Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.3.2.4
VIII.3.2.4 Voorlopige hechtenis bij toepassing van snelrecht
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS596295:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de memorie van toelichting bij het Conceptwetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de uitbreiding van de gronden voor voorlopige hechtenis, geraadpleegd via www.rijksoverheid.nl, p. 7.
RvdR 2011, p. 5.
Zo ook Kooijmans 2012, p. 226. Vgl. tevens Haveman & Van Lent 2012.
Vgl. de hiervoor in § VIII.3.2.1 gemaakte opmerking over het ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling ter uitreiking van een dagvaarding, als voorzien in art. 57 lid 1 en 61 lid 3 Sv.
Zie uitvoerig over de weinig overtuigende onderbouwing van de noodzaak van voorlopige hechtenis ten behoeve van snelberechting het advies van de RvdR 2011; Kooijmans 2012.
Zie Haveman & Van Lent 2012; Klip 2012; Van der Kruijs 2012, p. 368; RvdR 2011, p. 4; NOvA 2011, p. 6.
O.a. EHRM 26 juni 1991, nr. 12369/86, par. 51 (Letellier/Frankrijk); EHRM 27 augustus 1992, nr. 12850/87, par. 91 (Tomasi/Frankrijk); EHRM 1 maart 2007, nr. 33977/96, par. 81 (Ilijkov/Bulgarije); EHRM 25 oktober 2007, nr. 38971/06, par. 50 (Korshunov/Rusland); EHRM 22 mei 2012 (GK), nr. 5826/03, par. 145 (Idalov/Rusland).
Aanbeveling RvE 2006/13, punt 3 lid 3.
Zie o.a. Groenhuijsen 2000; Van Kempen & Kristen 2005, p. 318; Uit Beijerse 2008; Stevens 2010b; Haveman & Van Lent 2012; Klip 2012; Janssen, Van den Emster & Trotman 2013; Hildebrandt 2016, p. 190; Keulen & Knigge 2016, p. 363.
De ontwikkelingen staan niet stil. Inmiddels is een voorstel in behandeling om aan de gronden voor voorlopige hechtenis toe te voegen de grond dat iemand in eerste aanleg tot minimaal één jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Vanwege de relatie met de dadelijke tenuitvoerlegging van veroordelingen in eerste aanleg bespreek ik dat voorstel in § VIII.5.
De bezwaren tegen de ernstige geschoktheid van de rechtsorde als grond voor voorarrest manifesteren zich opnieuw in de beslissing van de wetgever met artikel 67a lid 2 sub 4 Sv een nieuwe grond voor voorlopige hechtenis op te nemen. Bij minder ernstige misdrijven die in de publieke ruimte of tegen personen met een publieke taak zijn gepleegd, waardoor maatschappelijke onrust is ontstaan en waarvan de berechting door middel van snelrecht plaatsvindt, kan voorlopige hechtenis worden toegepast. Aanvankelijk ontbrak het vereiste van ‘maatschappelijke onrust’ nog. Met de verdenking van een strafbaar feit onder de omstandigheden waarop het voorstel betrekking had, was die onrust in beginsel gegeven.1 Nadat voornamelijk de Raad voor de Rechtspraak waarschuwde dat dit tot strijd met artikel 5 EVRM zou leiden, is in een later stadium de zinsnede ‘waardoor maatschappelijke onrust is ontstaan’ toegevoegd.2
In feite beschrijft ook deze grond louter gevallen, zonder duidelijk doel. Op basis van de wettekst lijkt dat doel op het eerste gezicht te moeten worden gezocht in berechting door middel van snelrecht.3 Zou deze grond enkel van toepassing zijn als berechting door middel van snelrecht noopt tot voorlopige hechtenis, dan zou daartegen geen op de onschuldpresumptie gebaseerd bezwaar rijzen,4 maar zou deze wel geheel overbodig zijn. Voor berechting door middel van snelrecht is namelijk vrijheidsbeneming van de verdachte niet noodzakelijk. In die gevallen dat de verdachte zich aan berechting en executie door middel van snelrecht zou kunnen trachten te onttrekken, is de grond van vluchtgevaar bovendien beschikbaar en afdoende.5
De bedoeling van de regering is dan ook niet geweest de toepassing te beperken tot die gevallen waarin anders een snelle berechting zou worden verhinderd. Wat in 1974 nog min of meer in het midden werd gelaten, legt de regering reeds in de conceptfase van dit nieuwe wetsvoorstel midden op tafel:
“Met de verruiming van de gronden voor voorlopige hechtenis wordt het in meer gevallen dan thans mogelijk, om de verdachte van bijvoorbeeld mishandeling of vernieling in voorlopige hechtenis te nemen met het oog op de toepassing van snelrecht, dat wil zeggen berechting binnen 17 dagen. Hiermee kan worden voorkomen dat verdachten van deze feiten – die van de rechter hoogstwaarschijnlijk een vrijheidsstraf krijgen – weer op vrije voeten komen, vóórdat de snelrechtzitting heeft plaatsgevonden. In de genoemde omstandigheden is een directe reactie (lik op stuk) nodig om aan de verdachte en de omgeving duidelijk te maken dat het gedrag onaanvaardbaar is.”6
In deze benadering blijft van de behandelingsdimensie natuurlijk weinig over. De berechting binnen zeventien dagen kan volgens de regering niet worden afgewacht. De straf dient direct een aanvang te nemen. De ter consultatie geraadpleegde instanties en wetenschappelijke commentatoren zijn eensgezind in hun constatering dat deze redenering niet met de onschuldpresumptie strookt.7 Terwijl het EHRM,8 de Raad van Europa,9 de uitgangspunten van het wettelijk dwangmiddelenstelsel en de strafrechtswetenschap10 in lijn met de onschuldpresumptie ervan uitgaan dat anticipatie op de straf door middel van voorlopige hechtenis nog altijd niet hoort, spoort de wetgever de rechter daartoe aan.11