Oorspronkelijke taal: Frans.
HvJ EU, 27-04-2016, nr. C-516/15 P
ECLI:EU:C:2016:1004
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
27-04-2016
- Magistraten
Mrs. J. L. da Cruz Vilaça, M. Berger, A. Borg Barthet, E. Levits, F. Biltgen
- Zaaknummer
C-516/15 P
- Conclusie
N. Wahl
- Roepnaam
Akzo Nobel e.a./Commissie
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:1004, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑12‑2016
ECLI:EU:C:2017:314, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 27‑04‑2016
Conclusie 21‑12‑2016
N. Wahl
Partij(en)
Zaak C-516/15 P1.
Akzo Nobel NV
Akzo Nobel Chemicals GmbH
Akzo Nobel Chemicals BV
tegen
Europese Commissie
1.
Met de onderhavige hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 15 juli 2015, Akzo Nobel e.a./Commissie (T-47/10, EU:T:2015:506) (hierna: ‘bestreden arrest’), wordt het Hof verzocht op een aantal punten te preciseren welke gevolgen er concreet moeten worden getrokken uit de beginselen die het heeft geformuleerd op het gebied van de toerekening van aansprakelijkheid voor mededingingsverstorende gedragingen.
2.
Meer in het bijzonder rijst de vraag of, en zo ja binnen welke grenzen, het voordeel van het verstrijken van de verjaringstermijn van de sanctiebevoegdheid ten aanzien van een dochtermaatschappij, moet worden uitgebreid tot haar moedermaatschappij. In het bestreden arrest heeft het Gerecht namelijk vastgesteld dat de omstandigheid dat de Europese Commissie wegens verjaring geen geldboete meer kon opleggen aan Akzo Nobel Chemicals GmbH (hierna: ‘Akzo GmbH’) en aan Akzo Chemicals BV (hierna: ‘Akzo BV’), dochtermaatschappijen van Akzo Nobel NV, ‘niet tot gevolg had dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ter discussie kwam te staan en dat deze niet meer kon worden vervolgd’. Het oordeelde namelijk dat ‘de verjaring waarin artikel 25 van verordening [EG] nr. 1/2003[2.] voorziet, niet tot gevolg heeft dat een inbreuk verdwijnt, of dat de Commissie geen beschikking meer kan geven waarin de aansprakelijkheid voor die inbreuk wordt vastgesteld […], maar alleen dat degenen ten aanzien van wie de verjaring is ingetreden, aan een sanctie ontkomen’.
3.
Om redenen die ik verderop nader uiteen zal zetten, ben ik van mening dat die beoordeling vatbaar is voor kritiek.
I — Voorgeschiedenis van het geding
4.
De aan het onderhavige geding ten grondslag liggende feiten, die onmiskenbaar complex zijn, zijn uiteengezet in de punten 1 tot en met 50 van het bestreden arrest.
5.
Voor een goed begrip van de zaak beperk ik mij tot het in herinnering brengen van de volgende elementen.
6.
De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking C(2009) 8682 definitief van de Commissie van 11 november 2009 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG en van artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) (zaak COMP/38.589 — Hittestabilisatoren) (hierna: ‘litigieuze beschikking’).
7.
Bij de litigieuze beschikking heeft de Commissie geoordeeld dat enkele ondernemingen, waaronder rekwirantes, door deel te nemen aan twee tegen de mededinging gerichte samenstellen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op het grondgebied van de EER betreffende twee categorieën hittestabilisatoren, te weten, ten eerste, de sector tinstabilisatoren en, ten tweede, de sector geëpoxideerde sojaoliën en esters (hierna: ‘sector ESBO/esters’), inbreuk hadden gemaakt op artikel 81 EG en op artikel 53 van de EER-Overeenkomst.
8.
De litigieuze beschikking gaat uit van het bestaan van twee inbreuken, betrekking hebbend op de bovengenoemde twee categorieën hittestabilisatoren, waarbij prijzen zijn vastgesteld, markten zijn verdeeld door middel van verkoopquota, klanten zijn verdeeld en gevoelige handelsinformatie is uitgewisseld.
9.
In die beschikking is vermeld dat de betrokken ondernemingen aan deze inbreuken hebben deelgenomen tijdens verschillende perioden tussen 24 februari 1987 en 21 maart 2000, voor wat betreft de tinstabilisatoren, en tussen 11 september 1991 en 26 september 2000, voor wat betreft de sector ESBO/esters.
10.
De litigieuze beschikking is met betrekking tot elke inbreuk gericht tot 20 vennootschappen, die hetzij rechtstreeks aan de betrokken inbreuken hebben deelgenomen, hetzij daarvoor als moedermaatschappijen aansprakelijk worden gehouden (overweging 510 van de litigieuze beschikking).
11.
De deelname van rekwirantes aan de mededingingsregelingen is door de Commissie opgedeeld in drie afzonderlijke inbreukperioden. De onderhavige hogere voorziening heeft alleen betrekking op de eerste inbreukperiode.
12.
Met betrekking tot de eerste inbreukperiode, die van vóór 28 juni 1993, heeft de Commissie geoordeeld dat een aantal vennootschappen die indirect in handen waren van Akzo, thans Akzo Nobel, rechtstreeks aan de inbreuken hadden deelgenomen, te weten Akzo GmbH voor de inbreuk betreffende de tinstabilisatoren en Akzo BV voor de inbreuk betreffende de sector ESBO/esters. Aan Akzo Nobel werd de aansprakelijkheid voor de inbreuk toegerekend in haar hoedanigheid van moedermaatschappij (overwegingen 512 tot en met 519 van de litigieuze beschikking).
13.
Met betrekking tot de tweede inbreukperiode, die van 28 juni 1993 tot en met 2 oktober 1998, heeft de Commissie geoordeeld dat de inbreuken waren gepleegd door het ‘partnerschap Akcros’, dat geen eigen rechtspersoonlijkheid bezat (overwegingen 563 tot en met 564 van de litigieuze beschikking).
14.
Met betrekking tot de derde inbreukperiode, die, wat de tinstabilisatoren betreft, liep van 2 oktober 1998 tot en met 21 maart 2000 en, wat de sector ESBO/esters betreft, van 2 oktober 1998 tot en met 22 maart 2000, heeft de Commissie geoordeeld dat de inbreuken waren gepleegd door Akcros (overwegingen 582 tot en met 587 van de litigieuze beschikking).
15.
Wat de oplegging van geldboeten betreft, wordt in artikel 2 van de litigieuze beschikking het volgende bepaald:
‘Wegens de inbreuk(en) op de markt van tinstabilisatoren worden de volgende geldboeten opgelegd:
[…]
- 4)
[Akzo Nobel], [Akzo GmbH] en [Akcros] zijn hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 1 580 000 EUR;
[…]
- 6)
[Akzo Nobel] en [Akzo GmbH] zijn hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 9 820 000 EUR;
- 7)
[Akzo Nobel] is aansprakelijk ten belope van 1 432 700 EUR;
[…]
Wegens de inbreuk(en) in de [sector ESBO/esters] worden de volgende geldboeten opgelegd:
[…]
- 21)
[Akzo Nobel], [Akzo BV] en [Akcros] zijn hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 2 033 000 EUR;
[…]
- 23)
[Akzo Nobel] en [Akzo BV] zijn hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 3 467 000 EUR;
- 24)
[Akzo Nobel] is aansprakelijk ten belope van 2 215 303 EUR […]’.
16.
Bij beschikking van de Commissie van 30 juni 2011 is de litigieuze beschikking gewijzigd voor zover deze was gericht tot Akzo Nobel en tot Akcros (hierna: ‘wijzigingsbeschikking’).
17.
In overweging 1 van de wijzigingsbeschikking heeft de Commissie eraan herinnerd dat zij in de [litigieuze] beschikking geldboeten had opgelegd aan Akzo Nobel en aan Akcros ‘gezamenlijk en hoofdelijk’ met Elementis plc, Elementis Holdings Limited en Elementis Services Limited.
18.
In overweging 2 van de wijzigingsbeschikking heeft de Commissie uiteengezet dat zij ingevolge het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190), had besloten om de litigieuze beschikking in te trekken voor zover deze was gericht tot, met name, Elementis en Elementis Holdings Limited.
19.
Dientengevolge heeft de Commissie de litigieuze beschikking gewijzigd, voor zover zij gericht was tot Akzo Nobel en tot Akcros en voor zover deze met Elementis hoofdelijk aansprakelijk werden gehouden voor de opgelegde geldboeten.
20.
Ten slotte hebben Akzo Nobel en Akcros, bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 september 2011, beroep ingesteld tegen de wijzigingsbeschikking van de Commissie. Deze wijzigingsbeschikking werd bij arrest van 15 juli 2015, Akzo Nobel en Akcros Chemicals/Commissie (T-485/11, EU:T:2015:517), nietig verklaard. Tegen dat arrest is geen hogere voorziening ingesteld.
II — Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
21.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 januari 2010, verzochten rekwirantes om nietigverklaring van de litigieuze beschikking of, subsidiair, om vermindering van het bedrag van de hun opgelegde geldboeten.
22.
Ter ondersteuning van hun beroep voerden rekwirantes vijf middelen aan, waarvan het eerste was ontleend aan schending van de verjaringsregels. In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 1/2003, betoogden rekwirantes dat de Commissie vanaf 28 juni 1998 niet meer tegen Akzo GmbH en Akzo BV kon optreden en deze vennootschappen dus ook niet meer hoofdelijk met Akzo Nobel, als moedermaatschappij van deze vennootschappen, een geldboete kon opleggen.
23.
Hun grieven werden gedeeltelijk aanvaard. Het Gerecht oordeelde dat artikel 2, punten 4, 6, 21 en 23, van de litigieuze beschikking nietig diende te worden verklaard voor zover daarin aan Akzo GmbH en Akzo BV geldboeten waren opgelegd voor de eerste inbreukperiode, maar dat deze grieven voor het overige dienden te worden afgewezen. De redenen die het Gerecht daartoe aanvoerde, zijn inzonderheid uiteengezet in de punten 118 tot en met 128 van het bestreden arrest.
III — Conclusies van partijen
24.
Rekwirantes verzoeken het Hof:
- —
primair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarin wordt geoordeeld dat de aansprakelijkheid voor de geldboeten die aanvankelijk aan Akzo GmbH en Akzo BV waren opgelegd wegens hun deelname aan de inbreuken, na de intrekking van deze geldboeten door het Gerecht, nog steeds aan Akzo Nobel kan worden toegerekend;
- —
de litigieuze beschikking, en inzonderheid artikel 1, lid 1, onder b), en lid 2, onder b), daarvan, nietig te verklaren voor zover daarin wordt vastgesteld Akzo GmbH en Akzo BV aan de inbreuken hebben deelgenomen;
- —
de litigieuze beschikking nietig te verklaren voor zover Akzo Nobel daarin aansprakelijk wordt gesteld en/of aan deze vennootschap een geldboete wordt opgelegd wegens het inbreukmakende gedrag van Akzo GmbH en Akzo BV, en inzonderheid artikel 1, lid 1, onder a), voor het tijdvak van de 24 februari 1987 tot 28 juni 1993, en artikel 1, lid 2, onder a), voor het tijdvak van 11 september 1991 tot 28 juni 1993, en/of artikel 2, leden 6 en 23, daarvan nietig verklaren;
- —
of subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten.
