De exhibitieplicht
Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/14.4:14.4 Bewijsgaring als voorlopige maatregel onder de EEX-verordening?
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/14.4
14.4 Bewijsgaring als voorlopige maatregel onder de EEX-verordening?
Documentgegevens:
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS375947:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 26 maart 1992, NJ 1996, 315, r.o. 34(Reichert/Dresdner Bank).
HvJ EG 28 april 2005, NJ 2006, 636, r.o. 24(St Paul Dairy Industries/Unibel Exser).
P. Vlas in annotatie onder 5 bij HvJ EG 28 april 2005, NJ 2006, 636, r.o. 24(St Paul Dairy Industries/Unibel Exser).
Vlas (Burgerlijke Rechtsvordering), Verdragen en Verordeningen, EEX-verordening, art. 31, aant. 2.
Rb. Rotterdam (vzr.) 21 oktober 2008, LJN BG1066, r.o. 4.3 (Global Chartering/Sungleam).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast het specifiek op bewijslevering toepasselijke verdrag en de evenzeer specifiek op bewijslevering toepasselijke verordening zou ook de EEX-verordening van belang kunnen zijn. Art. 31 van de EEX-verordening biedt de mogelijkheid om voorlopige of bewarende maatregelen te nemen in een staat, ook indien een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. Daarmee rijst de vraag, of een exhibitievordering of bewijsbeslag mogelijk is, indien geen gebruik gemaakt wordt van de Europese Bewijsverordening. Voor het antwoord op die vraag is van belang, wat moet worden verstaan onder een voorlopige of bewarende maatregel.
Het Hof van Justitie heeft uitgemaakt, dat het gaat om maatregelen die bedoeld zijn om een feitelijke of juridische situatie te handhaving ter bewaring van rechten waarvan de erkenning wordt gevraagd voor de rechter die van het bodemgeschil kennis neemt.1 De zaak, waarin dit is uitgemaakt, betrof het inroepen van de pauliana, en betrof aldus geen bewijsgaring. Bewijsgaring was wel aan de orde toen het hof de vraag moest beantwoorden, of een voorlopig getuigenverhoor een voorlopige maatregel is. Die vraag beantwoordde het hof ontkennend: volgens het hof strekte het voorlopig getuigenverhoor ertoe om in te schatten, of het voeren van een bodemprocedure is aangewezen en behoort het artikel over voorlopige en bewarende maatregelen niet gebruikt te worden om de regels uit de Bewijsveror-dening te omzeilen. Het hof concludeerde dan ook:
"Een en ander volstaat om uit te sluiten dat een maatregel die tot doel heeft de aanvrager daarvan in staat te stellen, de kansen of risico's van een eventuele procedure in te schatten, kan worden aangemerkt als een voorlopige of bewarende maatregel in de zin van artikel 24 Executieverdrag (thans: art 31 EEX-verordening, toevoeging auteur)".2
Vlas, die in zijn annotatie van dit arrest in de NJ nog de mogelijkheid openliet, dat wel sprake is van een voorlopige maatregel wanneer beoogd wordt het verloren gaan van bewijs te voorkomen,3 laat die ruimte niet meer in zijn commentaar op art. 31 EEX-verordening. Daar schrijft hij dat de EEX-verordening geen betrekking heeft op bewijsgaring en dat afwijkende uitspraken van de feitenrechter onjuist zijn.4 In overeenstemming met de opvatting van Vlas was een rechter dan ook niet bereid om een vordering tot verstrekking van bescheiden te beoordelen toen over het geschil in het buitenland geprocedeerd zou moeten worden.5