Hoge Raad 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416.
Hof Den Haag, 13-12-2022, nr. 22-002171-16
ECLI:NL:GHDHA:2022:3023, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
13-12-2022
- Zaaknummer
22-002171-16
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2022:3023, Uitspraak, Hof Den Haag, 13‑12‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1831, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
ECLI:NL:GHDHA:2022:3022, Uitspraak, Hof Den Haag, 11‑07‑2022; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1867
Uitspraak 13‑12‑2022
Inhoudsindicatie
gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad
Partij(en)
Rolnummer: 22-001328-20
Parketnummer: 10-960035-19
Datum uitspraak: 13 december 2022
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 mei 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats]([geboorteland]) op [geboortedatum] 1972,
adres:[woonadres],[woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep, met bevel dat die bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Voorts zijn beslissingen genomen over de in beslag genomen voorwerpen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid in het hoger beroep
Beide partijen hebben bij akte rechtsmiddel onbeperkt hoger beroep ingesteld. Nu alle tenlastegelegde feiten in het hoger beroep aan de orde zijn, zal het hof geen van de partijen gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 8 september 2016 tot en met 15 februari 2019 te Groningen en/of [pleegplaats] en/of elders in Nederland,
met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel(en) 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten een ontploffing teweegbrengen en/of moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,
immers heeft verdachte
ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie ISIS, althans een aan IS gelieerde organisatie, althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt, en/of
B. een vuurwapen en (bijbehorende) munitie voorhanden gehad en/of
C. betrokkenheid gehad bij de uitreis van een ISIS-strijder en/of faciliterende handelingen verricht voor de uitreis van een ISIS-strijder en/of
D. dit/een lid van ISIS die naar Syrië is uitgereisd en/of zich daar nog steeds bevindt, financieel ondersteund en/of
E. aan dit/ een lid van ISIS en/of aan een (of meer) andere perso(o)n(en) gelegenheid en/of middelen verschaft om in het strijdgebied (Syrië) gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen en/of
F. instructiemateriaal voorhanden gehad ten behoeve van het doden van mensen en het vervaardigen van explosieven en/of via voornoemd lid van ISIS en/of een andere (tussen)persoon in Syrië, contact gezocht met een persoon om kennis te verkrijgen voor het maken van explosieven en/of
G. contact gemaakt met een (of meer) andere perso(o)n(en) teneinde inlichtingen in te winnen en/of de mogelijkheden te verkennen om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of te bevorderen en/of uit te voeren;
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 8 september 2016 tot en met 15 februari 2019 te Groningen en/of [pleegplaats] en/of elders in Nederland,
heeft deelgenomen aan een of meer organisatie(s), te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans een aan (een) voornoemde organisatie(s) gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan,
welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten:
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht), en/of;
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht), en/of;
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht);
3.
hij op 16 februari 2019 te Groningen een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool (van het merk Fabrique National, model High Power 35) met (bijbehorende) munitie voorhanden heeft gehad,
terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van dat wetboek voor te bereiden of gemakkelijk te maken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken evenals van het onder 3 tenlastegelegde bestanddeel ‘met het terroristisch oogmerk’ en ter zake van het onder 1 en overigens onder 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals vermeld onder 1 tot en met 3 en onder 5 van het vonnis.
Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd die bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich – een en ander zoals verwoord in haar overgelegde pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken, alsmede van het onder feit 3 tenlastegelegde terroristisch oogmerk.
Daartoe heeft de raadsvrouw in verband met feit 1 betoogd dat de verdachte weliswaar beschikte over radicale teksten en beeldmateriaal, maar dat hij dit niet heeft ingezet om iemand te bewegen tot het plegen van een terroristisch misdrijf. Ook had de verdachte wel
een vuurwapen en munitie in zijn bezit, maar is er geen enkele aanwijzing dat hij hiermee een terroristisch oogmerk had of dat dit bestemd was voor het plegen van een aanslag. Er is geen bewijs voor het verwijt dat de verdachte betrokken was bij de uitreis van [persoon 1]
dan wel dat hij hem financieel zou hebben ondersteund. Elke onderbouwing van een AIVD-ambtsbericht met die inhoud, ontbreekt.
Ten aanzien van het verwijt dat de verdachte een simkaart zou hebben aangeschaft voor een lid van ISIS is aangevoerd dat — zelfs al zou hiervan sprake zijn — dit niet zonder meer kan leiden tot de conclusie dat sprake is van betrokkenheid of faciliterende handelingen in het kader van een uitreis, dan wel het bestaan van een oogmerk op het voorbereiden of bevorderen van een terroristisch misdrijf.
De raadsvrouw heeft ten slotte betoogd dat, daar waar de verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij in het kader van het voorbereiden van een terroristisch misdrijf contact heeft gezocht met andere personen teneinde met dat doel inlichtingen in te winnen of mogelijkheden te
verkennen, het AIVD-ambtsbericht van 12 september 2019 niet mag worden gebruikt voor het bewijs omdat dit niet verenigbaar is met het vereiste van een fair trial als bedoeld in artikel 6 EVRM. Ten aanzien van de door de FBI verstrekte chatsessie tussen “[pseudoniem]” en een derde heeft de raadsvrouw eerstens betoogd dat de verdachte ontkent dat hij “[pseudoniem]” is. Daarnaast bevat de chat geen belastende informatie voor de verdachte omdat niets in de chat duidt op terroristische activiteiten.
In verband met feit 2 heeft de raadsvrouw betoogd dat het dossier geen bewijs bevat op grond waarvan kan worden gezegd dat de verdachte behoort tot een terroristisch
samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunende activiteiten verricht aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven. Voor zover de verdachte interesse heeft getoond in de gewapende Jihadstrijd, en zelfs als op basis van oude foto’s zou worden gedacht dat hij het gedachtegoed van IS en hun doelstelling ooit aanhing, betekent dit niet dat hij in de tenlastegelegde periode behoorde tot enig terroristisch samenwerkingsverband. Het enkele contact van de verdachte met[persoon 1] en [persoon 2] (indien bewezen) na hun vertrek uit Nederland is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van deelname aan IS-activiteiten.
Vrijspraak zonder nadere motivering
Feit 1: onderdelen B, C, D, F en G
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat voor deze onderdelen het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat de verdachte van deze onderdelen zal worden vrijgesproken.
Feit 2: deelname aan een terroristische organisatie
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat voor dit feit het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.
Feit 3: terroristisch oogmerk
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat in dit kader sprake was van een terroristisch oogmerk, zodat de verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.
Overwegingen ten aanzien van het overige onder 1 tenlastegelegde
Met de rechtbank merkt het hof de volgende feiten en omstandigheden op grond van de bewijsmiddelen als vaststaand aan.
Op 15 februari 2019 heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) twee ambtsberichten uitgebracht waarin — kort samengevat - was vermeld dat de verdachte in het bezit was van een vuurwapen met bijbehorende munitie, dat hij naast zijn woonadres in
Groningen voornamelijk verbleef in een Bed & Breakfast (hierna: B&B) in [pleegplaats], dat hij de ISIS-ideologie aanhangt en het gewelddadig optreden van deze terroristische organisatie ondersteunt. Ook zou de verdachte in contact staan met ISIS-lid [persoon 1] (geboren: [geboortedatum persoon 1] 1994 te [geboorteplaats persoon 1]) en betrokken zijn geweest bij diens uitreis naar Syrië.
De politie is naar aanleiding van deze twee ambtsberichten gestart met het onderzoek 26Everman en de verdachte is op 15 februari 2019 aangehouden op het adres in [pleegplaats].
Na de aanhouding van de verdachte is op twee plaatsen een doorzoeking verricht: in de woning aan de [adres 1] te Groningen, waar de verdachte staat ingeschreven, alsmede in een appartement van een B&B aan de [adres 2] in [pleegplaats], waar de verdachte vanaf begin januari 2019 in verband met zijn werk af en toe verbleef.
iPhone 4s
Op de iPhone 4s, die in beslag is genomen op het verblijfadres van verdachte in [pleegplaats], zijn verschillende video's aangetroffen met IS-beeldmateriaal. Een aantal daarvan is uitgegeven door Al-Anbar (provincie van IS) waarbij onder de titel `de wil om te vechten'
beelden te zien zijn van executies, (zelfmoord)aanslagen, IS-strijders en bomaanslagen met op de achtergrond verschillende jihadistische anasheed (gezangen).
Op een andere video wordt in de nasheed met de titel `auf zum schlachten', gezongen over het afslachten van de kafirin (ongelovigen), waarbij verschillende keren wordt verwezen naar het paradijs en de wens om als martelaar te sterven.
Verder zijn in een door Kirkuk Wilayah (provincie van IS) in januari 2017 uitgegeven video wrede executies te zien waarbij Al-Murtad (afvalligen) de kelen worden doorgesneden met messen.
Macbook air - iPhone 5 back-up
Op de Macbook air — eveneens afkomstig uit het appartement in [pleegplaats] — is een back-up aangetroffen van een Iphone 5 (laatste back-up 25 augustus 2017).
Van de 500 onderzochte grootste afbeeldingen waren ongeveer 200 afbeeldingen van jihadistische aard. Het betreft hier onder andere propaganda van centrale mediaorganisaties van IS (zoals afbeeldingen van strijd en dode strijders), infographics (tekst en informatie)
afkomstig uit IS tijdschriften (zoals al-Naba), gepubliceerd in de periode van medio 2016 tot maart 2017 (waaronder een testament van een gesneuvelde strijder, hoe een aanslag te plegen met een mes, de effecten van aanslagen op economie en beschrijving van Hijra') en
afbeeldingen van logo's van mediaorganisaties van of gelieerd aan IS.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in zijn verklaring bij de politie verklaard dat de iPhone 4s en de Macbook van hem waren en dat hij de enige was die daar gebruik van maakte.
Sony Ericsson telefoon
Op de Sony Ericsson telefoon — afkomstig uit de woning van de verdachte in Groningen — zijn twee video's aangetroffen.
In de eerste video — gefilmd vanuit de auto — is te zien dat een auto bij een viaduct (in vermoedelijk Groningen) rijdt, waarop een (gemonteerde) explosie te zien is op het moment dat de auto het viaduct nadert. Er is een Arabischtalig lied te horen waarin wordt gezongen
over de `leeuwen van glorie', `poorten van onze trots' en 'toen de tirannie haar hoogtepunt bereikte, werd onze standvastigheid aangewakkerd'. Een persoon in de auto zegt "Allahoe Akbar".
Op de tweede video is onder andere te zien dat de voormalig president van de Verenigde Staten George Bush jr. een sjeik of Emir de hand schudt. Dan wordt er geschoten en volgt een explosie en is een Arabisch lied te horen waarin gezegd wordt dat terrorisme een plicht
is in de religie. Na de explosie is de IS vlag in beeld en de tekst `Wachten op het plukken van jullie hoofden O verraders'.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij de enige gebruiker was van deze telefoon.