25.
De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirantes in de kosten.
IV — Analyse van de hogere voorziening
A — Argumenten van partijen
26.
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes, Akzo Nobel e.a., één enkel middel aan, dat in wezen is ontleend aan verkeerde toepassing van de regels inzake de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen voor het mededingingsverstorende gedrag van hun dochtermaatschappijen.
27.
Zij merken op dat het Hof recentelijk, in zijn arrest van 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613), heeft bevestigd dat wanneer de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij volledig is afgeleid van die van haar dochtermaatschappij, de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij niet verder kan gaan dan die van haar dochtermaatschappij. Indien, in een dergelijke situatie, de moedermaatschappij een beroep heeft ingesteld met hetzelfde voorwerp als het door haar dochtermaatschappij ingestelde beroep, dient de moedermaatschappij gehele of gedeeltelijke intrekking te verkrijgen van de aan de dochtermaatschappij opgelegde geldboete.
28.
In dit verband betogen rekwirantes dat intrekking van de aan Akzo GmbH en Akzo BV opgelegde geldboeten had moeten leiden tot intrekking van de aan Akzo Nobel in haar hoedanigheid van moedermaatschappij opgelegde geldboete voor de inbreukperiode die voorafging aan het ‘partnerschap Akcros’, aangezien deze geldboete enkel aan haar was opgelegd wegens de rechtstreekse deelname van haar dochtermaatschappijen aan de inbreuken. De aansprakelijkheid van Akzo Nobel was een zuiver afgeleide, ondergeschikte en afhankelijke aansprakelijkheid ten opzichte van die van haar dochtermaatschappijen.
29.
In casu had de intrekking van de aan Akzo GmbH en Akzo BV opgelegde geldboeten moeten leiden tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking in haar geheel ten aanzien van hen voor de eerste inbreukperiode.
30.
Binnen deze context merken rekwirantes op dat de Commissie na het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190), werd geconfronteerd met het feit dat zij geen geldboete meer kon opleggen aan Elementis en aan Ciba/BASF wegens verjaring. Zoals blijkt uit de wijzigingsbeschikking heeft de Commissie dus niet alleen de geldboeten ingetrokken, maar is zij ook teruggekomen van de constatering dat deze ondernemingen hadden deelgenomen aan de inbreuken.
31.
Volgens rekwirantes had de Commissie ingevolge het beginsel van gelijke behandeling en teneinde alle gevolgen te trekken uit het bestreden arrest, in de zin van artikel 266, eerste alinea, VWEU, dezelfde benadering moeten volgen ten aanzien van Akzo GmbH en Akzo BV. De litigieuze beschikking bevatte evenwel nog steeds een constatering van een inbreuk met betrekking tot laatstgenoemde ondernemingen.
32.
Het feit dat de Commissie nog altijd een geldboete kon opleggen aan de andere juridische entiteiten die deel uitmaakten van het Akzo-concern is irrelevant, aangezien, conform de rechtspraak inzake de rechten van de verdediging en individuele procedurele waarborgen, de situaties van verschillende juridische entiteiten moeten worden vergeleken, en niet de situatie van de betrokken ondernemingen.
33.
De Commissie stelt dat de hogere voorziening, ten minste gedeeltelijk, niet-ontvankelijk is. In de eerste plaats voeren rekwirantes geen enkele onjuiste rechtsopvatting aan, maar beperken zij zich tot het herhalen van de door het Gerecht afgewezen stellingen. In de tweede plaats moet het middel, doordat het verwijst naar schending van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van Elementis en Ciba/BASF, als nieuw moet worden aangemerkt. Conform artikel 170, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en conform de rechtspraak, moet een dergelijke stelling van de hand worden gewezen. Het argument ontleend aan een vermeende procedurele doeltreffendheid kan binnen deze context niet worden aanvaard.
34.
De Commissie betoogt in ieder geval dat het Gerecht er terecht aan heeft herinnerd dat verjaring niet in de weg staat aan de vaststelling van de aansprakelijkheid van de geadresseerde ten aanzien van wie de geldboete is verjaard. In casu is handhaving van de aansprakelijkheid van dochtermaatschappijen relevant en gewettigd als grondslag voor de bepaling van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, alsmede met het oog op eventuele schadevorderingen tegen de onderneming.
35.
Wat de intrekking van de litigieuze beschikking ten aanzien van Elementis en Ciba/BASF betreft, merkt de Commissie op dat de verjaring is ingetreden voor alle juridische entiteiten van deze ondernemingen, die simpelweg uit de mededingingsregeling waren gestapt. In de onderhavige zaak daarentegen had Akzo Nobel door middel van verschillende dochtermaatschappijen deelgenomen aan twee enkele voortdurende inbreuken, waarvoor de verjaringstermijn niet was verstreken.
36.
De Commissie merkt voorts op dat het Gerecht zich in het arrest van 15 juli 2015, Akzo Nobel en Akcros Chemicals/Commissie (T-485/11, EU:T:2015:517), beperkt tot het vaststellen van een procedurefout met betrekking tot de wijzigingsbeschikking. Bovendien is in het bestreden arrest de litigieuze beschikking uitdrukkelijk gehandhaafd, doordat hierin wordt vastgesteld dat de drie juridische entiteiten die deel uitmaken van het Akzo-concern hadden deelgenomen aan de inbreuken tijdens de periode voorafgaand aan het partnerschap Akcros. Uit deze arresten vloeit dus geen enkele verplichting voort voor de Commissie om over te gaan tot intrekking van de litigieuze beschikking.
37.
Aangaande de regels inzake de afgeleide aansprakelijkheid van moedermaatschappijen overweegt de Commissie dat de kritiek van rekwirantes geen correcte weergave vormt van de rechtspraak ter zake. In zijn arrest van 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613), heeft het Hof volgens haar, door te verwijzen naar factoren die de aan de moedermaatschappij verweten gedraging individueel kenmerken, bevestigd dat er situaties bestaan waarin de uitbreiding van de aan de dochtermaatschappij toegekende vermindering van een geldboete tot de moedermaatschappij niet gerechtvaardigd is.
38.
Volgens de Commissie is een dergelijke uitbreiding alleen mogelijk wanneer voor deze twee entiteiten de aansprakelijkheid of oplegging van een geldboete op dezelfde grond berust, en niet telkens wanneer de dochtermaatschappij geheel of gedeeltelijk door de rechter in het gelijk wordt gesteld. De Commissie beklemtoont dat de ‘individuele factoren’ die rechtvaardigen dat aan de moedermaatschappij een andere geldboete wordt opgelegd, niet uitputtend kunnen worden opgesomd.
39.
De analyse van de voornaamste beslissingen van het Gerecht en het Hof toont aan dat de rechter van de Unie blijkt geeft van coherentie op dit gebied. Hieruit volgt dat, normaal gesproken, op moeder- en dochtermaatschappij dezelfde geldboete van toepassing is, indien zij gedurende de inbreukperiode deel uitmaakten van een en dezelfde onderneming, niet vervolgens zijn opgesplitst en niet, voordat zij een en dezelfde onderneming gingen vormen, op individuele titel of door middel van andere dochtermaatschappijen hebben deelgenomen aan de inbreuk.
40.
Wanneer de aan de dochtermaatschappij toegekende vermindering rechtstreeks verband houdt met de aansprakelijkheid bij een inbreuk, met name met betrekking tot de duur daarvan, is het inherent aan het beginsel van afgeleide aansprakelijkheid dat de beperking van de omvang van de aansprakelijkheid en de aan de dochtermaatschappij opgelegde geldboete rechtstreeks gevolgen heeft voor de moedermaatschappij. De Commissie brengt naar voren dat de duur van de deelname van een moedermaatschappij desalniettemin kan verschillen van die van een dochtermaatschappij, bijvoorbeeld wanneer een dochtermaatschappij haar deelname weliswaar heeft beëindigd, maar een andere dochtermaatschappij van hetzelfde concern, dan wel de moedermaatschappij rechtstreeks, haar deelname heeft voortgezet. In een dergelijk geval kan de verjaring eventueel van toepassing zijn op de eerste dochtermaatschappij die rechtstreeks betrokken was bij de mededingingsregeling, maar niet op de moedermaatschappij.
41.
De Commissie merkt ook op dat uit het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190), volgt dat de verjaring individueel van toepassing is op elke juridische entiteit en niet uniform op de gehele onderneming, hetgeen betekent dat het gaat om een erkende situatie waarin het gerechtvaardigd is om een vermindering van de geldboete niet uit te breiden tot de moedermaatschappij.
42.
Ten slotte heeft volgens de Commissie het Gerecht in het bestreden arrest het verstrijken van de verjaringstermijn terecht vergeleken met individuele procedurele waarborgen, zoals de rechten van de verdediging en de verplichting voor de Commissie om zowel een mededeling van punten van bezwaar als een beschikking houdende oplegging van dergelijke sancties ter kennis te brengen van de betrokken rechtspersoon.
B — Beoordeling
43.
Alvorens in te gaan op de inhoud van de onderhavige zaak, dient kort te worden ingegaan op de door de Commissie in haar memorie van antwoord opgeworpen niet-ontvankelijkheidsgronden.
1. Ontvankelijkheid
44.
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, lijken de grieven die rekwirantes ontlenen, ten eerste, aan schending door de Commissie van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van de vennootschappen van het Ciba/BASF-concern en het Elementis-concern, en, ten tweede, aan het ontbreken van een legitiem belang in de zin van artikel 7, lid 1, laatste zin, van verordening nr. 1/2003 — welk belang de vaststelling zou rechtvaardigen dat Akzo GmbH en Akzo BV daadwerkelijk hebben deelgenomen aan de mededingingsregelingen —, nieuwe grieven te zijn, in die zin dat zij niet in eerste aanleg zijn behandeld.
45.
Rekwirantes hebben voor het Gerecht immers enkel betoogd dat Akzo GmbH en Akzo BV niet meer aansprakelijk konden worden gehouden, gelet op het verstrijken van de verjaringstermijn, en dat de litigieuze beschikking op dit punt dus nietig moest worden verklaard.
46.
Bovendien zij erop gewezen dat die nieuwe grieven geenszins berusten op feiten die in de loop van het geding naar voren zijn gebracht. Dienaangaande zij opgemerkt dat rekwirantes in hun op 16 september 2011 bij het Gerecht ingediende opmerkingen over, met name, de gevolgen die volgens hen moeten worden getrokken uit het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190), geen enkel argument hebben aangevoerd met betrekking tot de schending van het beginsel van gelijke behandeling. Op die datum hadden zij evenwel reeds kennis van de intrekking van de litigieuze beschikking ten aanzien van de vennootschappen van het Ciba/BASF-concern en het Elementis-concern.
47.
Ik ben dan ook van mening dat de beoordeling van die grieven buiten de bevoegdheid van het Hof in het kader van de onderhavige hogere voorziening valt.3.
48.
Voor het overige lijkt het mij dat de hogere voorziening ontvankelijk moet worden verklaard. Rekwirantes lijken immers in wezen op te komen tegen de juridische redenering die het Gerecht tot de slotsom heeft gebracht dat het intreden van de verjaring ten aanzien van de dochtermaatschappijen niet tot gevolg had dat werd afgedaan aan de aansprakelijkheid van hun moedermaatschappij.
2. Ten gronde
49.
