Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.5.2
6.5.2 Een wettelijke grondslag voor een subsidieplafond
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS401943:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 6.3.3.3.
ABRvS 3 januari 2007, AB 2007, 224, m.nt. W. den Ouden, JB 2007/31, m.nt. AJB (ESFsubsidieplafond), r.o. 2.9.1.
ABRvS 3 januari 2007, AB 2007, 224, m.nt. W. den Ouden, JB 2007/31, m.nt. AJB (ESFsubsidieplafond).
Zie bijvoorbeeld het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2012.
De in het Openstellingsbesluit vastgestelde subsidieplafonds zijn gebaseerd op artikel 1:3, derde lid, van de Regeling LNV-subsidies. Dit artikel is op zijn beurt gebaseerd op artikel 4, vierde lid, van de Kaderwet LNV-subsidies.
Zie artikel 1:3.
Zie bijvoorbeeld artikel 2, zesde lid, van de Subsidieverordening Inrichting Landelijk Gebied Noord-Brabant.
Zie OP-Noord: Subsidieplafonds Operationeel Programma Noord (Stcrt. 2009,12881); OP-West: Subsidieplafonds Operationeel Programma West Nederland Kansen voor West (laatstelijk gewijzigd op 19 augustus 2011, Stcrt. 2011, 15242); OP-Zuid: de artikelen 1.10 tot en met 1.12, 2.11 tot en met 2.14, van de Subsidieregeling operationeel programma Zuid-Nederland; OP-Oost de laatste wijziging van het subsidieplafond dateert van 19 juli 2012 en is gepubliceerd in het provinciaal blad nr. 2012/118.
Zie artikel 3 van deze regeling.
Zie artikel 3, eerste lid, van de Kaderverordening subsidies Samenwerkingsverband Noord Nederland 2000 (EFRO-Noord); artikel 18 van de Subsidieverordening Rotterdam 2005 (EFRO-West); artikel 5, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant (EFRO-Zuid); artikel 1.4, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland (EFRO-Oost).
Zie bijvoorbeeld de oproep voor het EVF, Stcrt. 2009, 13268.
Ingevolge artikel 4:25, eerste lid, van de Awb kan een subsidieplafond slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld. Vanuit Nederlands perspectief bezien betekent dit dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een subsidieplafond moet zijn neergelegd in een wet in formele zin dan wel een regeling afkomstig van de decentrale wetgever. Uiteraard kan het subsidieplafond ook in de wet in formele zin of een regeling van de decentrale wetgever zelf zijn neergelegd.
In de paragrafen 6.2.3.2 en 6.3.3.3 is reeds aan de orde geweest dat in de jurisprudentie van de Nederlandse bestuursrechters is aanvaard dat ook een bepaling uit een Europese verordening als een wettelijk voorschrift kan worden aangemerkt. In Europese subsidieverordeningen zijn echter geen subsidieplafonds neergelegd en ook geen bevoegdheden tot het vaststellen daarvan. Hetzelfde geldt voor de Europese subsidiebesluiten van algemene strekking die zijn gericht tot de lidstaat, nog daargelaten dat daarin neergelegde bepalingen niet als wettelijk voorschrift kunnen worden aangemerkt.1 Subsidieplafonds zijn impliciet wel te vinden in de Commissiebesluiten waarin wordt vastgesteld hoeveel Europees geld uit de Europese begroting voor een programmaperiode per OP beschikbaar is. De ABRvS heeft in een uitspraak van 3 januari 2007 echter overwogen dat dit beschikbare bedrag, niet valt aan te merken als een subsidieplafond in de zin van artikel 4:22 van de Awb, waarop de minister zich ten nadele van de aanvragers van de Europese subsidies kan beroepen.2 Het gaat immers om een Commissiebesluit dat is gericht tot de lidstaat. Een dergelijk besluit valt niet op één lijn te stellen met een regeling afkomstig van een wetgever.
Voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie geldt dat in de oproepen tot het indienen van voorstellen die de Commissie publiceert in het Publicatieblad van de EU het totaalbedrag is vermeld dat in het desbetreffende jaar beschikbaar is voor alle lidstaten van de EU. Uiteraard houdt dit bedrag geen subsidieplafond in, in de zin van artikel 4:25, eerste lid, van de Awb, reeds omdat uit dit bedrag niet volgt hoeveel Europese subsidies de nationale agentschappen kunnen verstrekken.
Uit het voorgaande volgt dat de wettelijke grondslag voor het vaststellen van een rechtsgeldig subsidieplafond voor het verstrekken van Europese subsidies en de cofinanciering in het nationale recht moet worden gevonden: dat wil zeggen in een wet in formele zin dan wel een regeling van de decentrale wetgever.