Handgeschreven stukken in de woning van de verdachte
In de woning van de verdachte zijn verder — onder meer — handgeschreven teksten en gedichten aangetroffen waarin wordt gesproken van de gewapende Jihad als ultiem doel van de strijder. Een van de teksten betreft een gedicht van de zus van één van de meest radicale en invloedrijke Islamitische ideologen (Sayyid Qutb) welke zij geschreven heeft na de executie van haar broer en waarin zij spreekt over afscheid nemen en het zich richten op het leven in het paradijs samen met de soldaten van Allah die hun leven zonder aarzelen voor Allah hebben gegeven. Andere gedichten zijn een handgeschreven fragment van een nasheed waarin de gewapende Jihad tegen ongelovigen wordt verheerlijkt en een gedicht van Osama bin Laden (voormalig leider van Al-Qaida). Ook is aangetroffen een fragment uit een brief van een bij Al-Qaida aangesloten zelfmoordterrorist waarin hij zijn drijfveren voor zijn aanslag uitspreekt.
Vuurwapen en munitie en overige gegevensdragers
In de woning van de verdachte is tevens (in een kinderrugzak) een wapenkoffer aangetroffen met daarin een pistool en munitie.
Beoordeling
Juridisch kader
In het arrest van 14 maart 20171.- heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voldoende is om tot een bewezenverklaring van, kortgezegd, de in artikel 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde voorbereiding of bevordering van de in artikel 289a Sr omschreven
misdrijven te komen, indien het oogmerk van de verdachte op het begaan van die misdrijven is gericht. Een concretisering van het voor te bereiden of te bevorderen misdrijf naar tijdstip, plaats en wijze van uitvoering is niet vereist. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat,
gelet op de wetsgeschiedenis, de voor toepassing van artikel 46 Sr vereiste mate van concretisering ook geldt voor artikel 96 lid 2 Sr. Vereist is daarom slechts dat met voldoende bepaaldheid blijkt op welk in artikel 289a Sr omschreven misdrijf de nader aan artikel 96 lid 2 Sr ontleende voorbereidings- of bevorderingshandelingen waren gericht.
Het hof overweegt ten aanzien van de aan de verdachte, in het kader van de strafbaarstelling van artikel 96 lid 2 Sr, tenlastegelegde gedragingen die strekken tot het opzettelijk met het (terroristisch) oogmerk
voorbereiden en/of bevorderen van het teweegbrengen van ontploffingen en/of moord en/of doodslag, onder feit 1 sub A en sub E feitelijk omschreven gedragingen het volgende.
De onder A tenlastegelegde gedraging
De verdachte wordt onder feit 1 sub A van de tenlastelegging verweten dat hij zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de terroristische organisatie van IS eigen heeft gemaakt. De rechtbank heeft dit onderdeel van de tenlastelegging bewezenverklaard en gekwalificeerd als een voorbereidings- en bevorderingshandeling van een terroristisch misdrijf zoals strafbaar gesteld in artikel 96 lid 2 Sr.
Het hof stelt op de eerste plaats op grond van het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte al langere tijd interesse heeft voor IS en dat hij gedurende een langere periode IS propaganda en overige documentatie met verwijzingen naar aanslagen, executies en andere angstaanjagende beelden, alsmede een radicale, extremistische leer op verschillende gegevensdragers en in handgeschreven teksten voorhanden heeft gehad en dat hij tevens aanwezig was op de Telegramkanalen van IS.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat, wil er sprake zijn van een bewezenverklaring van artikel 96 lid 2 Sr, moet kunnen worden vastgesteld dat de feitelijke gedragingen van de verdachte die in dit verband ten laste zijn gelegd, tevens gericht waren op de in de artikelen 157 en/of 176a/b en/of 289(a) en/of 288a Sr omschreven misdrijven met een terroristisch oogmerk.
Het hof is van oordeel dat, om in het onderhavige geval tot een bewezenverklaring te kunnen komen van hetgeen onder 1 sub A ten laste is gelegd, dit onderdeel in samenhang moet worden beschouwd met de overige feitelijke gedragingen zoals ten laste gelegd onder feit 1. Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen blijkt dat het hof evenwel tot een vrijspraak komt van de onderdelen B, C, D, F en G. Bij die stand van zaken kan het hof niet uit de bewijsmiddelen afleiden dat verdachte bij het voorhanden hebben van het IS (propaganda) materiaal en/of het aanhangen van het hiervoor omschreven gedachtegoed, tevens het oogmerk had op de voorbereiding van een misdrijf als bedoeld in artikel 96 lid 2 Sr. Naar het oordeel van het hof is het enkel verschaffen van een simkaart aan een lid van IS in Syrië (feit 1 sub E op de tenlastelegging, waarover hierna meer) daarvoor onvoldoende redengevend.
De verdachte zal daarom ook worden vrijgesproken van de onder feit 1 sub A tenlastegelegde gedraging als voorbereidingshandeling.
De onder E tenlastegelegde gedraging
De verdachte wordt onder feit 1 sub E van de tenlastelegging verweten dat hij aan een lid van IS(IS) gelegenheid en/of middelen heeft verschaft om in het strijdgebied (Syrië) gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen.
Het hof overweegt dat allereerst van belang is of kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is die onder de benaming ‘[pseudoniem]’ heeft gecommuniceerd met anderen. Met de rechtbank overweegt het hof dat het dossier daaromtrent de volgende gegevens bevat.
Uit de door de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring en zijn bij de politie afgelegde verklaring op 3 september 2019, volgt dat de bij de doorzoeking van de [adres 2] in [pleegplaats] aangetroffen iPhone 4s van hem is dat dat alleen hij daarvan gebruik maakt.
Op de iPhone 4s is de Telegram-app geïnstalleerd en daarbij wordt gebruik gemaakt van het Telegram-account “[telegram-account]” met profielnaam ‘[pseudoniem]’, gekoppeld aan het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1]. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat dit nummer bij hem in gebruik is, hetgeen wordt bevestigd door [getuige 1], die heeft verklaard dat aan het telegramaccount [telegram-account] het telefoonnummer [telefoonnummer 1] – dat in gebruik is bij de verdachte - is gekoppeld.
Uit onderzoek in de chatberichten in de telefoon blijkt dat de gebruiker van de iPhone 4s via Telegram chat met de gebruikersnaam “[pseudoniem]”.
Gelet op deze gegevens is het hof van oordeel dat de verdachte degene is die communiceert onder de benaming “[pseudoniem]”.
Het hof overweegt dat de stelling van de raadsvrouw dat, nu [getuige 2] heeft verklaard dat haar man ook gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] - wat impliceert dat gelijktijdig bij twee verschillende personen hetzelfde telefoonnummer in gebruik is –, het niet uitgesloten is dat een andere persoon “[pseudoniem]” kan zijn, niets afdoet aan voormelde conclusie.
Deze stelling mist naar het oordeel van het hof namelijk feitelijke grondslag en is ook overigens onjuist en wel op grond van het navolgende.
Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer een persoon zijn telefoonnummer heeft opgezegd, die persoon nog wel gebruik kan maken van een aan dat nummer gekoppeld Telegram account, zolang de nieuwe gebruiker van het telefoonnummer niet zelf een Telegram account heeft aangemaakt dat gekoppeld wordt aan dat nummer. Het is dus mogelijk dat na 2 februari 2019, de datum waarop de man van [getuige 2] zijn telefoon bij de Mediamarkt heeft gekocht, waarna hij vrij snel de bij de Turkse belwinkel gekochte simkaart met het nummer [telefoonnummer 1] in het toestel deed en het toestel ging gebruiken voor belcontacten, het door verdachte aan dit nummer gekoppelde Telegram account “[pseudoniem]” nog steeds actief bleef. Dit blijkt ook uit het door een medewerker van het onderzoeksteam voortgezette gebruik van dit Telegramaccount, zoals de chatsessie met “[telegram-account naam 1]” in april/mei 2019, waarover hierna meer.
Nu het hof aldus heeft vastgesteld dat de verdachte “[pseudoniem]” is, overweegt het hof ten aanzien van de onder feit 1 sub E ten laste gelegde gedraging als volgt.
Uit het door de AIVD verstrekte ambtsbericht van 5 april 2019 blijkt dat [persoon 2] op 8 september 2016 met (haar echtgenoot) [persoon 1] is uitgereisd naar Syrië en dat zij zich aldaar heeft aangesloten bij IS(IS).
Na de aanhouding van de verdachte is in zijn woning een Nokia telefoon aangetroffen met daarin een simkaart met het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Uit de bewijsmiddelen volgt dat met het nummer [telefoonnummer 2] op 5 oktober 2018 een Telegramprofiel is geregistreerd en dat dit Telegramprofiel vrijwel identiek is aan het Telegramprofiel ‘[telegram-account naam 2]’ dat toebehoort aan [persoon 2]. Aannemelijk is derhalve dat beide Telegramprofielen in gebruik zijn bij [persoon 2].
In een chatsessie in april/mei 2019 tussen het telegramaccount ‘[pseudoniem]’ (welke op dat moment was overgenomen door een medewerker van het onderzoeksteam) en `[telegram-account naam 1]' vraagt de laatste aan ‘[pseudoniem]’ of hij de simkaart met het Nederlandse nummer nog heeft waar het andere telegramaccount van `[telegram-account naam 1]' op geregistreerd staat. Enige tijd later geeft '[telegram-account naam 1]' aan dat het gaat om de simkaart met het nummer [telefoonnummer 2].
Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat ‘[telegram-account naam 1]’ [persoon 2] is. In dezelfde chatsessie antwoordt ‘[telegram-account naam 1]’ op de vraag van ‘[pseudoniem]’ welke broeder de sim voor haar had geregeld, met: ‘jij’.
Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte degene is geweest die de simkaart heeft geregeld voor [persoon 2], zodat zij door middel van bijbehorend telefoonnummer een Telegramaccount kon activeren. [persoon 2] was op dat moment uitgereisd naar Syrië en had zich aangesloten bij IS(IS).
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder 1 sub E tenlastegelegde.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder E opgenomen handeling heeft verricht, zoals bewezenverklaard. De verdachte heeft een ander daarmee inlichtingen, gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van een misdrijf met een terroristisch oogmerk genoemd in de artikelen 157, 176a/b, 288a en 289a Sr. Het helpen bij het opzetten van een Telegramaccount is bevordering van communicatiemogelijkheden van leden van de terroristische organisatie IS, welke communicatiemogelijkheden ondersteunend zijn bij de misdrijven die door leden van IS worden gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 8 september 2016 1 oktober 2018 tot en met 15 februari 2019 te Groningen en/of [pleegplaats] en/of elders in Nederland,
met het oogmerk ter voorbereiding en/of ter bevordering van de/het te plegen misdrij(f)(ven) omschreven in artikel(en) 157 en/of 176a en/of 176b en/of 289(a) en/of 288a van het Wetboek van Strafrecht, te weten een ontploffing teweegbrengen en/of moord en/of doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk,
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zich en/of anderen heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf,
immers heeft verdachte
ten behoeve van de gewapende Jihadstrijd, in welke strijd brandstichtingen, het teweeg brengen van ontploffingen, moorden en doodslagen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk,
A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie ISIS, althans een aan IS gelieerde organisatie, althans een organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, eigen gemaakt, en/of
B. een vuurwapen en (bijbehorende) munitie voorhandengehad en/of
C. betrokkenheid gehad bij de uitreis van een ISIS-strijder en/of faciliterende handelingen verricht voor de uitreis van een ISIS-strijder en/of
D. dit/een lid van ISIS die naar Syrië is uitgereisd en/of zich daar nog steeds bevindt, financieel ondersteund en/of
E. aan dit/ een lid van IS(IS) en/of aan een (of meer) andere perso(o)n(en) gelegenheid en/of middelen verschaft om in het strijdgebied (Syrië) gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen en/of
F. instructiemateriaal voorhanden gehad ten behoeve van het doden van mensen en het vervaardigen van explosieven en/of via voornoemd lid van ISIS en/of een andere (tussen)persoon in Syrië, contact gezocht met een persoon om kennis te verkrijgen voor het maken van explosieven en/of
G. contact gemaakt met een (of meer) andere perso(o)n(en) teneinde inlichtingen in te winnen en/of de mogelijkheden te verkennen om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of te bevorderen en/of uit te voeren.
