Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/9.2.3:9.2.3 Toegang tot informatie ter vergadering
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/9.2.3
9.2.3 Toegang tot informatie ter vergadering
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972054:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 2:107/217 lid 2 BW dient de vennootschapsleiding aan de algemene vergadering alle verlangde inlichtingen te verstrekken, tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. Dit zogeheten recht op inlichtingen is wettelijk verankerd in de Structuurwet in 1971. Vóór die tijd werd reeds aangenomen dat aandeelhouders, uit hoofde van hun controlerende functie, toegang zouden moeten krijgen tot informatie van de vennootschap in verband met de verantwoordingsplicht van de vennootschapsleiding. Met de codificatie van dit recht werd beoogd de positie van de aandeelhouder – de factor kapitaal binnen de onderneming – te versterken, maar zijn geen inhoudelijke wijzigingen beoogd.
Overigens werd in diezelfde periode ook een voorstel voor een Europese regeling voor het recht op inlichtingen opgenomen in het voorstel voor de Vijfde Richtlijn Harmonisatie Vennootschapsrecht. Dat voorstel is uiteindelijk gestrand. Pas in 2007 zou, met de invoering van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten, een Europese regeling voor het recht op inlichtingen van kracht worden. Deze Richtlijn is slechts van toepassing op NV’s met een beursnotering aan een gereglementeerde markt, maar de regeling voor het recht op inlichtingen is van gelijke strekking als artikel 2:107 lid 2 BW en brengt dus geen relevante praktische wijzigingen mee.
Bij de invoering van het recht op inlichtingen is in de literatuur discussie ontstaan over het antwoord op de vraag of uitsluitend de algemene vergadering om inlichtingen kan vragen, of dat dit recht ook aan individuele aandeelhouders toekomt. Daarin zijn twee stromingen te onderscheiden: de Nijmeegse leer, waarin wordt aangenomen dat individuele aandeelhouders ter vergadering om inlichtingen kunnen vragen, en de Groningse leer, waarin wordt aangenomen dat hiervoor steeds wilsvorming door de algemene vergadering is vereist, bijvoorbeeld in de vorm van een besluit of motie. De Nijmeegse leer is bevestigd door zowel de wetgever, bij de implementatie van de Richtlijn Aandeelhoudersrechten, als de Hoge Raad, die in ASMI als volgt overwoog:
“Het bestuur en de RvC zijn gehouden aan de AvA, behoudens zwaarwichtige redenen, alle verlangde inlichtingen te verschaffen (art. 2:107 lid 2 BW). Iedere aandeelhouder heeft voorts ter vergadering zelfstandig het recht vragen te stellen – ongeacht of deze betrekking hebben op punten die op de agenda zijn vermeld – en de vennootschap dient die vragen te beantwoorden (art. 9 lid 1 en 2 EG-Richtlijn nr. 2007/36 van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen, PbEU 2007, L 184/17). Daarbuiten hebben aandeelhouders geen recht op het verstrekken van door hen afzonderlijk verlangde informatie. Het recht op nadere inlichtingen is een recht van de AvA als orgaan van de vennootschap, verleend met het oog op vennootschappelijke rekening en verantwoording.”
Het recht op inlichtingen wordt, als gezegd, in verband gebracht met de verplichting van de vennootschapsleiding om verantwoording af te leggen aan de algemene vergadering. Naast deze verantwoordingsfunctie, vervult zij ook een zeggenschapsfunctie. Door ter vergadering vragen te stellen, kunnen aandeelhouders immers eventuele onduidelijkheden verhelderd krijgen, hun begrip van een agendapunt toetsen en nadere inlichtingen krijgen. De aldus verkregen informatie kunnen zij gebruiken om hun standpunt ten aanzien van een agendapunt nader te bepalen (en zo nodig bij te stellen), daarover ter vergadering van gedachten te wisselen met de aanwezigen en – waar toepasselijk – deze informatie te betrekken bij de stemming. Aandeelhouders dienen zich bij de uitoefening van dat recht zakelijk op te stellen. Zo nodig kan de voorzitter van de vergadering ingrijpen om de vergaderorde te beschermen.
Het recht op inlichtingen vindt zijn bovengrens daar waar een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen informatieverstrekking verzet. Algemeen wordt aangenomen dat een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich verzet tegen het verstrekken van informatie indien daardoor de concurrentiepositie van de vennootschap kan worden geschaad, bijvoorbeeld in het geval van strategische bedrijfs- of concurrentiegevoelige informatie. Bij de beantwoording van de aldus gestelde vragen bepaalt de redelijkheid en billijkheid de vereiste mate van gedetailleerdheid.
Ik zie in dit verband één centraal gezichtspunt: de aard van de vennootschap. Hoe meer besloten het samenwerkingsverband, des te meer ruimte er is om vragen te stellen en des te ruimhartiger de vennootschapsleiding zich dient op te stellen in de beantwoording daarvan. Daardoor zal ook de drempel voor een succesvol beroep op een zwaarwichtig belang hoger komen te liggen. Dit sluit aan bij het gegeven dat de aandeelhoudersvergadering in besloten verhoudingen een sterkere overleg- en verantwoordingsfunctie zal hebben dan in beursvennootschappen.