Zoals ik in de inleiding van deze conclusie aankondigde, biedt de onderhavige zaak, die betrekking heeft op twee mededingingsregelingen in de sector hittestabilisatoren, het Hof de gelegenheid om zijn rechtspraak met betrekking tot de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen ingeval van een door hun dochtermaatschappijen gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht, op een aantal punten te verduidelijken. Meer precies gaat het om de vraag of de verjaring van de sanctiebevoegdheid van de Commissie ten aanzien van dochtermaatschappijen, zoals het Gerecht in casu heeft geoordeeld, geen gevolgen heeft voor de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij.
50.
Het antwoord daarop lijkt mij grotendeels af te hangen van de vraag of de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, wanneer — zoals in casu — niet is vastgesteld dat de moedermaatschappij zelf rechtstreeks heeft deelgenomen aan de desbetreffende inbreuk, moet worden gekwalificeerd als ‘persoonlijk’ dan wel als ‘afgeleid’. Ik zal deze problematiek in eerste instantie behandelen in het licht van de lering die, volgens mij, moet worden getrokken uit de rechtspraak van het Hof.
51.
In tweede instantie zal ik aangeven waarom de conclusie waartoe het Gerecht is gekomen met betrekking tot de verjaringsregels, indruist tegen de in de rechtspraak geformuleerde beginselen op het gebied van toerekening aan de moedermaatschappij van mededingingsverstorende gedragingen van hun dochtermaatschappijen. Binnen deze context zal ik uiteenzetten waarom de aard van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij noodzakelijkerwijs veronderstelt dat haar het voordeel van het verstrijken van de verjaringstermijn ten aanzien van haar dochtermaatschappij kan toekomen.
a) Aard van de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen voor door hun dochtermaatschappijen gepleegde handelingen: ‘persoonlijke’ dan wel ‘afgeleide’ aansprakelijkheid?
52.
De problematiek van de toerekening van de aansprakelijkheid voor inbreuken op het mededingingsrecht binnen concerns, is in de rechtspraak4. reeds lang bekend en de argumentatie die het Hof op dit punt aanhoudt is, op enkele nuances na, onveranderd gebleven. Deze argumentatie kan schematisch als volgt worden weergegeven:
53.
Wanneer een onderneming zich schuldig heeft gemaakt aan een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie, dient zij daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen.
54.
In het geval waarin de litigieuze gedraging is gepleegd door de dochtermaatschappij van een concern, dient, overeenkomstig het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid, dat van toepassing is bij schendingen van de mededingingsregels van de Unie5., de aansprakelijkheid voor de bewuste inbreuk in beginsel te worden toegerekend aan deze dochtermaatschappij.
55.
Bij wijze van uitzondering op dit beginsel is het Hof van mening dat er omstandigheden zijn waarin aan een juridische entiteit die niet de rechtstreekse pleger is van de inbreuk, desalniettemin de aansprakelijkheid voor de gelaakte gedraging kan worden toegerekend en deze entiteit dus voor die gedraging kan worden gestraft. Dit geldt met name wanneer een betrokken vennootschap haar handelwijze niet autonoom bepaalt maar hoofdzakelijk de richtlijnen opvolgt van haar moedermaatschappij, inzonderheid gelet op de economische, organisatorische en juridische banden die deze twee juridische entiteiten verenigen.6. Deze benadering berust op de gedachte dat zelfs indien een concern vanuit juridisch oogpunt is samengesteld uit meerdere afzonderlijke rechtspersonen, zij kan worden aangemerkt als één en dezelfde ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. De aldus aan de Commissie geboden mogelijkheid om voor de toerekening van de aansprakelijkheid voor mededingingsverstorende gedragingen aan vennootschappen die niet rechtstreeks hebben deelgenomen aan de gelaakte gedragingen, het functionele ondernemingsbegrip te hanteren, heeft met name als logisch gevolg de mogelijkheid voor de Commissie om een beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd aan een moedermaatschappij te richten zonder dat de persoonlijke betrokkenheid van laatstgenoemde bij de inbreuk behoeft te worden vastgesteld.7.
56.
De voorwaarden waaronder een moedermaatschappij aansprakelijk kan worden gesteld voor het mededingingsverstorende gedrag van haar dochtermaatschappij, zijn thans duidelijk gedefinieerd in de rechtspraak: ten eerste dient de moedermaatschappij in staat te zijn om beslissende invloed uit te oefenen op het gedrag van haar dochtermaatschappij, en, ten tweede, dient zij metterdaad een dergelijke invloed uit te oefenen.8.
57.
Om aan te tonen dat die voorwaarden zijn vervuld, dient de autoriteit die is belast met de vervolging en bestraffing van mededingingsverstorende gedragingen in elk individueel geval het materiële bewijs te leveren van het bestaan en de daadwerkelijke uitoefening van beslissende invloed door de moedermaatschappij op haar dochtermaatschappij.9. Het Hof heeft evenwel reeds in het arrest AEG-Telefunken/Commissie10. en ondubbelzinnig sinds het arrest Akzo Nobel e.a./Commissie11., geoordeeld dat in het geval waarin de moedermaatschappij het volledige kapitaal van haar dochtermaatschappij bezit, vermoed kan worden dat zij daadwerkelijk een dergelijke invloed uitoefent op het gedrag van haar dochtermaatschappij. Dit ‘op kapitaalbezit gebaseerde vermoeden’, dat vervolgens is uitgebreid tot het geval waarin de moedermaatschappij vrijwel het volledige kapitaal van haar dochtermaatschappij bezit12., is, volgens het Hof, een ‘weerlegbaar vermoeden’, dat de moedermaatschappij kan weerleggen indien zij in staat is aan te tonen dat haar dochtermaatschappij zich wel degelijk autonoom gedraagt op de markt.
58.
Nu dit verduidelijkt is, kunnen er voor de dochter- of moedermaatschappij kenmerkende omstandigheden bestaan die de oplegging van geldboeten ten belope van verschillende bedragen rechtvaardigen.
59.
Zoals de Commissie, mijns inziens geheel terecht, heeft opgemerkt, kan er een reeks van situaties bestaan die rechtvaardigen dat een geldboete wordt opgelegd die verschilt van die welke wordt opgelegd aan de dochtermaatschappij, zelfs in een afgeleid aansprakelijkheidsverband. Desalniettemin moet worden vastgesteld dat deze differentiatie berust op individuele factoren, die kenmerkend zijn voor de moedermaatschappij en zowel betrekking hebben op inhoudelijke elementen (zoals de periode waarin zij rechtstreeks heeft deelgenomen aan een mededingingsregeling) als op parameters waarmee rekening is gehouden bij de berekening van de geldboete (zoals de toepassing van een vermindering op grond van de medewerking die is verleend door een van de juridische entiteiten waaruit de bekritiseerde ‘onderneming’ is samengesteld, of de toepassing van een verhoging wegens vastgestelde recidive van de kant van de moedermaatschappij). In dit verband heeft het Hof, in de zaak Total/Commissie13., geoordeeld dat het enkel in een situatie ‘waarin […] het aan de moedermaatschappij verweten gedrag14. niet specifiek wordt gekenmerkt door enig ander element’, niet gerechtvaardigd is om aan de moedermaatschappij een geldboete op te leggen waarvan het bedrag afwijkt van die welke is opgelegd aan haar dochtermaatschappij.
60.
Maar wat is nu precies de aard van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij waarvan is vastgesteld dat zij niet rechtstreeks betrokken is bij de litigieuze mededingingsverstorende praktijken? Moet zij worden gelijkgesteld aan de aansprakelijkheid van een rechtstreekse pleger van een inbreuk [rekening houdend met de nauwe banden die deze vennootschap onderhoudt met de rechtstreeks betrokken vennootschap(pen)] of moet veeleer worden aangenomen dat voornoemde vennootschap enkel de verantwoordelijkheid op zich neemt voor een gedraging waarvan zij niet concreet de pleger is?
61.
Ik moet er namelijk op wijzen dat er dubbelzinnigheden blijven bestaan ten aanzien van de vraag of de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen, in het geval waarin is gebleken dat zij niet rechtstreeks hebben deelgenomen aan de desbetreffende inbreuk, ‘afgeleid’ of ‘persoonlijk’ is.
62.
In dit verband merk ik op dat zowel de door het Hof gebruikte terminologie als de gevolgen die het daaruit heeft getrokken, op dit gebied, zeer wisselend zijn.
63.
Vanuit terminologisch oogpunt verwijst de rechtspraak vaak naar het concept van toerekening van de aansprakelijkheid15., en niet naar dat van de inbreukmakende gedraging. Sommige arresten gaan daarentegen uit van het oogpunt van de ‘medeschuld’, in die zin dat de moedermaatschappij wordt geacht zelf de pleger te zijn van de inbreuk, zonder dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de situatie waarin is gebleken dat die vennootschap rechtstreeks betrokken was als pleger van de bewuste inbreuk, en de situatie waarin de aansprakelijkheid voor die inbreuk enkel indirect wordt toegerekend aan de moedermaatschappij. Volgens deze lijn in de rechtspraak, die mijns inziens moeilijk verenigbaar is met de eerste, wordt de moedermaatschappij die een beslissende invloed uitoefent op een dochtermaatschappij die deelneemt aan een inbreuk op artikel 101 VWEU, op grond van dit feit geacht de inbreuk op de mededingingsregels van het Unierecht persoonlijk te hebben begaan.16.
64.
Inhoudelijk gezien brengt dit terminologische verschil vaak sterk verschillende, en zelfs incoherente, gevolgen met zich mee.17.
65.
Enerzijds werd geoordeeld dat de hoofdelijkheidsverhouding die de moedermaatschappij bindt aan haar dochtermaatschappij niet kan worden teruggebracht tot een soort borg die door de moedermaatschappij wordt verstrekt ter verzekering van de aan de dochtermaatschappij opgelegde geldboete; een moedermaatschappij kan worden veroordeeld tot betaling van een geldboete die hoger is dan die welke is opgelegd aan haar dochtermaatschappij.18. Dit doet veronderstellen dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij wel degelijk als persoonlijk wordt aangemerkt.
66.
Anderzijds heeft Hof onlangs nog, in het verlengde van de lering uit het door de Grote kamer gewezen arrest van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins (C-286/11 P, EU:C:2013:29), geoordeeld dat de moedermaatschappij waarvan de aansprakelijkheid geheel is afgeleid van die van haar dochtermaatschappij, in beginsel moet kunnen profiteren van een eventuele beperking van de omvang van de aan haar toegerekende aansprakelijkheid van haar dochtermaatschappij.19. Dienaangaande heeft het Hof gepreciseerd dat in een situatie waarin de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij uitsluitend is afgeleid van die van haar dochtermaatschappij en waarin het aan de moedermaatschappij verweten gedrag niet specifiek wordt gekenmerkt door enig ander element, de aansprakelijkheid van deze moedermaatschappij niet verder kan gaan dan die van haar dochtermaatschappij20.; wanneer aan de nodige procedurele voorwaarden is voldaan dient de moedermaatschappij in beginsel te profiteren van een eventuele beperking van de omvang van de aan haar toegerekende aansprakelijkheid van haar dochtermaatschappij21..
67.