3.
hij op 16 februari 2019 te Groningen een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool (van het merk Fabrique National, model High Power 35) met (bijbehorende) munitie voorhanden heeft gehad.
Terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van dat wetboek voor te bereiden of gemakkelijk te maken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
1.
met het oogmerk om opzettelijk ontploffingen teweegbrengen en/of moord en/of doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaffen waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het misdrijf.
3.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de voorbereiding van een terroristisch misdrijf.
Hij heeft in Nederland een simkaart geregeld en geactiveerd voor iemand die op dat moment was uitgereisd naar Syrië en zich had aangesloten bij IS. Deze was hierdoor in staat om in het strijdgebied een Telegramaccount te activeren. De verdachte heeft daarmee aan een IS-lid gelegenheid en middelen verschaft om in het strijdgebied (Syrië) gebruik te kunnen maken van communicatiemiddelen.
Terroristische misdrijven zijn zeer ernstig. De internationale gemeenschap wordt bedreigd door het plegen van bloedige en angstaanjagende aanslagen. Deze
terroristische aanslagen worden gepleegd vanuit een intolerante religieuze ideologie, waarbij wordt geprobeerd het eigen gelijk op gewelddadige wijze aan anderen op te leggen en waarbij de bevolking veelal slachtoffer is en ernstige vrees wordt aangejaagd. Daarbij worden geen middelen en methoden geschuwd.
Samenlevingen die worden geconfronteerd met terroristisch geweld dienen hiertegen te worden beschermd. Met grote inzet trachten overheden, waaronder de Nederlandse, zich dan ook daartegen te weren. Daartoe is onder andere wetgeving in het leven geroepen waarbij wordt getracht door middel van strafbaarstellingen, zoals in de onderhavige zaak, terrorisme in de kiem te smoren. Daarom dienen in zaken als die van de verdachte de strafdoelen van vergelding en afschrikking bij de keuze van de strafsoort en de hoogte van de op te leggen straf een bepalende rol te spelen.
Daarnaast heeft de verdachte een vuurwapen en daarbij behorende munitie voorhanden gehad.
De persoon van de verdachte
Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 november 2022 is de verdachte niet eerder veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de over de persoon van de verdachte opgemaakte rapporten die zich in het dossier bevinden. Psychiater [psychiater], GZ-psycholoog
[psycholoog] en forensisch milieuonderzoeker [forensisch milieuonderzoeker], hebben een zogenoemde triple rapportage over de verdachte opgemaakt, gedateerd 14 januari 2020. Dit rapport houdt - kort samengevat - het volgende in.
De verdachte heeft slechts beperkt meegewerkt aan het onderzoek. Er kon daardoor onvoldoende informatie worden verzameld om een diagnose te stellen of uit te sluiten.
Waar er tijdens het onderzoek geen aanwijzingen waren voor een acute psychiatrische stoornis zijn er wel narcistische persoonlijkheidstrekken geconstateerd. Gezien de achterdocht en het wantrouwen van de verdachte is ook de mogelijkheid van een waanstoornis of paranoïde persoonlijkheidsproblematiek niet uit te sluiten.
Door het gebrek aan informatie kon geen uitspraak worden gedaan over de situatie ten tijde van het tenlastegelegde, een eventueel verband met de tenlastegelegde feiten en evenmin over de mate waarin het tenlastegelegde — indien bewezen — aan de verdachte kan worden toegerekend.
Bij de verdachte zijn nogal wat factoren aanwezig die zijn geassocieerd met een risico op extremistisch geweld. Daarnaast beschikt de verdachte over heel wat vaardigheden en talenten, die hem goed van pas zouden komen, als hij ervoor zou kiezen zich in te zetten voor een terroristische organisatie.
[reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] werkzaam bij Reclassering Nederland hebben een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 10 maart 2020. De reclassering schat in dit rapport het risico op recidive en het risico op extremistisch geweld in als hoog, waarbij voor de laatste indicator de domeinen `overtuigingen, opvattingen en ideologie', `sociale context en intentie' en `historie, actie en capaciteit' als grootste risicofactoren worden aangemerkt.
Geadviseerd wordt — indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen — aan de verdachte een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen. Geadviseerd wordt eveneens om die bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Uit de zeer recente reclasseringsrapportage d.d.
22 november 2022, opgemaakt door reclasseringsmedewerkers [reclasseringsmedewerker 3] en [reclasseringsmedewerker 4] , volgt dat de verdachte zich nu ruim twee jaar houdt aan de afspraken met de reclassering en de overige voorwaarden. Er hebben zich geen incidenten of bijzonderheden voorgedaan. Of de verdachte eventueel een jihadistische ideologie aanhangt is tot dusver niet verder verhelderd omdat hij niet in gesprek wil met een door de reclassering aan te wijzen externe deskundige op het gebied van cultuur en de islam.
De vraag die de reclassering zichzelf gedurende het afgelopen jaar heeft gesteld is wat de meerwaarde is van de meldplichtgesprekken met betrokkene en of er enige recidivebeperkende werking vanuit gaat. De verdachte staat pal achter wat hij zegt en denkt en hierin is geen verandering gekomen ten opzichte van de eerste gesprekken binnen het lopende toezicht. Er zijn echter geen redenen of aanwijzingen geweest in het contact met betrokkene en/of zijn gedrag, of vanuit berichtgeving van ketenpartners, die maken dat er momenteel sprake zou zijn van een verhoogd risico op algemene recidive en/of gewelddadig extremisme.
Overwegingen ten aanzien van de straf
In beginsel is naar het oordeel van het hof een
gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, gerechtvaardigd. Het hof heeft evenwel geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in hoger beroep met bijna 7 maanden is overschreden, nu namens de verdachte op 4 juni 2020 hoger beroep is ingesteld en het hof eindarrest wijst op 13 december 2022.
Gelet op deze termijnoverschrijding is het hof van
oordeel dat, in plaats van de overwogen straf, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, een passende en geboden reactie vormt. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zullen de na te melden bijzondere voorwaarden worden verbonden.
Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarde bevelen. Gelet op de omstandigheid dat het onder 1 bewezenverklaarde misdrijf is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen overweegt het hof op basis van de aard van het feit en de inhoud van de voornoemde rapportages over de verdachte – anders dan de Reclassering in haar laatste rapport - dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De in beslag genomen voorwerpen
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn onder 11, 12, 13, 15, 16, 17 en 18 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1 bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurdverklaren.
Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en met behulp waarvan het onder 1 en 3 bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
Ten aanzien van het voorwerp zoals vermeld onder 14 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van
2 ( twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
zich zal melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;
zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde,
waarbij de reclassering bepaalt welke gesprekonderwerpen aan de orde dienen te komen in het kader van het inschatten van het recidiverisico;
3. op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met onderstaande personen, zolang het openbaar
ministerie dit verbod noodzakelijk vindt:
• [persoon 1], Walied Salah Eldin, geboortedatum 14-12-1994
• [persoon 2], Siham, geboortedatum 18-11-1996
• personen met wie hij gedetineerd heeft gezeten op de TA Vught
• personen die op de nationale sanctielijst Terrorisme staan
4. wordt verplicht voor de naleving van het contactverbod zijn medewerking te verlenen aan controles van zijn digitale gegevensdragers wanneer en zolang het openbaar ministerie dit nodig vindt, ook wanneer dit inhoudt dat liet digitale onderzoek door een externe deskundige wordt verricht.
Beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- de voorwerpen zoals vermeld onder 11, 12, 13, 15, 16, 17 en 18 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- de voorwerpen zoals vermeld onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- het voorwerp zoals vermeld onder 14 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst,
mr. Y.C. Bours en mr. M. Koole, in bijzijn van de griffier S. Patel.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 december 2022.
De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑12‑2022
Uitspraak 11‑07‑2022
Inhoudsindicatie
gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad
Rolnummer: 22-002171-16
Parketnummer: 09-755091-12
Datum uitspraak: 11 juli 2022
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 april 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1973,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde onder:
- feit 1 eerste cumulatief/alternatief;
- feit 1 tweede cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]), 2, 7, 13, 16, 17 en 21;
- feit 2;
- feit 3 eerste cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]) , 2, 7, 13, 14, 16, 17, 21;
- feit 5 voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 2, 7, 15, 17, 21 en de laatste drie gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’.
De verdachte is ter zake van hetgeen overigens aan hem is tenlastegelegd, te weten:
- feit 1 tweede cumulatief/alternatief (zaaksdossier 1); - feit 3 (zaaksdossiers 1 en 14);
- feit 4 primair;
- feit 5 (zaaksdossier 1 en de eerste twee gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’) en
- feit 6,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
4 jaren, met aftrek van voorarrest.
Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 2], zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Ook zijn beslissingen genomen omtrent de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid in hoger beroep
Openbaar ministerie
Blijkens de akte rechtsmiddel heeft de officier van justitie onbeperkt hoger beroep ingesteld. Blijkens de memorie van grieven richtte het hoger beroep zich tegen de vrijspraken in een beperkt aantal zaaksdossiers. Vervolgens heeft het openbaar ministerie bij akte intrekking rechtsmiddel van 2 november 2020 het hoger beroep ingetrokken. Door de advocaat-generaal is ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het openbaar ministerie geen bezwaren meer heeft tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven (deel)vrijspraken.
Het hof ziet hierin aanleiding om het openbaar ministerie naar analogie van het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissingen tot (deel)vrijspraak.
Verdachte
Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven (deel)vrijspraken.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a Sv en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep, en voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van l januari 2009 tot en met 28 januari 2014, te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Delft en/of Noordwijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, te weten
(ZD-01)
- Een werkgeversverklaring d.d. 6 maart 2009 van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] (D/139) en/of
- Een salarisspecificatie van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] en betreffende de periode februari 2009 (D/140) en/of
- Een bankafschrift van [bedrijf 1] d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening 6230607 en op naam van [persoon 1] (D/141) en/of
bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat
(ZD-01)
- op/in voornoemde salarisspecificatie van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] vernield stond dat [persoon 1] in dienst was per l januari 2009 en/of een fulltime salaris ontving van 3.680 euro (per maand) en/of in de maand februari een bedrag van 2.473,84 op de bankrekening 6230607 betaald had gekregen, terwijl die [persoon 1] niet (langer) werkzaam was bij [bedrijf 3] en/of daarvan (nimmer) salaris had ontvangen, en/of
- op/in voornoemde werkgeversverklaring d.d. 6 maart 2009 van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] vermeld stond dat [persoon 1] per l januari 2009 in dienst was in de functie van accountmanager en/of een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd en/of een bruto jaarsalaris ontving van 44.160 euro, terwijl die [persoon 1] niet (langer) werkzaam was bij [bedrijf 3] en/of daarvan (nimmer) salaris had ontvangen, en/of
- op/in voornoemde bankafschrift van [bedrijf 1] d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening 6230607 en op naam van [persoon 1] vermeld stond dat op 23 februari 2009 een bedrag groot 2.473,84 aan salaris gestort was door [bedrijf 3] terwijl die [persoon 1] nimmer salaris van voornoemd bedrijf had ontvangen en/of dat de streepjescode op de bankafschrift hoorde bij de postcode [postcode]
bestaande dat gebruikmaken hieruit dat hij, verdachte, en/of(een van) zijn mededader(s)
(ZD-01)
- voornoemde salarisspecificatie van [bedrijf 3] en/of voornoemde werkgeversverklaring van [bedrijf 3] en/of voornoemde bankafschrift van [bedrijf 1] bij [bedrijf 4] had(den) aangeleverd en/of laten aanleveren en/of
had(den) opgestuurd en/of laten opsturen en/of had(den) getoond en/of laten tonen, teneinde een krediet te verkrijgen.
