In HR 1 november 2011, LJN BT6444 hield de volmacht van de raadsman aan de griffie in dat de raadsman de medewerkers van de griffie machtigde 'om voor en namens mij c.q. mijn cliënt' cassatie in te stellen. De volmacht in HR 3 april 2012, LJN BV9108 hield in dat de raadsman 'namens mijn cliënt' de griffie machtigde om cassatie in te stellen.
HR, 02-07-2013, nr. 11/05186 B
ECLI:NL:HR:2013:117
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
02-07-2013
- Zaaknummer
11/05186 B
- LJN
BX5514
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:117, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑07‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:75, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:75, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 04‑06‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:117, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2012:BX5514, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑10‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5514
ECLI:NL:HR:2012:BX5514, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑10‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5514
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2013-0312
SR-Updates.nl 2012-0192
Uitspraak 02‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Beklag. Verzet tegen dwangbevel. Ingevolge art. 575.3 Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of waartoe de rechter van wie de beschikking afkomstig is, behoort. Bij tussenbeschikking van 9-10-2012 heeft de HR veroordeelde in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen een termijn van 14 dagen nadat de Griffier van de Rb Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, een nader te bepalen bedrag ter griffie van de Rb te consigneren. Binnen de gestelde termijn is geen betaling van veroordeelde ontvangen. De HR verklaart veroordeelde n-o in het beroep.
Partij(en)
2 juli 2013
Strafkamer
nr. 11/105186 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de de Rechtbank Utrecht van 25 oktober 2011, nummer RK 11/1491, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 575, derde lid, Sv, ingediend door:
[veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde.
Namens deze heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd dat de veroordeelde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1.
Ingevolge art. 575, derde lid, Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of waartoe de rechter van wie de beschikking afkomstig is, behoort.
2.2.
Bij tussenbeschikking van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad de veroordeelde in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen een termijn van veertien dagen nadat de Griffier van de Rechtbank Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, een nader te bepalen bedrag ter griffie van de Rechtbank te consigneren.
2.3.
De Griffier van de Rechtbank Midden-Nederland heeft de veroordeelde bij brieven van 17 januari 2013, 6 maart 2013 en 22 april 2013 in de gelegenheid gesteld om binnen veertien dagen na dagtekening van die brieven het verschuldigde bedrag van € 405,36 aan zekerheid te betalen aan het CJIB te Leeuwarden.
Uit de brieven van de Griffier van de Rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2013, 11 april 2013 en van 22 april 2013 aan de Griffier van de Hoge Raad blijkt echter dat binnen de gestelde termijn geen betaling van de veroordeelde is ontvangen.
2.4.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de veroordeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het beroep.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2013.
Conclusie 04‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Beklag. Verzet tegen dwangbevel. Ingevolge art. 575.3 Sv is de veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven, of waartoe de rechter van wie de beschikking afkomstig is, behoort. Bij tussenbeschikking van 9-10-2012 heeft de HR veroordeelde in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen een termijn van 14 dagen nadat de Griffier van de Rb Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, een nader te bepalen bedrag ter griffie van de Rb te consigneren. Binnen de gestelde termijn is geen betaling van veroordeelde ontvangen. De HR verklaart veroordeelde n-o in het beroep.
Nr. 11/05186B Zitting: 4 juni 2013 | Mr. Vellinga Aanvullende conclusie inzake: [veroordeelde] |
1. Bij tussenbeschikking van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad bepaald dat de veroordeelde alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om aan haar verplichting tot consignatie te voldoen.
2. Uit de op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen stukken blijkt het volgende. Een griffiemedewerkster van de Rechtbank Midden-Nederland heeft de veroordeelde bij brief van 6 maart 2013, gericht aan het GBA-adres van de veroordeelde, in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken het nog verschuldigde bedrag en al de kosten bij wijze van consignatie te voldoen. Op 15 april 2013 is bij de Hoge Raad een brief van de griffie van de Rechtbank Midden-Nederland ingekomen, gedateerd 11 april 2013. Deze brief houdt in dat de betaling van de veroordeelde niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Vervolgens is de veroordeelde bij brief van 22 april 2013, gericht aan het in de schriftuur genoemde adres van de veroordeelde, nogmaals in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag te voldoen. Blijkens de op 28 mei 2013 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen brief is de betaling wederom niet ontvangen. Nu de veroordeelde niet aan de in art. 575 lid 3 Sv neergelegde verplichting heeft voldaan dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.
3. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Conclusie 09‑10‑2012
Mr. Vellinga
Partij(en)
Nr. 11/05186 B
Mr. Vellinga
Zitting: 3 juli 2012
Conclusie inzake:
[Verzoekster=de veroordeelde]
1.
De Rechtbank te Utrecht heeft verzoekster bij beschikking van 25 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard in haar op de voet van art. 575, derde lid, Sv aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
2.
Namens verzoekster heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie merk ik het volgende op.
4.
Onder de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevindt zich een akte rechtsmiddel met daaraan gehecht een brief d.d. 8 november 2011 van mr. B.A.S. van Leeuwen gericht aan de strafgriffie van de Rechtbank te Utrecht. Deze brief houdt in als mededeling van verdachtes raadsman aan de griffier dat verzoekster zich niet kan verenigen met de beschikking en zij hem heeft "verzocht om namens haar cassatie in te stellen bij de Hoge Raad der Nederlanden". Voorts houdt de brief in dat de raadsman de griffie van de Rechtbank Utrecht machtigt om "namens cliënte voormeld en haar advocaat" cassatie in te stellen. Dit doet de vraag rijzen of hiermee is voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010, 102 aan een dergelijke volmacht gestelde eis dat deze moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte, of zoals in casu verzoekster, bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van dat beroep.
5.
Uit HR 1 november 2011, LJN BT6444 en HR 3 april 2012, LJN BV9108 volgt dat een verklaring dat de raadsman namens zijn cliënt het rechtsmiddel aanwendt, niet kan gelden als een verklaring dat hij door zijn cliënt bepaaldelijk gevolmachtigd is om het rechtsmiddel aan te wenden.1. De onderhavige volmacht van de advocaat houdt echter bovendien in dat verzoekster hem heeft verzocht om namens haar cassatie in te stellen. Ik meen dat daarin gelezen kan worden dat de raadsman door verzoekster bepaaldelijk is gevolmachtigd om cassatie in te stellen.
6.
Voor deze welwillende lezing van de brief van de raadsman aan de griffier pleit dat de Hoge Raad blijkens zijn arrest van 29 mei 2012, LJN BW6670 bij de lezing van de verklaring van de raadsman enige coulance betracht. Volgens de Hoge Raad kon de verklaring van de raadsman dat hij een griffiemedewerker "uitdrukkelijk als gevolmachtigde [machtigt] beroep in cassatie in te stellen" immers aldus worden verstaan dat de raadsman verklaart dat hij "door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd" tot het instellen van dat beroep.
7.
Gelet op het vorenstaande meen ik dat de inhoud van de volmacht niet in de weg staat aan ontvankelijkheid van verzoeksters beroep in cassatie.
8.
Ingevolge art. 575, derde lid, Sv is verzoekster in haar cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het dossier bevinden zich geen stukken waaruit kan volgen dat verzoekster op haar desbetreffende verplichting is gewezen of dat aan de verplichting tot consignatie is voldaan. Uit namens mij op 13 juni 2012 telefonisch ingewonnen inlichtingen bij de Rechtbank te Utrecht volgt dat verzoekster niet is gewezen op haar verplichting en dat zij evenmin aan deze verplichting heeft voldaan. Bij schrijven van 13 juni 2012 heeft de Rechtbank te Utrecht deze informatie bevestigd. Aan een voorwaarde voor ontvankelijkheid van het beroep in cassatie is dus (nog) niet voldaan.
9.
Het voorgaande brengt mee dat ik (vooralsnog) niet aan bespreking van de middelen toekom.
10.
