Hof Arnhem-Leeuwarden, 12-04-2021, nr. 200.272.425
ECLI:NL:GHARL:2021:3493, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
12-04-2021
- Zaaknummer
200.272.425
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2021:3493, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 12‑04‑2021; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:1209, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
ECLI:NL:GHARL:2020:11358, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 17‑07‑2020; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
- Vindplaatsen
AR-Updates.nl 2022-1018
VAAN-AR-Updates.nl 2022-1018
AR-Updates.nl 2022-1017
VAAN-AR-Updates.nl 2022-1017
Uitspraak 12‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Bewijsopdracht over duur van de arbeidsovereenkomst: een half jaar of een jaar. Werknemer niet geslaagd in het bewijs van arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. Einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Verzoek vergoeding wegens onregelmatige opzegging of schending van de aanzegverplichting afgewezen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.272.425
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 7974327)
beschikking van 12 april 2020
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het hoger beroep,
verzoeker in eerste aanleg,
hierna: [verzoeker] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Logidist Transport B.V.,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in het hoger beroep,
verweerster in eerste aanleg,
hierna: Logidist,
advocaat: mr. A.T. Slofstra.
1. Het verdere verloop de procedure
1.1
Het hof verwijst naar de tussenbeschikking van 17 juli 2020.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 januari 2021,
- de akte van depot van 2 februari 2021 van Logidist met de originele arbeidsovereenkomst,
- de akte na enquête van [verzoeker] ,
- de antwoordakte na enquête van Logidist.
1.3
Hierna heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling van het hoger beroep
de bewijsopdracht
2.1
Zoals in de tussenbeschikking is overwogen zijn partijen het er niet over eens voor welke duur de arbeidsovereenkomst is aangegaan. In de procedure zijn twee verschillende ondertekende arbeidsovereenkomsten overgelegd. Het hof heeft daarom [verzoeker] toegelaten tot het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 18 december 2018 tot 31 december 2019. [verzoeker] heeft twee getuigen laten horen, te weten zijn zwager [getuige1] en zijn oud-collega [getuige2] . Het hof heeft na afloop van het getuigenverhoor aan beide partijen gevraagd om de originelen van de arbeidsovereenkomst waarop ieder van hen zich beroept te deponeren. Logidist heeft dat gedaan, [verzoeker] niet.
2.2
Het hof beslist dat [verzoeker] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Het hof legt die beslissing hierna uit.
2.3
Getuige [getuige2] heeft verklaard dat hij niets weet over de contractsduur die is afgesproken tussen de heer [de directeur] , directeur van Logidist, en [verzoeker] . Zijn verklaring draagt dus niet bij tot het bewijs. Getuige [getuige1] heeft verklaard dat hij aanwezig is geweest bij een (volgens hem eerste) gesprek tussen [verzoeker] en [de directeur] in de auto voor de deur van zijn woning. [verzoeker] verbleef in die periode met zijn gezin bij [getuige1] . Hij heeft over dat gesprek verklaard: “Voor zover ik mij kan herinneren is toen ook gesproken over een jaarcontract”. [getuige1] heeft verder verklaard dat hij op een avond is meegereden met [verzoeker] naar Nieuwegein waar de vrachtwagens van Logidist stonden. Hij is in de auto gebleven en heeft gezien dat [de directeur] en [verzoeker] bij een vrachtwagen een contract hebben ondertekend. Dat contract heeft hij toen hij weer thuis was ingezien en heeft gelezen dat er een duur van zes maanden in stond. Volgens de verklaring van [getuige1] heeft [verzoeker] het er op dat moment bij gelaten, maar heeft hij later met [de directeur] besproken dat hij een jaarcontract nodig had voor het verkrijgen van een woning. [getuige1] verklaarde dat [verzoeker] een nieuw contract heeft gekregen, maar dat hij daar niet bij was. Later heeft hij ook dit contract gezien en daarin stond nu een duur van één jaar in, aldus [getuige1] .
2.4
Deze verklaring van [getuige1] wordt niet ondersteund door ander bewijsmateriaal. Het hof oordeelt de verklaring onvoldoende om [verzoeker] in zijn bewijsopdracht te laten slagen. [getuige1] is niet bij de ondertekening van het tweede contract geweest en heeft dat alleen later gezien. [verzoeker] heeft eerder in de procedure aangevoerd dat hij het tweede contract heeft ondertekend in het bijzijn van een oud-collega, maar die gang van zaken is niet uit de getuigenverhoren gebleken. De enkele verklaring van [getuige1] dat er in het eerste gesprek tussen [verzoeker] en [de directeur] is gesproken over een jaarcontract is ook onvoldoende duidelijk om daaruit te kunnen concluderen dat sprake is van een mondelinge arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. [verzoeker] heeft geen andere bewijsmiddelen overgelegd. Zo heeft niet hij niet, zoals verzocht, de originele arbeidsovereenkomst met de duur van een jaar gedeponeerd.