3.
hij op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van l januari 2009 tot en met 28 januari 2014 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer bank(en) en/of(rechts)perso(o)n(en), te weten:
- [ bedrijf 4]
(telkens) (op valse gronden) heeft bewogen tot de afgifte van (een) goed(eren) en/of het verlenen van (een) dienst(en) en/of het aangaan van een schuld, te weten
(ZD-1)
- een krediet van 29.999,- euro, althans 29.000 euro, van [bedrijf 4] en/of van [persoon 1], althans enig geldbedrag, en/of
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) met vorenomschreven oogmerk — zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd
met de waarheid (telkens)
l) een of meer vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), te weten
(ten aanzien van ZD-01)
- Een werkgeversverklaring d.d. 6 maart 2009 van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] CD/139) en/of
- Een salarisspecificatie van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] en betreffende de periode februari 2009 CD/140) en/of
- Een bankafschrift van [bedrijf 1] d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening 6230607 en op naam van [persoon 1] (D/141) en/of
aan voornoemde (rechts)perso(o)n(en) aangeleverd aflaten aanleveren en/of opgestuurd aflaten opsturen en/of getoond aflaten tonen, terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die document(en) vals of vervalst was/waren,
waardoor voornoemde (rechts)perso(o)n(en) en/of bank(en) en/of kredietverstrekker(s) (telkens) werd(en) bewogen tot het afgeven van bovenomschreven geldbedrag(en) en/of het verlenen van bovenomschreven dienst(en) en/of het aangaan van bovenomschreven schuld(en);
en/of
(ten aanzien van ZD-14)
hij in of omstreeks de periode van 13 september 2011 tot en met 14 september 2011 te Den Haag en/of Rotterdam en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een geldbedrag van 20.000 euro,
welk geldbedrag geheel of ten dele toebehoorde aan [persoon 2], in ieder geval aan (een) ander(en) dan aan hem/hen verdachte en/of zijn mededader(s),
en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten doordat die [persoon 2] voornoemd geldbedrag had overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 5], onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend (door voornoemd bedrag daags na de storting op de bankrekening van [bedrijf 5] contant van deze rekening op te nemen en/of door te storten naar een andere bankrekening in Nederland en/of door te storten naar een bankrekening in Jamaica);
4.
(ten aanzien van ZD-15)
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van l september 2011 tot en met 31 december 2011 te Bleiswijk en/of 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 2]. en/of(een) ander(en), althans alleen, als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon (te weten [bedrijf 2].) welke bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam op 27 december 2011 in staat van faillissement is
verklaard,
(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van [bedrijf 2]. opzettelijke goederen en/of gelden, te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 72.400 euro), althans enig geldbedrag, en/of ander(e) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemd(e) bedrag(en) en/of goed(eren)
niet verantwoord en/of gemeld aan de curator in deze/dit faillissement(en) en/of heeft/hebben hij/zij voornoemde bedragen ten eigen bate aangewend en/of gebruikt;
subsidiair, indien en voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
(ZD-15)
hij op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van l september 2011 tot en met 8 mei 2012 te Bleiswijk en/of 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 2] en/of (een) ander(en), althans alleen, als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon (te weten [bedrijf 2].) welke bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam op 27 december 2011 in staat van faillissement is verklaard,
- niet (volledig) heeft/hebben voldaan aan de op hem/hen rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10 eerste lid, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i eerste lid boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of
- de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, waarmee volgens de artikelen 10 boek twee en/of artikel 15i boek 3 administratie is gevoerd en die ingevolge die artikelen zijn bewaard, niet in ongeschonden staat tevoorschijn heeft/hebben gebracht, terwijl dit aan hem/hen, verdachte en/of zijn mededader(s), te wijten was
5.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van l januari 2009 tot en met 28 januari
2014 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (gewoonte) witwassen,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) van een of meer voorwerp(en),
bestaande uit een/meer (gro(o)t(e) geldbedrag(en), te weten
(ZD-01)
- een geldbedrag van 29.000,- euro, althans enig geldbedrag, en/of
(overig)
- een geldbedrag van (in totaal) 116.490,- euro (AH-46 en AH-91) en/of
- een contant geldbedrag van (in totaal) 53.741,- euro (aangetroffen bij de aanhouding van
verdachte), althans enig geldbedrag, en/of
meermalen/eenmaal de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de vindplaats verborgen en/of verhuld en/of
meermalen/eenmaal (telkens) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat die goed(eren) en/of geldbedrag(en) was/waren en/of
meermalen/eenmaal (telkens) een/meer van dat/die geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een van) die geldbedragen en/of goederen gebruik gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten
vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en/of dat
[bedrijf 7] en/of
[bedrijf 8] en/of
[bedrijf 9] en/of
[bedrijf 10] en/of
[bedrijf 11] en/of
[bedrijf 12] en/of
[bedrijf 13] en/of
[bedrijf 14] en/of
[bedrijf 15] en/of
[bedrijf 5] en/of [bedrijf 16] en/of
[bedrijf 17] en/of [bedrijf 18] en/of [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20] en/of
[bedrijf 21] en/of [bedrijf 22]
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2014 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (gewoonte)witwassen,
immers heeft/hebben zij,
en/of haar mededader(s) (telkens) van een of meer voorwerp(en),
bestaande uit een of meer (gro(o)t€ geldbedrag(en), te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 231.220,- euro en/of een geldbedrag van (in totaal) 535.945,- euro (contante stortingen op de bankrekeningen van verschillende ondernemingen, AH-171), althans enig geldbedrag en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 436.150,- (contante stortingen op de bankrekening(en) van [bedrijf 5] en/of [bedrijf 16], AH-145 en pagina 58-62 van ZD-18), althans een geldbedrag van (in totaal) 353.450,- euro (186.450,- + 167.000,- euro = 353.450,- euro,AH-145 en pagina 58-62 van ZD-18)), althans enig geldbedrag, en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 62.800,- euro (contante stortingen op de bankrekening(en) van [bedrijf 17] en/of [bedrijf 18] en/of [bedrijf 19] en/of [bedrijf 20]), althans enig geldbedrag,
meermalen/eenmaal de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of
meermalen/eenmaal (telkens) een/of meer van dat/die geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een van) die geldbedragen en/of goederen gebruik gemaakt,
terwijl zij, genoemde rechtsperso(o)n(en), en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middelijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafbra(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);
6.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2014 te ‘s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft (al dan niet als leidinggever) deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en/of een of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijf/misdrijven, namelijk het overtreden van
- artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (oplichting) en/of
- artikel 420ten/bis van het Wetboek van Strafrecht (gewoonte) witwassen).
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep voor zover dat ziet op de beslissingen tot (deel)vrijspraak en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4, 5 en 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewijsoverwegingen
Zaaksdossier 1
Zaaksdossier 1 heeft, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, betrekking op een kredietovereenkomst met [bedrijf 4](hierna: [bedrijf 4]) op naam van [persoon 1]. Onder feit 1 is het gebruik van (ver)vals(t)e stukken ten laste gelegd en onder feit 3 de oplichting van [bedrijf 4]. Onder feit 5 is het witwassen van het met die oplichting verkregen bedrag van € 29.000,- ten laste gelegd.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1, 3 en 5 tenlastegelegde voor zover dat ziet op zaaksdossier 1 dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de stukken vals of vervalst zijn en dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste stukken. In het verlengde daarvan ontbreekt eveneens het wettig en overtuigend bewijs voor de oplichting van [bedrijf 4]. Dit geldt ook voor het tenlastegeleg[getuige 2]wassen, nu niet kan worden vastgesteld dat het bedrag van enig misdrijf afkomstig was.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 23 februari 2009 is bij [bedrijf 23], een werkmaatschappij van (indertijd) [bedrijf 4] een kredietaanvraag gedaan op naam van [persoon 1] voor een bedrag van € 30.000,-. Na voorlopige goedkeuring van de aanvraag zijn in het kader van de definitieve verstrekking stukken op naam van [persoon 1] overgelegd.Daarbij gaat het onder andere om een salarisspecificatie over de maand februari 2009. Hierop staat [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) als werkgever vermeld en [persoon 1] als werknemer en een netto maandsalaris van € 2.473,84.Tevens is er een werkgeversverklaring van [bedrijf 3] d.d.
6 maart 2009 verstrekt waarop staat dat [persoon 1] bij [bedrijf 3] een vast dienstverband als accountmanager heeft sinds 1 januari 2009 en dat zijn bruto-jaarsalaris exclusief vakantietoeslag € 44.160,- bedraagt.Daarnaast is een bankafschrift verstrekt. Hierop staat een betaling op 23 februari 2009 van € 2.473,84 door [bedrijf 3] aan [persoon 1] op diens betaalrekening bij de [BANK] met nummer 6230607.De kredietovereenkomst is afgesloten tussen [persoon 1] en [bedrijf 24], (toentertijd) onderdeel van [bedrijf 25]
Op 16 maart 2009 heeft [bedrijf 25] een bedrag van
€ 29.999,- aan [persoon 1] overgemaakt. Op 17 maart 2009 is vanaf de rekening van [persoon 1] een bedrag van
€ 29.000,- overgemaakt naar [bedrijf 26].
[bedrijf 26] is een besloten vennootschap naar Belgisch recht en gevestigd te Antwerpen. De verdachte is sinds de oprichting van [bedrijf 26] zaakvoerder en was dat nog op 17 maart 2009.
Het krediet had in maandelijkse termijnen van € 299,99 door [persoon 1] moeten worden terugbetaald. Dit is niet gebeurd. [bedrijf 25] heeft telefonisch contact gehad met [persoon 1] en [persoon 1] heeft in dat gesprek gezegd dat hij sinds juli 2008 werkloos is. Namens [bedrijf 25] is op 11 januari 2010 aangifte gedaan van oplichting tegen [persoon 1].
Het hof stelt vast dat het krediet is verkregen met valse of vervalste stukken. Kopieën van de bankafschriften van [persoon 1] zitten bij de stukken. Uit die bankafschriften blijkt dat er op 23 februari 2009 geen bedrag is betaald door [bedrijf 3] aan [persoon 1]. Het bankafschrift dat is overgelegd om de kredietovereenkomst te verkrijgen is vals.
