Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/5.2.1
5.2.1 Object van heffing
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS399891:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 8 lid 2, onderdeel a, b en c Wet VPB 1969. Voor een overzicht van de eigen regels volgens de Wet VPB 1969 verwijs ik naar Cursus Belastingrecht, onderdeel Vpb. 2.0.3. B.b. Zo wordt bijvoorbeeld in art. 9 en art. 10 Wet VPB 1969 bepaald dat bepaalde kosten niet in aftrek mogen worden gebracht. In mijn onderzoek ga ik niet op de relatie tussen beide laatstgenoemde wettelijke bepalingen en de totaalwinstgedachte van art. 3.8 Wet IB 2001. Zie hierover bijvoorbeeld W.F.E.M. Egelie, Mijmeren over het stelsel van de Wet VPB, NTFR 2014/2405 en Cursus Belastingrecht, 2014 onderdeel Vpb. 2.0.5.A.f.
Voor een overzicht van de rechterlijke invulling van de begrippen totaalwinst, jaarwinst en goed koopmansgebruik verwijs ik naar J.N. Bouwman, Honderd jaar cassatierechtspraak over totaalwinst in de inkomsten- en vennootschapsbelasting TFO 2016/144.1, J. Doornebal, Honderd jaar cassatierechtspraak inzake jaarwinst in vogelvlucht, TFO 2016/144.2 en P.G.H. Albert, Honderd jaar goed koopmansgebruik (jaarwinstbepaling), NTFR 2015/1020.
Dat de wetgever dit voor ogen had blijkt uit diverse parlementaire uitlatingen, bijvoorbeeld in de parlementaire geschiedenis van de Wet IB 1964 is te lezen dat “de fiscale begrippen totale winst en jaarwinst niet een in beginsel onveranderlijke, doch een levende met de maatschappijontwikkeling groeiende inhoud hebben”, Kamerstukken II, 1958-1959, 5380, nr. 3, blz. 20. In de parlementaire geschiedenis van de Wet IB 2001 is te lezen: “Bij de invulling van het goed koopmansgebruik is een belangrijke taak weggelegd voor de belastingrechter. De wetgever dient zich bij de invulling ervan zeer terughoudend op te stellen, teneinde de dynamiek van het goed koopmansgebruik niet aan te tasten.” Kamerstukken II, 1998-1999, 26727, nr. 3, blz. 107.
De bepalingen omtrent het object van heffing voor binnenlandse belastingplichtigen zijn neergelegd in hoofdstuk II van de Wet VPB 1969. Voor binnenlandse belastingplichtige lichamen is het belastingobject het belastbare bedrag. Het belastbare bedrag is de in een jaar genoten belastbare winst verminderd met de te verrekenen verliezen (art. 7 Wet VPB 1969). De belastbare winst is de winst verminderd met de aftrekbare giften. Onder jaar wordt boekjaar verstaan. Voor de vennootschapsbelasting wordt in beginsel als uitgangspunt het winstbegrip van de inkomstenbelasting overgenomen (art. 8 lid 1 Wet VPB 1969 jo. art. 3.8 Wet IB 2001), tenzij de Wet op de vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting anders bepaalt.1 Dit betekent dat de begrippen totaalwinst (art. 3.8 Wet IB 2001 e.v.), jaarwinst en goed koopmansgebruik (art. 3.25 Wet IB 2001) ook in de vennootschapsbelasting bepalende begrippen zijn. Bij de invulling van het fiscale winstbegrip heeft de wetgever zich bewust terughoudend opgesteld en de invulling van de begrippen totaalwinst, jaarwinst en goed koopmansgebruik zoveel mogelijk overgelaten aan de rechter. De contouren van deze genoemde begrippen hebben dan ook pas in de loop van de geschiedenis vorm gekregen.2 Reden voor de terughoudendheid van de wetgever is met name dat (de invulling van) het fiscale winstbegrip op deze wijze makkelijker met de maatschappelijke ontwikkelingen mee kon en kan gaan.3
5.2.1.1 Totaalwinst5.2.1.2 Jaarwinst en goed koopmansgebruik