde actie verkeerde immers in een slapende toestand. Bovendien was het Romeinse recht een systeem van acties, wat betekende dat elke actie een eigen reikwijdte had. Met de revindicatie was een zaak op te eisen, niet een bestanddeel. Het oprekken van de reikwijdte van de revindicatie, door toe te staan dat met die actie naast zaken bestanddelen van die zaken konden worden opgeëist, was voor de Romeinen een stap te ver. Die taak was weggelegd voor de actio ad exhibendum, althans als sprake was van een “slapend” eigendomsrecht. Was een oorspronkelijk eigendomsrecht door de vereniging definitief teniet gegaan, dan was geen actie tot productie mogelijk. Zij was immers zinloos geworden.
Het “slapende” eigendomsrecht verhinderde de eigenaar van de hoofdzaak niet om over de gehele eenheidszaak te beschikken. Hij kon haar bezwaren of overdragen, zij het dat hij niet meer kon overdragen dan hij had. Als hij de zaak verkocht, dan verkreeg de koper de eigendom van de eenheidszaak. Werd een toegevoegde zaak echter hiervan losgemaakt, dan werd de koper geen eigenaar maar, mits te goeder trouw, verjaringsbezitter van deze zaak. Dit was uiteraard anders als de verkoper/eigenaar van de hoofdzaak vóór de verbinding ook eigenaar was van de nagetrokken zaak. In dat geval was van een “slapend” eigendomsrecht (lees: actie) geen sprake, waardoor de verkoper na de afscheiding geen aanspraak kon maken op de losgemaakte zaken.
Het Romeinse recht kende niet alleen “slapende” eigendomsacties, maar ook andere “slapende” acties. De beperkt gerechtigde van vóór de verbinding kon, net als de eigenaar, na de afscheiding wederom gebruik maken van zijn actie. Vandaar dat niet alleen de oorspronkelijke eigenaar de actie tot productie toekwam om afscheiding te bewerkstelligen, maar een ieder die bij de afscheiding belang had. Ook voor de beperkte rechten gold dus dat na de afscheiding sprake was van een formele continuïteit.
De continuïteitsgedachte was eveneens zichtbaar bij het ontstaan van mede-eigendom, bijvoorbeeld wanneer zaken na de vereniging een geheel vormden, maar er geen hoofdzaak was aan te wijzen. In dat geval gebeurde het omgekeerde als bij de adiudicatio, namelijk dat de exclusieve eigendomsrechten transformeerden in onverdeelde aandelen in één eigendomsrecht: het eigendomsrecht op de eenheidszaak. Door de transformatie was wat betreft de eigendomsrechten geen sprake van een formele continuïteit, maar van een materiële continuïteit. Het zakelijke karakter bleef behouden. De beperkte rechten ondergingen hetzelfde lot: zij kwamen te rusten op het aandeel dat correspondeerde met het oorspronkelijke eigendomsrecht.
Hoewel het tenietgaan van zakelijke rechten gerechtvaardigd kon zijn door natrekking (accessio), was er dikwijls ook dan sprake van continuïteit. Slechts als een zaak volledig was opgegaan in een andere zaak gingen de zakelijke rechten die vóór de vereniging op dat bestanddeel rustten definitief teniet. De eigenaar en de beperkt gerechtigde van de nagetrokken zaak verloren hun zakenrechtelijke aanspraken. De Digesten gaven voorbeelden van bomen en planten die wortel hadden geschoten in de grond of een bronzen arm die aan een standbeeld was gelast. Werden zij later afgescheiden van de grond respectievelijk het standbeeld, dan herkregen zij weliswaar hun zelfstandigheid, het zakenrechtelijke geheugen van vóór de verbinding was echter gewist. De oude (zakenrechtelijke) toestand werd door de afscheiding niet in ere hersteld.
Dit gebeurde echter wel als de nagetrokken zaak niet opging in het geheel, maar een bepaalde identiteit behield. Wanneer een nagetrokken zaak volledig opging in de hoofdzaak en wanneer niet is niet in een algemene regel te vatten. Uit de voorbeelden in verschillende Digesten-teksten blijkt dat een zaak zelden in haar geheel opging in een andere zaak. Zelfs bakstenen van een huis bleven hun eigen identiteit behouden. Vormden zij met dakpannen een huis, dan kon iemand de eenheidszaak “huis” via verjaring in eigendom verkrijgen. Deze was na het doorlopen van de verjaring daarentegen geen eigenaar geworden van de materialen afzonderlijk. Als ze werden losgemaakt van het gebouw, dan moesten ze opnieuw, ditmaal afzonderlijk, via de verjaring verkregen worden. Wie was tijdens de verjaringstermijn eigenaar van de losgemaakte materialen? Degene die vóór de verbinding eigenaar was.
Tot slot genoot een bezitter of houder van de hoofdzaak in bepaalde gevallen bescherming, als de zaak bij hem werd opgeëist nadat hij daaraan zijn eigen zaken had toegevoegd. Deze bescherming ontving hij in de vorm van de exceptio doli. Via deze exceptie wegens wangedrag kon hij vergoeding in geld vorderen voor zijn toevoegingen. Verkreeg hij deze vergoeding niet, dan was hij gerechtigd om de door hem toegevoegde zaken af te scheiden, waarna de oude situatie van vóór de verbinding weer herleefde. De modernrechtelijke iura tollendi vertonen gelijkenis met dit Romeinsrechtelijke resultaat.
De conclusie van het Romeinse recht is de volgende: op het ogenblik van afscheiding van een deel van een zaak werden de “slapende” zakelijke acties opnieuw tot leven gewekt en daardoor werd de continuïteitsgedachte in het Romeinse recht zichtbaar.