Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.2.3:2.4.2.3 De omvang van het erfpachtrecht
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.2.3
2.4.2.3 De omvang van het erfpachtrecht
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS388447:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 juli 1921, W. 10834, NJ 1921, p. 1030 (onteigening opstalrecht). Vgl. Reepmaker 1931, p. 152, noot 2: “Bij de vaststelling van de schadeloosstelling voor onteigening ten algemeenen nutte mag rekening gehouden worden met het feit dat door de onteigening de erfpachter niet in staat is bij het einde van het erfpachtsrecht de afbraak van het door hem gestelde tot zich te nemen.”
HR 8 oktober 1924, W. 11283 (Amsterdam/Hoogheemraadschap van Rijnland c.s.).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast belastingen vormde ook onteigening aanleiding voor beschouwingen over de omvang van een erfpachtrecht als vermogensrecht. De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter was hier van belang in het licht van de waarde van hetgeen waartoe beiden gerechtigd waren. Bij onteigening moest bij het bepalen van de omvang van het vermogensrecht rekening gehouden worden met het wegneemrecht van de erfpachter op grond van art. 772 OBW.1 Voor de schadeberekening mocht niet zonder meer de tegenwoordige uitoefening van een recht het uitgangspunt vormen, het ging om de waarde die het recht voor een gegadigde had met inachtneming van alle waarde bepalende omstandigheden.2 De redelijke verwachting dat een recht van erfpacht verlengd of vernieuwd zou worden vormde eveneens een vermogensbestanddeel, zowel van de erfverpachter als van de erfpachter. Op grond van de Onteigeningswet werden partijen echter niet schadeloos gesteld voor deze verlengingsverwachting.3 In 1963 kwam deze vraag opnieuw aan de orde.4 De rechtbank had bij de berekening van de schadevergoeding rekening gehouden met de mogelijkheid dat het tijdelijke erfpachtrecht verlengd zou worden tegen een hogere canon, omdat uit art. 779 OBW volgde dat een tijdelijk erfpachtrecht niet automatisch hoefde te eindigen, maar stilzwijgend kon doorlopen tot wederopzegging. De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank terecht de onbepaalde duur van het erfpachtrecht in acht had genomen.5 Vermoedelijk maakte het uit dat in dit geval de wettelijke regeling over het doorlopen van het erfpachtsrecht doorslaggevend was en niet een contractueel verlengingsrecht.