Vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1645. Uit de conclusie voorafgaand aan dat arrest van A-G Hofstee volgt dat ook in die zaak enkel een e-mailbericht was binnengekomen. De akte instellen hoger beroep vermeldde in die zaak – correct - dat een ambtenaar van de griffie van de rechtbank ‘daartoe gemachtigd blijkens de aan de akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht’ verklaarde namens de verdachte hoger beroep in te stellen tegen het bedoelde eindvonnis van de rechtbank (randnummer 6). Ik begrijp dat het hof ook in de onderhavige zaak heeft aangenomen dat het hoger beroep op deze wijze is ingesteld. Ik attendeer er voorts op dat A-G Hofstee in de betreffende conclusie al uit eerdere rechtspraak van Uw Raad afleidde dat een e-mailbericht tegelijk als machtiging tot het instellen van hoger beroep en als appelschriftuur kan worden aangemerkt, en dat Uw Raad ‘niet ambtshalve zal ingrijpen als het oordeel van het hof dat het hoger beroep op de juiste wijze is ingesteld niet zonder meer begrijpelijk is’ (randnummers 11 tot en met 13).
HR, 16-05-2023, nr. 21/02901
ECLI:NL:HR:2023:721
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-05-2023
- Zaaknummer
21/02901
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:721, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑05‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:500
ECLI:NL:PHR:2023:500, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 18‑04‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:721
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. rijden onder invloed van cannabis (art. 8.5 WVW 1994) en rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (art. 9.2 WVW 1994). Dubbel verstek. Kan e-mailbericht van verdachte (grievenformulier dat is gehecht aan akte instellen hoger beroep) worden aangemerkt als appelschriftuur? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Gelet op dit grievenformulier is ‘s hofs oordeel dat door of namens verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat verdachte mede daarom ex art. 416.2 Sv n-o wordt verklaard in h.b., niet zonder meer begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/02901
Datum 16 mei 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juni 2021, nummer 21-001594-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte door het hof in het hoger beroep.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 7.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2023.
Conclusie 18‑04‑2023
Inhoudsindicatie
-
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/02901
Zitting 18 april 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
Bij arrest van 30 juni 2021 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2020 waarin de verdachte wegens ‘overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ en ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ is veroordeeld tot 3 weken gevangenisstraf, een geldboete van € 950,00, subsidiair 19 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 8 maanden.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep en bevat de klacht dat het hof onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2021 houdt het volgende in:
‘De verdachte genaamd (…) is niet verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert dat het hof de verdachte, zonder verder onderzoek van de zaak, niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu de verdachte geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van de politierechter.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en doet direct uitspraak.
AANTEKENING MONDELING ARREST
De voorzitter deelt mede:
Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.’
5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Akte instellen hoger beroep’ die onder meer inhoudt:
‘Op 06 april 2020 kwam ter griffie van deze rechtbank, locatie Lelystad, de schriftelijke verklaring van
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats]
wonende te [a-straat 1], [postcode] [plaats]
die verklaarde:
hoger beroep in te stellen tegen het eindvonnis, door de politierechter in deze rechtbank, locatie Lelystad, op 11 maart 2020 gewezen.
Waarvan akte.
de comparant, de griffier,
Zie aangehecht schrijven. [handtekening]
6. Aan deze akte is een e-mail van de verdachte gehecht die, zo begrijp ik, op 6 april 2020 is ingekomen bij de griffie van de rechtbank Midden-Nederland, Locatie Lelystad. De e-mail is gericht aan ‘Strafrecht Lelystad (Rechtbank Midden-Nederland)’, heeft als onderwerp ‘hogerberoep [verdachte]’, vermeldt als datum ‘maandag 6 april 2020 7:48:32’ en noemt als bijlagen twee screenshots. Deze e-mail houdt het volgende in:
‘Grievenformulier
Verdachte
(…)
Om één of méér van de volgende reden kom ik in hoger beroep:
Gang van zaken ter terechtzitting
(x) Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat:
Ik niet op de hoogte was van de zitting en ik had een afspraak bij jellinek
(…)
Schuld/onschuld of bijzondere reden
(x) Ik ben onschuldig
geblowd pas nadat ik ben staande gehouden
(…)
Strafmaat
(x) Ik heb bezwaren tegen de (hoogte van) de opgelegde straf:
erg hoge straf 3 weken vastzitten
boete erg hoog 950
en ook nog eens 8 maanden rij ontzegging
(…)
Datum 03 04 2020
Handtekening (…)’
7. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat door of namens de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend en dat de verdachte mede daarom op de voet van artikel 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, niet zonder meer begrijpelijk.1.
8. Het middel slaagt.
9. Gronden waarop Uw Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑04‑2023