De werkgeversverklaring en de salarisstrook zijn eveneens vals. [bedrijf 3] is failliet verklaard op 25 augustus 2009. Namens de curator is aan [bedrijf 25] meegedeeld dat de werkgeversverklaring niet in de administratie van [bedrijf 3] is terug te vinden en dat de loonstrook niet overeenkomt met de administratie van [bedrijf 3].
[persoon 1] heeft in eerste instantie bij de politie verklaard dat hij nog nooit heeft gewerkt. Bij de raadsheer-commissaris heeft hij verklaard dat hij enkele maanden als chauffeur voor de verdachte heeft gewerkt, doch niet kan zeggen van wanneer tot wanneer dat is geweest en ook niet voor welk bedrijf. Hoewel de verklaring van [persoon 1] bij de raadsheer-commissaris niet uitsluit dat hij in februari 2009 voor [bedrijf 3] heeft gewerkt moet in het licht van de verklaring van de curator en zijn eerdere mededelingen aan [bedrijf 25] en de politie, worden geconcludeerd dat [persoon 1] niet in februari 2009 bij [bedrijf 3] werkte en dat de genoemde werkgeversverklaring, de salarisstrook en het bankafschrift vals zijn.
Het toezenden van een valse werkgeversverklaring, salarisstrook en bankafschrift bij de aanvraag van een kredietovereenkomst is een samenweefsel van verdichtsels die de kredietverstrekker bewegen tot afgifte van het krediet; dit is oplichting.
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte deze valse stukken heeft gebruikt en of hij degene is die [bedrijf 4] heeft opgelicht.
Het hof acht de twee verklaringen die [persoon 1] bij de politie heeft afgelegd op 2 juli 2013 en 9 oktober 2013 betrouwbaar. [persoon 1] is bij de raadsheer-commissaris nogmaals gehoord op 29 november 2017. Hij kan zich dan over dit onderwerp minder details herinneren en begint een aantal antwoorden met het woord ‘misschien’. Zijn verklaringen bij de politie daarentegen zijn gedetailleerd en logisch en vinden steun in de diverse administratieve gegevens uit het dossier.
[persoon 1] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte op zijn naam een lening heeft geregeld van
€ 30.000,-. Dit geld is op de rekening van [persoon 1] gestort. De verdachte heeft vooraf tegen [persoon 1] gezegd naar welke rekening het geld moest worden overgemaakt. [persoon 1] heeft verklaard dat de verdachte steeds met papieren kwam die [persoon 1] moest ondertekenen en dat hij nooit zelf formulieren aan de kredietverstrekker heeft verstuurd. De verdachte nam de papieren die [persoon 1] ondertekende steeds mee. [persoon 1] heeft de werkgeversverklaring van [bedrijf 3] nog nooit gezien en kent niet de salarisspecificatie van [bedrijf 3] over februari 2009; het ten behoeve van de aanvraag van de lening overgelegde bankafschrift kan niet van [persoon 1] zijn.
Uit de verklaring van [persoon 1] blijkt dat de verdachte de kredietovereenkomst bij [bedrijf 25] voor [persoon 1] geregeld heeft. De werkgeversverklaring, de salarisspecificatie en het bankafschrift zijn niet door [persoon 1] aan de verdachte gegeven nu [persoon 1] heeft verklaard deze stukken niet te kennen. Dit betekent dat de verdachte deze drie stukken bij iemand anders dan [persoon 1] heeft betrokken, of zelf heeft gemaakt.
Deze stukken zijn vervolgens bij de kredietverstrekker ingeleverd als waren ze echt en onvervalst. Nu de verdachte degene is die het krediet voor [persoon 1] heeft geregeld volgt daaruit dat de verdachte deze stukken naar [bedrijf 25] heeft verstuurd of laten sturen. Verdachte heeft aldus, gebruik makend van valse stukken op naam van [persoon 1], [bedrijf 25] opgelicht.
Nu [bedrijf 25] een volle dochter van [bedrijf 4] was staat daarmee de oplichting van [bedrijf 4] vast.
Het door [persoon 1] op zijn bankrekening ontvangen bedrag van € 29.999,- was derhalve de opbrengst van de door de verdachte gepleegde oplichting. Door [persoon 1] hiervan € 29.000,- te laten overboeken naar de rekening van de Belgische rechtspersoon [bedrijf 26] heeft de verdachte deze opbrengst onder zijn beschikkingsmacht gebracht en is tevens sprake van omzetting of verplaatsing van het bedrag met als doel de herkomst en de uiteindelijke bestemming daarvan te verhullen. Immers, zodra [bedrijf 26] het bedrag op haar bankrekening ontving bleek daarvan niet meer de herkomst, namelijk [bedrijf 25], en waren zowel die bank als [persoon 1] het zicht op (de uiteindelijke bestemming van) het geldbedrag kwijt. Derhalve is hier sprake van een verhullingshandeling. Gelet hierop zal het hof bij feit 5 het witwassen van een bedrag van € 29.000,- bewezen verklaren.
Zaaksdossier 14 [getuige 1]
Onder feit 3 tweede cumulatief/alternatief is verduistering van een gelbedrag van € 20.000,- toebehorende aan [persoon 2] ten laste gelegd. Dit is zaaksdossier 14.
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hiertoe is – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verklaringen van getuige [getuige 1] bij de politie en de rechter-commissaris onvoldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen worden gebezigd.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
[persoon 2] heeft met [bedrijf 27] (hierna: [bedrijf 27]) een overeenkomst Doorlopend Geldkrediet gesloten op grond waarvan [getuige 1] een bedrag van € 22.000,- heeft geleend. Op 12 september 2011 heeft [getuige 1] op zijn bankrekening een bedrag van
€ 22.000,- van [bedrijf 27] ontvangen. Op 13 september 2011 heeft [getuige 1] een bedrag van € 20.000,- overgemaakt naar een bankrekeningnummer op naam van [bedrijf 5] met de omschrijving “Lening tbv [bedrijf 28] zoals overeengekomen”. Uit de bancaire gegevens van [bedrijf 5] blijkt dat, na ontvangst van die
€ 20.000,-, er op 14 september 2011 onder meer een drietal overboekingen is gedaan, namelijk een overboeking van € 5.500,- naar een buitenlandse rekening op naam van [bedrijf 29], een overboeking van
€ 4.500,- naar een buitenlandse rekening op naam van [bedrijf 30] en een overboeking van
€ 9.300,- naar [medeverdachte 1], hierna: [medeverdachte 1].
[getuige 1] heeft verklaard dat hij in september 2011 een nieuwe uitdaging wilde. Hij kende de verdachte vanuit het restaurant waar hij op dat moment werkte. [verdachte] kwam op het idee om samen auto’s te gaan verleasen. [getuige 1] zou daartoe een besloten vennootschap op zijn naam krijgen. [getuige 1] heeft het bedrijf [bedrijf 28] overgenomen van [medeverdachte 2], hierna: [medeverdachte 2], medeverdachte in dit onderzoek, voor één euro, hetgeen [medeverdachte 2] in zijn verhoor bij de politie heeft bevestigd. Van de kant van [getuige 1] moest er een bedrijfsinvestering van € 20.000,- komen, waartoe [getuige 1] voornoemde geldlening heeft afgesloten. Toen het geld op zijn bankrekening stond, heeft hij het direct doorgestuurd naar de bankrekening van [bedrijf 31], omdat [bedrijf 28] nog geen eigen bankrekening had. [getuige 1] had met de verdachte afgesproken dat het bedrag van € 20.000,- op de bankrekening van [bedrijf 28] zou komen. De verdachte had voorts beloofd dat hij iedere maand een bedrag van € 330,- zou terugbetalen, omdat [getuige 1] dit bedrag iedere maand moest betalen aan [bedrijf 32], een tussenpersoon die de lening voor elkaar heeft gekregen, aldus [getuige 1]. [getuige 1] heeft uitsluitend drie maal een bedrag van
€ 330,- contant van de verdachte ontvangen.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat het best zou kunnen dat hij tegen [getuige 1] heeft gezegd dat hij het geld moest overmaken naar de bankrekening van [bedrijf 5] [medeverdachte 2] maakte namelijk aanspraak op dat geld, omdat [getuige 1] [bedrijf 28] van [medeverdachte 2] had overgenomen. Daarom heeft de verdachte, in samenspraak met [medeverdachte 2], het geld naar twee bedrijven van [medeverdachte 2] overgeboekt.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat [getuige 1] op verzoek van de verdachte en in afwachting van het openen van een eigen bankrekening door [bedrijf 28] geld gestort heeft op de rekening van [bedrijf 5], en dat het geld uiteindelijk niet op de rekening van [bedrijf 28] terecht is gekomen, maar direct na de overboeking is doorgestort naar andere rekeningen. De verdachte heeft nog verklaard dat het geld dat binnenkwam gebruikt kan zijn voor iets anders en dat er veel met bedragen werd geschoven.
Het hof acht de verklaring van [getuige 1] voldoende betrouwbaar, nu deze op relevante onderdelen wordt ondersteund door andere omstandigheden, zoals de geldleningsovereenkomst, de bancaire gegevens, de verklaring van [medeverdachte 2] en de door de verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep.
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat [getuige 1] met de verdachte was overeengekomen dat hij, [getuige 1], het bedrag van € 20.000,- zou overboeken naar de bankrekening van [bedrijf 5] en dat de verdachte ervoor zou zorgdragen dat dit bedrag naar de bankrekening van [bedrijf 28] zou worden overgemaakt, zodra die bankrekening was geopend. De verdachte heeft het geld - in strijd met deze afspraak – naar verscheidene andere rekeningen overgeboekt. [getuige 1] heeft het bedrag niet terug ontvangen.
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte de beschikking over de bankrekening van [bedrijf 5] had en macht had geld over te boeken of te laten boeken vanaf die bankrekening. Zoals het hof hierna bij feit 6 overweegt is [bedrijf 5] één van de rechtspersonen waarmee de verdachte een criminele organisatie vormde en waarvan hij feitelijk bestuurder was en het beheer over de rekening voerde. Door het geld – in strijd met de gemaakte afspraak – niet te bewaren, maar door te storten, heeft de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over het geld dat aan [getuige 1] toebehoorde beschikt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog verklaard dat hij het geld later aan [getuige 1] heeft teruggegeven. Het hof is van oordeel dat dit, wat daar verder ook van zij, aan het voorgaande niet afdoet, omdat door het in strijd met de gemaakte afspraak overboeken van de gelden reeds sprake was van een voltooide verduistering.
Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering.
Zaaksdossier 15 [bedrijf 2]
Onder feit 4 is faillissementsfraude in de besloten vennootschap [bedrijf 2]. ten laste gelegd.
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
De aandelen [bedrijf 2]. zijn in september 2011 door [bedrijf 33] aan [bedrijf 6] verkocht en geleverd. [bedrijf 6] is per 28 september 2011 als bestuurder ingeschreven in het handelsregister. Op 27 december 2011 is [bedrijf 2]. failliet verklaard. In deze gehele periode was [medeverdachte 1] bestuurder van [bedrijf 6]
[bedrijf 2]. voerde een bedrijf in het leggen van parketvloeren. Het had twee werknemers in dienst, namelijk [werknemer 1] en [werknemer 2]. Beiden hebben na de overname geen loon meer ontvangen. Op het moment van de overname bedroeg het totale banksaldo van [bedrijf 2]. € 2.140,42 credit. Tussen 28 september 2011 en 27 december 2011 heeft [bedrijf 2]. op haar bankrekeningen een bedrag van € 79.684,08 ontvangen van diverse (rechts)personen.