Gelet op het vorenstaande concludeer ik dat de Hoge Raad - overeenkomstig HR 22 september 2009, LJN BJ7993 - in een tussenbeschikking zal bepalen dat verzoekster alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld aan haar verplichting tot consignatie te voldoen door binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn nadat de Griffier van de Rechtbank te Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, alsnog een door de Griffier van de Rechtbank te bepalen bedrag, bestaande in het verschuldigde bedrag en al de kosten, ter griffie van de Rechtbank te Utrecht bij wijze van consignatie te betalen en dat iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.2.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑10‑2012
Overigens belet niets verzoekster om nogmaals een bezwaarschrift in te dienen. Dat verzoekster door de Rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard had er immers mee te maken dat de situatie waar art. 575 lid 3 Sv op ziet, zich naar het oordeel van de Rechtbank (nog) niet voordeed.
Uitspraak 09‑10‑2012
Inhoudsindicatie
Beklag. Veroordeelde is n-o verklaard in haar verzet tegen een dwangbevel ex art. 575.3 Sv. Ingevolge art. 575.3 Sv is een veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven of tot hetwelk de rechter van wie de beschikking afkomstig is, behoort. Uit de stukken van het dossier kan niet volgen dat de veroordeelde op haar desbetreffende verplichting is gewezen of dat aan de verplichting tot consignatie is voldaan. Veroordeelde wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om een nader door de griffier van de Rb te bepalen bedrag bij wijze van consignatie te betalen.
Partij(en)
9 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/05186
BCB/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Utrecht van 25 oktober 2011, nummer RK 11/1491, op een bezwaarschrift als bedoeld in art. 575 derde lid, Sv ingediend door;
[De veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in het door haar aangetekende verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad in een tussenbeschikking de veroordeelde alsnog in de gelegenheid zal stellen aan haar verplichting tot consignatie te voldoen door binnen een door de Hoge Raad te stellen termijn nadat de Griffier van de Rechtbank haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand, alsnog een door de Griffier van de Rechtbank te bepalen bedrag bestaande uit het verschuldigde bedrag en al de kosten, ter griffie van de Rechtbank bij wijze van consignatie te betalen, en dat iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1.
De veroordeelde is bij onherroepelijk vonnis van de Kinderrechter in de Rechtbank Utrecht van 1 oktober 2010 veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen jeugddetentie, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de Rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 100,-, waarbij de Rechtbank aan de veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer heeft opgelegd, ter hoogte van € 100,-, subsidiair 2 dagen jeugddetentie. Het vonnis is door de Officier van Justitie ter executie overgedragen aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) te Leeuwarden. Het CJIB heeft blijkens bij de schriftuur overgelegde stukken aan de veroordeelde een dwangbevel uitgevaardigd dat aan de veroordeelde bij deurwaardersexploit is betekend. De veroordeelde is vervolgens in verzet gekomen bij de Rechtbank tegen het dwangbevel, in welk verzet zij niet-ontvankelijk is verklaard. Haar cassatieberoep is tegen die beslissing gericht.
3.2.
Ingevolge art. 575, derde lid, Sv is een veroordeelde in zijn cassatieberoep slechts ontvankelijk na voorafgaande consignatie van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten ter griffie van het gerecht dat de beschikking heeft gegeven of tot hetwelk de rechter, van wie de beschikking afkomstig is, behoort.
3.3.
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het dossier bevinden zich geen stukken waaruit kan volgen dat de veroordeelde op haar desbetreffende verplichting is gewezen of dat aan de verplichting tot consignatie is voldaan. Gelet op de door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen, zoals weergegeven in zijn conclusie onder 8, en de stukken van het geding zal de veroordeelde alsnog in de gelegenheid worden gesteld om binnen de hieronder te vermelden termijn een nader door de Griffier van de Rechtbank Utrecht te bepalen bedrag bij wijze van consignatie te betalen en dient als volgt te worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
stelt de veroordeelde in de gelegenheid om binnen veertien dagen nadat de Griffier van de Rechtbank Utrecht haar daartoe schriftelijk heeft aangemaand een nader te bepalen bedrag ter griffie van de Rechtbank te consigneren;
bepaalt dat daartoe een afschrift van deze beschikking aan de Griffier van de Rechtbank zal worden verstuurd;
verstaat dat de Griffier van de Rechtbank de hiervoor vermelde schriftelijke aanmaning aan de veroordeelde zal versturen en aan de Griffier van de Hoge Raad na afloop van de hiervoor vermelde termijn mededeling zal doen of door de veroordeelde is voldaan aan de verlangde consignatie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2012.