duur van de arbeidsovereenkomst is 6 maanden
2.5
Omdat [verzoeker] niet is geslaagd in het bewijs, staat vast dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes maanden. Die overeenkomst eindigde op grond van artikel 7:667 lid 1 BW van rechtswege op 18 juni 2019. De overeenkomst hoefde dus niet opgezegd te worden. De primaire vordering van [verzoeker] wordt daarom afgewezen.
vergoeding
2.6
[verzoeker] stelt dat hij aanspraak heeft op de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van artikel 7:762 lid 10 (is nu lid 11) BW. Hij onderbouwt dat verzoek in zijn verzoekschrift bij de kantonrechter als volgt: de arbeidsovereenkomst had op zijn vroegst per 1 augustus 2019 opgezegd kunnen worden. Omdat Logidist heeft opgezegd per 18 juni 2019 komt hem een bedrag van € 2.430,24 bruto aan loon toe. In grief 2 stelt [verzoeker] dat hij bedoeld heeft dit verzoek als subsidiair verzoek te doen, te weten als moet worden uitgegaan van een arbeidsovereenkomst voor de duur van 6 maanden.
2.7
[verzoeker] baseert zijn bedoelde verzoek ten onrechte op artikel 7:762 BW. Dat artikel gaat over opzegging van een arbeidsovereenkomst. Zijn arbeidsovereenkomst eindigde van rechtswege en hoefde dus niet opgezegd te worden, zodat dit artikel niet van toepassing is.
2.8
Voor zover [verzoeker] bedoelt om zijn verzoek te baseren op artikel 7:668 BW geldt het volgende. Dit artikel verplicht de werkgever om de werknemer uiterlijk een maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd schriftelijk te informeren of deze al dan niet wordt voortgezet. Als deze verplichting niet wordt nagekomen moet de werkgever op grond van lid 3 de werknemer een maand loon betalen. Heeft de werkgever te laat aangezegd, dan is die vergoeding naar rato verschuldigd. In dit geval moest Logidist [verzoeker] uiterlijk 18 mei 2019 aanzeggen of de arbeidsovereenkomst zou worden voortgezet. Vaststaat dat Logidist in elk geval op 5 juni 2019 schriftelijk heeft aangezegd. De vergoeding zou dus hooguit het loon over de periode 18 mei 2019 tot 5 juni 2019 bedragen. Volgens Logidist heeft zij [verzoeker] echter ook al eerder, op 13 mei 2019, schriftelijk bericht dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet en hem toen aangeboden de samenwerking als Zzp-er voort te zetten. Die brief volgde op een gesprek, waarin Logidist had gezegd dat er vanwege het wegvallen van een opdracht te weinig werk was om zijn arbeidsovereenkomst te verlengen. [verzoeker] betwist dat hij die brief heeft ontvangen, maar bevestigt wel dat er rond die periode met hem is gesproken over samenwerking als Zzp-er. Hij schrijft dat in zijn brief van 4 juli 2019, waarin staat dat ruim anderhalve maand geleden aan hem gevraagd is of hij “later met een 0 urencontract of als zzp’er” voor Logidist wil werken. Dat wijst erop dat hij ervan op de hoogte was dat zijn arbeidsovereenkomst niet (in deze vorm) zou worden voortgezet. Nu de brief van 13 mei 2019 is verzonden naar hetzelfde adres waarnaar ook de wél door hem ontvangen brief van 5 juni 2019 is gestuurd, heeft [verzoeker] zijn betwisting dat hij deze brief heeft ontvangen onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat daaraan voorbij. Dit betekent dat ook het subsidiaire verzoek niet wordt toegewezen.
slotsom
2.9
Het hoger beroep zal worden verworpen.
2.10
Omdat [verzoeker] ongelijk krijgt wordt hij veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Deze kosten worden aan de zijde van Logidist vastgesteld op € 760,- aan griffierecht en € 2.785,- (2 ½ punten tarief II) aan salaris voor haar advocaat.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwerpt het beroep,
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Logidist vastgesteld op € 760,- voor griffierecht en € 2.785,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, S.C.P. Giesen en D.W.J.M. Kemperink en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2021.
Uitspraak 17‑07‑2020
Inhoudsindicatie
Bewijsopdracht over duur van de arbeidsovereenkomst: een half jaar of een jaar. Werknemer niet geslaagd in het bewijs van arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar. Einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Verzoek vergoeding wegens onregelmatige opzegging of schending van de aanzegverplichting afgewezen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.272.425
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 7974327)
beschikking van 17 juli 2020
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het hoger beroep,
verzoeker in eerste aanleg,
hierna: [verzoeker] ,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Logidist Transport B.V.,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in het hoger beroep,
verweerster in eerste aanleg,
hierna: Logidist,
advocaat: mr. A.T. Slofstra.
1. Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 17 oktober 2019 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure is als volgt:
- het beroepschrift met als producties onder meer overgelegd het procesdossier uit de eerste aanleg, ter griffie ontvangen 15 januari 2020;
- het verweerschrift in hoger beroep met producties,
- de pleitnotities van mr. Slofstra, op verzoek van het hof voorafgaand aan de mondelinge behandeling ontvangen;
- de op 18 juni 2020 per Skype-verbinding gehouden mondelinge behandeling;
- het V8-formulier van mr. Slofstra van 2 juli 2020;
- het V8-formulier van mr. Leijser van 8 juli 2020.
2.2
Vervolgens heeft het hof uitspraak bepaald.
2.3
[verzoeker] heeft, verkort weergegeven, verzocht dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking zal vernietigen en Logidist zal veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding primair op grond van artikel 7:681 lid 1 BW ter hoogte van € 10.531,12 bruto en subsidiair op grond van artikel 7:672 lid 10 BW ter hoogte van € 2.430,24 bruto, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en Logidist zal veroordelen in de kosten van de procedure.
2.4
Logidist heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen, onder zijn veroordeling in de kosten van de procedure in beide instanties.
3. De beoordeling van het hoger beroep
inleiding
3.1
[verzoeker] is op 18 december 2018 bij Logidist in dienst getreden als [functie] . De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd. Partijen verschillen van mening over de overeengekomen duur van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] stelt dat is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen op 31 december 2019. Volgens hem is de opzegging van Logidist tegen 18 juni 2019 onregelmatig en zijn dus vergoedingen verschuldigd. Volgens Logidist is de arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van een half jaar en eindigde deze dus op 18 juni 2019.
3.2
De kantonrechter heeft overwogen dat het [verzoeker] niet is gelukt aan te tonen dat de arbeidsovereenkomst liep tot 31 december 2019. De verzoeken van [verzoeker] tot een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging zijn daarom afgewezen en hij is veroordeeld in de proceskosten. [verzoeker] is het met de overwegingen en beslissingen van de kantonrechter niet eens. Het hof zal de bezwaren van [verzoeker] , zoals verwoord in de grieven in het beroepschrift, hierna behandelen.
duur van de arbeidsovereenkomst
3.3
In de procedure zijn twee verschillende ondertekende arbeidsovereenkomsten overgelegd. De tekst van de arbeidsovereenkomsten is identiek, met uitzondering van artikel 2. In de arbeidsovereenkomst waarop [verzoeker] zich beroept (hierna: arbeidsovereenkomst 1) is opgenomen: “De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd en wel van 18 december 2018 tot 31 december 2019 voor een werkweek van standaard 40 werkuren”. De arbeidsovereenkomst waarop Logidist zich beroept (hierna: arbeidsovereenkomst 2) bevat een gelijkluidende zin, maar daarin wordt als einddatum genoemd 18 juni 2019. De eerste bladzijde van arbeidsovereenkomst 2 bevat een paraaf, die van arbeidsovereenkomst 1 niet. Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] vanaf 3 juni 2019 niet meer heeft gewerkt voor Logidist en dat hij van Logidist een eindafrekening van het dienstverband per 18 juni 2019 heeft ontvangen.
3.4
[verzoeker] baseert zijn verzoek op de stelling dat Logidist de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Daarvan is alleen sprake als, zoals hij stelt, de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een langere duur dan tot 18 juni 2019. Logidist betwist dat daarvan sprake is en stelt zich op het standpunt dat arbeidsovereenkomst 1 is vervalst. [verzoeker] stelt daar tegenover dat mondeling is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst tot 31 december 2019 zou duren en dat er door partijen twee arbeidsovereenkomsten zijn ondertekend. Na ondertekening van arbeidsovereenkomst 2 ontdekte hij dat de daarin opgenomen duur niet juist was en heeft hij om een nieuwe arbeidsovereenkomst gevraagd. Daarop is arbeidsovereenkomst 1 ondertekend, aldus [verzoeker] .
3.5
Op [verzoeker] rust de bewijslast van zijn stelling dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 18 december 2018 tot 31 december 2019. Hij zal, overeenkomstig zijn uitdrukkelijke aanbod, daartoe worden toegelaten.
slotsom
3.6
Het hof laat [verzoeker] toe tot bewijslevering en houdt iedere verdere beslissing aan.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
laat [verzoeker] toe tot het bewijs van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 18 december 2018 tot 31 december 2019;
bepaalt dat, indien [verzoeker] dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. A.E.F. Hillen, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat partijen ( [verzoeker] in persoon, Logidist vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
bepaalt dat [verzoeker] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op 31 juli 2020, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;
bepaalt dat [verzoeker] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E.F. Hillen, A.E.B. ter Heide en S.C.P. Giesen, ondertekend door mr. ter Heide, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2020.