Blijkens de omschrijvingen bij die overboekingen betreft het hoofdzakelijk betaling van facturen. Van deze betalingen zijn er twee afkomstig van [bedrijf 6], namelijk € 1.000,- op 7 oktober 2011 en € 90,- op 16 november 2011.
In deze periode is een totaal van € 81.832,91 afgeboekt van de bankrekeningen van [bedrijf 2]. Van dit bedrag is € 67.900,- overgemaakt naar [bedrijf 6] [bedrijf 6] heeft kort daarop € 1,090,- aan [bedrijf 2]. terugbetaald, zodat het netto bedrag dat aan [bedrijf 6] is betaald € 66.810,- bedraagt. Dit is 83,5% van het bedrag dat in deze periode binnenkwam op de rekeningen van [bedrijf 2].
Het saldo op de gezamenlijke bankrekeningen van [bedrijf 2]. bedroeg op de datum faillissement € 8,41 debet.
Bij een deel ad € 60.800,- van de overboekingen aan [bedrijf 6] is vermeld ‘(afstorten) rekening courant’, of een afkorting daarvan. Bij een deel ad € 7.100,- is vermeld ‘management fee’.
De curator in het faillissement heeft aangifte gedaan van faillissementsfraude.
De verdachte heeft verklaard dat hij heeft besloten tot aankoop van de aandelen in [bedrijf 2]. in overleg met [persoon 3], die namens [bedrijf 33] optrad en dat hij de afspraken met [persoon 3] heeft gemaakt. Over het bestuur heeft de verdachte verklaard dat het de bedoeling was dat hij samen met [medeverdachte 1] [bedrijf 2]. zou gaan doen. Zij was bestuurder omdat de verdachte zelf geen bankrekening kon openen. Het ondernemerschap van [medeverdachte 1] is niet uit de verf gekomen. De verdachte heeft in [bedrijf 2]. zelf wel eens opdracht tot betaling gegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte nader verklaard dat hij [medeverdachte 1] adviseerde en dat ze vaak samen de beslissingen namen, dat hij zelf niet alle beslissingen heeft genomen, maar sommige wel.
Deze verklaring van de verdachte moet worden beschouwd in het licht van de verklaringen die door de getuigen [persoon 3], [werknemer 1] en [werknemer 2] zijn afgelegd. [persoon 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] bij hem is geïntroduceerd als personal assistant van [verdachte], dat zij slechts bij één bespreking aanwezig is geweest en zich nergens mee bemoeide tijdens de bespreking. [werknemer 2], die als vloerenlegger in [bedrijf 2]. werkte, verklaart dat [medeverdachte 1] geen belangstelling had voor de zaak of de klanten.
[werknemer 1] heeft verklaard dat[verdachte], de verdachte, aan haar is voorgesteld als degene die de zaak overnam. De verdachte heeft tegen [werknemer 1] gezegd dat [medeverdachte 1] alleen op papier eigenaar was en dat hij, verdachte, het zou doen.
De curator in het faillissement van [bedrijf 2]. heeft in januari 2012 een eerste gesprek gevoerd met medeverdachte [medeverdachte 1] als middellijk bestuurder van [bedrijf 2]. Zij werd vergezeld van iemand die zich voorstelde als [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte]). Tijdens de bespreking werd het woord gevoerd door de verdachte, ook als de curator vragen stelde aan de medeverdachte en bij een latere bespreking was alleen de verdachte aanwezig.
Uit deze verklaringen concludeert het hof dat, hoewel de medeverdachte formeel middellijk bestuurder was, de verdachte feitelijk de gang van zaken in [bedrijf 2]. bepaalde en daarmee feitelijk leidinggevende en bestuurder was. Daaruit volgt ook dat hij macht had geld over te boeken of te laten boeken vanaf de bankrekeningen van [bedrijf 2].
Er zijn wisselende verklaringen gegeven over de redenen van de overboekingen aan [bedrijf 6] [medeverdachte 1] heeft in haar verhoor bij de rechter-commissaris in het faillissement van [bedrijf 2]. verklaard dat zij vóór de overname van de aandelen een lening aan [bedrijf 2]. heeft verstrekt welke zij op deze manier heeft laten terugbetalen. De verdachte heeft verschillende verklaringen hierover afgelegd. In eerste aanleg heeft hij verklaard dat [bedrijf 6] geïnvesteerd geld uit [bedrijf 2]. terughaalde en dat het geld aan [bedrijf 6] werd overgemaakt om een buffer voor [persoon 3] te creëren. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het geld door [bedrijf 2]. aan [bedrijf 6] is betaald omdat [bedrijf 6] in het kader van de overdracht van de aandelen een andere schuld van [persoon 3] had voldaan. Deze verklaringen zijn niet onderbouwd en overigens alle onderling tegenstrijdig
Daarom concludeert het hof dat de betalingen van [bedrijf 2]. aan [bedrijf 6] in de periode tussen 28 september 2011 en 27 december 2011 onverschuldigd hebben plaatsgevonden. [bedrijf 6] heeft € 1.090,- aan [bedrijf 2]. voldaan. De onttrekking wordt gesteld op € 66.810,-.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de onttrekking heeft plaatsgevonden ter bedrieglijke korting van de rechten van schuldeisers. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat hieronder moet worden verstaan het handelen met het opzet op de verkorting van de rechten van schuldeisers. Hieronder wordt ook voorwaardelijk opzet begrepen1..
De onttrekkingen hebben plaatsgevonden in de drie maanden tussen het moment van overname van de aandelen op 28 september 2011 en het faillissement op 27 december 2011. De verdachte heeft verklaard dat er op de eerste dag na de overname mensen langs het kantoor van [bedrijf 2]. kwamen vanwege een niet geleverde vloer. Uit de verklaringen van [werknemer 1] en [werknemer 2] volgt dat zij vanaf het moment van overname geen salaris meer betaald kregen. De verdachte als feitelijk leidinggevende en als feitelijk bestuurder wist derhalve dat er schulden waren en dat er ook nog nieuwe schulden ontstonden in [bedrijf 2], waaronder schulden aan werknemers.
Door in deze omstandigheden, in aanmerking nemend het bedrag dat via de bankrekeningen binnenkwam, € 66.810,- uit [bedrijf 2] te onttrekken heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de rechten van schuldeisers werden verkort. Hij had derhalve voorwaardelijk opzet op de verkorting van de rechten van schuldeisers.
Witwassen
Zaaksdossier 18
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal de tenlastelegging van feit 5 gewijzigd in die zin dat daaraan is toegevoegd het verwijt dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan (gewoonte)witwassen, gepleegd door een of meerdere rechtspersonen. Hierna heeft de advocaat-generaal het hoger beroep van het OM echter ingetrokken.
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het als feitelijk leidinggever plegen van (gewoonte)witwassen.
In hoger beroep resteert ter beoordeling het (gewoonte)witwassen van drie geldbedragen, te weten
€ 29.000,-, € 106.590,- en € 47.100,-, waarvan het bedrag van € 29.000,- reeds is besproken bij het feitencomplex van zaaksdossier 1.
Geldbedrag van € 29.000,-
Zoals het hof in de bewijsoverweging met betrekking tot zaaksdossier 1 heeft besproken, heeft de verdachte [persoon 1] bewogen het bedrag van € 29.000,- direct na ontvangst over te maken naar [bedrijf 26], waarvan de verdachte zaakvoerder was. Door het bedrag op deze wijze te verplaatsen/om te zetten, onder zijn macht te brengen en het zicht op (de herkomst van) het bedrag aldus te onttrekken is sprake van een verhullingshandeling en werd (de herkomst van) het bedrag aan het zicht van zowel [persoon 1] als de bank onttrokken.
Het hof is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte dit bedrag heeft witgewassen.
Het bedrag van € 106.590,-
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het witwassen van € 106.590,- dient te worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat dit bedrag afkomstig is uit enig misdrijf.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Dit bedrag betreft het totaal van 74 contante stortingen die in de periode van 28 januari 2009 tot en met 27 maart 2013 met gebruikmaking van dezelfde pas hebben plaatsgevonden op de rekening van [partner verdachte], de partner van de verdachte. In deze periode beschikte de verdachte niet over een bankrekening. Hij voerde wel een gezamenlijke huishouding met [partner verdachte]. De stortingen kunnen niet worden verklaard uit door [partner verdachte] of door de verdachte in die periode verkregen legale inkomsten. Op grond van het vorenstaande acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij maandelijks een contant bedrag aan [partner verdachte] gaf om het huishouden te doen en dat [partner verdachte] deze contanten op de rekening stortte. Deze contanten betrof geld dat de verdachte overhield aan de verkoop van kunst, horloges en (verbouwingen van) vastgoed.
Het hof stelt vast dat de verdachte geen enkele onderbouwing voor zijn verklaring over de herkomst van deze contanten heeft gegeven. Getuige [getuige 2] heeft bij de raadsheer-commissaris weliswaar verklaard dat hij een contant bedrag van € 125.000,- aan de verdachte heeft gegeven, maar dat hij van die investering nooit iets heeft terug gezien en dat deze belegging kennelijk fout is gegaan. Niet valt daarom in te zien dat de verdachte aan deze investering een legale opbrengst heeft overgehouden welke hij vervolgens aan [partner verdachte] heeft gegeven.
Datzelfde geldt voor de investering waarover getuige [getuige 3] heeft verklaard. Volgens [getuige 3] is van dat geïnvesteerde geld nooit iets teruggekomen en heeft het geen rendement opgeleverd. De verdachte heeft bovendien niet aangegeven waarin hij het geld van [getuige 2] en van [getuige 3] concreet zou hebben geïnvesteerd.
Het hof acht voorts de versie van de verdachte dat het geld (mede) afkomstig zou zijn van Griekse investeerders ongeloofwaardig, zoals hierna bij feit 6 wordt besproken. Bovendien stelt het hof vast dat de administraties van de betrokken bedrijven – waarvan de verdachte als feitelijk bestuurder optrad en die – aldus zijn verklaring – als investeringsvehikel zouden hebben gefungeerd voor de door genoemde investeerders aan hem ter hand gestelde bedragen, daarvoor geen enkel aanknopingspunt bevatten.
Het hof is van oordeel dat de verdachte voor de legale herkomst van deze bedragen geen concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven. Het hof is derhalve van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf.
Gelet op het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze bedragen heeft witgewassen.
Het bedrag van € 47.100,-
De raadsman van de verdachte heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van het dit bedrag gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.
Dit bedrag betreft de som van twee contante geldbedragen die tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 1] in Rotterdam op 28 januari 2014 werden aangetroffen in twee enveloppen in een aktentas die in de kleine slaapkamer lag. Op grond van de omvang van de contante bedragen en gelet op het ontbreken van (voldoende) legale inkomsten acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat dit geld van hem is en deels afkomstig is van de al genoemde investeringen van getuige [getuige 2] en deels afkomstig is van een lening die de verdachte met zijn elektricien heeft afgesloten.
