Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/10.4.2
10.4.2 Omgevingsverordening voor een ontwikkelingsgebied
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
Het Wetsvoorstel tot wijziging van de Chw in verband met het permanent maken van de Chw (Kamerstukken I 2011/12, 33 135, nr. A).
Op dit moment komt alleen bestaand stedelijk gebied of een bestaand bedrijventerrein voor aanwijzing in aanmerking. Het Wetsvoorstel tot wijziging van de Chw in verband met het permanent maken van de Chw (Kamerstukken I 2011/12, 33 135, nr. A) stelt voor om deze beperking te laten vervallen.
Omdat in de uitvoeringspraktijk vragen zijn gerezen over de relatie van het gebiedsontwikkelingsplan met het bestemmingsplan, is in het Wetsvoorstel tot wijziging van de Chw in verband met het permanent maken van de Chw voorgesteld het bijzondere regiem voor een ontwikkelingsgebied niet langer te reguleren via een gebiedsontwikkelingsplan, maar dit direct te regelen met een (wijziging van een) bestemmingsplan (Kamerstukken II 2011/ 12, 33 135, nr. 3, p. 22).
Artikel 2.1 aanhef en onder a Chw bevat een definitie voor het begrip ’milieugebruiksruimte’, namelijk de ‘binnen een ontwikkelingsgebied aanwezige marge tussen de bestaande milieukwaliteit en de voor dat gebied geldende milieukwaliteitsnormen, die kan worden benut voor milieubelastende activiteiten’.
Wie meer wil weten over het gebiedsontwikkelingsplan verwijs ik naar: M.C. Brans, ’Het gebiedsontwikkelingsplan; de nieuwe rekbaarheid in het milieurecht’, in: M.C. Brans e.a., Hoofdstuk 2 Crisis- en herstelwet, de experimenteerfase voorbij? Preadviezen voor de Vereniging voor Bouwrecht 2011, nr. 39, p. 3-71 (hierna: Brans 2011).
Kamerstukken II 2011/12, 32 127, nr. 3, p. 12.
In de Chw is voor ontwikkelingsgebieden een gedoogplicht opgenomen. Het ligt immers niet voor de hand om voor het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan een gebouw over te gaan tot onteigening. In zo’n situatie moet het mogelijk zijn dat de overheid de voorzieningen aanbrengt en de eigenaar en gebruikers dat moeten gedogen. Op dez gedoogplicht is de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing, inclusief de schadevergoedingsregeling. Daarnaast kunnen ook de schadevergoedingsregeling van de Wm of Wro van toepassing kunnen zijn (Kamerstukken II 2011/12, 32 127, nr. 3, p. 56).
Vgl. Brans 2011, p. 47-52.
Artikel 2.1 e.v. Crisis- en herstelwet (Chw) hebben betrekking op de zogenaamde ’ontwikkelingsgebieden’. Voor deze gebieden kan een gebiedsontwikkelingsplan worden vastgesteld. Het gebiedsontwikkelingsplan zal na wijziging van de Chw de status van een bestemmingsplan krijgen.1 Het bestemmingsplan zal, zoals hiervoor al is gesteld, naar verwachting in de Omgevingswet een omgevingsverordening worden. Ook het ontwikkelingsgebied zal dan waarschijnlijk via de omgevingsverordening gereguleerd worden.
De huidige regeling in de Chw houdt in essentie in dat bij AMvB bij wijze van experiment een gebied kan worden aangewezen als ontwikkelingsgebied.2 De aanwijzing kan ten hoogste tien jaar duren. De gemeenteraad stelt voor een ontwikkelingsgebied een gebiedsontwikkelingsplan vast. Dit plan maakt deel uit van het bestemmingsplan.3 Het gebiedsontwikkelingsplan is, volgens artikel 2.3 Chw, gericht op een optimalisering van de milieugebruiksruimte met het oog op het versterken van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van dat gebied in samenhang met het tot stand brengen van een goede milieukwaliteit. In het plan worden ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de beschikbare milieugebruiksruimte zullen overschrijden. Tegelijk worden in het plan ook maatregelen en werkzaamheden opgenomen ter compensatie hiervan en andere maatregelen die de milieukwaliteit ten goede komen.4 Op grond van de Chw kan b&w vergunningen verlenen, ook als deze milieukwaliteitsnormen overschrijden, mits uit het ontwikkelingsplan blijkt dat uiterlijk over tien jaar alsnog wordt voldaan aan deze milieukwaliteitsnormen.5
De regeling in de Chw is een regeling op hoofdlijnen. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat een bestuurder kan eisen dat bestaande activiteiten hun milieubelasting terugdringen of dat een veroorzaker van milieubelasting maatregelen moet treffen waardoor de effecten van de milieubelasting worden verminderd (bijv. door plaatsing van een geluidsscherm), maar dat dit niet betekent dat ’verkregen rechten zomaar kunnen worden aangetast’.6 In de toelichting op de wet wordt wel (kort) aandacht besteed aan de vraag hoe gebruiksruimte kan worden gecreëerd,7 maar niet hoe de nieuwe milieugebruiksruimte vervolgens moet worden verdeeld. Zeker nu het gebiedsontwikkelingsplan een duur van tien jaar kan hebben, is het mijns inziens nodig om in het plan te bepalen hoe nieuwe initiatieven zich kunnen aanmelden en onder welke voorwaarden zij voor de nieuw gecreëerde ruimte in aanmerking komen.
Het gebiedsontwikkelingsplan is één van de nieuwe experimenten van de Chw. Indien deze regeling echter permanent wordt gemaakt in de Omgevingswet (als bijzondere vorm van een omgevingsverordening) dan verdient het mijns inziens aanbeveling om meer aandacht te schenken aan de problematiek van de bestaande rechten en de (her)verdeling van milieugebruiksruimte. Het gebiedsontwikkelingsplan heeft door het opnemen van maatregelen die milieugebruiksruimte ’kosten’ (nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen) en milieugebruiksruimte ’opleveren’ veel weg van een programmatische aanpak.8 Hetgeen hiervoor is gesteld over een transparante verdelingsregeling voor de programmatische aanpak is hier dan ook mutatis mutandis van toepassing.