Voor zover het standpunt van het Hof berust op een unitaire benadering bij de toerekening van aansprakelijkheid voor inbreukmakende gedragingen, dienen hieruit naar mijn mening alle gevolgen te worden getrokken22., met name voor de sanctiebevoegdheid van de Commissie ten aanzien van de betrokken vennootschappen. De coherentie van de aldus gevolgde benadering zal leiden tot rechtszekerheid.
68.
Dat het Hof in dit verband herhaaldelijk heeft gesproken van ‘persoonlijke’ aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, was derhalve in mijn ogen enkel om te beklemtonen dat een moedermaatschappij wegens de tussen haarzelf en haar dochteronderneming bestaande economische en organisatorische banden moet instaan voor de mededingingsverstorende gedragingen van haar dochter, ongeacht of zij daarbij concreet betrokken is geweest, alsook om te onderstrepen dat moeder en dochter één enkele economische entiteit vormen.23. Met andere woorden, het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid verzet zich er niet tegen dat de Commissie eerst de onderneming die de inbreuk heeft begaan beboet, alvorens te onderzoeken of de inbreuk mogelijk aan haar moedermaatschappij kan worden toegerekend.24.
69.
Aangezien de Commissie een beschikking waarbij een geldboete wordt opgelegd kan richten tot de moedermaatschappij, zonder dat is vereist dat zij de concrete — en dus rechtstreekse — betrokkenheid van die vennootschap bij een inbreuk vaststelt, heeft de gebruikmaking van deze mogelijkheid in mijn ogen derhalve als onvermijdelijke tegenhanger dat elke fout in de vaststellingen betreffende de concrete deelname van de dochteronderneming aan de inbreuk — en dus in de berekening van de eventueel wegens die deelname opgelegde geldboete — ook in het voordeel van de moedermaatschappij zou moeten werken.25. Het gaat dus slechts om het trekken van gevolgen uit de door de Commissie gemaakte keuzes op het gebied van toerekening van de aansprakelijkheid voor inbreukmakende handelingen.
70.
Tegen de achtergrond van deze overwegingen dient te worden ingegaan op de gegrondheid van de conclusie waartoe het Gerecht in punt 128 van het bestreden arrest is gekomen.
b) Dient de ten aanzien van een dochtermaatschappij geconstateerde verjaring van de sanctiebevoegdheid in het voordeel te werken van de moedermaatschappij waarvan is vastgesteld dat zij niet rechtstreeks heeft deelgenomen aan de gelaakte praktijken?
71.
Volgens artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 1/2003 verjaart de uitoefening van de bevoegdheid van de Commissie inzake de oplegging van sancties na een termijn van vijf jaar.26. Artikel 25, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalt dat de verjaringstermijn ingaat op de dag waarop de inbreuk is gepleegd of, bij voortdurende of voortgezette inbreuken, op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
72.
Hoe zit het nu met de situatie waarin de verjaring is vastgesteld ten aanzien van een dochtermaatschappij waarvan de moedermaatschappij, enkel op grond van deze hoedanigheid, ook aansprakelijk is gehouden voor een inbreuk op de mededingingsregels? Dient, binnen een louter afgeleid aansprakelijkheidsverband, het voordeel van de ten aanzien van haar dochtermaatschappij geconstateerde verjaring wel of niet eveneens toe te komen aan de moedermaatschappij? Moet hier de eerder omschreven unitaire benadering worden aangehouden, of dient de beoordeling van de verjaring te worden opgesplitst per betrokken entiteit?
73.
In casu moet worden benadrukt dat de Commissie Akzo Nobel, als aan het hoofd van het Akzo-concern staande vennootschap, aansprakelijk heeft gehouden uit hoofde van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU) voor de gehele duur van de inbreuken, dat wil zeggen van 24 februari 1987 tot en met 22 maart 2000, wegens de gedragingen van haar dochtermaatschappijen en van het ‘partnerschap Akcros’.
74.
Tijdens de administratieve procedure hebben Akzo GmbH en Akzo BV betoogd dat zij hun deelname aan de mededingingsregelingen op 28 juni 1993, dat wil zeggen meer dan vijf jaar na het begin van het onderzoek (2003) hadden beëindigd. Op grond van de toepasselijke regels op het gebied van verjaring, kon de Commissie dus niet meer tegen hen optreden. Akzo Nobel betoogt op haar beurt dat zij als moedermaatschappij enkel aansprakelijk kon worden gehouden voor zover haar dochtermaatschappijen dat ook konden worden.
75.
In de litigieuze beschikking heeft de Commissie dat argument verworpen met de motivering dat ‘[n]iet kan worden aanvaard dat de verjaring simpelweg van toepassing is wegens de reorganisatie binnen het Akzo-concern. De in artikel 81, lid 1, [EG] bedoelde inbreuken worden immers gepleegd door ‘ondernemingen’. Evenzo zijn de verjaringsregels van artikel 25 van [verordening nr. 1/2003] van toepassing op ‘ondernemingen’’.27.
76.
Voor het Gerecht hebben rekwirantes en de Commissie in wezen hun standpunten gehandhaafd.
77.
Het Gerecht heeft de beoordeling van de Commissie volgens welke Akzo GmbH en Akzo BV, als leden van het Akzo-concern, zich niet rechtmatig konden beroepen op verjaring ten aanzien van hen, weliswaar van de hand gewezen, maar niettemin overwogen dat in casu onderscheid moet worden gemaakt tussen de begrippen aansprakelijkheid en verjaring. Aldus oordeelde het dat de verjaring van de bevoegdheid van de Commissie voor de oplegging van sancties aan dochtermaatschappijen geen gevolgen had voor de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij.
78.
Het Gerecht heeft namelijk, in de punten 125 en 126 van het bestreden arrest het volgende opgemerkt:
- ‘125.
[…] [er] dient [aan] te worden herinnerd dat de verjaring waarin artikel 25 van verordening nr. 1/2003 voorziet, niet tot gevolg heeft dat een inbreuk verdwijnt, of dat de Commissie geen beschikking meer kan geven waarin de aansprakelijkheid voor die inbreuk wordt vastgesteld (zie in die zin arrest van 6 oktober 2005, Sumitomo Chemical en Sumika Fine Chemicals/Commissie, T-22/02 en T-23/02, Jurispr., EU:T:2005:349, punten 60–63[28.]), maar alleen dat degenen ten aanzien van wie de verjaring is ingetreden, aan een sanctie ontkomen (zie in die zin arrest van 27 juni 2012, Bolloré/Commissie, T-372/10, Jurispr., EU:T:2012:325, punt 194).[29.]
- 126.
Bovendien blijkt uit een tekstuele, teleologische en contextuele uitlegging van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 dat, net als de individuele procedurele waarborgen, zoals de rechten van de verdediging en de verplichting voor de Commissie om zowel een mededeling van punten van bezwaar als een beschikking houdende oplegging van dergelijke sancties ter kennis te brengen aan de betrokken rechtspersoon […], het voordeel van de in lid 1 daarvan bedoelde verjaring toekomt aan en kan worden ingeroepen door elke rechtspersoon afzonderlijk, wanneer hij door de Commissie wordt vervolgd. Zo is in de rechtspraak al erkend dat het feit alleen dat voor een dochteronderneming van een groep van vennootschappen in de zin van een economische entiteit de verjaringstermijn was verstreken, niet tot gevolg had dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ter discussie kwam te staan en dat deze niet meer kon worden vervolgd (zie in die zin arrest Bolloré/Commissie, punt 125 supra, EU:T:2012:325, punten 193–196 […]).’
79.
Gelet op een en ander heeft het Gerecht geconcludeerd dat enkel de dochtermaatschappijen Akzo GmbH en Akzo BV rechtmatig konden aanvoeren dat de in artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 1/2003 voorziene vijfjarige verjaringstermijn ten aanzien van hen was verstreken.
80.
Deze slotsom lijkt mij op twee punten vatbaar voor kritiek.
81.
In de eerste plaats heeft het Gerecht, door de opvatting van de Commissie dat ‘[n]iet kan worden aanvaard dat de verjaring simpelweg van toepassing is wegens een reorganisatie binnen het Akzo-concern’ (zie overweging 527 van de litigieuze beschikking) van de hand te wijzen, en onderscheid te maken tussen de diverse betrokken juridische entiteiten, niet alle gevolgen getrokken uit het afgeleide karakter van de in casu op de moedermaatschappij rustende aansprakelijkheid. Daarmee heeft het Gerecht geen rekening gehouden met het feit dat de sanctiebevoegdheid waarover de Commissie krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 beschikt, betrekking heeft op de onderneming als zodanig, en niet op de natuurlijke of rechtspersonen die er deel van uitmaken30., en dit terwijl de Commissie nu juist rekening had gehouden met de entiteit die de betrokken vennootschappen vormden in het stadium van de oplegging en toerekening van de geldboeten. Dienaangaande lijkt er mij in casu een discrepantie te bestaan tussen de conclusie van het Gerecht en de objectieve vaststelling dat de eerste handelingen die door de Commissie werden verricht tot onderzoek en tot vervolging van de ‘inbreuken’, als geheel genomen, zijn verricht na het verstrijken van de in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1/2003 voorziene termijn.
82.
In de tweede plaats ben ik van mening dat, gelet op het afgeleide karakter van de op de moedermaatschappij rustende aansprakelijkheid, het voordeel van het verstrijken van de verjaringstermijn ook aan haar had moeten toekomen. In dit verband moet worden geconstateerd dat aangaande de in deze zaak voorliggende problematiek, te weten de vaststelling dat de termijn voor verjaring van de sanctiebevoegdheid wel degelijk was verstreken voor de eerste inbreukperiode, geen enkele individuele factor in casu kenmerkend was voor, respectievelijk enerzijds, dochtermaatschappijen Akzo GmbH en Akzo BV, en, anderzijds, moedermaatschappij Akzo Nobel. Aangezien de aansprakelijkheid van Akzo Nobel dus slechts een afgeleide is van die van haar dochtermaatschappijen, lijkt mij dat haar ook het voordeel moet toekomen van het verstrijken van de verjaringstermijn, tenzij wordt aangenomen dat zij rechtsreeks betrokken is geweest bij de litigieuze mededingingsregelingen.
83.
Het door de Commissie genoemde feit dat er sprake was van één enkele, voortdurende inbreuk, die zich zelfs heeft gemanifesteerd na de inbreukperiode waarop de onderhavige hogere voorziening precies betrekking heeft, lijkt mij niet relevant binnen deze context, waarin, bij gebreke van persoonlijke betrokkenheid van de moedermaatschappij, en dus rekening houdend met het afgeleide karakter van haar aansprakelijkheid (zie punt 82 van de onderhavige conclusie), niet is gebleken dat de aan de orde zijnde gedraging wordt gekenmerkt door het voortduren van de schuldige opzet van de pleger ervan.
84.
In de derde en laatste plaats ben ik, in tegenstelling tot het door de Commissie verdedigde standpunt, van mening dat de conclusie van het Gerecht geen enkele solide steun vindt in de lijn in de rechtspraak die is uitgezet door het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190). Een verwijzing naar dat arrest heeft het Gerecht overigens niet opportuun geacht, niettegenstaande de aandacht die nu juist op dat arret was gevestigd in de loop van de procedure (zie punt 46 van de onderhavige conclusie).
85.
