Einde inhoudsopgave
RvdW 2025/644
Vrijspraak van het oorlogsmisdrijf van het zich in een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan aanranding van de persoonlijke waardigheid van een of meer personen.
HR 22-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:594
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, F. Posthumus, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/04694
- Conclusie
plv. A-G mr. M.E. van Wees
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Internationaal strafrecht / Internationale misdrijven
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:594, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1384, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 07‑01‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 27‑12‑2023
- Wetingang
Essentie
Vrijspraak van het oorlogsmisdrijf van het zich in een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan aanranding van de persoonlijke waardigheid van een of meer personen als bedoeld in art. 6 lid 1 onder c Wet internationale misdrijven.
Samenvatting
Het hof heeft voor de interpretatie van art. 6 lid 1 onder c Wet internationale misdrijven (WIM) aansluiting gezocht bij de manier waarop in het internationale (gewoonte)recht het verbod op ‘outrages upon personal dignity, in particular humiliating and degrading treatment’ wordt uitgelegd, zoals onder meer neergelegd in gemeenschappelijk art. 3 Verdragen van Genève, en ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.