Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/6.1
6.1 Inleiding
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS494034:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting / Fiscale eenheid
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HR 5 december 2003, nr. C02/177HR, overigens betrekking hebbend op een huurrechtelijke kwestie, waaruit kan worden opgemaakt dat woningcorporatie ‘De Gezonde Woning’ in het verleden is omgezet van een vereniging in een stichting.
E.J.J. van der Heijden & W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, Zwolle: Tjeenk Willink 1992, punt 158, p. 189.
E.J.J. van der Heijden & W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, , Zwolle: Tjeenk Willink 1992, punt 158, p. 189.
Vgl. art. 2:175 en art. 2:82 BW.
Wet van 21 juli 2007 tot ‘Wijziging Wet op de vennootschapsbelasting 1969 i.v.m. de vrijstelling van beleggingsinstellingen en aanpassing van de eisen voor beleggingsinstellingen met uit-delingsverplichting’, Stb. 2007, 269, in werking getreden op 1 augustus 2007.
Zie het voorgestelde art. 7:843 BW.
In dit hoofdstuk staat de eerste categorie van de in totaal drie door mij in paragraaf 3.1 vanuit de optiek van de heffing van vennootschaps-, inkomsten- en dividendbelasting onderscheiden categorieën van omzettingen van een rechtspersoon ex art. 2:18 BW centraal, te weten de fiscaal niet-geregelde omzettingen. Concreet betreft het:
de omzetting van een BV in een NV en omgekeerd; en
de omzetting van een stichting in een vereniging en omgekeerd.
In art. 28a lid 1 Wet VPB 1969 is voor deze omzettingen uitdrukkelijk aangegeven dat de in die bepaling vervatte ficties niet van toepassing zijn. Kenmerkend voor deze omzettingen is dat zij niet gepaard gaan met een eindafrekening over de stille en fiscale reserves en de goodwill in de sfeer van de vennootschapsbelasting nu het behoud van rechtspersoonlijkheid met zich brengt dat de subjectieve belastingplicht doorloopt. De wetgever acht de ficties bij deze omzettingen niet nodig, zodat vervolgens aan een fiscale faciliteit geen behoefte bestaat.
De fiscaal niet-geregelde omzettingsvormen zijn het populairst van alle omzettingen, althans drie van de vier fiscaal niet-geregelde omzettingsvormen, want de omzetting van stichting in vereniging heeft zich in de periode 2002 tot en met 2006 in het geheel niet voor gedaan (zie de tabel in par. 1.4 hiervóór). De omzetting in omgekeerde richting voert in deze periode de lijst aan met een aantal van 216, waaronder vermoedelijk ook een aantal woningcorporaties die op grond van art. 70 Wonw zowel de rechtsvorm van een vereniging als een stichting mogen hebben.1 De omzetting van een NV in een BV is daarna het vaakst in het handelsregister ingeschreven, te weten 128 keer. Hoewel de omzetting van een NV in een BV dus nog steeds regelmatig voorkomt, moet dat vroeger zowel in relatieve als absolute zin veel vaker voorgekomen zijn. Zo vermelden Van der Heijden en Van der Grinten dat de omzetting van een NV in een BV in het verleden op grote schaal heeft plaatsgevonden.2 Het overgrote deel van de naamloze vennootschappen die bij de invoering van de BV in onze wetgeving bestonden, is volgens hen namelijk omgezet in een BV. De omzetting van een NV in een BV is volgens Van der Heijden en Van der Grinten thans gewoonlijk aan de orde na een aandelenfusie waarbij een NV alle aandelen of een overwegend gedeelte van de aandelen in een andere NV heeft verkregen. De laatstgenoemde NV wordt dan omgezet in een BV. Ik vermoed overigens dat er ook in de nabije toekomst een relatief grote behoefte zal zijn aan de omzetting van een NV (met aandelen op naam) in een (flexibele) BV. Dit vooral vanwege het thans bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel tot ‘Wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van de regeling voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (Wet vereenvoudiging en flexibilisering bvrecht)’.3
De omzetting van een BV in een NV staat op de derde plaats van de meest voorkomende omzettingen. Deze omzettingsvariant is in de periode 2002 tot en met 2006 111 keer uitgevoerd. Van der Heijden en Van der Grinten vermelden dat tegenwoordig de omzetting van een BV in een NV in de praktijk veelal aan de orde is als de vennootschap haar aandelen wil spreiden, bijvoorbeeld in het kader van een beursnotering.4 Anders dan bij een BV, kunnen de aandelen van een NV immers aan toonder worden gesteld.5 Bovendien lijkt de omzetting van een BV in een NV om fiscale redenen actueel. Het op 1 augustus 2007 ingevoerde regime voor de vrijgestelde beleggingsinstelling ex art. 6a Wet VPB 1969 staat immers niet open voor een BV maar wél voor een NV, zodat door middel van een omzetting alsnog op eenvoudige wijze aan deze rechtsvormeis kan worden voldaan.6 Overigens zag de Minister van Justitie aanvankelijk een belangrijke rol weggelegd voor de omzetting van een BV in een NV als aansluiting op de omzetting van een OVR in een BV. Het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel tot ‘Vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het Burgerlijk Wetboek’ voorziet namelijk slechts in de omzetting van een OVR in een BV en niet in de rechtstreekse omzetting van een OVR in een NV.7 Op aandringen van de Eerste Kamer heeft de Minister van Justitie echter toegezegd om in het kader van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht te onderzoeken of de mogelijkheid kan worden geopend tot rechtstreekse omzetting van een OVR in een NV met aandelen op naam.8
Het hoofdstuk is als volgt opgebouwd. In paragraaf 6.2 ga ik in op de omzetting van een BV in een NV en omgekeerd. Daarbij maak ik een onderscheid tussen de fiscale gevolgen voor de omzettende rechtspersoon en de aandeelhouders. De omzetting van een stichting in een vereniging en omgekeerd bespreek ik in paragraaf 6.3, waarbij ook de omzetting van bepaalde coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen in een stichting aan bod komen omdat zij op grond van goedkeurend beleid van de Staatssecretaris van Financiën mogen worden beschouwd als een omzetting van een vereniging in een stichting. Aan de gevolgen voor de heffing van overdrachtsbelasting en dividendbelasting besteed ik afzonderlijk aandacht in paragraaf 6.4. Ik sluit het hoofdstuk in paragraaf 6.5 af met een samenvatting en de belangrijkste conclusies.