In dat door de Grote kamer gewezen arrest heeft het Hof, in afwijking van het standpunt van de advocaat-generaal31., geoordeeld dat in de situatie waarin alleen de moedermaatschappij beroep heeft ingesteld tegen de eindbeschikking van de Commissie waarbij een geldboete wordt opgelegd, de in artikel 25, lid 6, van verordening nr. 1/2003 voorziene schorsing van de verjaring op het gebied van de oplegging van sancties enkel geldt voor de moedermaatschappij, aangezien de verjaringstermijn voor de dochtermaatschappij blijft lopen.32.
86.
Uit dat laatste arrest volgt dus dat dit — zeer zeker gemotiveerd door een vereiste van rechtszekerheid en een gebod tot naleving van de rechten van de verdediging van de betrokken juridische entiteiten33. — een grens stelt aan het inroepen van het begrip economische entiteit wanneer sprake is van een uitbreiding tot een vennootschap van de ‘schorsing’ van de verjaring die is vastgesteld ten aanzien van een andere vennootschap waarmee zij, op de datum waarop de inbreuk werd geconstateerd, een en dezelfde economische entiteit vormde.
87.
Dit neemt niet weg dat, wat daarentegen de afzonderlijke vraag betreft van de ‘stuiting’ van de verjaring, het Hof de conclusie van het Gerecht heeft bevestigd volgens welke de stuiting gold voor alle ondernemingen die deel hadden genomen aan de desbetreffende inbreuk, ook al waren zij op de dag van de stuitingshandeling nog onbekend, door te oordelen dat handelingen die de verjaring stuitten, wegens de toerekenbaarheid van de inbreukmakende gedraging van TradeARBED aan ARBED en de omstandigheid dat TradeARBED en ARBED een economische entiteit vormden, aan ARBED konden worden tegengeworpen.34.
88.
Hetzelfde geldt mijns inziens wanneer er, zoals in casu, sprake is van het verstrijken van de verjaringstermijn ingevolge artikel 25 van verordening nr. 1/2003 ten aanzien van de dochtermaatschappij. De werking van het verval van de verjaringstermijn kan, voor één en dezelfde gelaakte gedraging, niet beperkt blijven tot de entiteit die de rechtstreekse pleger is van die gedraging, maar dient zich uit te breiden tot de entiteiten waaraan de aansprakelijkheid voor diezelfde gedraging wordt toegerekend. Wanneer de mogelijkheid voor de Commissie om een onderneming voor een bepaalde gedraging een sanctie op te leggen door het effect zelf van de verjaring tenietgaat, dient het voordeel van dit verval toe te komen aan alle juridische entiteiten die voor die gedraging aansprakelijk worden gehouden.
89.
Ten slotte lijkt het mij dat, hoewel vaststaat dat de Commissie in het stadium van de toerekening van de aansprakelijkheid voor mededingingsverstorende gedragingen met recht een unitaire benadering, gebaseerd op het functionele begrip ‘onderneming’, kan verdedigen, zij alle implicaties dient te onderzoeken van deze benadering in het stadium van de bestraffing van deze gedragingen, ook wanneer de problematiek van de verjaring van haar sanctiebevoegdheid aan de orde is.
90.
Om al deze redenen ben ik van mening dat het enige door rekwirantes aangevoerde middel gegrond is. Hieruit volgt dat het bestreden arrest moet worden vernietigd, voor zover het Gerecht daarin niet is overgegaan tot aanpassing van het bedrag van de geldboete die is opgelegd respectievelijk aan de moedermaatschappij Akzo Nobel en aan haar dochtermaatschappijen met betrekking tot de eerste inbreukperiode.
91.
In geval van gegrondheid van de hogere voorziening kan het Hof krachtens artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, wanneer de beslissing van het Gerecht wordt vernietigd, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Dit lijkt me in deze zaak het geval.
V — Conclusie
92.
Om alle hierboven uiteengezette redenen geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
- ‘1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 15 juli 2015, Akzo Nobel e.a./Commissie (T-47/10, EU:T:2015:506) wordt vernietigd voor zover daarin is geoordeeld dat de aansprakelijkheid voor de geldboeten die aanvankelijk aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV waren opgelegd wegens hun deelname aan de inbreuken, voor de periode voorafgaand aan 28 juni 1993 nog steeds aan Akzo Nobel NV kon worden toegerekend.
- 2)
Beschikking C(2009) 8682 definitief van de Commissie van 11 november 2009 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG en van artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) (zaak COMP/38.589 — Hittestabilisatoren) wordt nietig verklaard voor zover deze met betrekking tot de periode voorafgaand aan 28 juni 1993 een geldboete oplegt aan Akzo Nobel NV wegens het inbreukmakende gedrag van Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV.
- 3)
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑12‑2016
Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1).
Zie met name arresten van 10 juli 2014, Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C-295/12 P, EU:C:2014:2062, punt 99), en 24 oktober 2013, Kone e.a./Commissie (C-510/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:696, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arresten van 14 juli 1972, Imperial Chemical Industries/Commissie (48/69, EU:C:1972:70), en 21 februari 1973, Europemballage en Continental Can/Commissie (6/72, EU:C:1973:22).
Dit beginsel werd van toepassing geoordeeld ‘gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsmede op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties’ [zie arrest van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni (C-49/92 P, EU:C:1999:356, punt 78].
Zie reeds aangehaalde rechtspraak. Zie ook arrest van 24 juni 2015, Fresh Del Monte Produce/Commissie en Commissie/Fresh Del Monte Produce (C-293/13 P en C-294/13 P, EU:C:2015:416, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie met name arrest van 19 juli 2012, Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C-628/10 P en C-14/11 P, EU:C:2012:479, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie recent het arrest van 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 35).
Dat daadwerkelijk toezicht op vennootschappen wordt uitgeoefend kan worden aangetoond door te wijzen op de kapitaalstructuur van het concern, maar ook door andere elementen, zoals de bevoegdheid tot aanwijzing van de leidinggevenden van de bij de inbreuk betrokken vennootschappen.
Arrest van 25 oktober 1983 (107/82, EU:C:1983:293, punt 50).
Arrest van 10 september 2009 (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punten 60–64).
Zie met name arrest van 29 september 2011, Arkema/Commissie (C-520/09 P, EU:C:2011:619, punten 42 en 48).
Zie arrest van 17 september 2015 (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Cursivering door mij.
Zie uit de omvangrijke rechtspraak de arresten van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie (C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 59); 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie (C-90/09 P, EU:C:2011:21, punt 38); 11 juli 2013, Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje (C-440/11 P, EU:C:2013:514, punt 42), en 16 juni 2016, Evonik Degussa en AlzChem/Commissie (C-155/14 P, EU:C:2016:446, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arresten van 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a. (C-231/11 P–C-233/11 P, EU:C:2014:256, punt 47), en 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C-50/12 P, EU:C:2013:771, punt 55). Zie ook arrest van 27 juni 2012, Bolloré/Commissie (T-372/10, EU:T:2012:325, punt 194).
Met betrekking tot de verschillen tussen de benaderingen van het Hof verwijs ik tevens naar mijn conclusie in de zaak Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:207, punten 38–43).
Zie met name arrest van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C-50/12 P, EU:C:2013:771, punt 58).
Zie met name arrest van 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 41).
Zie in die zin arresten van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins (C-286/11 P, EU:C:2013:29, punten 37, 39, 43 en 49), en 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 38).
Arrest van 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 41).
Zie mijn conclusie in de zaak Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 65).
Zie mijn conclusie in de zaak Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 50).
Zie arrest van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie (C-521/09 P, EU:C:2011:620, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie mijn conclusie in de zaak Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 52).
Het gaat om de krachtens de artikelen 23 en 24 van verordening nr. 1/2003 aan de Commissie toegekende bevoegdheid om geldboeten of dwangsommen op te leggen.
Zie overweging 527 van de litigieuze beschikking.
Uit dat arrest van het Gerecht volgt dat de verjaringsregels niet van toepassing zijn op de bevoegdheid van de Commissie om een inbreuk vast te stellen; gelet op het arrest van 2 maart 1983, GVL/Commissie, 7/82, EU:C:1983:52, dient de Commissie aan te tonen dat zij een legitiem belang heeft om een inbreuk vast te stellen na het verstrijken van de verjaringstermijn.
In dat punt wordt verklaard dat ‘de eventuele omstandigheid dat de dochteronderneming niet meer voor de vastgestelde inbreuk kan worden beboet, zij het omdat deze dochteronderneming niet langer bestaat of — zoals verzoekster in casu stelt — omdat de verjaring ten gunste van deze dochteronderneming is ingetreden, van geen belang [is] voor de vraag of de moederonderneming, die wegens de economische entiteit met haar dochteronderneming wordt geacht zelf de inbreukmaker te zijn, kan worden beboet. De moederonderneming is weliswaar niet aansprakelijk indien is aangetoond dat geen inbreuk is gemaakt, maar deze aansprakelijkheid kan niet verdwijnen doordat de sanctie jegens de dochter is verjaard. Door de verjaring in de zin van artikel 25 van verordening nr. 1/2003 verdwijnt een inbreuk namelijk niet, maar ontkomt alleen degene jegens wie de verjaring is ingetreden, aan een sanctie’. Ik wijs erop dat het Hof zich, in het stadium van de hogere voorziening, in het arrest van 8 mei 2014, Bolloré/Commissie, C-414/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:301, niet over de gegrondheid van deze overwegingen heeft uitgesproken.
Zie in die zin arrest van 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a. (C-231/11 P–C-233/11 P, EU:C:2014:256, punt 56).
Volgens advocaat-generaal Bot moet aan de schorsing van de verjaring als gevolg van de inleiding van een procedure voor de Unierechter door een van de bij de inbreuk betrokken vennootschappen, een erga-omneswerking worden verbonden. Conclusie van advocaat-generaal Bot in de gevoegde zaken, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2010:634, met name punt 73, waarin wordt verklaard: ‘[d]e verjaring is […] enkel gekoppeld aan feiten. Zij heeft een reëel karakter, dat losstaat van de betrokken personen. Wanneer een eventueel optreden van de Commissie eindigt als gevolg van verjaring, geldt dit voor alle betrokken feiten en voor alle deelnemers’).
Zie punten 141 tot en met 149 van het arrest.
In het arrest van 31 maart 2009, ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie (T-405/06, EU:T:2009:90, punt 158), heeft het Gerecht, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, met name beklemtoond dat de rechtspersoon aan wie de mededeling van punten van bezwaar is geadresseerd, de enige is die beroep kan instellen tegen de beschikking die aan het eind van de administratieve procedure is vastgesteld, en derhalve de enige is aan wie de schorsing van de verjaring kan worden tegengeworpen.
Zie arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190, punt 110).
Uitspraak 27‑04‑2016
Mrs. J. L. da Cruz Vilaça, M. Berger, A. Borg Barthet, E. Levits, F. Biltgen
Partij(en)
In zaak C-516/15 P,*
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 24 september 2015,
Akzo Nobel NV, gevestigd te Amsterdam (Nederland),
Akzo Nobel Chemicals GmbH, gevestigd te Düren (Duitsland),
Akzo Nobel Chemicals BV, gevestigd te Amersfoort (Nederland),
vertegenwoordigd door C. Swaak en R. Wesseling, advocaten,
rekwirantes,
andere partijen in de procedure:
Akcros Chemicals Ltd, gevestigd te Warwickshire (Verenigd Koninkrijk),
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Bottka en P. Rossi als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça (rapporteur), kamerpresident, M. Berger, A. Borg Barthet, E. Levits en F. Biltgen, rechters,
advocaat-generaal: N. Wahl,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 december 2016,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorziening verzoeken Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 15 juli 2015, Akzo Nobel e.a./Commissie (T-47/10, EU:T:2015:506; hierna: ‘bestreden arrest’), waarbij het Gerecht hun beroep — dat primair strekte tot nietigverklaring van beschikking C(2009) 8682 definitief van de Commissie van 11 november 2009 inzake een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (zaak COMP/38.589 — Hittestabilisatoren) (hierna: ‘litigieuze beschikking’), en subsidiair tot vermindering van het bedrag van de hun opgelegde geldboeten — slechts gedeeltelijk heeft toegewezen.
Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 7 (‘Vaststelling en beëindiging van inbreuken’) van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1), bepaalt in lid 1:
‘Wanneer de Commissie, naar aanleiding van een klacht of ambtshalve, een inbreuk op artikel 81 of artikel 82 [EG] vaststelt, kan zij bij beschikking de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen gelasten een einde aan de vastgestelde inbreuk te maken. […] De Commissie kan ook een reeds beëindigde inbreuk vaststellen, indien zij hierbij een legitiem belang heeft.’
3
Artikel 23 van deze verordening, met als opschrift ‘Geldboeten’, bepaalt in lid 2:
‘De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid:
- a)
inbreuk maken op artikel 81 of artikel 82 [EG]; […]
[…]’
4
Artikel 25 van dezelfde verordening, met als opschrift ‘Verjaring ter zake van de oplegging van sancties’, bepaalt in de leden 1 tot en met 3:
- ‘1.
De bevoegdheid van de Commissie overeenkomstig [artikel 23] verjaart
- a)
na drie jaar bij inbreuken op de bepalingen betreffende het inwinnen van inlichtingen en het verrichten van inspecties;
- b)
na vijf jaar bij de overige inbreuken.
- 2.
De verjaringstermijn gaat in op de dag waarop de inbreuk is gepleegd. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de verjaringstermijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.
- 3.
De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt gestuit door elke handeling van de Commissie of van de mededingingsautoriteit van een lidstaat ter instructie of vervolging van de inbreuk. […]’
Voorgeschiedenis van het geding
5
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 50 van het bestreden arrest uiteengezet. Voor een goed begrip van de onderhavige zaak dienen de volgende gegevens in herinnering te worden gebracht.
6
Bij de litigieuze beschikking heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat enkele ondernemingen inbreuk hebben gemaakt op artikel 81 EG en op artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3) door deel te nemen aan twee mededingingsverstorende reeksen overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte betreffende ten eerste de sector van de tinstabilisatoren en ten tweede de sector van de geëpoxideerde sojaoliën en esters (hierna: ‘sector ESBO/esters’).
7
Volgens artikel 1 van de litigieuze beschikking bestonden de twee door de Commissie geconstateerde inbreuken, die betrekking hadden op beide genoemde categorieën van hittestabilisatoren, in de vaststelling van de prijzen, de verdeling van de markten door middel van verkoopquota, de verdeling van de klanten en de uitwisseling van gevoelige handelsinformatie, in het bijzonder over de klanten, de productie en de verkoop.
8
In de litigieuze beschikking heet het dat de betrokken ondernemingen aan deze inbreuken hebben deelgenomen tijdens verschillende perioden tussen 24 februari 1987 en 21 maart 2000 wat de sector van de tinstabilisatoren betreft, en tussen 11 september 1991 en 22 maart 2000 wat de sector ESBO/esters betreft.
9
De litigieuze beschikking is voor elk van de inbreuken gericht tot 20 vennootschappen, die hetzij rechtstreeks aan de inbreuken in kwestie hebben deelgenomen, hetzij daarvoor als moedermaatschappijen aansprakelijk zijn gehouden.
10
Met betrekking tot de toerekening van de inbreuken zij opgemerkt dat Akzo Nobel, Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akcros Chemicals Ltd volgens artikel 1 van de litigieuze beschikking aansprakelijk zijn voor hun deelneming aan de inbreuk betreffende tinstabilisatoren tijdens de periode van 24 februari 1987 tot 21 maart 2000 wat Akzo Nobel betreft, van 24 februari 1987 tot 28 juni 1993 wat Akzo Nobel Chemicals GmbH betreft, en van 28 juni 1993 tot 21 maart 2000 wat Akcros Chemicals betreft.
11
Evenzo zijn Akzo Nobel, Akzo Nobel Chemicals BV en Akcros Chemicals volgens datzelfde artikel 1 van de litigieuze beschikking aansprakelijk voor hun deelneming aan de inbreuk betreffende de sector ESBO/esters tijdens de periode van 11 september 1991 tot 22 maart 2000 wat Akzo Nobel betreft, van 11 september 1991 tot 28 juni 1993 wat Akzo Nobel Chemicals BV betreft, en van 28 juni 1993 tot 22 maart 2000 wat Akcros Chemicals betreft.
12
Voorts heeft de Commissie de deelneming van Akzo Nobel, Akzo Nobel Chemicals GmbH, Akzo Nobel Chemicals BV en Akcros Chemicals aan de inbreuken ingedeeld in drie afzonderlijke inbreukperioden.
13
Met betrekking tot de inbreukperiode vóór 28 juni 1993 (hierna: ‘eerste inbreukperiode’) heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat vennootschappen die indirect voor 100 % in handen waren van Akzo NV, thans Akzo Nobel, rechtstreeks aan de inbreuken hebben deelgenomen, te weten Akzo Nobel Chemicals GmbH wat de inbreuk ter zake van tinstabilisatoren betreft en Akzo Nobel Chemicals BV wat de inbreuk ter zake van de sector ESBO/esters betreft.
14
Met betrekking tot de tweede inbreukperiode, die zich uitstrekt van 28 juni 1993 tot 2 oktober 1998, heeft de Commissie vastgesteld dat rechtstreeks aan de inbreuken is deelgenomen door het partnerschap Akcros Chemicals, dat de productie en verkoop van hittestabilisatoren van de groep Akzo centraliseerde en geen eigen rechtspersoonlijkheid had.
15
Met betrekking tot de derde inbreukperiode — die zich uitstrekt van 2 oktober 1998 tot 21 maart 2000 wat tinstabilisatoren betreft, en van 2 oktober 1998 tot 22 maart 2000 wat de sector ESBO/esters betreft — was de Commissie van mening dat Akcros Chemicals, dat de activiteiten van het partnerschap Akcros Chemicals had overgenomen, rechtstreeks aan de inbreuken had deelgenomen.
16
Aldus is Akzo Nobel — als topholding van een groep van vennootschappen waarvan sommige rechtstreeks aan de mededingingsregelingen hebben deelgenomen — in de litigieuze beschikking aansprakelijk gehouden voor de gehele inbreukperiode, dat wil zeggen van 24 februari 1987 tot 22 maart 2000.
17
Wat de oplegging van geldboeten betreft, is in artikel 2 van de litigieuze beschikking het volgende bepaald:
‘Wegens de [inbreuk] op de markt van de tinstabilisatoren […] worden de volgende geldboeten opgelegd:
[…]
- 4)
[Akzo Nobel], [Akzo Nobel Chemicals GmbH] en [Akcros Chemicals] zijn hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 1 580 000 EUR;
[…]
- 6)
[Akzo Nobel] en [Akzo Nobel Chemicals GmbH] zijn hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 9 820 000 EUR;
- 7)
[Akzo Nobel] is aansprakelijk ten belope van 1 432 700 EUR;
[…]
Wegens de [inbreuk] in de [sector ESBO/esters] worden de volgende geldboeten opgelegd:
[…]
- 21)
[Akzo Nobel], [Akzo Nobel Chemicals BV] en [Akcros Chemicals] zijn hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 2 033 000 EUR;
[…]
- 23)
[Akzo Nobel] en [Akzo Nobel Chemicals BV] zijn hoofdelijk aansprakelijk ten belope van 3 467 000 EUR;
- 24)
[Akzo Nobel] is aansprakelijk ten belope van 2 215 303 EUR;
[…]’.
18
Bij beschikking van de Commissie van 30 juni 2011 is de litigieuze beschikking gewijzigd voor zover deze was gericht tot Akzo Nobel en Akcros Chemicals (hierna: ‘wijzigingsbeschikking’).
19
In overweging 1 van de wijzigingsbeschikking heeft de Commissie in herinnering gebracht dat zij bij de litigieuze beschikking aan Akzo Nobel en Akcros Chemicals, ‘gezamenlijk en hoofdelijk’ met Elementis plc, Elementis Holdings Limited en Elementis Services Limited, geldboeten heeft opgelegd.
20
In overweging 2 van de wijzigingsbeschikking heeft de Commissie vermeld dat zij naar aanleiding van het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190), heeft besloten de litigieuze beschikking in te trekken voor zover deze was gericht tot met name Elementis en Elementis Holdings Limited.
21
De Commissie heeft de litigieuze beschikking dan ook gewijzigd voor zover deze was gericht tot Akzo Nobel en Akcros Chemicals en voor zover deze vennootschappen met Elementis hoofdelijk aansprakelijk waren gehouden voor de opgelegde geldboeten.
22
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 september 2011, hebben Akzo Nobel en Akcros Chemicals beroep ingesteld tegen de wijzigingsbeschikking. Deze beschikking is door het Gerecht nietig verklaard bij arrest van 15 juli 2015, Akzo Nobel en Akcros Chemicals/Commissie (T-485/11, EU:T:2015:517).
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
23
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 januari 2010, hebben Akzo Nobel, Akzo Nobel Chemicals GmbH, Akzo Nobel Chemicals BV en Akcros Chemicals verzocht om nietigverklaring van de litigieuze beschikking en subsidiair om vermindering van het bedrag van de hun opgelegde geldboeten.
24
Ter ondersteuning van hun beroep hebben de betrokken vennootschappen vijf middelen aangevoerd, waarvan het eerste betrekking had op schending van de verjaringsregels. In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel, waarin zij hebben gesteld dat artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 1/2003 was geschonden, hebben zij betoogd dat de Commissie vanaf 28 juni 1998 niet meer tegen Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV kon optreden, aangezien deze hun deelneming aan de inbreuken op 28 juni 1993 hadden gestaakt. Dientengevolge konden noch deze twee vennootschappen noch Akzo Nobel als moedermaatschappij van die vennootschappen op enigerlei wijze aansprakelijk worden gehouden voor de eerste inbreukperiode.
25
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht artikel 2, punten 4, 6, 21 en 23, van de litigieuze beschikking nietig verklaard wegens verjaring, voor zover daarin aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV geldboeten waren opgelegd voor de eerste inbreukperiode, en het beroep voor het overige verworpen.
