Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.2.2
3.2.2 Afbakening aan de hand van toebehoren
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471942:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/307; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/81, 98 en 247; en Snijders & Rank-Berenschot 2012/420. Zie verder Peter 2007, p. 63; Potjewijd 1998, p. 105; en Potjewijd 2002, p. 12-13.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 401-402.
TM, Parl. Gesch. Boek 3, p. 402. Zie ook MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 749.
HR 15 maart 1991, NJ 1992/605, m.nt. W.M. Kleijn (Veenendaal q.q./Hogeslag).
Art. 1:431 BW.
Art. 1:94 lid 1 (oud) BW.
Het begrip “verwerven” is in dit verband volledig gelijk te stellen met het begrip “verkrijgen”. In deze zin bijv. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4275.
46. De afbakening van het begrip “toekomstige goederen” geschiedt aan de hand van het niet-toebehoren van goederen aan een persoon. Onder toekomstige goederen moet aldus worden begrepen die goederen die niet tot het vermogen van een bepaalde persoon behoren.1 Anders gezegd: alle goederen waarvan een bepaalde persoon niet rechthebbende is, vormen zijn toekomstige goederen.
In de eerste plaats gaat het om goederen waarop niemand rechthebbende is, omdat de goederen in het geheel niet bestaan. Goederen die in het geheel niet bestaan, worden ook wel aangeduid als absoluut toekomstige goederen. In de tweede plaats gaat het om goederen die reeds bestaan, maar waarop een bepaalde persoon niet de rechthebbende is. Dit is het geval als het goed aan een ander toebehoort, maar ook als het goed aan niemand toebehoort (res nullius). Behoort het goed aan een ander toe, dan is het goed voor deze andere persoon uiteraard geen toekomstig goed. Het goed maakt immers deel uit van zijn vermogen. In verhouding tot alle andere personen is het desbetreffende goed wel aan te merken als een toekomstig goed. De toekomstigheid van een reeds bestaand goed is daarmee steeds relatief. Zij is afhankelijk van de verhouding van een bepaalde persoon ten aanzien van het desbetreffende goed. Goederen die reeds bestaan, maar aan een ander of aan niemand toebehoren, worden daarom ook omschreven als relatief toekomstige goederen.
De afbakening van toekomstige goederen aan de hand van toebehoren sluit aan bij hetgeen in de Toelichting Meijers is opgemerkt ten aanzien van het huidige artikel 3:97 BW. In deze toelichting wordt onder toekomstige goederen geschaard, enerzijds, “iets wat er nog niet is” en, anderzijds, “een goed, dat iemand hoopt te verkrijgen”.2 Dit kan “zowel een goed zijn, dat nog in het geheel niet bestaat, maar dat vervreemder door arbeid hoopt te verwerven, als een dat wel reeds bestaat, maar nog niet aan de vervreemder toebehoort.”3 Ook de Hoge Raad merkt zowel de vordering die nog moet ontstaan, als de vordering wel bestaat, maar nog niet tot het vermogen van de vervreemder behoort, aan als een toekomstige vordering.4
Een afbakening aan de hand van toebehoren sluit bovendien aan bij enkele andere formuleringen die in het Burgerlijk Wetboek worden gebruikt waar het de toekomstige goederen of het toekomstig vermogen van een persoon betreft. Daarbij vormt de gerechtigdheid tot de goederen steeds de scheidslijn tussen de toekomstige en tegenwoordige goederen van een persoon. Zo kan bijvoorbeeld een meerderjarigenbewind worden ingesteld over een of meer tegenwoordige of toekomstige goederen van de meerderjarige. De wet omschrijft de mogelijke voorwerpen van een dergelijk bewind als de goederen die de meerderjarige “als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren”.5 Ten aanzien van de wettelijke gemeenschap van goederen binnen het huwelijk bepaalde de wet voorheen dat zij “alle tegenwoordige en toekomstige goederen” omvat.6 Thans wordt dit uitgedrukt als “alle goederen (…) bij aanvang van de gemeenschap aanwezig of (…) nadien verkregen”.7 Tot slot kan worden gewezen op art. 20 Fw dat bepaalt dat het faillissement het gehele vermogen van de schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring omvat, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft. De toekomstige goederen van de gefailleerde worden hier afgebakend door middel van het al dan niet hebben verworven van het goed.8