In paragraaf 6.3.3.4 is besproken dat voor het verstrekken van Europese subsidies niet altijd een wettelijke grondslag is vereist. Indien een wettelijke grondslag voor subsidieverstrekking ontbreekt, betekent dat doorgaans dat evenmin een wettelijke grondslag bestaat voor het vaststellen van een subsidieplafond. Artikel 4:25 van de Awb maakt echter geen uitzondering op de eis van een wettelijke grondslag voor het vaststellen van een subsidieplafond, ook niet voor Europese subsidies. Deze problematiek is bijvoorbeeld aan de orde in de al genoemde uitspraak van de ABRvS van 3 januari 2007.3 De ABRvS constateert echter dat het ervoor moest worden gehouden dat de Subsidieregeling ESF-3 is gebaseerd op de Kaderwet szw-subsidies, waarin een bevoegdheidsgrondslag is neergelegd voor het vaststellen van een subsidieplafond.
In de huidige programmaperiode zijn in het kader van het ESF subsidieplafonds neergelegd in de bijlage bij de Subsidieregeling ESF 2007-2013. Deze regeling is expliciet gebaseerd op de Kaderwet szw-subsidies, waarin een bevoegdheid is neergelegd voor het vaststellen van een subsidieplafond. De subsidieplafonds voor Europese subsidies die door de minister van EL&I uit het ELFPO en het Europees Visserijfonds worden verstrekt, worden jaarlijks vastgesteld in het Openstellingsbesluit LNv-subsidies.4 Dit besluit is uiteindelijk gebaseerd op de Kaderwet LNv-subsidies.5 Voor de provinciale ELFPOsubsidies geldt dat de GS subsidieplafonds vaststellen op basis van de Subsidieverordeningen SNL6 en de subsidieverordeningen Inrichting Landelijk Gebied.7
Voor EFRO-subsidies doelstelling 2 ligt een en ander gecompliceerder. De Nederlandse subsidieverstrekkende bestuursorganen hebben weliswaar subsidieplafonds vastgesteld, maar onduidelijk is op welke wettelijke grondslag deze plafonds zijn gebaseerd 8
In artikel 3, eerste lid, van het Besluit EFRO is bepaald dat de minister van EZ de vaststelling van subsidieplafonds en deelplafonds regelt. Deze bevoegdheid heeft hij in de ministeriële regeling de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2 gedelegeerd aan de beheersautoriteiten.9 Het Besluit EFRO is echter een zelfstandige amvb, niet zijnde een wet in formele zin. Dit betekent dat het vaststellen van de subsidieplafonds in het kader van EFRO doelstelling 2 niet kan worden gebaseerd op voormelde ministeriële regeling en het Besluit EFRO. Dat subsidieverstrekking op grond van een zelfstandige maatregel van bestuur - dus zonder wettelijke grondslag - gedurende vier jaren op grond van artikel 4:23, tweede lid, van de Awb is toegestaan, neemt niet weg dat voor het vaststellen van een subsidieplafond nog steeds een wettelijke grondslag is vereist. De subsidieverstrekkende Nederlandse bestuursorganen beschikken allemaal wel over een bevoegdheid tot het vaststellen van een subsidieplafond krachtens hun eigen algemene subsidieverordeningen.10 Het is echter de vraag in hoeverre deze verordeningen van toepassing kunnen zijn, nu het Besluit EFRO en de ministeriële regeling de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2 een eigen - weliswaar gebrekkige - wettelijke grondslag voor het vaststellen van een subsidieplafond in het leven roepen. Hierover bestaat nog geen jurisprudentie.
Voor de migratiefondsen geldt dat uit de oproepen tot het indienen van voorstellen die door het Nederlandse bestuursorgaan in de Staatscourant worden gepubliceerd, blijkt hoeveel Europees geld er beschikbaar is.11 Het betreft hier geen subsidieplafond in de zin van artikel 4:25, eerste lid, van de Awb, omdat voor het vaststellen daarvan geen wettelijke grondslag bestaat. Er bestaat immers geen wettelijke regeling waarin is bepaald dat de minister bevoegd is om subsidieplafonds vast te stellen met betrekking tot het ETF, het EVF, het EBF en het ElF. Dit betekent dat wanneer de beschikbare Europese gelden zijn uitgeput, de afwijzing van aanvragen niet kan worden gebaseerd op artikel 4:25, tweede lid, van de Awb.
Met betrekking tot de Europese subsidies uit hoofde van de programma's Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie en de EFRO-subsidies die door het dagelijks bestuur van de Euregio Maas-Rijn worden verstrekt, zijn in het geheel geen subsidieplafonds vastgesteld.