Conclusies van partijen
26
Rekwirantes verzoeken het Hof:
- —
primair, het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarin wordt geoordeeld dat de aansprakelijkheid voor de geldboeten die aanvankelijk aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV waren opgelegd wegens hun deelneming aan de inbreuken, na de nietigverklaring van deze geldboeten door het Gerecht, nog steeds aan Akzo Nobel kan worden toegerekend;
- —
de litigieuze beschikking, en inzonderheid artikel 1, lid 1, onder b), en lid 2, onder b), nietig te verklaren voor zover in deze beschikking wordt vastgesteld dat Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV aan de inbreuken hebben deelgenomen;
- —
de litigieuze beschikking nietig te verklaren voor zover daarin de aansprakelijkheid voor het inbreukmakende gedrag van Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV wordt toegerekend aan Akzo Nobel en/of aan laatstgenoemde vennootschap wegens dat gedrag een geldboete wordt opgelegd, inzonderheid artikel 1, lid 1, onder a), wat de periode van 24 februari 1987 tot 28 juni 1993 betreft, artikel 1, lid 2, onder a), wat de periode van 11 september 1991 tot 28 juni 1993 betreft, en/of artikel 2, leden 6 en 23;
- —
subsidiair, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, alsook
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten.
27
De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirantes in de kosten.
Hogere voorziening
28
Met hun enige middel verwijten rekwirantes het Gerecht in wezen de regels inzake de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen voor het inbreukmakende gedrag van hun dochterondernemingen te hebben geschonden.
Argumenten van partijen
29
Rekwirantes merken op dat het Hof recentelijk in zijn arrest van 17 september 2015, Total/Commissie (C-597/13 P, EU:C:2015:613), heeft bevestigd dat de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij niet verder kan gaan dan die van haar dochteronderneming, indien haar aansprakelijkheid volledig is afgeleid van die van haar dochteronderneming. Als in een dergelijk geval de moedermaatschappij een beroep heeft ingesteld met hetzelfde voorwerp als het door de dochteronderneming ingestelde beroep, dient de moedermaatschappij voordeel te trekken van de gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete.
30
Derhalve had de nietigverklaring van de aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV opgelegde geldboeten volgens rekwirantes moeten leiden tot de intrekking van de aan Akzo Nobel als moedermaatschappij voor de eerste inbreukperiode opgelegde geldboete, aangezien deze geldboete haar enkel was opgelegd wegens de rechtstreekse deelneming van haar dochterondernemingen aan de inbreuken. De aansprakelijkheid van Akzo Nobel was dus uitsluitend afgeleid van die van haar dochterondernemingen in de zin van het arrest van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins (C-286/11 P, EU:C:2013:29).
31
In dit verband beklemtonen rekwirantes dat het Hof in de arresten van 26 november 2013, Kendrion/Commissie (C-50/12 P, EU:C:2013:771), en 30 april 2014, FLSmidth/Commissie (C-238/12 P, EU:C:2014:284), lijkt te zijn voorbijgegaan aan het beginsel dat de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij niet verder kan gaan dan die van haar dochteronderneming. In de regel berust de redenering van het Hof volgens hen evenwel op de premisse dat in het geval waarin de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij uitsluitend is gebaseerd op de handelingen van haar dochteronderneming, een deel van de aan de moedermaatschappij opgelegde geldboete elke rechtsgrondslag ontbeert indien voor haar een hoger boetebedrag wordt gehandhaafd dan uiteindelijk door haar dochteronderneming verschuldigd is.
32
Rekwirantes zijn van mening dat de toepassing van het beginsel dat de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij niet verder kan gaan dan die van haar dochteronderneming, in casu bijzonder relevant is, aangezien de nietigverklaring van de aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV opgelegde geldboeten had moeten leiden tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking in haar geheel ten aanzien van deze twee vennootschappen.
33
Dienaangaande merken rekwirantes op dat de Commissie na de uitspraak van het arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a. (C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190), is geconfronteerd met het feit dat zij geen geldboete meer kon opleggen aan Elementis en Ciba/BASF omdat deze mogelijkheid verjaard was. Zoals blijkt uit de wijzigingsbeschikking, heeft de Commissie dus niet alleen de geldboeten ingetrokken, maar is zij ook teruggekomen van de constatering dat deze ondernemingen op enigerlei wijze hebben deelgenomen aan de inbreuken.
34
Volgens rekwirantes had de Commissie op grond van het beginsel van gelijke behandeling en teneinde alle consequenties te trekken uit het bestreden arrest in de zin van artikel 266, eerste alinea, VWEU, dezelfde benadering moeten volgen ten aanzien van Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV. In de litigieuze beschikking werd echter nog steeds vastgesteld dat laatstgenoemde ondernemingen zich schuldig hadden gemaakt aan een inbreuk. Bovendien toont de Commissie volgens rekwirantes in casu niet aan dat zij een legitiem belang heeft bij dit soort vaststelling, terwijl artikel 7 van verordening nr. 1/2003 vereist dat zij een dergelijk belang heeft.
35
De Commissie betoogt dat het enige middel van rekwirantes moet worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
Ontvankelijkheid
36
De grieven van rekwirantes volgens welke de Commissie het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden en er geen sprake is van een legitiem belang — in de zin van artikel 7, lid 1, laatste volzin, van verordening nr. 1/2003 — dat de vaststelling rechtvaardigt dat Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV hebben deelgenomen aan de inbreuken in kwestie, zijn blijkens het onderzoek van het aan het Hof overgelegde dossier niet aangevoerd in eerste aanleg.
37
Rekwirantes hebben voor het Gerecht namelijk enkel gesteld dat zij, gelet op het feit dat de verjaringstermijn ten aanzien van Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV was verstreken, op generlei wijze aansprakelijk konden worden gesteld.
38
Het is vaste rechtspraak dat, wanneer een partij middelen en argumenten die zij voor het Gerecht niet heeft aangevoerd, voor het eerst voor het Hof zou mogen aanvoeren, het haar in feite zou worden toegestaan om bij het Hof — waarvan de bevoegdheid in hogere voorziening beperkt is — een geschil aanhangig te maken dat een ruimere strekking heeft dan het geschil waarvan het Gerecht kennis heeft genomen. In hogere voorziening is het Hof dus alleen bevoegd om de beoordeling door het Gerecht van de in eerste aanleg besproken middelen en argumenten te onderzoeken (zie met name arrest van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C-194/14 P, EU:C:2015:717, punt 54).
39
De aldus door rekwirantes verwoorde grieven moeten dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
40
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht ingestemd met de argumentatie van rekwirantes voor zover deze betoogden dat artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 1/2003 eraan in de weg stond dat de Commissie geldboeten oplegde aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV. Het Gerecht heeft artikel 2, punten 4, 6, 21 en 23, van de litigieuze beschikking dan ook nietig verklaard voor zover daarin aan deze vennootschappen geldboeten waren opgelegd voor de eerste inbreukperiode.
41
Dienaangaande heeft het Gerecht in de punten 121, 123 en 124 van het bestreden arrest in wezen opgemerkt dat de eerste handelingen van de Commissie ter instructie of vervolging van de inbreuken in de zin van artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1/2003 zijn verricht aan het begin van 2003 en dus nadat ten aanzien van Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 25, lid 1, onder b), van die verordening was verstreken, aangezien die vennootschappen op 28 juni 1993 hun deelneming aan de mededingingsregelingen hadden gestaakt.
42
Daarentegen heeft het Gerecht in de punten 125 en 126 van het bestreden arrest in wezen geoordeeld dat de verjaring weliswaar kon worden aangevoerd door Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV, en tot gevolg had dat deze vennootschappen ontkwamen aan sancties, maar niet van invloed was op de aansprakelijkheid van hun moedermaatschappij wat de eerste inbreukperiode betreft.
43
Met name heeft het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest geoordeeld dat ‘het feit alleen dat voor een dochteronderneming van een groep van vennootschappen in de zin van een economische entiteit de verjaringstermijn [is] verstreken, niet tot gevolg [heeft] dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ter discussie [komt] te staan en dat deze niet meer [kan] worden vervolgd’.
44
Rewirantes betwisten hoofdzakelijk de gegrondheid van deze overwegingen van het Gerecht.
45
Derhalve dient te worden onderzocht of de verjaring van de bevoegdheid van de Commissie om sancties op te leggen aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV, in tegenstelling tot de door het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest gemaakte gevolgtrekking, eraan in de weg stond dat Akzo Nobel aansprakelijk werd gesteld voor de eerste inbreukperiode.
46
Dienaangaande zij in de eerste plaats opgemerkt dat de auteurs van de Verdragen ervoor gekozen hebben het begrip ‘onderneming’ te gebruiken ter aanduiding van de pleger van een inbreuk op het mededingingsrecht die overeenkomstig de artikelen 81 of 82 EG — thans de artikelen 101 of 102 VWEU — kan worden bestraft (arrest van 18 juli 2013, Schindler Holding e.a./Commissie, C-501/11 P, EU:C:2013:522, punt 102).
47
Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het mededingingsrecht van de Unie ziet op de activiteiten van ondernemingen en dat het begrip ‘onderneming’ elke entiteit omvat die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van die entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (arrest van 11 december 2007, ETI e.a., C-280/06, EU:C:2007:775, punt 38).
48
Voorts heeft het Hof gepreciseerd dat onder het begrip ‘onderneming’ in deze context een economische eenheid moet worden verstaan, ook al wordt deze uit juridisch oogpunt gevormd door verschillende natuurlijke of rechtspersonen (arrest van 20 januari 2011, General Química e.a./Commissie, C-90/09 P, EU:C:2011:21, punt 35).
49
Wanneer een dergelijke economische entiteit de mededingingsregels schendt, moet zij — overeenkomstig het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid — de verantwoordelijkheid dragen voor deze inbreuk (arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190, punt 95).
50
In de tweede plaats moet de schending van het mededingingsrecht van de Unie op ondubbelzinnige wijze worden toegerekend aan een rechtspersoon waaraan een geldboete zal kunnen worden opgelegd en waaraan de mededeling van punten van bezwaar moet worden toegezonden (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 57).
51
Noch in artikel 23, lid 2, onder a), van verordening nr. 1/2003 noch in de rechtspraak wordt bepaald welke natuurlijke of rechtspersoon de Commissie aansprakelijk dient te stellen voor de inbreuk en dient te bestraffen door oplegging van een geldboete (zie in die zin arrest van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie, C-444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punt 159).
52
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan het inbreukmakende gedrag van een dochteronderneming evenwel aan de moedermaatschappij worden toegerekend, inzonderheid wanneer deze dochteronderneming ondanks het bezit van een eigen rechtspersoonlijkheid niet zelfstandig haar marktgedrag bepaalt, maar hoofdzakelijk de haar door de moedermaatschappij gegeven instructies volgt, met name gelet op de economische, organisatorische en juridische banden tussen deze twee juridische entiteiten (zie in die zin arresten van 14 juli 1972, Imperial Chemical Industries/Commissie, 48/69, EU:C:1972:70, punten 131-133; 25 oktober 1983, AEG-Telefunken/Commissie, 107/82, EU:C:1983:293, punten 49-53; 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie, C-444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punt 157, en 17 september 2015, Total/Commissie, C-597/13 P, EU:C:2015:613, punt 35).
53
In een dergelijke situatie maken de moedermaatschappij en haar dochteronderneming namelijk deel uit van dezelfde economische eenheid en vormen zij bijgevolg één onderneming in de zin van het mededingingsrecht van de Unie (arrest van 11 juli 2013, Team Relocations e.a./Commissie, C-444/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:464, punt 157).
54
In het bijzondere geval waarin een moedermaatschappij in het bezit is van het gehele of nagenoeg het gehele kapitaal van haar dochteronderneming die de mededingingsregels van de Unie heeft geschonden, bestaat er een weerlegbaar vermoeden dat die moedermaatschappij daadwerkelijk een beslissende invloed uitoefent op haar dochteronderneming (zie in die zin arrest van 26 november 2013, Groupe Gascogne/Commissie, C-58/12 P, EU:C:2013:770, punt 38).