Het hof is van oordeel dat de verdachte hiermee geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld heeft gegeven en acht deze verklaring ongeloofwaardig. Dat de verdachte over de herkomst van deze bedragen wisselend heeft verklaard, nu hij eerder heeft ontkend dat de bedragen hem toebehoorden, bevestigt de ongeloofwaardigheid van de verklaring.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze bedragen heeft witgewassen.
Gewoontewitwassen
Het hof stelt vast dat in de periode 28 januari 2009 (de eerste contante storting op de rekening van [partner verdachte]) en 28 januari 2014 (de aanhouding van verdachte) sprake is geweest van 77 witwashandelingen. Gelet op deze frequentie en de daaruit voortvloeiende stelselmatigheid acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.
Criminele organisatie
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte blijkens het standpunt van het openbaar ministerie in de periode van
1 januari 2009 tot en met 31 maart 2011 in zijn eentje een criminele organisatie heeft gevormd, hetgeen onmogelijk is.
Het hof stelt voorop dat onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen tenminste twee personen. Om als criminele organisatie aangemerkt te worden dient de organisatie het oogmerk tot het plegen van misdrijven te hebben. Bij het in deze bepaling omschreven misdrijf gaat het niet om het gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk daartoe.
Voor het bewijs van dit oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijk doel van de organisatie, en meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502).
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij bij een aantal ondernemingen betrokken is geweest en samen met anderen die ondernemingen bestuurde. Hij heeft daarbij verklaard dat de medeverdachte [medeverdachte 1] in een aantal gevallen als formeel bestuurder was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel maar dat hij haar beschouwde als zijn stagiaire en protegé die het vak van ondernemen nog moest leren. Hij heeft daarnaast verklaard dat het klopt dat op de rekeningen van die bedrijven in de bewezenverklaarde periode contante stortingen zijn verricht tot een totaal van ca. € 890.000,-, stortingen waarover de verdachte tevens heeft verklaard dat die in verband staan met door hem verrichte zakelijke transacties, hetgeen impliceert dat hij niet alleen zeggenschap had over de bankrekeningen van de betreffende bedrijven maar ook dat hij wist dat de bedragen daarop gestort werden. Hij heeft voorts verklaard dat het klopt dat bedragen werden doorgestort naar rekeningen van andere aan de verdachte gelieerde ondernemingen en dat op die manier met geld werd geschoven. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de verdachte als feitelijk bestuurder van de betreffende ondernemingen kan worden beschouwd.
Het hof kent daarnaast gewicht toe aan de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] die met betrekking tot respectievelijk [bedrijf 17] en [bedrijf 31] hebben verklaard dat zij wel als formeel bestuurder stonden ingeschreven maar dat de feitelijke leiding in handen was van de verdachte, Hieruit leidt het hof voorts af dat hij het beheer over de rekeningen van die ondernemingen voerde. Dat blijkt ten aanzien van [bedrijf 17] nog te meer uit het gegeven dat de verdachte een aantal contante stortingen op de rekening van die onderneming heeft gedaan, zelfs nadat de onderneming haar activiteiten had gestaakt. Ook ten aanzien van voornoemde ondernemingen is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte als feitelijk leidinggever en bestuurder kan worden beschouwd.
Het hof stelt voorts vast dat – zoals ook door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard – uit de administraties van de verschillende ondernemingen niet kan worden afgeleid op grond van welke zakelijke verplichtingen de vele contante stortingen en betalingen zouden zijn verricht en dat de legale activiteiten van de ondernemingen dergelijke geldstromen niet kunnen verklaren. Gelet daarop is het vermoeden gerechtvaardigd dat die bedragen afkomstig zijn van enig misdrijf.
Dan is het aan de verdachte om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring af te leggen over de herkomst van de gelden. Bij gelegenheid van een verhoor als getuige in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] – ter terechtzitting in hoger beroep aan het dossier van de strafzaak tegen de verdachte toegevoegd – heeft de verdachte de namen genoemd van een viertal investeerders die de betreffende geldbedragen contant aan hem zouden hebben gegeven om daarmee te investeren. Het zou daarbij onder meer gaan om vastgoed, horloges en kunst. Die vier personen zijn vervolgens bij de raadsheer-commissaris als getuige gehoord. De twee Griekse getuigen, [getuige 6] en [getuige 7], die door de verdachte als vermogende horecatycoons waren getypeerd, hebben verklaard dat zij een enkele horecaonderneming in Griekenland bezitten en dat zij slechts bescheiden bedragen hebben geïnvesteerd die zij tot dan toe ook niet hebben teruggekregen. De stelling van verdachte dat zij veel meer hebben geïnvesteerd maar daarover hebben gezwegen omdat bij hun verhoor ook een Griekse officier van justitie aanwezig was en zij vreesden voor fiscale gevolgen van hun verklaringen, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij eenmalig een bedrag van € 125.000,- zou hebben geïnvesteerd bij de verdachte maar dat – zoals ook de verdachte heeft erkend – dit op geen enkele wijze is terug te vinden in de administratie van de bedrijven en evenmin valt te relateren aan de contante stortingen op de diverse rekeningen. Zulks geldt ook voor de verklaring van de getuige [getuige 3]. Hij heeft verklaard dat hij in 10 of 11 porties een bedrag van € 30.000,- contant zou hebben gegeven aan de verdachte en dat na het verdampen van die investering – hetgeen ook door de verdachte is verklaard – hij een pentekening van [persoon 4] heeft gekregen. Ook ten aanzien van deze verklaring stelt het hof vast dat de betreffende bedragen niet zijn terug te vinden in de administratie van de bedrijven en dat zij ook niet zijn te herleiden tot contante stortingen op de rekeningen.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte er met zijn verklaring niet in is geslaagd het vermoeden dat de contante stortingen van misdrijf afkomstig geld betreffen te weerleggen en dat vaststaat dat door die stortingen de herkomst van die gelden is verhuld. Het hof stelt voorts vast dat dit gedurende een langere periode stelselmatig is gebeurd, waarbij tevens belang toekomt aan het gegeven dat steeds relatief kleine bedragen zijn gestort, kennelijk met het oog op het vermijden van meldingen van verdachte transacties door de betrokken financiële instellingen.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte met behulp van medeverdachte [medeverdachte 1] de aan hem gelieerde bedrijven heeft gebruikt om daarmee grote bedragen wit te wassen. De verdachte fungeerde als spin in het web die telkens bepaalde wat er moest gebeuren, steeds volgens een vergelijkbaar patroon: een ander werd aangesteld als formeel bestuurder van de rechtspersoon en direct daarna worden de rekeningen van die rechtspersonen gebruikt om contante stortingen te verrichten en bedragen over te boeken zonder dat de redenen daarvoor zijn terug te vinden in de administratie.
Gelet op de duur van deze activiteiten, het stelselmatige karakter ervan en het daarmee duurzame samenwerkingsverband tussen de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en de aan hen gelieerde bedrijven, is het hof dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als leider heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die het plegen van gewoontewitwassen tot oogmerk had.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede cumulatief/alternatief,
3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4, 5 eerste cumulatief/alternatief en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van l januari 2009 tot en met 28 januari 2014, te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of Delft en/of Noordwijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat/die geschrift(en) echt en onvervalst, te weten
(ZD-01)
- Een werkgeversverklaring d.d. 6 maart 2009 van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] (D/139) en/of
- Een salarisspecificatie van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] en betreffende de periode februari 2009 (D/140) en/of
- Een bankafschrift van [bedrijf 1] d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening 6230607 en op naam van [persoon 1] (D/141) en/of
bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat
(ZD-01)
- op/in voornoemde salarisspecificatie van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] vermeld stond dat [persoon 1] in dienst was per l januari 2009 en/of een fulltime salaris ontving van 3.680 euro (per maand) en/of in de maand februari een bedrag van 2.473,84 op de bankrekening 6230607 betaald had gekregen, terwijl die [persoon 1] niet (langer) werkzaam was bij [bedrijf 3] en/of daarvan (nimmer) salaris had ontvangen, en/of
- op/in voornoemde werkgeversverklaring d.d. 6 maart 2009 van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] vermeld stond dat [persoon 1] per l januari 2009 in dienst was in de functie van accountmanager en/of een arbeidsovereenkomst had voor onbepaalde tijd en/of een bruto jaarsalaris ontving van 44.160 euro, terwijl die [persoon 1] niet (langer) werkzaam was bij [bedrijf 3] en/of daarvan (nimmer) salaris had ontvangen, en/of
- op/in voornoemde bankafschrift van [bedrijf 1] d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening 6230607 en op naam van [persoon 1] vermeld stond dat op 23 februari 2009 een bedrag groot € 2.473,84 aan salaris gestort was door [bedrijf 3] terwijl die [persoon 1] geen salaris van voornoemd bedrijf had ontvangen en/of dat de streepjescode op de bankafschrift hoorde bij de postcode 2496 SM (AH/99),
bestaande dat gebruikmaken hieruit dat hij, verdachte, en/of(een van) zijn mededader(s)
(ZD-01)
- voornoemde salarisspecificatie van [bedrijf 3] en/of voornoemde werkgeversverklaring van [bedrijf 3] en/of voornoemde bankafschrift van [bedrijf 1] bij [bedrijf 4] had(den) aangeleverd en/of laten aanleveren en/of
had(den) opgestuurd en/of laten opsturen en/of had(den) getoond en/of laten tonen, teneinde een krediet te verkrijgen.
3.
hij op een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van l januari 2009 tot en met 28 januari 2014 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer bank(en) en/of (rechts)perso(o)n(en), te weten:
- [ bedrijf 4]
(telkens) (op valse gronden) heeft bewogen tot de afgifte van (een) goed(eren) en/of het verlenen van (een) dienst(en) en/of het aangaan van een schuld, te weten
(ZD-1)
- een krediet van 29.999,- euro, althans 29.000 euro, van [bedrijf 4] en/of van [persoon 1], althans enig geldbedrag, en/of
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), toen en daar (telkens) met vorenomschreven oogmerk — zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd
met de waarheid (telkens)
l) een of meer vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), te weten
(ten aanzien van ZD-01)
- Een werkgeversverklaring d.d. 6 maart 2009 van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] ZD/139) en/of
- Een salarisspecificatie van [bedrijf 3] op naam van [persoon 1] en betreffende de periode februari 2009 (D/140) en/of
- Een bankafschrift van [bedrijf 1] d.d. 9 maart 2009 betreffende de bankrekening 623.0607 en op naam van [persoon 1] (D/141)
aan voornoemde (rechts)perso(o)n(en) aangeleverd of laten aanleveren en/of opgestuurd aflaten opsturen en/of getoond aflaten tonen,
terwijl hij, verdachte, en of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat dat/die document(en) vals of vervalst was/waren,
waardoor voornoemde (rechts)perso(o)n(en) en/of bank(en) en/of kredietverstrekker(s) (telkens) werd(en) bewogen tot het afgeven van bovenomschreven geldbedrag(en) en/of het verlenen van bovenomschreven dienst(en) en/of het aangaan van bovenomschreven schuld(en);
en/of
(ten aanzien van ZD-14)
hij in of omstreeks de periode van 13 september 2011 tot en met 14 september 2011 te Den Haag en/of Rotterdam en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen,
meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een geldbedrag van 20.000 euro,
welk geldbedrag geheel of ten dele toebehoorde aan [persoon 2], in ieder geval aan (een) ander(en) dan aan hem/hen verdachte en/of zijn mededader(s),
en welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten
doordat die [persoon 2] voornoemd geldbedrag had overgemaakt op de bankrekening van [bedrijf 5], onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend (door voornoemd bedrag daags na de storting op de bankrekening van [bedrijf 5] contant van deze rekening op te nemen en/of door te storten naar een andere bankrekening in Nederland en/of
door te storten naar een bankrekening in Jamaica);
4.
