Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/9.1
9.1 Economische perspectieven op de vormgeving van rechtstelsels
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS581473:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Coase (1988), p. 95-156, oorspronkelijk gepubliceerd als 'The Problem of Social Cost', in 3 J. L. & Econ. 1 (1960). Hierover Kerlcmeester/Holzhauer (2000), p. 27-32. Aan Coase en het Coase-theorema wordt vaak toegerekend dat zij gericht zijn op het tegengaan van regulering. Zie bijvb. La Porta/Lopez-de-Silanes/Shleifer (2003), p. 3. Zij merken over optimaal beleid op de effectenmarkten — dat wil zeggen: beleid dat leidt tot de laagste sociale kosten — op dat '[u]nder the (...) null hypothesis, associated with Coase (1960) (...), the optimal govemment policy is to do nothing.' Deze interpretatie van het Coase-theorema en de opvattingen van Coase gaat er aan voorbij dat Coase niet een ideologische tegenstander van regulering was. Omdat in werkelijkheid transactiekosten bestaan, gaat het er volgens Coase om welk beleid — al dan niet door regelgeving — tot de laagste transactiekosten leidt. Zie over de verkeerde interpretatie van het Coase-theorema, in het licht van de kosten van regulering van financiële markten, Zingales (2004).
De 'law-matters' these is ontwikkeld door de economen La Porta, Lopez-De-Silanes, Shleifer en Vishny, vgl. onder meer: La Porta e.a. (1997), (1998) en (2000) en La Porta/ Lopez-de-Silanes/Shleifer (1999). De terminologie 'law matters' is afkomstig van Coffee, vgl. Coffee (1999), p. 644.
De aandacht van economen voor de juridische organisatie van beursvennootschappen beperkt zich niet tot de vraag of een afdoende economische onderbouwing kan worden gevonden voor het opleggen van de verplichting aan deze vennootschappen om informatie te publiceren. Ook de daarboven uitstijgende vragen naar de betekenis van rechtstelsels voor de organisatie van vennootschappen en naar de invloeden die bepalend zijn voor de vormgeving van rechtsstelsels, zijn onderwerp van discussie tussen economen. De wijze waarop (rechts)economen aankijken tegen deze vragen is de afgelopen vijftig jaar sterk in ontwikkeling geweest. Die ontwikkeling startte met de uit het Coasetheorema voortvloeiende opvattingen dat in een wereld met transactiekosten de inhoud van het recht relevant is.1 Het (voorlopig) eindpunt van die ontwikkeling lijkt de zogeheten "law matters" these te zijn: de hypothese dat de mate van ontwikkeling van het recht in een land rechtstreeks van invloed is op de mate van ontwikkeling van de effectenmarkten in dat land.2 Daarnaast is vanuit economisch perspectief in de afgelopen decennia veel aandacht geweest voor de wijze waarop de rechtstelsels van staten een rol (kunnen) spelen bij het aantrekken van vestigingen van vennootschappen en investeringen. In het verlengde daarvan speelt de vraag of dergelijke concurrentie tussen rechtstelsels wenselijk is.