55
Tenzij een dergelijk vermoeden wordt weerlegd, impliceert het dat de daadwerkelijke uitoefening door de moedermaatschappij van een beslissende invloed op haar dochteronderneming wordt geacht vast te staan en voor de Commissie een reden vormt om de moedermaatschappij aansprakelijk te stellen voor het gedrag van haar dochteronderneming zonder dat zij enig aanvullend bewijs hoeft aan te dragen (zie in die zin arrest van 16 juni 2016, Evonik Degussa en AlzChem/Commissie, C-155/14 P, EU:C:2016:446, punt 30).
56
In de derde plaats zij opgemerkt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de moedermaatschappij waaraan het inbreukmakende gedrag van haar dochteronderneming is toegerekend, persoonlijk wordt veroordeeld wegens een overtreding van de mededingingsregels van de Unie die zij wordt geacht zelf te hebben begaan omdat zij een beslissende invloed uitoefende op haar dochteronderneming, die haar in staat stelde het marktgedrag van die onderneming te bepalen (zie in die zin arresten van 14 juli 1972, Imperial Chemical Industries/Commissie, 48/69, EU:C:1972:70, punten 140 en 141; 16 november 2000, Metsä-Serla e.a./Commissie, C-294/98 P, EU:C:2000:632, punten 28 en 34; 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C-50/12 P, EU:C:2013:771, punt 55; 10 april 2014, Commissie e.a./Siemens Österreich e.a., C-231/11 P-C-233/11 P, EU:C:2014:256, punt 49, en 8 mei 2014, Bolloré/Commissie, C-414/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:301, punt 44).
57
Zoals in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, berust het mededingingsrecht van de Unie op het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid van de economische eenheid die dat recht heeft geschonden. Als de moedermaatschappij deel uitmaakt van deze economische eenheid, wordt zij dan ook geacht persoonlijk en — met de andere rechtspersonen waaruit die eenheid bestaat — hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de gepleegde inbreuk (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Akzo Nobel e.a./Commissie, C-97/08 P, EU:C:2009:536, punt 77).
58
Om die reden kan de hoofdelijkheid tussen twee vennootschappen die een economische eenheid vormen, wat de betaling van de geldboete betreft, niet worden beperkt tot een soort borgstelling door de moedermaatschappij voor de betaling van de aan de dochteronderneming opgelegde geldboete (zie in die zin arresten van 26 november 2013, Kendrion/Commissie, C-50/12 P, EU:C:2013:771, punten 55 en 56, en 19 juni 2014, FLS Plast/Commissie, C-243/12 P, EU:C:2014:2006, punt 107).
59
In de vierde plaats kan het Gerecht volgens de rechtspraak van het Hof, in het geval dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij uitsluitend voortvloeit uit de rechtstreekse deelneming van haar dochteronderneming aan de inbreuk en dat deze twee vennootschappen parallelle beroepen met hetzelfde voorwerp hebben ingesteld, zonder ultra petita uitspraak te doen, rekening houden met het feit dat de vaststelling dat de dochteronderneming een inbreuk heeft gepleegd, met betrekking tot een bepaalde periode nietig is verklaard, en het bedrag van de aan de moedermaatschappij en haar dochteronderneming hoofdelijk opgelegde geldboete evenredig verminderen (zie in die zin arrest van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins, C-286/11 P, EU:C:2013:29, punten 34, 38, 39 en 49).
60
Dienaangaande heeft het Hof opgemerkt, ten eerste, dat welke entiteit ook binnen een economische eenheid slechts aansprakelijk kan worden gesteld indien het bewijs wordt geleverd dat op zijn minst één entiteit de mededingingsregels van de Unie heeft geschonden, hetgeen vastgesteld moet zijn in een onherroepelijk geworden beslissing, en, ten tweede, dat de reden waarom geconstateerd is dat de dochteronderneming geen inbreukmakend gedrag heeft vertoond, niet van belang is (zie in die zin arrest van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins, C-286/11 P, EU:C:2013:29, punten 37 en 38).
61
In die context heeft het Hof verwezen naar het volledig afgeleide karakter van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij, die enkel voortvloeit uit het feit dat een dochteronderneming rechtstreeks aan de inbreuk heeft deelgenomen (zie in die zin arrest van 22 januari 2013, Commissie/Tomkins, C-286/11 P, EU:C:2013:29, punten 34, 38, 43 en 49). In dat geval vindt de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij namelijk haar oorsprong in het inbreukmakende gedrag van haar dochteronderneming, dat aan de moedermaatschappij wordt toegerekend omdat deze vennootschappen een economische eenheid vormen. De aansprakelijkheid van de moedermaatschappij berust dus noodzakelijkerwijs op de feiten die aan de inbreuk van haar dochteronderneming ten grondslag liggen en waarmee haar aansprakelijkheid onlosmakelijk verbonden is.
62
Om dezelfde redenen heeft het Hof gepreciseerd dat in een situatie waarin het aan de moedermaatschappij verweten gedrag niet specifiek wordt gekenmerkt door enig ander element, de vermindering van het bedrag van de geldboete die aan de dochteronderneming is opgelegd en waarvoor deze hoofdelijk verbonden is met haar moedermaatschappij, in beginsel ook de moedermaatschappij ten goede moet komen als aan de gestelde procedurele voorwaarden is voldaan (zie in die zin arrest van 17 september 2015, Total/Commissie, C-597/13 P, EU:C:2015:613, punten 10, 37, 38, 41 en 44).
63
In de vijfde plaats volgt uit de rechtspraak van het Hof dat de verjaring van de bevoegdheid van de Commissie om sancties op te leggen kan zijn ingetreden ten aanzien van de dochteronderneming maar niet ten aanzien van haar moedermaatschappij, ook al berust de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij volledig op het inbreukmakende gedrag van de dochteronderneming (zie in die zin arrest van 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., C-201/09 P en C-216/09 P, EU:C:2011:190, punten 102, 103, 148 en 149).
64
In casu staat vast dat Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV, zoals blijkt uit artikel 1 van de litigieuze beschikking, rechtstreeks hebben deelgenomen aan de mededingingsregelingen in kwestie, respectievelijk van 24 februari 1987 tot 28 juni 1993 en van 11 september 1991 tot 28 juni 1993.
65
Voorts staat vast dat Akzo Nobel tijdens de eerste inbreukperiode indirect het volledige kapitaal van zowel Akzo Nobel Chemicals GmbH als Akzo Nobel Chemicals BV bezat en op deze vennootschappen een beslissende invloed uitoefende, zodat de drie betrokken vennootschappen tijdens die periode een en dezelfde onderneming vormden in de zin van het mededingingsrecht van de Unie.
66
De inbreukmakende handelingen waaraan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV zich tijdens de eerste inbreukperiode schuldig hebben gemaakt, zijn dan ook toegerekend aan Akzo Nobel overeenkomstig de in de punten 52 tot en met 58 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak. Laatstgenoemde vennootschap is bijgevolg persoonlijk veroordeeld wegens — met de mededingingsregels van de Unie strijdige — gedragingen die zij wordt geacht zelf in de loop van die periode te hebben verricht.
67
Tevens staat in casu evenzeer vast dat Akzo Nobel aansprakelijk is gesteld omdat zij tijdens de drie inbreukperioden — te weten van 24 februari 1987 tot 21 maart 2000 wat de inbreuk ter zake van tinstabilisatoren betreft en van 11 september 1991 tot 22 maart 2000 wat de inbreuk ter zake van de sector ESBO/esters betreft — aan de inbreuken in kwestie heeft deelgenomen als topholding van de onderneming Akzo, waarvan verschillende juridische entiteiten, waaronder Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV, rechtstreeks aan de mededingingsregelingen hebben deelgenomen.
68
In dit verband zij opgemerkt dat verzoeksters in eerste aanleg voor het Gerecht enkel voor Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV hadden aangevoerd dat de verjaringstermijn van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 1/2003 was verstreken, omdat deze vennootschappen hun inbreukmakende gedrag op 28 juni 1993 hadden gestaakt.
69
Zoals in de punten 40 en 41 van dit arrest in herinnering is gebracht, heeft het Gerecht gedeeltelijk ingestemd met de argumentatie van verzoeksters in eerste aanleg door te oordelen dat de bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV was verjaard.
70
Zoals het Gerecht in de punten 125 en 126 van het bestreden arrest in wezen heeft onderstreept, impliceert het feit dat de bevoegdheid van de Commissie om sancties op te leggen is verjaard op grond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 1/2003, dat geen enkele sanctie meer kan worden opgelegd aan de vennootschappen ten aanzien waarvan de verjaring is ingetreden.
71
Dat aan bepaalde vennootschappen geen sancties meer kunnen worden opgelegd omdat deze mogelijkheid is verjaard, staat er evenwel niet aan in de weg dat een andere vennootschap die wordt geacht persoonlijk en — met eerstgenoemde vennootschappen — hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor dezelfde mededingingsverstorende gedragingen, en ten aanzien waarvan de verjaring niet is ingetreden, wordt vervolgd.
72
Anders dan rekwirantes aanvoeren, wordt aan deze vaststelling niet afgedaan door de omstandigheid dat de aansprakelijkheid van Akzo Nobel voor de eerste inbreukperiode uitsluitend voortvloeit uit de rechtstreekse deelneming van haar dochterondernemingen aan de mededingingsregelingen.
73
Om te beginnen neemt deze omstandigheid niet weg dat Akzo Nobel wordt geacht de mededingingsverstorende gedragingen met betrekking tot de eerste inbreukperiode zelf te hebben verricht, aangezien zij met Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV een economische eenheid vormde in de zin van de rechtspraak van de Unierechter.
74
Daarnaast volgt — zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 59 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt — uit de in punt 62 van dit arrest vermelde rechtspraak van het Hof dat elementen die specifiek zijn voor de moedermaatschappij, kunnen rechtvaardigen dat haar aansprakelijkheid en die van haar dochteronderneming verschillend worden beoordeeld, ook al zou haar aansprakelijkheid uitsluitend berusten op het inbreukmakende gedrag van die dochteronderneming.
75
Dat is in casu het geval, aangezien Akzo Nobel — anders dan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV, die hun deelneming aan de mededingingsregelingen op 28 juni 1993 hebben gestaakt, zoals in punt 67 van dit arrest is opgemerkt — ook na deze datum bij de inbreuken in kwestie betrokken is geweest, te weten tot 21 en 22 maart 2000 wat respectievelijk de inbreuk betreffende de sector van de tinstabilisatoren en de inbreuk betreffende de sector ESBO/esters betreft.
76
Gelet op voorgaande overwegingen dient te worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 126 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat de verjaring van de bevoegdheid van de Commissie om sancties op te leggen aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV er niet aan in de weg stond dat Akzo Nobel voor de eerste inbreukperiode aansprakelijk werd gesteld.
77
Derhalve dient het enige middel van de hogere voorziening gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond te worden verklaard.
78
Uit een en ander volgt dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden verworpen.
Kosten
79
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
80
Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat bij artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is verklaard op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het enige middel van rekwirantes is afgewezen, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
- 1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2)
Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV worden verwezen in de kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑04‑2016
Procestaal: Engels.