(ZD-15)
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september 2011 tot en met 27 december 2011 te Bleiswijk en/of 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 2]. en/of(een) ander(en), althans alleen, als (feitelijk) bestuurder van een rechtspersoon (te weten [bedrijf 2].) welke bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam op 27 december 2011 in staat van faillissement is
verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van [bedrijf 2]. opzettelijke goederen en/of gelden, te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 66.810 euro), althans enig geldbedrag, en/of ander(e) goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemd(e) bedrag(en) en/of goed(eren)
niet verantwoord en/of gemeld aan de curator in deze/dit faillissement(en) en/of heeft/hebben hij/zij voornoemde bedragen ten eigen bate aangewend en/of gebruikt;
5.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van l januari 2009 tot en met 28 januari
2014 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (gewoonte)witwassen,
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) van een of meer voorwerp(en),
bestaande uit een/meer (gro(o)t(e) geldbedrag(en), te weten
(ZD-01)
- een geldbedrag van 29.000,- euro, althans enig geldbedrag, en/of
(overig)
- een geldbedrag van (in totaal) 106.590,- euro (AH-46 en AH-91) en/of
- een contant geldbedrag van (in totaal) 47.100,- euro (aangetroffen bij de aanhouding van verdachte), althans enig geldbedrag, en/of
meermalen/eenmaal de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de vindplaats verborgen en/of verhuld en/of
meermalen/eenmaal (telkens) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat die goed(eren) en/of geldbedrag(en) was/waren en/of
meermalen/eenmaal (telkens) een/meer van dat/die geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een van) die geldbedragen en/of goederen gebruik gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten
vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
en/of dat
[bedrijf 7] en/of
[bedrijf 8] en/of
[bedrijf 9] en/of
[bedrijf 10] en/of
[bedrijf 11] en/of
[bedrijf 12] en/of
[bedrijf 13]en/of
[bedrijf 14] en/of
[bedrijf 15] en/of
[bedrijf 5] en/of [bedrijf 16] en/of
[bedrijf 17] en/of [bedrijf 18] en/of [bedrijf 19] 2 en/of [bedrijf 20] en/of
[bedrijf 21] en/of [bedrijf 22]
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 28 januari 2014 te ’s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van (gewoonte)witwassen,
immers heeft/hebben zij,
en/of haar mededader(s) (telkens) van een of meer voorwerp(en),
bestaande uit een of meer (gro(o)t€ geldbedrag(en), te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 231.220,- euro en/of een geldbedrag van (in totaal) 535.945,- euro (contante stortingen op de bankrekeningen van verschillende ondernemingen, AH-171), althans enig geldbedrag en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 436.150,- (contante stortingen op de bankrekening(en) van [bedrijf 5] en/of [bedrijf 16], AH-145 en pagina 58-62 van ZD-18), althans een geldbedrag van (in totaal) 353.450,- euro (186.450,- + 167.000,- euro = 353.450,- euro,AH-145 en pagina 58-62 van ZD-18)), althans enig geldbedrag, en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 62.800,- euro (contante stortingen op de bankrekening(en) van [bedrijf 17] en/of [bedrijf 18] en/of [bedrijf 19] 2 en/of [bedrijf 20]), althans enig geldbedrag,
meermalen/eenmaal de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of
meermalen/eenmaal (telkens) een/of meer van dat/die geldbedrag(en) en/of goed(eren) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een van) die geldbedragen en/of goederen gebruik gemaakt,
terwijl zij, genoemde rechtsperso(o)n(en), en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middelijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,
zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, tot bovenomschreven strafbra(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en);
6.
hij in of omstreeks de periode van 11 april 2011 tot en met 16 december 2013 te ‘s-Gravenhage en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (al dan niet als leidinggever) heeft deelgenomen aan een organisatie, welke bestond uit een samenwerkingsverband van hem, verdachte, en/of een of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijf/misdrijven, namelijk het overtreden van
- artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (oplichting) en/of
- artikel 420ten/bis van het Wetboek van Strafrecht (gewoonte) witwassen).
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Het onder 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde levert op:
oplichting en verduistering.
Het onder 4 primair bewezenverklaarde levert op:
als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon goederen aan de boedel onttrekken.
Het onder 5 eerste cumulatief/alternatief bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Het onder 6 bewezenverklaarde levert op:
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift, oplichting en verduistering, bedrieglijke bankbreuk, gewoontewitwassen en het als leider deelnemen aan een criminele organisatie. Uit de bewezenverklaring en hetgeen daarover is overwogen volgt dat de verdachte vele (manipulatieve) middelen heeft ingezet met als uitsluitend doel gelden van anderen te eigen bate aan te wenden en zonder ook maar enig oog te hebben voor de financiële problemen die hij daarmee bij die anderen veroorzaakte. [persoon 1] is als gevolg van de op frauduleuze wijze verkregen geldlening op zijn naam met een grote schuld blijven zitten, terwijl het met die lening gemoeide geld via een buitenlandse rechtspersoon waarbij de verdachte betrokken was, in elk geval mede aan de verdachte ten goede is gekomen.
Hetzelfde geldt voor de geldlening die door [getuige 1] is afgesloten in de waan dat hij, [getuige 1], daarmee investeerde in een bedrijf dat hij samen met de verdachte zou gaan opzetten. Ook [persoon 2] is met een schuld achtergebleven terwijl het geld dat hij had geleend bij de verdachte terecht is gekomen.
De verdachte heeft ten slotte een bedrijf dat hij had aangekocht feitelijk leeggehaald waardoor het bedrijf failliet is gegaan. De verdachte heeft hiermee de schuldeisers benadeeld.
De omvang van het witwassen blijkt met name uit hetgeen is overwogen en bewezenverklaard met betrekking tot de criminele organisatie die gericht was op het plegen van gewoontewitwassen. Vele rechtspersonen hebben zich gedurende enige jaren systematisch bezig gehouden met het witwassen van bedragen tot een totaal van ten minste
€ 890.000,-. Dit bedrag is in contanten via de verschillende, aan de verdachte gelieerde, rechtspersonen gelopen. De verdachte heeft bij dit alles een leidende rol vervuld en fungeerde als spin in het web. Hij heeft, via diverse katvangers, de rechtspersonen bestuurd en gaf aldus leiding aan de criminele organisatie en daarmee aan het witwassen.
Ook ten aanzien van het witwassen geldt dat de verdachte geen oog heeft gehad voor de belangen van anderen, bijvoorbeeld voor die van de katvangers, en zich enkel heeft laten leiden door eigen geldelijk gewin. Daarnaast wordt door dergelijke witwaspraktijken het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en bevorderd. Witwassen vormt bovendien een ernstige bedreiging van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer.
Het hof neemt in aanmerking dat het de verdachte, gelet op zijn proceshouding en zijn ter terechtzitting afgelegde verklaringen, ontbreekt aan enig inzicht in het strafwaardige en het laakbare van zijn handelen.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
22 maart 2022, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten, zij het voor het laatst in 2014 en daarvoor in 2003.
Gelet op de aard, omvang en ernst van de bewezenverklaarde strafbare feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
36 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt evenwel vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
De verdachte is op 28 januari 2014 in verzekering gesteld en door de rechtbank is op 22 april 2016 vonnis gewezen. Dat maakt dat de redelijk termijn in eerste aanleg met ongeveer 3 maanden is overschreden.
Op 4 mei 2016 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Het hof wijst arrest op 11 juli 2022. Dat maakt dat de redelijke termijn in hoger beroep met ongeveer 4 jaar en 2 maanden is overschreden.
Het hof ziet hierin aanleiding deze overschrijdingen te verdisconteren in de op te leggen straf. Het hof zal in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vorderingen benadeelde partijen
In het onderhavige strafproces hebben zich als benadeelde partij gevoegd:
- [slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft zich gevoegd en een vordering ingediend ter vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.436.546,83.
- [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich gevoegd en een vordering ingediend ter vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde tot een bedrag van € 6.500,-.
In hoger beroep zijn de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet meer aan de orde. De verdachte is vrijgesproken van de feiten waarop deze vorderingen betrekking hebben en deze feiten zijn, zoals reeds besproken, niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen.
- [slachtoffer 3], in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [bedrijf 2].
De benadeelde partij heeft zich gevoegd en een vordering ingediend ter vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde, tot een bedrag van
€ 406.099,59.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 66.810,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 66.810,- aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 4 primair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve in zoverre hoofdelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 66.810,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu dit gedeelte van de vordering buiten het bereik van de tenlastelegging en het bewezenverklaarde valt.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [bedrijf 2].
Nu vaststaat dat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 66.810,- ten behoeve van [slachtoffer 3], in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [bedrijf 2].
Beslag
Ten aanzien van de inbeslaggenomen, en nog niet teruggegeven voorwerpen, beslist het hof als volgt.
Het hof zal de op de lijst van conservatoir beslag onder 50 tot en met 63 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren (aangehecht als lijst A). Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien deze voorwerpen, als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, onder sub a van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van het onder 5 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen.
Met betrekking tot de op de lijst van conservatoir beslag onder 1 tot en 10 en 64 tot en met 68 genummerde voorwerpen en de op de beslaglijst onder 11 tot en met 49 genummerde voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. Het hof zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten (aangehecht als lijst B).
Toepasselijke wettelijke voorschriften
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie en de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van:
- feit 1 eerste cumulatief/alternatief;
- feit 1 tweede cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]) 2, 7, 13, 16, 17 en 21;
- feit 2;
- feit 3 eerste cumulatief/alternatief voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 1 ([bedrijf 1]), 2, 7, 13, 14, 16, 17, 21;
- feit 5 voor zover dat ziet op de zaaksdossiers 2, 7, 15, 17, 21 en de laatste drie gedachtestreepjes onder het kopje ‘overig’.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede cumulatief/alternatief,
3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4 primair,
5 eerste cumulatief/alternatief en 6 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 tweede cumulatief/alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4 primair, 5 eerste cumulatief/alternatief en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [bedrijf 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [bedrijf 2] BV ter zake van het onder 4 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 66.810,00 (zesenzestigduizend achthonderdtien euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [bedrijf 2], ter zake van het onder 4 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 66.810,00 (zesenzestigduizend achthonderdtien euro) als vergoeding voor materiële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 341 (driehonderdeenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de lijst van conservatoir beslag onder 50 tot en met 63 genummerde voorwerpen.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de lijst van conservatoir beslag onder 1 tot en met 10 en 64 tot en met 68 genummerde voorwerpen en van de op de beslaglijst onder 11 tot en met 49 genummerde voorwerpen.
Dit arrest is gewezen door mr. F.P. Geelhoed,
mr. M. Koole en mr. R. van der Hoeven, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑07‑2022
HR 9 februari 2010, NJ 2010/104